Chapter 1 of 5 · 3981 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 328 HET RAADSEL VAN NIASSA.

HET RAADSEL VAN NIASSA.

HOOFDSTUK I.

HET LATIJNSCHE MANUSCRIPT.

In Lombard Street te Londen bevinden zich sedert onheugelijke jaren een groot aantal winkels van boekhandelaren, die allen met elkander gemeen hebben, dat zij geen nieuwe boekwerken verkoopen, maar uitsluitend oude, stoffige folianten, handschriften, merkwaardige prenten, houtsneden, staalgravuren, en dat alles hoe ouder hoe liever.

Er hangt in deze smalle straat als het ware een wolk van stof, en de lucht van oud perkament en van vergeelde bladen zal er naar het schijnt nimmer verdwijnen.

Sommige winkels bestaan daar reeds vele eeuwen, en zijn zoo oud als de huizen zelve waarin zij gevestigd zijn.

Die huizen zijn smal, donker, vervallen en zwart berookt, zij schijnen steun bij elkander te zoeken, uit vrees dat zij anders zullen omstorten.

De ramen hebben kleine ruitjes, met een groen violetten weerschijn, waardoor het daglicht slechts spaarzaam naar binnen kan dringen.

De gangen, bevloerd met groote tegelsteenen, klinken hol, de winkels zelve zijn bedompt, en hun zolderingen zijn met door den tijd zwart geworden eikenhouten balken beschoten.

Het eikenhout is trouwens niet gespaard in deze huizen, en een handelaar in oudheden zou er zijn hart kunnen ophalen. Daar zijn prachtige eikenhouten wenteltrappen en gansche kamers en gangen die tot een manshoogte met prachtig besneden, duimdik eikenhout bekleed zijn; daar zijn de groote saterkoppen, prijkende boven aan de topgevels, en daar zijn ook de eeuwenoude eikenhouten kabinetten, die van geslacht op geslacht zijn overgegaan.

Vele winkeliers in deze straat hebben volstrekt geen offer willen brengen aan den geest des tijds, en wilden van electriciteit niets weten, zelfs niet van het zooveel oudere gas maar vergenoegden zich er mede, hun winkels en woonkamers met petroleumlampen te verlichten.

De bedienden in deze winkels zijn meestal tenger en bleek, en zij zien er uit als witte muizen, schuw voor het licht, en langen tijd met de oogen knippend als zij uit hun stoffige gevangenissen op straat komen, en door het zonlicht getroffen worden.

Hoog opgestapeld liggen er de boeken op de dikke planken, maar de kostbaarste exemplaren worden achter slot en grendel bewaard.

Het is zeer stil in deze straat, waar hoogst zelden een voertuig passeert, en weinig in aantal zijn de voorbijgangers.

Het is alsof men het niet waagt, het stof in beroering te brengen dat hier sedert eeuwen zich verzameld heeft.

Tot een der trouwe bezoekers van deze straat behoorde Lord William Aberdeen, de bekende Londensche philantroop, die hier minstens eenmaal in de week verscheen, ten minste wanneer hij niet op een zijner buitenlandsche reizen was, om hier zijn collectie oude boekwerken en platen aan te vullen.

Hij kende maar één werkelijke passie en dat was het verzamelen van oude boeken, waarvan hij dan ook een hartstochtelijk liefhebber was.

In zijn fraai huis aan de Regent Street was een geheel vertrek ingericht als een soort museum, waar hij zijn collectie had ondergebracht in een aantal kasten met glazen deuren, en waar zij zorgvuldig werd gecatalogiseerd door den jongen secretaris van Zijn Lordschap, Charly Brand geheeten.

Lord Aberdeen hield ook zeer veel van antieke wapens waarvan hij eveneens een kostbare verzameling had, maar de oude boeken namen toch het grootste gedeelte van zijn belangstelling in beslag.

Meestal kwam hij in een groote, blauwgelakte auto, bestuurd door zijn reusachtigen chauffeur Henderson, welk voertuig dan echter op den hoek van de nauwe straat bleef wachten, en te voet zette hij zijn weg voort.

Het kwam wel voor, dat hij eenige uren achtereen in Lombard Street bleef vertoeven, en achtereenvolgens alle boekwinkels bezocht.

Maar een daarvan scheen echter zijn voorkeur te hebben, een winkel boven welks deur op een zware, eikenhouten plank het jaartal 1509 stond gebeiteld, dat nauwelijks meer zichtbaar was.

Deze winkel en het huis, waarin hij gevestigd was behoorden toe aan den boekhandelaar Herbert Lee.

Hij had het huis geërfd van zijn vader, die het weder van zijn vader had gekregen, en zoo ging het door, vele geslachten lang, tot men tenslotte ongeveer in het midden van de zestiende eeuw stuitte op James Lee, een bewoner van Manchester, die naar Londen was gekomen met een klein kapitaaltje en daarmede de boekenzaak in de Lombard Street had gevestigd.

Sinds dat jaar was er niets veranderd, noch aan het huis, noch aan den winkel.

Alle leden van het geslacht Lee schenen met een bijna heiligen eerbied bezield te zijn voor oude dingen, of het nu boeken, wapens of steenen waren.

En zoo was er sedert het begin van de zestiende eeuw geen spijker bijgeslagen, en de grootste concessie, welke een der Lee’s had willen doen, was, dat hij eenige zware eikenhouten planken langs de wanden van den winkel had laten aanbrengen, omdat de voorraad boeken zoo groot was geworden, dat hij er geen raad meer mee wist.

In dit huis met zijn eigenaardigen trapgevel, zijn vierkante vensters, met de kleine, in lood gevatte ruitjes, zijn smalle gangen en wonderlijke, schijnbaar nuttelooze trapjes, zijn schilderachtigen uitbouw boven de straat, en zijn prachtigen luifel van eikenhout, door een meesterhand besneden, vertoefde Lord Aberdeen het liefst, als hij een bezoek aan die Lombard Street bracht.

Onder den luifel, die ook de smalle voordeur beschermde, waarop zich nog steeds de prachtige koperen klopper bevond, die er bij den bouw van het huis op was aangebracht, was een kleine uitstalling waar men tweedehands studieboeken voor gewone en hoogere scholen kon krijgen, maar Herbert Lee stelde zijn eigenlijke schatten niet bloot aan den invloed van zon en koude, maar bewaarde ze als een gierigaard in zijn kasten, welke zich achter in den winkel bevonden, en waar het zoo duister was, dat men er slechts op zeer zonnige dagen zonder kunstlicht kon lezen.

Zulk een heldere dag was het, toen Lord Aberdeen bij deze kast stond te lezen, dicht onder een klein vierkant raam dat op een nauwe binnenplaats uitkwam.

Hij stond daar zeker reeds een half uur bijna onbewegelijk, met zijn wandelstok met ivoren knop onder den linkerarm gekneld, de groote grijze oogen strak op de bladzijde gevestigd, en blijkbaar alles om zich heen vergetend.

Lee had zijne Lordschap trouwens ook vergeten of liever, hij bemoeide zich in het geheel niet met hem en ging voort met het catalogiseeren van eenige pas ontvangen boeken, of het helpen van een klant.

Lord Aberdeen was een trouw afnemer van hem, en hij keek volstrekt niet op den prijs, als het er om ging, een werkelijk kostbaar boek machtig te worden.

Maar wat Zijn Lordschap daar nu las scheen toch wel bijzonder belangwekkend te zijn, want als Lee nu en dan een schuinen blik op den lezer wierp, vond hij hem altijd nog in dezelfde houding staan, zich alleen bewegend om nu en dan een bladzijde om te slaan van het boek, dat hij in de hand hield.

Op dit oogenblik was de winkel geheel verlaten, want er was juist een klant vertrokken, en de winkelbediende, een spichtige jongen met een onnoozel gezicht, was uitgezonden met een boodschap.

Lord Aberdeen kwam langzaam met zijn boek in de hand, naar de breede toonbank, waar achter de boekhandelaar bezig was met schrijven, en zeide toen:

„Gij hebt hier een hoogst belangrijk, zeer zeldzaam exemplaar, mijn waarde Lee!”

De boekhandelaar schoof zijn grooten hoornen bril op zijn voorhoofd, en tuurde naar het boekwerk, hetwelk Zijn Lordschap in de hand hield.

„Hebt gij het misschien afgenomen van de kleine stapel rechts op de tweede plank van de boekenkast?”

„Geraden!” antwoordde Lord Aberdeen. „Gij zult dit werk toch zelf zeker ook wel kennen?”

„Ik heb nog geen gelegenheid gehad om er een blik in te werpen, Mylord!” antwoordde Lee.

„Doe het dan aanstonds, maar zeg mij eerst eens, hoe het komt dat gij dit merkwaardige exemplaar nog niet nader beschouwd hebt?”

„Zeer eenvoudig Mylord, ik ontving het nog geen volle twee uren geleden, het behoort bij een kleinen voorraad boeken, die een deel vormen van de nalatenschap van een halfwijzen, ouden professor, die alles aan zijn huishoudster had vermaakt, welke dame zich gehaast heeft, alles wat los en vast was, te gelde te maken. De vrouw kwam bij mij met het stapeltje boeken, ik wierp er een vluchtigen blik in, ik zag dat er wel wat aardigs bij was, en ik heb haar twee pond betaald.”

Zijn Lordschap wierp den boekhandelaar een eigenaardigen blik toe, en hernam:

„Inderdaad, gij moet de boeken wel zeer vluchtig bezien hebben! Maar hebt gij dan in het geheel niet bemerkt, dat er een handschrift bij is?”

„Ja, ik meen mij zoo iets te herinneren!” stotterde de boekhandelaar. „Ik heb mij echter niet den tijd gegund, alles nauwkeurig door te zien.”

„Dat moet wel zoo zijn,” hernam Lord Aberdeen lakoniek, „want indien ik een handelaar was in oude boeken, dan zou ik voor het exemplaar dat ik hier in de hand heb op zijn minst honderd pond hebben betaald. Misschien doe ik mij zelf schade, door u dit te bekennen, omdat ik voornemens ben, dit manuscript van u te koopen, maar het is zoo als ik zeg.”

En met deze woorden wierp Lord Aberdeen het boek op de toonbank, en nam op een der oude stoelen plaats, van waar hij Lee strak aankeek.

Deze had zijn bril met een ruk voor de oogen getrokken, en greep nu het manuscript, dat in zoo hooge mate de belangstelling van een zijner beste klanten had gaandegemaakt.

En hij behoefde er niet lang in te bladeren, om tot de overtuiging te komen, dat hij hier inderdaad een zeer merkwaardig werk voor zich had.

Hij kuchte eens en zeide toen:

„Luister eens Mylord, gij hebt mij als een eerlijk man leeren kennen niet waar?”

„Zoo eerlijk als een antiquair maar met mogelijkheid kan zijn, mijn waarde Lee.”

„Welnu ik erken, dat ik die huishoudster van dien onwijzen professor wel wat weinig betaald heb! Ik zal haar schrijven, want gij weet dat ik altijd de namen noteer van degenen die mij boeken verkoopen, en ik zal haar vijftig pond sturen!”

„Daar doet gij wel aan vriend Lee, want dat is dit ding op zijn minst waard.”

„Gij hebt gelijk Mylord. Het is een handschrift en naar de lettersoort en de taal te oordeelen, eveneens afgaande op de wijze van inbinden en het dikke perkament van den band, moet dit boek met zijn ongeveer twee en dertig pagina’s geschreven zijn in het begin van de veertiende eeuw.”

„Dat meende ik ook,” kwam Lord Aberdeen, „en ik vermoed, dat het door monniken gedaan is, zooals destijds menigmaal geschiedde. Let maar eens op de bewerkelijke beginletters van ieder hoofdstuk. Ware juweeltjes van schoonschrijfkunst. Vele bewoners van kloosters brachten aldus hun tijd door, en er zijn talrijke voorbeelden, dat monniken de schoonste gedeelten van den Bijbel overschreven, alleen maar om zich bezig te houden.”

Lord Aberdeen had het manuscript weder in handen genomen en sloeg de perkamente bladzijden om, beschreven met zwarte en roode inkt, die slechts op zeer weinig plaatsen zoodanig verbleekt was, dat men het schrift niet meer kon lezen.

Toen hernam hij:

„Ik behoef U natuurlijk niet te vragen, of gij Latijn kent, mijn waarde Lee?

„In die taal is het manuscript geschreven, en dat pleit nog meer voor de opvatting, dat dit werk door monniken is verricht en zeer waarschijnlijk door Duitsche! Lees eens een klein gedeelte, hier bijvoorbeeld, en zeg mij Uw oordeel!”

Hij schoof den boekhandelaar het manuscript weder toe, en wachtte met over elkander geslagen armen weder af, tot Lee gereed zou zijn.

Dat ging niet zoo spoedig, want het was geen modern Latijn, en Lee moest nu en dan zijn woordenboek raadplegen, terwijl bovendien enkele woorden moeilijk leesbaar waren.

Maar toen hij eindelijk het hoofd ophief, lag er een uitdrukking van verbazing, ongeloof en spot op zijn met rimpels doorploegd gelaat.

„Welnu, wat zegt gij er van?” vroeg Lord Aberdeen.

„Het manuscript is echt, Mylord, daaraan valt niet te twijfelen, maar de inhoud is zuivere onzin?”

„Zoudt gij denken?” vroeg Zijn Lordschap, den knop van zijn wandelstok tegen zijn kin duwend.

„Maar dat spreekt toch immers vanzelf Mylord!” riep Lee uit. „De man die dit boek geschreven heeft, raaskalt van ongehoorde schatten in het duisterste gedeelte van Afrika, waarvan geen sterfelijk wezen zich eenige voorstelling kan vormen, tienduizenden reusachtige olifantstanden, honderden kisten vol juweelen van allerlei aard, turkooizen en safieren, robijnen en diamanten, smaragden en topazen! Hij praat maar van gansche karavanen, bestaande uit honderden kameelen, alle beladen met zware kisten vol gouden staven en stofgoud! Maar dat is nog niet het ergste van den gek, die zijn tijd verbeuzelde met dit handschrift, hij spreekt van voorwereldlijke monsters, van Brontosauriërs en Ichthyosauriërs, die daar nog vrij talrijk zouden zijn voorgekomen, ten tijde toen onze vriend dit manuscript schreef. Heb ik dan niet gelijk met te zeggen, dat wij hier aan een sprookje, aan kinderachtigen beuzelpraat moeten denken?”

„O, wat dat betreft, mijn waarde Lee, ik houd het met den jongen Hamlet, die verklaarde, dat er tusschen hemel en aarde nog veel dingen bestaan, welke onze schoolsche wijsheid niet kan omvatten.”

Lee keek zijn klant verbaasd aan, en riep uit:

„Maar dan zouden wij daar toch iets van moeten weten Mylord!”

„Dat is volstrekt niet noodzakelijk, mijn waarde Lee! Gij zoudt toch zeker niet durven volhouden, dat Afrika reeds van Oost tot West, van Noord tot Zuid doorvorscht is? Het zal U toch niet onbekend zijn, dat er zelfs op de laatst uitgekomen kaarten van Afrika nog zeer vele witte plekken voorkomen, ten bewijze, dat nog geen Europeaan daar is doorgedrongen! En zelfs in de gedeeltes welke wij zoogenaamd kennen zijn nog ontzaglijke stukken, waar wij nog nooit zijn doorgedrongen. Vele zijrivieren van de Kongo-rivier bijvoorbeeld, dat wil zeggen van een der voornaamste stroomen in Centraal-Afrika, zijn nog nimmer bevaren en hunne oevers zijn nog nimmer door den voet van een blanke betreden, dat wil zeggen: wij weten volstrekt niet wat daar omgaat.”

„Dat wil ik U toegeven Mylord, maar tusschen niet weten en maar wat opschrijven en fantaseeren bestaat nog een groot verschil!”

„Als gij van fantasie spreekt, waarde Lee, dan moogt gij er althans den monnik die dit handschrift vervaardigde niet van beschuldigen, want in een soort voorrede verklaart hij, dat hij dit manuscript heeft nageschreven van een Romeinschen Papyrus die zelf nog dertien eeuwen ouder was! Dat wil dus zeggen, dat het origineel van dit handschrift voor de geboorte van Christus moet zijn vervaardigd. Waarschijnlijk waren daar in de ervaringen verhaald van een Romein die meer van Afrika gezien had dan zijn landgenooten die er uitsluitend kwamen om onder bevel van Julius Caesar te strijden.”

Lee keek Lord Aberdeen een oogenblik aan, alsof hij aan zijn verstand twijfelde, maar lang durfde hij toch niet kijken, want Zijn Lordschap was een goede klant, en daarom maakte hij aanstonds van de gelegenheid gebruik, en vroeg:

„Wil Mylord dit merkwaardige handschrift koopen?”

„Wat vraagt gij er voor?”

„Vindt gij honderd pond te veel?”

„Ik zal ze U aanstonds betalen, mits ge mij op uw woord belooft, dat gij op staanden voet vijftig pond aan de huishoudster van den overleden professor zendt.”

„Ik geef er U mijn woord op, Mylord!” antwoordde Lee haastig. „Ik zal het manuscript even voor U inpakken, want gij zult het wel aanstonds willen meenemen.”

„Dat wilde ik U juist verzocht hebben,” hernam Lord Aberdeen, „ik zou het gaarne dadelijk geheel eens doorlezen.”

Lee zocht pakpapier en touw op, en pakte het manuscript zorgvuldig in.

Lord Aberdeen stak het in zijn binnenzak, knikte den boekhandelaar vriendelijk toe, en zeide nog eens op den drempel van de deur:

„Denk er om, vijftig pond aan de huishoudster van den professor!”

HOOFDSTUK II.

EEN FANTASTISCH PLAN.

Lord Aberdeen liep snel de Lombard Street af, sloeg een hoek om, liep op een groote, diepblauw gelakte auto toe, en zeide tot den reusachtigen chauffeur die achter het stuurwiel zat:

„Snel naar huis, Henderson. Mijnheer Brand zal niet weten waar wij blijven.”

De auto zette zich in beweging en Lord Aberdeen liet zich in de kussens vallen.

Een vreemde glimlach deed zijn lippen een oogenblik krullen.

„Hoe sloofde die goede Lee zich uit, om mij van dienst te zijn!” mompelde hij voor zich heen. „Zou hij wel hetzelfde gedaan hebben als hij maar een oogenblik had kunnen vermoeden dat achter Lord Aberdeen zich de langgezochte John Raffles verborg?”

De groote onbekende liet een kort lachje hooren. „Natuurlijk zou hij dadelijk naar de politie zijn geloopen, als hij ook maar een seconde had kunnen vermoeden, wie ik werkelijk ben.”

Maar spoedig gingen de gedachten van John Raffles weder naar heel andere zaken, naar het eigenaardige handschrift, dat zich op dit oogenblik in zijn binnenzak bevond.

Hij was een doorkneed kenner van dergelijke oude manuscripten en hij had spoedig ontdekt dat er aan de echtheid van het Latijnsche handschrift in het geheel niet te twijfelen viel.

Trouwens, een chemisch onderzoek van de inkt zou spoedig iedere mogelijke vervalsching aan het licht brengen, indien deze inderdaad gepleegd was.

Maar dat verwachtte Raffles geen oogenblik.

Het handschrift was opgesteld in het Latijn, zooals het in het Romeinsche rijk en daar buiten voor de geboorte van Christus, en nog geruimen tijd daarna als schrijftaal gebezigd werd, en dat tamelijk sterk afweek van het moderne Latijn, zooals het onderwezen wordt op de Universiteiten.

Het perkament, hetwelk de monnik had gebruikt, was ongetwijfeld verscheidene eeuwen oud en van een schier onverwoestbare hoedanigheid.

Neen, aan de echtheid van het handschrift mocht geen oogenblik getwijfeld worden!

De Duitsche monnik had het overgeschreven van een Romeinschen Papyrus, maar het zou waarschijnlijk vruchtelooze moeite zijn, nasporingen naar dat origineel te doen, want dat zou wel tot stof zijn vergaan, ook al was het een feit dat er in het Britsche Museum nog altijd eenige Papyrus-rollen te zien waren, die dateerden uit het regeeringstijdperk van Tiberius!

Lee had verzekerd, dat dit alles bedrog, fantasie, onzin moest zijn, en het gezond verstand zeide Raffles, dat de man gelijk moest hebben, dat die ontzaglijke opeenhooping van schatten in het binnenland van Afrika op zich zelf reeds onwaarschijnlijk was, en dat het toch in ieder geval moeilijk verklaarbaar was, dat men naderhand nooit meer van deze ongehoorde rijkdommen zou hebben gehoord, rijkdommen, die, wanneer zij naar de huidige geldswaarde berekend moesten worden, zeker duizenden Milliarden pond Sterling zouden vertegenwoordigen, ruimschoots voldoende om alle oorlogsschulden van alle landen ter wereld te samen eenige honderden malen te delgen!

Was zoo iets mogelijk?

Was iets dergelijks bestaanbaar?

De logica verzet er zich tegen, maar John Raffles was een man die aan de gangbare logica een hekel had, en voor wie fantasie een levensbehoefte was.

Maar dan die voorwereldlijke monsters, dieren uit het Steentijdperk, welke men reeds honderdduizenden jaren uitgestorven waande, de monsterachtige hagedissen met hun geweldige vinnen en meterlange halzen, de vliegende draken, zoo ontzaglijk groot, dat zij Mammouths durfden aanvallen, die op zich zelve al twee maal zoo groot waren als onze hedendaagsche olifanten, kon het zijn, dat dergelijke dieren twintig eeuwen geleden nog bestonden? Zouden er wellicht overblijfselen van te vinden zijn?

Over dit alles dacht Raffles nog na, toen de auto stil hield voor een fraai huis in de Regent Street.

Raffles stapte uit, en ging den kleinen voortuin door.

Hij stak den huissleutel in het deurslot, en trad de vestibule binnen, waar hem zijn overgoed werd afgenomen, door Gaston, zijn grijzen kamerbediende.

„Is mijnheer Brand thuis Gaston?” vroeg Raffles.

„Mijnheer de secretaris is zooeven van een wandelrit teruggekeerd, Mylord,” antwoordde Gaston. „Hij bevindt zich thans in de blauwe kamer, als ik mij niet vergis.”

Met dezen naam werd een klein vertrek aangeduid, dat zich naast de bibliotheekzaal bevond, en waar Raffles een fraaie collectie blauw Chineesch porselein en Delftsche pullen had ondergebracht.

Hij richtte zijne schreden naar deze kamer en trof er inderdaad Charly Brand aan, zijn trouwen vriend, die bezig was, uit een houten kist eenige kostbare vazen te pakken.

Hij wendde zich naar de deur, en stak Raffles opgewekt de hand toe.

„Iets bijzonders ontdekt?” vroeg hij. „Je ziet er zoo opgewekt, hoe zal ik het zeggen, zoo eigenaardig uit!”

„Ik geloof, dat ik een goede vondst heb gedaan, Charly!” antwoordde Raffles, terwijl hij het manuscript van zijn omhulsel ontdeed.

„Je kent immers Latijn?” vroeg hij.

„Ja, ik heb mij het onderwijs in die oude taal moeten laten aanleunen!” antwoordde Charly lachend. „Denk echter niet, dat ik er spijt van heb; iemand met kennis van Latijn kan genieten van veel dingen, waarvan degenen die de taal van Virgilius niet machtig zijn, zich moeten spenen!”

„Lees dan eens met aandacht het oude handschrift, hetwelk ik zooeven voor honderd pond heb verworven!”

„Honderd pond!” riep Charly verschrikt uit. „Heb je dat voor een boek uitgegeven?”

„Vind je het te veel, mijn jongen?” vroeg Raffles glimlachend. „Is de bodem van onze geldkist te zien? Geef ik te veel geld uit?”

„Dat weet je wel beter! Wij hebben pas kort geleden een grooten slag geslagen, die je ruim een Millioen dollar heeft opgeleverd, waarvan je trouwens al tienduizend pond sterling hebt weggeschonken!”

„Wegschenken is eigenlijk niet de juiste term,” hernam Raffles ernstig, „ik noem het geen schenken als men een schreeuwend onrecht, door de geheele maatschappij gepleegd, door middel van geld weder goedmaakt. Maar lees nu dat ding eens, ik geef je een uur den tijd, het zijn maar twee en dertig bladzijden, en het schrift is tamelijk groot! En kom mij dan eens zeggen, wat je er van denkt!”

„Waar kan ik je vinden?”

„In de geheime werkplaats!”

Raffles knikte Charly toe, verliet de kamer, daalde de breede trap af, en stak de vestibule over, waarna hij een gang volgde, aan welks einde zich de tuindeur bevond.

Hij ging door den lommerrijken tuin naar een hoog soort paviljoen, dat aan alle kanten door een hoog geboomte omringd was. In het grootste vertrek van dit tuinhuis bevond zich, achter den schoorsteen, de geheime ingang naar de ondergrondsche werkplaats, waar Raffles menigmaal vertoefde, als hij bezig was aan een of ander nieuwe uitvinding op het gebied der chemie of der werktuigkunde.

Door op een krul in de lijst van een spiegel te drukken, die boven den schoorsteen hing, kon Raffles deze eenige decimeters ter zijde laten schuiven.

Zoodra hij door de opening was gegaan, en zich in de zeer smalle gang bevond, die zich achter den kamermuur uitstrekte, schoof de schoorsteen weder op zijn plaats.

Raffles liep de gang ten einde, die eigenlijk niets anders was dan de ruimte tusschen den muur van het paviljoen en een loozen binnenmuur, en daalde een ijzeren trap af, die naar de geheime werkplaats voerde. Eenige jaren geleden had Raffles door een toeval, toen er in de onmiddellijke buurt van zijn huis opgravingen werden gedaan met het oog op den aanleg van een nieuwen tak van den ondergrondschen spoorweg, de ontdekking gedaan dat er zich daar ter plaatse een groot onderaardsch hol bevond, hetwelk zich voor een deel onder den tuin van zijn huis uitstrekte, en dat waarschijnlijk vroeger de geweldige kelderruimte was geweest van het klooster, waarvan men nog een klein overblijfsel in een der oude zijstraten van de Regent Street kon vinden.

Hij had deze kelderruimte met de hulp van Henderson en Charly nog eenigszins vergroot, een betonnen wand opgetrokken om zijn werkplaats af te scheiden van de rest van het hol, en de werkplaats vervolgens voorzien van alle moderne machinerieën, welke hij noodig kon hebben, een draaibank voor metaal- en houtbewerking, die door een kleine electromotor in beweging werd gebracht, een fraisbank, een boor- en een schaafmachine, een lintzaagmachine en nog eenige andere werktuigen.

Geheel van deze werkplaats afgescheiden was het chemische laboratorium, waar Raffles proeven nam, welke de verbazing van Charly, en weinig minder dan de ontzetting van Henderson verwekten.

Hier, in dit onderaardsche laboratorium, had Raffles ontdekkingen gedaan die hem van ontzaglijk groot nut waren geweest bij zijn gevaarvolle ondernemingen. Hier ook had hij den wonderbaarlijken electrischen motor uitgevonden en samengesteld, die zijn vliegmachine in beweging bracht, en daaraan de bijna ongehoorde snelheid van ruim vijfhonderd kilometer per uur verleende.