Chapter 6 of 8 · 3720 words · ~19 min read

Part 6

Ook Koeten huizen er. Hun kort gekef heb ik al gehoord en daar tegen den rietzoom ziet ge een paar van die zwarte vogeltjes voortzwemmen. Nog wat beter toekijken en dan zien we tusschen de beide groote vogels nog een stuk of zes kleintjes, pikzwarte donsvogeltjes met soms wat duidelijk rood aan den kop. De oude Koeten hebben, zooals ge weet, op den snavel een witte plaat, welke ook nog een eind tegen het voorhoofd oploopt. Plots duikt er een en als hij weer boven komt, roeien al de jongen in pijlsnelle vaart op hem af en de buit wordt verdeeld. In het ijle riet kunnen we het Koetennest ook wel te zien krijgen, een bouwsel van riet en biezen, dat een paar decimeter boven het water uitsteekt en bereikt wordt langs een goed onderhouden hellend vlak. Is dat ook een klein Koetje, daar in de biezen? Neen, ’t dier is bruinig, de borst satijnig wit en op het gebied van staart heeft deze vrind nog minder in te brengen dan de Koet. Dat is een Dodaarsje (101) of Hagelzakje. Die heeft zijn nest gewoonweg aan de oppervlakte van ’t water en ik durf wel zeggen, dat hij het heeft opgebouwd uit Bronmos (Fontinalis Antipyretica), een plantje, dat op sommige plaatsen den bodem onzer Muien bedekt met een dicht, ruig, groen tapijt. De vogel heeft altijd een extra hoeveelheid van dit materiaal bij de hand, om, wanneer hij bij gevaar het nest verlaten moet, nog eventjes gauw de bruingele eieren dicht te dekken. Dat doen al zijn familieleden, de Futen. In sommige jaren huizen hier in de Muien ook wel de Geoorde Futen. Die zijn iets grooter dan het kleine Dodaarsje en de mannetjes hebben over de oorstreek een groep van aardige, kleurige veertjes, oranje met bruin. Deze Geoorde Futen broeden graag in troepjes bijeen, vier of zes nesten bij elkaar, maar ze schijnen nog niet een vaste voorkeur voor bepaalde plaatsen te kunnen hebben. Soms maken ze een paar jaar achtereen hun nesten in dezelfde plassen en dan blijven ze weer opeens weg. We hopen ze nog eens tot de vaste klanten van onze Muien te mogen rekenen. Hetzelfde geldt voor de Lepelaars. Ieder jaar hopen we op Lepelaarnesten in de Mui. In 1924 hebben ze in de Groote Mui een tiental nesten gebouwd. Het Staatsboschbeheer heeft er toen zorg voor gedragen, dat de broedplaats zooveel mogelijk met rust werd gelaten en er was toen geen sprake van, dat je in die Groote Mui zou mogen wandelen. Het is toen echter met die broederij niet goed geloopen, niemand weet door welke oorzaak en in 1925 zijn ze toen weggebleven. Wij kunnen echter wel veilig voorspellen, dat ze het binnenkort nog weer eens zullen probeeren, want in het Zwanewater bij Callantsoog, waar bijzonder goed op de vogels gepast wordt, is de Lepelaarbevolking in de laatste jaren zoo toegenomen, dat er wel gebrek aan plaats moet komen. Ze kunnen dan niet beter doen, dan zich weer op Texel te gaan vestigen, hetzij in de Muien, hetzij in het nieuwe duinmeer aan den zuidkant, dat wij morgen hopen te bezoeken.

Daar vliegen opeens al onze eenden op. In een lange rij komen ze aan ons voorbij vliegen. De bewaker van het duin heeft ze opgeschrikt. Nu komen ook uit het riet de Reigers te voorschijn, veertien stuks. Ze gaan de hoogte in, kringen dan rond en strijken de een voor, de ander na, neer op de duintoppen rondom ons meertje en daar staan ze nu onbeweeglijk als schildwachten rondom een bewaakt gebied. Nu kunnen wij ook wel opstappen, de helling af naar den waterkant. Ik weet dat hier een soort van pad naar het zuiden leidt, maar we mogen er altijd wel op bedacht zijn, dat we hier en daar te doen zullen krijgen met weelderig uitgegroeide duindoorns of een plekje van een meer dan gewone graad van drassigheid. Als we opstaan, vliegen er nog eenige Eenden en Reigers op, de dapperen, die door de verschijning van den bewaker met zijn hondje nog niet schichtig waren geworden. Ook schiet er een Watersnip omhoog in zigzaglijn met luid „etsj, etsj” en als zij een eindweegs is opgeschoten gaat zij omhoog vliegen. Nu even stil gestaan, want dat kan aardig worden. Zij vliegt al hooger en hooger, spreidt dan vleugels en staart wijduit, glijdt plotseling omlaag en nu hoor je duidelijk het geluid, dat herinnert aan het blaten van een lammetje. Dit is de lentevlucht en het lentegeluid van de Watersnip en we mogen er op rekenen, dat die nu ook hier haar nest heeft. Daar ben ik heel blij om, want eenige jaren geleden, eer nog de Muien tot natuurmonument waren verklaard is bij den aanleg van wegen ten behoeve van de bebossching een klein, maar zeer mooi valleitje, waar altijd de Watersnip broedde te midden van de mooiste bloemen, met zand dichtgegooid. Zoo iets zou tegenwoordig natuurlijk nooit meer gebeuren, want ofschoon de Watersnip nog broedt door het heele land, wordt zij toch hoe langer hoe zeldzamer, ten eerste doordat de moerassen worden ontgonnen en ontwaterd en ten tweede doordat de jacht op Watersnippen nog is toegelaten in den broedtijd. Gelukkig zijn met goeden wil en inzicht beide euvelen nog wel te verhelpen. Nog is het niet te laat.

Nu het pad langs. We hebben ook de kleine vogels opgeschrikt, die in de doornstruiken huizen en die vertoonen zich nu allerwege. Daar vliegt er een zingend omhoog, bruin en grijs met een wit keeltje. Hij brengt het niet ver, daalt spoedig weer en zijn schrille liedje is dra geëindigd. ’t Is de Grasmusch (98) en na hem zien we er nog een stuk of zes, want dit zijn wel zeer algemeene vogeltjes. Ook Kneuen huizen hier in groot aantal en het mooie Paapje met zijn roodbruin borstje en de breede, witte wenkbrauwstreep. Die heeft niet bijster veel te vertellen, niet anders dan „utak, utak” en als je hem op het juiste oogenblik treft, dan hoor je hem ook wel eens een klein liedje zingen. Maar wat hem aan zangkunst ontbreekt, wordt goed gemaakt door zijn sierlijk figuurtje, zijn levendige kleuren en aardige maniertjes. Kijk, recht voor ons uit zweeft een vogel op breede wieken en Vischdiefjes staan boven hem te bidden. Eén schiet er neer en de groote vogel draait zijn breede kop afwerend hem tegemoet. Het is een Velduil en die Vischdief behoeft zich niet zoo zenuwachtig te maken, want de Uil kan hier genoeg muizen vangen. Het is voor ons wel een beetje vreemd om dien Uil hier te zien in ’t volle zonlicht van den zomerdag, terwijl we toch op school geleerd hebben, dat de Uilen nachtdieren zijn en de muizen min of meer ook. Je ziet echter op onze eilanden èn de Velduilen èn de Muizen dikwijls genoeg op klaarlichten dag. Het komt er maar op aan, om zelf ook de zomerdagen zooveel mogelijk buiten door te brengen.

Nog weer een tamelijk groote vogel, met langen staart. Een Sperwertje? Neen, ’t is een Koekoek (66). Zie maar zijn platte lichaam en duidelijken snavel.

Dikwijls wemelt het op Texel van de Koekoeken, maar dit jaar zijn er blijkbaar nog niet genoeg, want heele stukken duindoorns zijn kaal gevreten door de rupsen van den Bastaardsatijnvlinder. In vorige jaren is dat ook al gebeurd. ’t Is een naar gezicht, al die doode struiken en daarin nog de overblijfsels van de nesten van de Bastaardsatijnvlinder (59). Er zijn maar weinig vogels, die harige rupsen kunnen of willen eten. De Koekoek is er een baas in en daardoor een der allerbeste vrienden van het duin. ’t Is wel jammer, dat elk koekoeksjong het leven kost aan vier of vijf jonge Grasmuschjes of Piepertjes of Kwikstaartjes enz., doch daar moeten wij in berusten en hopen, dat er van die vogeltjes zooveel kunnen tieren, dat er wel wat af kan. We zouden den Koekoek toch ook niet graag willen missen, niet alleen om de rupsenvreterij, of om zijn zoo dikwijls geprezen en bezongen roep, maar ook om zijn aardige verschijning, al hebben vele menschen hem nooit gezien. Maar wie in Mei en Juni op Texel komt kan Koekoeken te zien krijgen zooveel hij wil. Zij zitten dikwijls genoeg te roepen op de telefoondraden.

Al uitkijkend naar de vogels mogen wij toch ook de bloemen niet vergeten. Er groeit hier nog heel wat meer dan duindoorns en russchen en in den loop der jaren zal het hier nog mooier worden, want de Buiten-Mui is nog betrekkelijk jong. Zij staat al vol met Orchideeën. In Waal en Burg zagen wij hoofdzakelijk de Harlekijnsorchis. Die vinden we in de Mui ook wel, maar nog meer staan er de Handekenskruiden en wel in het bijzonder het Vleeschkleurig Handekenskruid (18). Ook de beide andere Handekenskruiden, het Gevlekte (I) en het Breedbladige (50) ontbreken niet en we vinden er genoeg waarvan niet met zekerheid uit te maken is, tot welk van de drie soorten ze wel behooren en die we dus misschien voor bastaarden moeten houden. ’t Is wel goed om eens op al die verscheidenheid te letten, verscheidenheid in grootte, in aantal en afmeting der bladeren en in de gevlektheid van de bladeren. De kleur der bloemen loopt van wit tot heel donkerpaars en de teekening op de onderlip kan vlekkig zijn of strepig, flauw of forsch en van allerlei kleursterkte. Behalve die kleurige Handekenskruiden groeien hier nog een paar Orchideetjes, welke de gewone wandelaar licht over het hoofd ziet maar die de plantenkenner begroet met ware vreugd. Ze hebben bleekgroene bloempjes. De eene zullen we Sturmia (54) noemen, die heeft een nog al lossen tros met weinig maar nog al tamelijk groote bloempjes. De andere heet Herminium, die heeft een dichter tros, maar de bloemen zijn klein. Beide plantjes groeien alleen op echt wilde ongerepte plaatsen, de Herminium alleen in het duin en ook wel in Zuid-Limburg, de Sturmia ook wel in de prachtige moerassen langs de laagveenplassen, waar ook de Veenbes zijn slingers maakt over de Veenmoskussens en waar de Koningsvaren groeit. Daar wil ook wel als groote zeldzaamheid het Rondbladig Wintergroen groeien, dat we allengs beter kennen onder den naam van Pirola en dat staat hier ook in de Mui bij troepjes, gaarne onder bescherming van de Duindoorns. Dit is een van de bloempjes, waarvan ik toen ik pas op de planten begon te letten, haast niet kon gelooven, dat het zoo maar in het wild kon groeien. De roomig witte wijde klokjes, met de vreemd gevormde meeldraden en de gebogen stijl, bij tientallen vereenigd tot een tros aan loodrechten bloeistengel, lijken op geen andere bekende Nederlandsche bloem. Die stengel komt omhoog uit een rozet van glimmend groene, bijna ronde blaadjes. Meest groeien die Pirola’s troepsgewijs. Ze verspreiden een heerlijken geur en je zoudt denken, dat daar wolken van insecten op af zouden komen, maar in de vele honderden uren, die ik bij Pirola’s heb doorgebracht, zag ik er maar enkele zweefvliegen. In één adem met de Pirola wordt doorgaans de Parnassia genoemd, doch die bloeit later en ’t is al mooi, als we begin Juni wat dikke witte bolvormige bloemknoppen ontdekken. In Augustus staan ze in vollen bloei en dan kunnen we mooi zien, hoe de vijf meeldraden ieder op zijn beurt dag voor dag naar ’t midden van de bloem buigen om daar hun helmknop te openen. En als de vijfde, na zijn helmknop geledigd te hebben, weer buitenwaarts is omgebogen komt de stengel pas tot ontwikkeling. En al dien tijd hebben de buitengewoon sierlijke honigorganen, die tusschen de meeldraden staan met hun glanzige knopjes, de zweefvliegen en bijtjes gelokt, die nog al druk deze bloemen bezoeken. Hier gaan we in den nazomer ook zoeken naar Gentiaantjes, de kleine Bittere Gentiaan, Gentiana Amarella (15) en de veel zeldzamere Veldgentiaan, Gentiana Campestris (13).

Al rondkijkend bereiken wij het einde van het meertje, het einde van de vallei. Dit is nog een alleraardigst stukje duinpan met een groote verscheidenheid van plantengroei, overeenkomend met heuveltjes van geen beteekenis en delletjes, haast zonder diepte en juist daardoor merkwaardig. Want nu kun je zien hoe groot verschil in plantengroei veroorzaakt wordt door enkele centimeters verschil in waterstand. We klimmen nu langzamerhand en ontmoeten nog een paar aardige planten. Vooreerst de Kleine Ruit (43), Thalictrum minus, een allersierlijkste plant, behoorende tot de ranonkelfamilie met mooie, fijn verdeelde bladeren en bloempjes waaraan niet de kelk en de kroon, maar de meeldraden het meest in ’t oog vallen. Deze Kleine Ruit is in ’t Hollandsch duin zeldzaam, op Texel niet algemeen, maar op Schiermonnikoog groeit hij als gras. Naast die Kleine Ruit vinden we misschien hier nog een enkele Jeneverbes, maar die groeit elders op Texel meer. En nog al merkwaardig is de tegenwoordigheid van de Strandwinde (26), Convolvulus Soldanella. Haar bloemen zijn als die van Heggewinde, even groot, maar minder diep en vrij sterk rose gekleurd. De bladeren zijn tamelijk dik en vleezig en rondachtig, niervormig en ze lijken werkelijk wel op die van het beroemde Alpenplantje Soldanella. Deze Strandwinde behoort, zooals haar naam aanduidt, eigenlijk thuis in den zeelooper en daar vinden wij haar ook bij Noordwijk en op Voorne en Walcheren. Dat zij hier groeit zoover in de binnenduinen brengt ons in herinnering, dat dit binnenduin eenmaal werkelijk buitenduin is geweest. De Buiten-Mui was toen strand, evengoed als thans de Sluftervlakte. Wij beklimmen nu het hooge duin en blijven een kwartiertje op den top zitten of eventjes onder den top, als ’t naar onzen zin wat te hard waait. Prachtig liggen nu de beide duinmeertjes voor ons en duidelijk zien we, dat links van de Buiten-Mui, dus naar de zee toe, alweer een nieuwe vallei is afgesnoerd en dat zich daar ook een zoetwatermeertje gaat vormen. Zoo groeit hier het natuurmonument der Muien aan. Rechts van de Groote Mui ligt ook nog een groote vlakte, rijk aan natuurschoon, maar die valt ten offer aan den „landhonger” en wordt ontgonnen tot wei- en hooiland. Ja, je moet weten te geven en te nemen. Nu naar huis en morgen naar de bebosschingen, naar Den Hoorn en naar De Pannekoek.

V. NAAR HET ZUIDEN

Vroeg in den morgen rollen we op onze fietsen de hoogte af, niet regelrecht het dorpje Koog in, maar aan den zoom van het dennenbosch dadelijk rechtsaf. Het Staatsboschbeheer heeft hier, vooral ter wille van zijn eigen ambtenaren, een rijwielpad aangelegd, eenmans breed en daarlangs hopen wij nu op aangename en gemakkelijke wijs het dorpje Hoorn te bereiken. Het eerste deel van ’t pad is mooi hard, dan komt een stuk dat onbegrijpelijkerwijs rul en hobbelig is gebleven en dat hooge eischen stelt aan onze rijkunst. Ik loop daar liever. Verderop wordt het weer heel goed. Aanvankelijk hebben wij rechts nog de duinen, hier wat minder dicht begroeid dan die noordelijk van Koog. Er is ook al in gewerkt voor bebossching en sommige plekken zijn bestoken met jonge dennetjes.

Verderop maakt de weg een bocht en dan komen we in op het eerste gezicht mooie frissche perceeltjes hooiland van de nieuwe ontginning. Voor de aardigheid moet ge eens letten op de slootkanten. Daar ziet ge Ratelaar en Kartelblad, Tormentil, ook een enkele Orchidee en in den nazomer ook wel bloeiende Klokjesgentianen (17), allemaal herinneringen aan den tijd, toen hier een wilde drassige heide lag, de Miente, een tooverland van wilde bloemen en vogels, dat zich uitstrekte van Den Hoorn tot voorbij De Koog. ’t Is nog al aandoenlijk, hoe nog jaren na het begin van ’t ontginningswerk de mooie wilde planten zich weten te handhaven langs wegbermen en slootkanten. Dat kunt ge niet alleen op Texel, maar overal elders in de wereld waarnemen. Met een jaar of tien is al het moois voor goed verdwenen.

Voorbij het hooiland komen we aan een rechte sloot, een der afwateringen van het Mientebosch. De oevers zijn nu begroeid met Dotterbloemen en Vergeetmijnietjes en hier en daar een enkele Waterklaver of Waterdrieblad (47), een van de mooiste oeverplanten van de wereld. Vijfendertig jaar geleden groeide die op Texel langs tal van plassen en waterloopen, nu wordt hij al zeldzamer en zeldzamer. Misschien zal hij zich aan de meertjes van het Muigebied nog wat willen uitbreiden, evenals de prachtige en zeldzame Tengere Bastaardmuur (55), Anagallis Tenella, die vroeger op de Miente in grooten overvloed bloeide en die in de eerste jaren van den bebosschingstijd zich nog op vochtig zand wist te handhaven, tusschen de witte Elzen.

Als wij nu het brugje over die afwatering gepasseerd zijn, komen wij in het bosch op een stuk weg, dat al werkelijk aanspraak zou kunnen maken op de benaming van laan. Iedereen zal op deze plek moeten erkennen, dat er door de Staatsbebossching (5) toch een zeer goed werk is verricht en dat Texel als woonplaats er heel wat aan heeft gewonnen. Bij alle goede dingen, waarop ons eiland trotsch kan zijn, ontbreekt er toch dikwijls één begeerenswaardig iets en dat is luwte. Het waait er haast altijd en de wind strijkt vroolijk over het boomlooze land. En nu is het werkelijk een heel nieuwtje voor ons, oude Texelaars, om hier in het weliswaar nog niet zeer hooge dennenbosch schuilplaats te vinden en intimiteit. Om dit goed te beseffen moet iemand, die Texel voor het eerst bezoekt, juist zooals wij deden, eerst eenige dagen ronddolen over het eiland en eens flink tegen den wind in fietsen door Eijerland en Waal en Burg. Dat helpt prachtig, om dan den derden dag de bebossching te leeren waardeeren. Toen ik in 1890 en 1891 op Texel woonde, werd over de mogelijkheid van bebossching ook al heel druk gesproken. Vooruitstrevende Texelaars van die dagen hadden hun zinnen gezet voornamelijk op vijf dingen: een eigen stoombootdienst, een tram, een kanaal van Oude Schild naar Cocksdorp, een gasfabriek en de bebossching en ontginning van de Mient. Nu de meeste van die wenschen zijn in vervulling gegaan of zelfs door beter dingen vervangen. Practische mannen hadden ook al de bebossching zelf ter hand genomen, hoofdzakelijk met loofhout en daarvan getuigt nog het boschje van den Nieuwen Aanleg tegen de Mient aan. In mijn tijd meende men nog, dat naaldhout niet op Texel kon tieren. Van de velerlei deugden van den Oostenrijkschen of Zwarten Den begon men pas eenig besef te krijgen. Eerst na 1895 kwam er schot in de zaak en thans in 1927 zijn al honderden hektaren beplant.

Die Zwarte Den komt in hoofdzaak voor in twee verscheidenheden: de Oostenrijksche en de Corsicaansche Den. Vooral de laatste is zeer goed bestand tegen den zeewind en ’t is een lust, om te zien hoe sommige perceeltjes prachtig gedijd zijn. Het is nu al zoover, dat een groot deel van deze bosschen al bloeien en dennekegels voortbrengen. Nog staan de stammetjes dicht opeen en is er geen sprake van dat we buiten de paden door het bosch kunnen dolen. Doch geduld maar, over een jaar of tien wordt dat al anders en dan krijgt Texel een bosch, dat nog eens zal kunnen wedijveren met de beroemde Manteling van Walcheren. Natuurlijk blijf ik betreuren, dat in het begin de onovertreffelijke Fonteinsnol zoo verknoeid is en dat men heeft nagelaten, om sommige daarvoor zeer geschikte plekjes van de Mient in hun oorspronkelijken staat van bloemenweelde te behouden. Ook zou ik het betreuren, als de nu nog bestaande valleien van den zuidwesthoek van ’t duin in ontginning worden gebracht. Maar dit alles neemt niet weg, dat ik met genoegen in ’t Mientebosch vertoef, vooral nu ook de Nachtegaal er zijn tentje heeft willen opslaan.

Wij rijden zeer genoeglijk langs de goede paden. Er is ook voor afwisseling gezorgd, dat hebben de zwarte pijnen wel noodig. Nu eens is het een vroolijk berkenlaantje, dan bloem en plantsoen rondom de woningen van de boscharbeiders, dan een helgroen perceeltje eikenhout, een veldje fel geel van geurige lupine en boschjes van Witte Elzen, waarin zich warempel ook al een enkele varen vertoont. Zoo’n nieuw bosch wordt pas aardig, wanneer op den grond tusschen de boomen zich allerlei wilde planten vertoonen, die er „vanzelf” gekomen zijn en zoodra die nieuwelingen even mooi en merkwaardig blijken als de oorspronkelijke planten, die er door de ontginning zijn vernietigd, dan raken we verzoend met de verandering.

De ongeduldigsten van ons troepje, die heelemaal vooraan rijden, kennen in ’t minst den weg niet en rijden nu te ver, den Bakkenweg voorbij. Het hindert niet erg, over een paar minuten zullen ze wel merken, dat ze verkeerd zijn en dan wachten ze van zelf. Ook behoeven we niet terug te gaan, want er zijn meer wegen, die naar Den Hoorn leiden. Ook kunnen we van de gelegenheid gebruik maken, de fietsen langs het pad neer te leggen en eventjes rechtsaf het duin in gaan, om een van de vele vlakken te bekijken, die hier den zuidwesthoek sieren. Vroeger waren die vlakken nog mooier, ze hebben geleden door ontwatering. Ik hoop, dat er binnen niet al te veel jaren, nog eens een tijd komt, dat men dergelijk woest land om zijn pracht van planten en dieren, om de merkwaardigheid van zijn ontwikkeling, van hooger waarde acht dan schapenwei of ruigtesnijplaats. Hier in deze vlakte groeien nog naast struikhei (38) en dophei (45) en kraaihei (40) en gagel de aardige jeneverbessen, eenige soorten van zonnedauw, Parnassia en Pirola en groote blauwe Klokjesgentianen. Op de natte plaatsen staan mooie Rietgrassen en in ’t bijzonder de groote Galigaan, meterhoog opschietend en met zijn scherpe stekelige bladeren ondoordringbare boschjes vormend, waar de Aschgrauwe Kiekendief (65) in veiligheid zijn jongen groot kan brengen. De Aschgrauwe Kiekendief is de koning van deze valleien. Als we hier rustig eenige uren doorbrengen, dan duurt het niet lang, of we hooren het hoog gefluit van ’t mannetje. Op zijn lange spitse wieken zweeft hij rond en in goed licht kunnen we zijn mooie aschgrauwe kleur bewonderen en de vlekteekening in zijn oksels. Daar komt het wijfje omhoog. Zij heeft haar nest in de galigaan, in den kruipwilg of in de struikhei verlaten en vliegt hem tegemoet om de prooi in ontvangst te nemen, die hij aanbrengt en hoe die in ’t nest aan de jongen wordt voorgediend hebt ge wellicht al wel eens gezien op de wondermooie film, die Burdet van het leven dezer vogels hier heeft weten te maken. Alleen al om Burdet te eeren, moesten deze valleien in hun besten natuurstaat behouden blijven. In die pannen nestelen ook de tamelijk zeldzame Sprinkhaanrietzanger en de zeldzame Duinpieper (108).