Chapter 4 of 5 · 3999 words · ~20 min read

Part 4

„Luister! Vele duizenden en duizenden jaren geleden werd uw land bezocht door een vreemden volksstam, die hier den krijg kwamen brengen. Tot hier drongen enkelen dier krijgers door. Zij bezochten de streken ten Oosten van uw gebied, daar waar zich de zon boven de kim verheft! Aan gene zijde der bergen! Kent gij de streek, en wilt gij ons daarheen geleiden?”

Wat Raffles ook als antwoord verwacht mocht hebben, zeker niet de handelwijze van het opperhoofd, en van diegenen onder zijne onderdanen, die de in het Duitsch gestelde vraag van den vreemdeling begrepen hadden!

Zij wierpen zich allen in het stof, bedekten het hoofd met beide handen en hieven luide jammerklachten aan, terwijl zij zich heen en weder wentelden.

De drie reizigers konden niet verstaan wat zij in hun eigen taal zeiden, maar zij meenden te begrijpen, dat de Matabelen hun goden aanriepen, en hun bescherming tegen het een of ander vreeselijk gevaar afsmeekten. Eindelijk sprong Iwanda weder op, en riep sidderend:

„Vreemdeling, vraag dat nimmer weder! Gij weet niet wat gij doet! Die streek aan gene zijde der bergen is vervloekt! Hij die er den voet zet, is voor eeuwig verloren, nimmer keert hij weder! Daar huizen monsters......”

Maar hij sprak niet verder.

Een zijner volgelingen, die zeker een hooge positie bekleedde, had hem bij den arm gevat en zeide snel en fluisterend eenige woorden in de taal van zijn land.

Iwanda zweeg plotseling, en keek schuw voor zich.

Na geruimen tijd hernam hij:

„Iwanda mag niets meer zeggen, vreemdeling! Zelfs er over te spreken is gevaarlijk! Nimmer zal een der onzen u vergezellen naar daarginds! En indien uw leven u lief is, keer dan aanstonds weder terug! Onnoemelijk zijn de gevaren welke u daar bedreigen!”

Raffles begreep, dat hij niets meer uit deze inboorlingen zou krijgen.

Zij waren blijkbaar allen aangegrepen door een ontzetting, met geen woorden te beschrijven.

Zij beefden over het geheele lichaam, en sommigen waren weggevlucht uit de nabijheid van blanken die over zulke dingen durfden spreken.

Toch stelde Raffles nog een enkele vraag:

„Zeg mij dan slechts een ding, Iwanda! Wonen daarginds menschen?”

Het opperhoofd aarzelde even en antwoordde toen:

„Ja, er wonen menschen! Maar wie hen ziet—die sterft!”

„Het is dus wel zeker, dat geen uwer ons tot gids zou willen dienen?”

„Niemand, niemand, vreemdeling!” antwoordde Iwanda sidderend. „Onze goden zouden hem verderven.”

Raffles wisselde een blik met Charly.

Voor beiden was het duidelijk, dat hier inderdaad een geheim moest schuilen, welks aard zij vastbesloten waren te doorgronden.

Wilden de Matabelen hen niet helpen, dan zouden zij het zonder hun hulp doen!

Ook Charly, die tot dusverre getwijfeld had, begon nu in te zien, dat er achter deze onverklaarbare vrees van de inboorlingen meer moest schuilen dan eenvoudig de schrik voor bovennatuurlijke dingen, hun bij overlevering bijgebracht.

Er moest inderdaad iets bestaan, waardoor die vrees gemotiveerd was.

Voor de laatste maal wendde Raffles zich tot Iwanda.

„Wilt gij mij zeggen, of reeds vóór ons blanken hier zijn geweest, die getracht hebben, de geheimen van gindsche streken te ontsluieren?”

Het opperhoofd knikte ernstig.

„Velen,” antwoordde hij. „En geen is teruggekeerd! wie eenmaal over de bergen is getrokken, welke gij daarginds ziet verrijzen, die is des doods!”

„Ik zeg u dank voor alles wat gij mij hebt medegedeeld, Iwanda!” zeide Raffles. „Wilt gij mij en mijne vrienden voor dezen nacht een onderkomen verschaffen?”

„Gij en uwe vrienden zullen onze broeders zijn!” antwoordde het hoofd. „En keert dan terug, ga, van waar gij gekomen zijt!”

Raffles antwoordde niet, maar Charly en Henderson zagen een uitdrukking van ontembare wilskracht op zijn gelaat.

Hij zou doorzetten, ook al zou het hem het leven moeten kosten!

De Matabelen wisten blijkbaar heel wat meer, dan zij wilden mededeelen, maar hun vrees belette hun, en verbood hun misschien, de verhalen aan blanken mede te deelen, welke zij bij overlevering van hunne voorouders vernomen hadden.

Maar wat die inboorlingen met opzet verzwegen, dat wilden die drie stoutmoedige Engelschen zelven gaan onderzoeken!

De vliegmachine werd met behulp van een aantal inboorlingen tot dicht bij het dorp getrokken, voor het meerendeel bestaande uit rieten hutten, hier en daar afgewisseld met een houten huis, dat wellicht vroeger tot woonplaats van Duitschers had gediend.

De vrouwen hielden zich schuw op een afstand, maar de mannen waren moediger, en ofschoon zij zeker nimmer van te voren een vliegmachine hadden gezien, bekeken zij den „Duivel der Lucht” met eerbied en de grootste verbazing.

De drie reizigers kregen een onderkomen in een der houten huizen, en werden op gulle wijze van voedsel voorzien, voornamelijk bestaande uit een soort meelspijs, en een voortreffelijk soort brood, veel smakelijker dan het in Europa bekende baksel.

Voorts zette men hun bananen en een smakelijke koek van roggemeel voor.

„Zouden wij hier nu rustig kunnen slapen?” vroeg Charly zacht, toen de drie mannen alleen waren gelaten.

„Zonder eenigen twijfel!” antwoordde Raffles „De stam der Matabelen, met name in deze buurt, is zeer zachtaardig, al zien zij er nog zoo krijgshaftig uit met hun schilden en speren. Zij moeten nu en dan wel strijden tegen een naburigen, oorlogszuchtigen stam, en hun wapens zijn onontbeerlijk bij de voortdurende worsteling tegen het wilde gedierte.”

„Zijn hier leeuwen en tijgers, Mylord?” vroeg Henderson.

„Tijgers alleen in den vorm van Poema’s, vriend Henderson!” antwoordde Raffles. „Maar leeuwen komen hier zeer veelvuldig voor, en van een verbazende grootte waarvan wij ons, als wij de exemplaren in den dierentuin zien, maar matig een denkbeeld kunnen vormen.”

De mannen beëindigden hun maal, en verlieten nu de hut, teneinde nog een wandeling te gaan doen, alvorens zich ter ruste te begeven.

Het viel duidelijk waar te nemen, dat deze inboorlingen reeds in aanraking waren geweest met blanken, die hen veel geleerd hadden.

Daarop wees het onderhoud van de wegen, de wijze van bebouwing der velden, en ook sommige moderne landbouwwerktuigen, welke hier en daar langs de kanten der akkers stonden.

De omstreken waren zeer schoon, het dorp grensde bijna onmiddellijk aan een prachtig bosch van dadelpalmen, die hier een geweldige hoogte bereikten.

Omstreeks acht uur, toen de duisternis reeds begon te vallen, keerden de drie reizigers terug.

Zij zochten hun houten huis op, waar intusschen drie legers van droge bladeren waren opgeslagen door de zorgzame inboorlingen.

Een uur later was alles in het Matabelen dorp in diepe rust.

HOOFDSTUK VI.

BUITEN DE GRENZEN DER KENNIS.

Maar eensklaps, omstreeks tien uur in den avond, weerklonk daarbuiten, uit de richting van het woud, een machtig geluid, dat dadelijk geheel het dorp in rep en roer bracht, een geluid, dat zelfs de moedigste deed sidderen, het was het gebrul van den leeuw!

En dat gebrul werd herhaald en weerkaatst, het werd van een andere zijde beantwoord! In een oogwenk waren Raffles en zijn metgezellen op de been.

Zij grepen hun geweer, en snelden naar buiten.

De maan scheen helder, en men kon vrij goed zien, in dezen tropischen nacht, met zijn schitterenden sterrenhemel.

Luid schreeuwend liepen de inboorlingen over het plein, dat zich aan de grens van het dorp bevond.

Op een afstand van een veertig meter ongeveer begonnen de boomen van het oerwoud.

En daar, tusschen de slanke stammen, glommen eenige valsch lichtende punten, dat waren de oogen van minstens drie leeuwen, wier vormen vaag zichtbaar waren.

Instinctmatig hadden de Matabelen zich om de drie blanken verdrongen, van wier vuurwapens zij de kracht kenden.

Eenigen hunner waren voorzien van fakkels, waarmede zij gewend waren, de wilde dieren af te schrikken, wanneer deze het dorp al te dicht naderden, gedreven door den honger.

Aan de uiterste grens van het dorp lag een schaapskooi, waarvan de lucht wellicht de leeuwen had aangelokt, en reeds verkondigde een angstig geblaat den vreeselijken angst der opgesloten schapen.

En daar, met een paar geweldige sprongen was een der leeuwen tot vlak bij de omheining genaderd, welke de schaapskooi omgaf.

Maar niet die scheen in de eerste plaats de begeerte van het roofdier te wekken, vlak bij de kooi liep een knaapje, dat zich blijkbaar het gevaar niet bewust was, en waarschijnlijk in de algemeene verwarring aan het oog zijner moeder ontsnapt was.

Plotseling slaakte Iwanda, die naast Raffles stond, een luiden, smartelijken kreet.

Hij riep eenige woorden, welke geen der drie blanken verstond, maar aan den toon begrepen zij alles, die kleine, zwarte knaap was een zoon van het opperhoofd!

Iwanda had zijn boog gespannen, een onnut wapen op dien afstand!

Daar suisde de pijl reeds van het trillende koord!

De leeuw slaakte een kreet van woede en pijn, de pijl had hem aan een der voorpooten gewond. Maar het roofdier liet zich niet weerhouden.

Het bukte zich, geeselde met zijn staart het zand, en maakte zich gereed tot den sprong.......

Maar voor de leeuw zich had kunnen oprichten, kraakte er een schot......

Het was Raffles, die gevuurd had.

De leeuw maakte een vervaarlijken luchtsprong, en stiet een vreeselijk gebrul uit.

Toen plofte het neder, rekte de machtige klauwen in zijn doodstrijd, en lag stil, de kogel had het monster de hersens vermorseld.

Iwanda snelde als waanzinnig op het kind toe, dat verbaasd, en blijkbaar niet begrijpend wat dit alles te beduiden had, op dezelfde plek was blijven stilstaan, greep het, tilde het in zijn armen en snelde er mede terug.

Hij wierp zich voor Raffles op de knieën, greep zijn hand, en schudde die, als of hij ze verbrijzelen wilde.

Maar het gevaar was nog niet geweken.

Een luid gebrul deed opnieuw de lucht trillen.

Twee leeuwen slopen nader, met den buik over het zand schuivend, met zwiepende staarten, en fonkelende oogen.

De inboorlingen zwaaiden gillend met hun fakkels, in de hoop, de roofdieren te verjagen.

Maar deze, door hun bloeddorst gedreven, lieten zich niet afschrikken en kwamen snel nader.

De drie blanken hadden zich plat op den grond geworpen, en legden aan.

De schoten knalden.

Een der leeuwen was aangeschoten, maar niet doodelijk gewond, de tweede was blijkbaar niet geraakt, want hij bleef doorsluipen.

En nu naderden van een geheel anderen kant nog een paar leeuwen, grooter nog dan de anderen!

Vele inboorlingen namen gillende de vlucht, en gingen zich in hunne hutten verschuilen, maar Iwanda dacht niet aan vluchten, hij spande opnieuw zijn boog, mikte zorgvuldig, de pijl vloog met een zacht fluitend geluid weg, en ging zich begraven in den nek van een der leeuwen.

De punt drong diep in het vleesch van het roofdier, doch dit had slechts tengevolge, dat zijn woede tot het uiterste werd geprikkeld.

Hij nam een ontzettenden sprong, die hem tot een paar meters van den onvoorzichtigen schutter bracht.

Op dat oogenblik sprong Henderson op.

Hij had zijn geweer weggeworpen, en was slechts met zijn jachtmes gewapend, waarvan het lemmet in het maanlicht flikkerde.

Hij wierp zich boven op den leeuw, in wiens hals de rieten schacht van de pijl nog trilde, en stak hem het mes met reuzenkracht in het lichaam.

De leeuw liet een gebrul hooren, dat mijlen in den omtrek moest worden gehoord, en trachtte met zijn nagels zijn aanvaller te verscheuren.

Maar Henderson trok het mes uit de wonde, en stiet opnieuw toe.

Ditmaal doorboorde hij den leeuw het hart, het ondier wentelde zich om en om, ploegde met zijn nagels het zand, en gaf den geest.

Bijna tegelijkertijd legde Charly met een goedgemikt schot een derden leeuw neer, en Raffles verwondde er één doodelijk.

De laatste leeuw deinsde af, en verdween onder luid gebrul tusschen het geboomte.

Zoodra het schieten ophield, kwamen allen inboorlingen weder te voorschijn, en hun vreugdegehuil vervulde de lucht.

Vier leeuwen lagen dood, en Henderson ging den vijfden met een revolverschot in den kop afmaken.

Het geraas der trommen verstomde, waarmede de Matabelen de roofdieren eveneens hadden trachten te verjagen, en de rust keerde spoedig terug.

Iwanda had Raffles bij den arm genomen, en voerde hem langzaam naar het houten huis, waarheen hij door Henderson en Charly gevolgd werd.

De kleederen van den reus waren danig gehavend en hij bloedde uit een vrij diepe wonde aan den arm, maar voor het overige was hij zoo gezond als een visch, zoo als hij zelf zeide.

Iwanda maakte een gebaar, om de blanken tot zitten uit te noodigen, en hurkte zelf neder op de mat, die voor den ingang op den leemen vloer van de hut lag.

Hij keek Raffles een oogenblik zwijgend aan met zijn ernstige, zwarte oogen, en begon toen:

„Luister, vreemdeling! Gij hebt zooeven mijn lievelingszoon gered, die eenmaal mijn plaats moet innemen, als hoofd van mijn stam, Ik had hem boven alles ter aarde lief. Hij is het licht mijner oogen. De dienst, welke gij mij bewezen hebt, is niet te vergelden. Gij zoudt mijn leven kunnen nemen, en het zou nog niet voldoende zijn. En daarom zal ik u mededeelen, wat ik nog aan geen enkelen blanke heb gezegd, ook niet aan hen, die mijn vrienden waren, en ons thans verlaten hebben. Gij zult hooren wat u daarginds— — —aan gene zijde der bergen wacht!”

Het opperhoofd zweeg even en vervolgde toen op doffen toon:

„Gij hadt het anders nimmer zullen weten, maar verneem nu, dat daarginds wonderen te aanschouwen zijn, grooter dan eenig menschenverstand het zich kan uitdenken! Gij zult daar een stam vinden, ouder dan eenige ter aarde, en die zijn gebruiken tot op dezen dag onveranderd heeft behouden.

„Men noemde hen eertijds Egyptenaren. Gij zult er hunne bouwwerken zien, machtiger dan de steenen heuvel, welke, naar mijn blanke vrienden mij zeiden, gevonden worden in de nabijheid van de stad Caïro. Gij zult er hun slaven aan het werk zien, voortgezweept door opzichters. Gij zult er menschenoffers aanschouwen, gruwelijker, dan uwe verbeelding het u vermag voor te spiegelen. Een plantengroei zult gij er aantreffen wonderlijker dan menschenverstand kan bedenken. En ten slotte, zult gij de onmetelijke wouden, de spelonken en de monsterachtig hooge bergen bevolkt vinden door dieren, welke gij niet kent en ook nimmer hebt kunnen aanschouwen, dieren, die den grooten olifant onzer wouden aangrijpen en vermorzelen tusschen hunne sterke pooten, die den aligator van den vader der stroomen, den Ganges, zouden verbrijzelen als stroohalmen!”

Iwanda had zijn stem tot een heesch gefluister laten dalen.

De gebrekkige, Duitsche woorden kregen een zonderlinge, bijna angstaanjagende beteekenis in zijn mond, zooals hij daar zat, zijn zwart lichaam beschenen door den gloed van het kleine houtvuur, dat tegen de nacht-koude was aangelegd.

De drie Engelschen hadden met stijgende verbazing toegeluisterd.

Iwanda sprak blijkbaar in de volsten ernst, en toch, was dit alles inderdaad denkbaar, kon dit bestaan? Spotte het niet met alle waarschijnlijkheid?

Allen zwegen, en alleen het knetteren van de droge takken in het vuur was verneembaar.

Toen vroeg Raffles:

„Wilt gij me zeggen Iwanda, wie dit heeft kunnen mededeelen, daar immers alle die de bergen achter zich lieten, zijn omgekomen?”

„Lang, lang geleden, vreemdeling, zijn er eenige Matabelen als door een wonder ontsnapt. Zij brachten hier de tijding van dit wonderbare, en zij waren nog overtogen met de doodskleur hunner ontzetting en vrees, toen zij het verhaal deden, vele maanden nadat zij hadden kunnen vluchten. Want de lieden daarginds laten niemand ongestraft hun gebied betreden, niemand, hoort gij?”

Raffles bleef diep in gedachten een oogenblik zitten.

Toen hernam hij, terwijl hij Iwanda de hand toestak:

„Wij danken u, opperhoofd der Matabelen, voor uwe woorden, wat gij zeidet, is vreemd, duizend maal vreemd. En wij willen het onderzoeken!”

„Gij schrikt dus niet terug voor de ontzettende gevaren?” riep Iwanda uit, terwijl zijn oogen hem bijna uit het hoofd puilden.

„Neen! Wij vertrekken morgen vroeg!”

„Dan mogen uwe Goden met u zijn!” zeide Iwanda op zachten toon, terwijl hij opstond, en langzaam heenging, met gebukt hoofd, en hangende armen.

De drie mannen bleven alleen, ten prooi aan een ontroering, welke hun borst deed hijgen, en hen deed verbleeken.

Wat zouden hun oogen zien?

Was het dus waarheid wat Otavius Numilus geboodschapt had?

Zij wierpen zich op hun rustbed van droge bladeren, maar het was hun onmogelijk, den slaap te vatten.

Daartoe waren hunne gedachten te zeer vervuld van het wonderbaarlijke verhaal, hun door Iwanda gedaan.

Zij stonden reeds om vier uur op, deden haastig hun maaltijd, en maakten zich gereed om te vertrekken.

Iedereen in het dorp was even eens op de been.

Een somber klinkend geluid scheen de lucht te vervullen.

Het klonk als het geluid van een menigte trommen met een doek overspannen.

„Wat beduidt dat geluid, vriend?” vroeg Raffles aan een voorbijgaanden inboorling, één der weinigen die eveneens een weinig Duitsch sprak en verstond.

„Het zijn de rouwtrommen, heer! Het is heden een rouwdag, omdat gij over de bergen trekt!”

En de man liep langzaam verder.

Henderson keek hem een oogenblik verstoord na, en riep toen uit:

„Hoor eens hier Mylord! Ik heb er niets op tegen, als er om mij gerouwd wordt, en die trommen klinken somber genoeg, maar daar mede kon men dan toch wel wachten, tot ik goed en wel dood ben!”

Maar Raffles en Charly konden die luchthartigheid van den reus ditmaal niet delen.

Die trommen klonken zoo vreeselijk somber en onheilspellend!

Nu eens zwol het geluid sterk aan, dan scheen het geheel weg te sterven en niemand kon met juistheid zeggen, van waar het kwam.

De drie reizigers gebruikten een stevig ontbijt, en vervolgens gingen zij afscheid nemen van Iwanda, die treurig voor zijn hut gehurkt zat, en met zijn zachte oogen iets scheen te smeeken.

Maar Raffles en zijn metgezellen waren nu eenmaal vastbesloten, tot het einde te gaan, al zou dat einde de dood zijn!

Zij stegen in de vliegmachine, en Raffles haalde den hefboom over.

De schroef begon te draaien, de „Duivel der Lucht” steeg snel, en binnen enkele tellen was er van geheel het dorp der Matabelen niets meer te zien, dan een donkere vlek op het gele zand.

Daar een kaart de reizigers van geen nut meer kon zijn, om deze afdoende reden, dat er van deze streken nog nimmer kaarten waren vervaardigd, hield Raffles de oogen strak voor zich uit gevestigd, en stuurde hij recht op bergen aan, die op zeer grooten afstand tegen den einder afstaken, en zeer grillig gevormd schenen.

Hij koos zijn hoogte zoo ver mogelijk van den grond, op bijna vijfduizend meter, want op deze hoogte zou hij zeker het gemakkelijkst over de bergen kunnen vliegen die den horizont leken af te sluiten als met een gordel van graniet.

Bijna een half uur verliep, zonder dat er een woord tusschen de reizigers gewisseld werd.

Allen waren doordrongen van de huiveringwekkende ernst van het oogenblik.

Hun zenuwen waren zoodanig gespannen, dat het hun pijn deed.

De vliegmachine had in dit halve uur niet meer dan honderdvijftig kilometer afgelegd, want Raffles had met opzet de snelheid zeer aanzienlijk verminderd daar hij wenschte, dat niets van het landschap hem ontgaan zou. De „Duivel der lucht” had gedurende eenigen tijd den loop der Loangwo gevolgd, maar nu had men de rivier uit het oog verloren.

Er kwam nog een zijstroom, en toen niets meer.

Het land scheen hier geheel verlaten te zijn, geen spoor van eenig menschelijk leven, geen hutten, geen akkers, alleen woeste bosschen en onmetelijke stukken dorre heide.

Raffles zag nu wel in, dat het onmogelijk zou zijn geweest, zelfs den afstand tot aan den voet van het gebergte anders dan met de vliegmachine af te leggen, tenzij met een geheele karavaan, rijkelijk voorzien van levensmiddelen.

Hij wist voorts, dat de eerste bewoonde plaats in het westen Sitanda was, en die plaats lag op ongeveer 800 kilometer van Maranda verwijderd!

En wat daar tusschen was, wist niemand!

De vliegmachine naderde nu snel het gebergte, dat naar schatting gemiddeld bijna vijfduizend meter hoog was, en dus tot de hoogste gebergten der aarde mocht worden gerekend.

Raffles deed dus de machine nog meer stijgen, en om zes uur in den morgen vloog zij over de toppen van de geheimzinnige bergketen....

Charly en Henderson bogen zich zoo ver mogelijk uit het schuitje, waarvan zij het dak hadden teruggeschoven, om toch niets te verliezen van hetgeen zich aan hun blikken zou bieden.

Zij zagen evenwel niets dan de kale bergtoppen, hier en daar zoo hoog, dat zij met sneeuw waren bedekt.

De overtocht duurde geen tien minuten en daar de machine weder met de grootste snelheid had gevlogen, moest het gebergte van geweldige breedte zijn.

Nu hadden de reizigers de laatste toppen achter zich.

En een huivering beving hen bij wat zij thans aanschouwden.

Diep onder hen lag een woestijn, maar van zulk een verschrikkelijke eenzaamheid dat zij zich het hart voelden toenijpen.

Geen zand, geen boom, geen struik, geen enkel stroompje water, hoe klein ook. Zoover het oog reikte, niets dan grijze steenblokken, sommige van een monsterachtige grootte, en vreemd gevormd, als menschenhoofden, afgeslagen ledematen, versteende dieren van een ongehoorde grootte.

Al deze steenen waren verspreid over een vlakte, die zich schier eindeloos scheen uit te strekken, licht grijs, en waarop de zon meedoogenloos brandde.

Geen zuchtje scheen de aardkorst hier te kunnen beroeren, en de hitte daar beneden moest iedere beschrijving tarten.

Maar heel ver in het Westen leek een ijle nevel te hangen, die de nabijheid van andere bergen verried.

Onverschrokken stuurde Raffles de machine hieropaan.

Met een snelheid van bijna 515 kilometer per uur suisde de „Duivel der Lucht” over dit oord der verschrikking, waar geen enkele plant scheen te kunnen leven, waar geen dier had kunnen ademen.

Weer verliep een kwartier, en nog altijd strekte de angstwekkende woestijn zich uit.

Maar eensklaps slaakten de drie mannen een luiden kreet.

De nevel, die zij reeds geruimen tijd ontwaard hadden, scheen zich plotseling op te lossen, en wat zij daar op een vijftal kilometer voor zich ontwaardden, sloeg hen met een verbazing, waarvoor zij geen woorden konden vinden. Daar verhief zich wederom een bergmuur, maar van een zoo ontzaglijke hoogte, dat hij op aarde vruchteloos zijn wedergade zou zoeken.

Als een grijze muur verhief het zich tot een hoogte, die de dertienduizend meter zeker te boven moest gaan, bijna volkomen steil, en schijnbaar zonder eenige spleet, die het door brak.

Raffles had maar juist den tijd, den handel voor de snelheid over te trekken, en tevens de richting te wijzigen, want de vaart was zoo groot, dat de machine zeker tegen den rotsmuur verbrijzeld zou zijn geworden.

Charly en Henderson staarden verbijsterd van schrik naar dit natuurwonder, waarnaast zelfs het hoogste gebergte ter wereld, de Himalaya, met zijn gemiddelde hoogte van acht duizend meter in het niet zonk.

De „Duivel der Lucht” beschreef een bocht, en zoo ontzettend groot was de snelheid geweest dat de vliegmachine juist langs den rotsmuur scheerde.

HOOFDSTUK VII.

HET GEBIED DER VERGETELHEID.

Raffles greep met vaste hand het hoogteroer en dadelijk begon de vliegmachine zich met weergalooze snelheid in de lucht omhoog te schroeven, zij bereikte in eenige minuten een hoogte van vijfduizend meter, en steeds hield het stijgen aan.

Spoedig werd de lucht zoo dun, dat de ademhaling moeilijk werd, en op tienduizend meter hoogte moesten de zuurstofapparaten in gebruik worden genomen, daar de ijlgeworden lucht niet langer voor de inademing geschikt was.

Maar wat erger was, deze dunne lucht vermocht bijna de vliegmachine niet meer te dragen.

De schroef moest met razende snelheid rondwentelen, en de stijging had slechts langzaam plaats.

De „Duivel der Lucht” beschreef nu zeer groote bochten, en eindelijk maakte Raffles zich gereed om den laatsten stormloop op het ontzagwekkende gebergte te wagen.

Hij ging een tiental kilometers terug, steeds stijgend, liet de machine keeren, en hield toen recht op een der laagste toppen van den bergketen aan.

En het waagstuk lukte!

Met een snelheid, die nauwelijks meer dan honderd kilometer kon bedragen, scheerde de vliegmachine rakelings over den kam van het hemelhooge gebergte, op een hoogte van meer dan dertienduizend meter die nimmer te voren door eenig luchtvaarder was bereikt.

Thans breidde zich een verrukkelijk schoon panorama voor de drie reizigers uit.

Het scheen wel of de bergketen, die zij zoo juist overschreden hadden, een bolwerk moest zijn, een aardsch paradijs, en bestemd om het te beschermen tegen het binnendringen van profanen.

Overal verhieven zich bosschen, maar de boomen schenen van een lengte te zijn, zooals die nergens elders ter aarde worden aangetroffen.