Part 5
Breede stroomen stuwden hunne wateren door heerlijke weiden.
Ter rechter zijde scheen zich evenzeer een grijze rotsmassa te verheffen, weinig minder hoog dan het gebergte, hetwelk de luchtvaarders thans achter zich gelaten hadden.
Maar in het westen, zoover het oog reikte, breidde zich het verrukkelijk schoone landschap uit.
De vliegmachine was snel gedaald, zoo snel als het zonder gevaar voor den bloedsomloop kon geschieden.
Pas op vijfduizend meter werden de zuurstof toestellen weder opgeborgen.
Het ademhalen viel nog zeer moeilijk, en alle drie de mannen leden aan duizeligheid.
Door den sterk verminderden atmospherischen druk was hun het bloed uit de ooren en onder de nagels gesprongen.
Maar gelukkig keerde spoedig het evenwicht tusschen den druk binnen en buiten het lichaam terug en Raffles en zijn metgezellen konden zich nu beter oriënteeren.
Raffles zocht een plek om te landen, maar dit was zeer lastig, en bovendien dacht hij er niet aan, zich moedwillig aan wie weet welke vreeselijke gevaren bloot te stellen.
Hij besloot daarom de vliegmachine te sturen langs den binnenwand van den onmetelijken rotskom waarin zich het geheimzinnige gebied van Niassa scheen te bevinden, van de buitenwereld afgesloten door dezen ring van ontzaglijk hooge bergen.
Hij besloot dus voorloopig niet lager dan vijfduizend meter te dalen, en naderde nu den bergwand, dien de drie reizigers zooeven hadden opgemerkt.
Trapsgewijze, als een trap met monsterachtig groote treden, ieder bijna vijfhonderd meter hoog en bijna een kilometer breed, daalde het gebergte hier naar de met groene bosschen bedekte vlakte af.
Deze terrassen waren bijna volkomen vlak, en daar zij uit graniet bestonden, bedekt met dunne laag steengruis, boden zij een voortreffelijk landingsterrein.
Raffles hield dus op een dezer terreinen aan, vloog eenige malen rond teneinde zich te overtuigen dat de landing geen gevaar zou opleveren, en daarop streek hij voorzichtig op een der terrassen neder, zoo dicht mogelijk bij den steil oprijzenden wand van de volgende trede, zoodat er nu van de vlakte zeer weinig te zien viel.
De drie mannen klommen uit het schuitje, met het geweer in de vuist geklemd, terwijl hun hart luid klopte, daar zij bewogen werden door een gevoel waaraan zij geen naam konden geven, vrees was het niet, het was slechts een doffe beklemming.
Misschien werd deze teweeggebracht door de volstrekt geruischlooze stilte welke tusschen deze ontzaglijke rotsen hing.
Zij waren hier beneden de sneeuwgordel, maar deze begon slechts weinige meters hooger, en de zon wierp haar verblindend licht op de witte rotspunten.
Maar hier, waar de vliegmachine was gedaald, was alles grijs, van een kleur, welke de drie mannen nergens ter aarde nog hadden aangetroffen.
Nu zij dichtbij waren, zagen zij, dat de reusachtige treden toch niet zoo volkomen regelmatig gevormd waren als zij oorspronkelijk gedacht hadden.
Hier en daar gaapten geweldige holen, en ook groeide er een soort Aloës, die zich met hun wortels in de smalle rotsspleten hadden vastgegrepen.
Geruimen tijd stonden de drie mannen zwijgend bij elkaar, aangegrepen door deze neerdrukkende, sombere stilte, en door het schouwspel van deze monsterachtige terrassen van grijs graniet, met het stof der eeuwen bepoederd.
De vliegmachine was niet ver van een der holen neergestreken, die in den rotswand uitgehouwen waren.
Het was minstens twaalf meter breed aan de basis, en ruim veertig meter hoog.
Nu trad Raffles op zijn beide metgezellen toe, en zeide terwijl hij zijn stem onwillekeurig dempte:
„Wij zullen tot aan den rand van het terras gaan, misschien hebben wij daar weder het uitzicht op de wonderschoone vlakte welke wij in de lucht reeds ontwaard hebben.”
„En onze vliegmachine?” vroeg Charly.
„Wij zullen haar met ons meetrekken want het zou te gevaarlijk zijn haar hier te laten, al kan ik werkelijk niet inzien welk gevaar ons hier zou kunnen bedreigen.”
Nauwelijks had Raffles deze woorden gesproken, of een luid gerucht deed zich hooren, dat uit de richting van het rotshol scheen te komen, en bijna op hetzelfde oogenblik vertoonde zich een gedrochtelijk wezen, dat met den monsterachtigen kop bijna de bovenzijde van het hol aanraakte.
De drie mannen slaakten tegelijkertijd een kreet van ontzetting.
„Een Allosaurus!” schreeuwde Raffles, die zeer bleek was geworden.
Inderdaad, op een afstand van ongeveer tachtig meter verscheen één dier monsters, welke de hedendaagsche wetenschap reeds lang uitgestorven waande.
Het bewoog zich voort op de sterke achterpooten, van drie machtige klauwen voorzien.
De kop, als van een reusachtigen krokodil, de nek en de rug, evenals het bovengedeelte van den staart waren met groenachtig glanzende, zeer dikke schubben bedekt.
Het gedrochtelijke dier had nu zijn hol geheel verlaten, en richtte zich nu op, om een blik om zich te werpen, uit zijn groote, een weinig uitpuilende oogen, ongeveer tweemaal zoo groot als een paardenoog.
Zooals het daar nu in de houding van een kangoeroe op den staart steunde was het monster zeker acht of negen meter hoog.
En nu zagen de drie reizigers, verstijfd van schrik, hoe de Allosaurus de vliegmachine in het oog kreeg.
Het vreeselijke monster stiet een soort gebrul uit, dat geleek op het getrompetter van een olifant, hurkte neder op de geweldige achterpooten, en nam een ontzettenden sprong, die het veertig meter verder weder deed neer komen, en waarbij het zich minstens 20 meter van het terras verhief.
Nog één zulk een sprong, en de Allosaurus zou zich op de vliegmachine geworpen hebben, welke het misschien aanzag voor een of anderen vijand, misschien wel voor den Dimorfhodon of vliegende draak, een monster met de vleugels van een vleermuis en den bek van een krokodil, waarin felle tanden geplaatst waren.
Nog zulk een sprong en over het lot der drie indringers zou beslist zijn.
Zij hadden alle drie hun geweer aan den schouder gebracht, mikten op het hart van het monster, dat zich voor den tweeden sprong gereed maakte, en drukten af.
De drie kogels troffen den Allosaurus op de juiste plaats.
Het geweldige monster maakte een grooten luchtsprong, die het tot dicht voor de vliegmachine bracht, sloot zijn verschrikkelijke klauwen eenige malen en bleef toen onbewegelijk liggen, met gebroken oogen, die echter nu nog een angstaanjagende uitdrukking hadden.
Geruimen tijd bleven de drie reizigers zwijgend naar het monster zien, niet in staat om uiting te geven aan hun gevoelens.
Henderson was de eerste die sprak.
Met trillende stem zeide hij:
„Dat zal niemand willen gelooven, Mylord, ook al zouden wij het onder dure eeden bezweren!”
„Dat moet ik ook vreezen, Henderson,” zeide Raffles. „Ik kan mij nog steeds niet voorstellen, dat het werkelijk geschied is, en dat wij zooeven een dier geveld hebben dat al onze geleerden reeds honderdduizenden jaren uitgestorven waanden. Maar kom, laat ons hier niet blijven! Waarschijnlijk zijn ook die andere holen bewoond, en het geluid van de schoten zou die vreeselijke monsters kunnen aanlokken.
„Wij zullen de vliegmachine tot aan den rand van het terras trekken, want daar zijn wij veel veiliger.”
De drie mannen lieten geen tijd verloren gaan, maar rolden de vliegmachine zoo snel zij konden over het terras naar den rand.
Het ging zeer gemakkelijk, want de oppervlakte van het terras was hard en glad.
Na ongeveer een kwartier hadden zij den rand bereikt, maar zij konden nog steeds geen blik over de geheele vlakte werpen, want opnieuw breidde zich een terras voor hen uit, bijna even breed als het vorige, maar meer dan vijftien honderd meter lager gelegen.
Daar er niet aan te denken viel, langs den rotswand naar beneden te dalen en de machine hier achter te laten, besloten de drie mannen zich weder in te schepen en met de vliegmachine dat lager gelegen terras op te zoeken.
Aldus geschiedde, en tien minuten later streek het zweeftuig opnieuw neder.
Ditmaal landde Raffles met opzet ongeveer halverwege het terras, want ook hier bevonden zich vrij veel holen.
Juist toen zij opnieuw waren uitgestegen, kwamen er tegelijkertijd opnieuw drie geweldige monsters te voorschijn, die zich langzaam in de richting van de vliegmachine voortbewogen.
Reeds wilde Henderson zijn geweer aan den schouder brengen, maar Raffles weerhield hem, en zeide:
„Laat dat Henderson! De dieren die daar naderen zijn Iguanodons, en volkomen onschadelijk. Al bereiken zij een lengte van zeven en een halven meter, zoo zijn het toch goedige dieren, die zich uitsluitend met planten voeden, ondanks hun angstwekkend uiterlijk. Zie maar, zij blijven op een eerbiedigen afstand!”
„Maar zij gelijken toch heel veel op dien sinjeur van zooeven,” hernam de reus, die veel liever het monster had willen neerschieten, naar het scheen.
„Dat is ook werkelijk zoo, maar in plaats van haakvormige slagtanden hebben deze dieren slechts platte maaltanden, en hun kop is ook veel kleiner dan die van den Allosaurus.”
De vliegmachine werd opnieuw naar den rand van het terras getrokken, maar niet zoo ver, dat zij uit de vlakte te zien zou zijn, en daarop kropen de drie mannen op den buik naar den rand van het plateau.
Slechts met moeite weerhielden zij een kreet van verbazing.
Een schouwspel, zoo verwonderlijk, dat het hun bijna den adem benam, vertoonde zich aan hun blikken.
Zij hadden het laatste terras van het bergmassief bereikt, en bevonden zich hier op een hoogte van achthonderd meter boven de vlakte.
De bergwand was hier zoo volkomen rechtstandig, dat menschenhanden het niet hadden kunnen verbeteren, en dat een met een steen bezwaard touw nergens meer dan een centimeter van dezen wonderlijken muur zou zijn afgeweken.
Op ongeveer duizend passen afstand van dezen rotswand verhief zich een stad die op dit oogenblik door de felle stralen van de zon beschenen werd, maar een stad zoo wonderbaarlijk, als zij nergens ter aarde gevonden werd, en vreemder zeker, dan de stoutste verbeelding zich haar had kunnen afmalen.
De huizen waren gebouwd langs den spiraalvormigen omgang van een ontzaglijk grooten en breeden toren, zuiver rond, en die aan de basis een doorsnede had van minstens drie honderd meter.
Dit ontzaglijke bouwwerk, uit graniet opgetrokken, was ongeveer zeshonderd meter hoog en versmalde zich langzamerhand naar den top, waar de doorsnede omstreeks tweehonderd meter bedroeg.
Rondom dezen toren, van den voet tot aan den top, kronkelden zich twee wegen, een met een rechtsche, en een met een linksche schroefdraad.
Deze wegen waren dertig meter breed ongeveer, en van een marmeren borstwering voorzien tot op een hoogte van iets meer dan een meter, en welke op geregelde afstanden versierd was met standbeelden van een wonderlijke schoonheid.
Aan den anderen kant van deze wegen waren de huizen gebouwd.
Zij schitterden met een buitengewonen glans, hun voorgevels bestonden uit zuiver zilver, de toegangsdeuren waren van bijzonder schoonen vorm, en alle vensters waren volkomen rond.
De meeste dezer eigenaardige huizen hadden kleine luifels, eveneens van zilver vervaardigd.
Op het platte dak van dezen wonderlijken toren, die tegelijkertijd een stad was, verhief zich een tempel die alleen aan de zijde der drie reizigers zeven en dertig poorten vertoonde, die uit louter goud was opgetrokken.
Een onmetelijke koepel welfde zich over dezen tempel, gedragen door veertig olifanten, allen van hetzelfde edele metaal vervaardigd.
Deze geheimzinnige stad stond te midden van een zeer groote grasvlakte en een groot aantal wegen leidde er straalsgewijze naar toe.
Aan den voet had de tempel een groot aantal poortvormige toegangen, waardoor men zeker het inwendige kon bereiken.
Geheel aan het einde van de grasvlakten verrezen een tiental pyramiden, waarnaast die van Cheops slechts kinderspeelgoed moesten gelijken, want zij waren minstens negenhonderd meter hoog.
Duizenden jaren was er aan deze gedrochtelijke voortbrengselen van het menschelijke vernuft gebouwd.
De drie mannen hadden elkander een blik toegeworpen, vreezende dat zij ten speelbal waren aan hallucinatie, dat zij droomden, dat dit alles onmogelijk werkelijkheid kon zijn.
En toch, zij waren niet waanzinnig, wat zij daar zagen was werkelijkheid, en geen Fata Morgana. De drie mannen hadden allen hun verrekijkers te voorschijn gehaald, en brachten die voor het oog.
Zij konden nu nauwkeurig alle bijzonderheden van den wonderlijken toren beschouwen, de versierselen, de bogengangen, en zelfs zagen zij zeer duidelijk menschelijke wezens langs de breede wegen den toren op en afgaan. Sommigen waren volkomen zwart van huidskleur, anderen bruin en er waren er ook bij, wier kleur slechts een weinig gebruind mocht heeten.
„Hoe zonderling! hoe ongelooflijk is dat alles,” mompelde Charly. „Ik krijg den indruk, alsof dit alles zoo duizenden jaren moet zijn geweest!”
„Niets belet ons om het aan te nemen, mijn jongen,” zeide Raffles. „De lieden daarginds moeten een vrij hoogen trap van beschaving hebben want je ziet dat zij voor het meerendeel niet naakt gaan maar witte of gekleurde gewaden dragen die zeer veel gelijken op de gewaden der oude Egyptenaren zooals wij die van bewaard gebleven steenteekeningen kennen.”
Raffles richtte nu zijn kijker naar een andere plek, ver van de stad gelegen, eveneens op een terras, misschien wel hetzelfde, waarop de reizigers zich bevonden, en waar hij eenige beweging had meenen te ontdekken.
Inderdaad, daar krioelde een hoop zonderlinge wezens dooreen, geen apen, en toch ook geen menschen, geheel naakt, zwaar behaard en met een langen staart.
Zij bevonden zich bij een op een open plek, te midden van een aantal primitieve hutten en gebaarden blijkbaar opgewonden met elkaar.
Hoe zij daar gekomen waren mocht een raadsel heeten, want overal rees de rotswand tot een hoogte van achthonderd meter loodrecht uit de vlakte op.
Bijna drie kilometer verwijderd van de plek waar de drie reizigers zich bevonden, spoot met geweldige kracht een bruisende waterval uit den rotswand, die een breeden stroom voedde, welke om de zilveren stad heenliep, en zich aan den gezichtseinder verliep te midden van ontzaglijke wouden.
„Het is alsof de natuur deze plek heeft uitverkoren, om er als in een register alles te bewaren wat zij in den loop van duizenden eeuwen gewrocht heeft!” mompelde Raffles peinzend. „Hier zijn overblijfselen uit het steentijdperk, uit den tijd van het oude Egypte onder de eerste koningen, uit den wordingstijd van de menschen en uit het oude Egypte bijeen, en denkelijk zullen er nog talrijke wonderen zijn, welke wij thans niet zien!”
„En de geweldige schatten, waarvan Numilus sprak?” vroeg Charly op zachten toon.
„Ik denk dat deze zilveren stad ze bevat,” antwoordde Raffles.
Maar juist toen hij dit gezegd had, vertoonde zich op een der wegen die naar de vreemdsoortige tempelstad voerde een optocht, die langzaam nader kwam.
Aan dien kant bevond zich een bosch, en de eerste personen, welke den stoet vormden kwamen juist onder de zware boomen vandaan.
Door hun kijkers konden zij dezen stoet zeer goed waarnemen, want hij bevond zich op nauwelijks tien minuten afstand.
Het waren muzikanten, voorzien van vreemdsoortige muziekinstrumenten, die daar te voorschijn traden, negers, en lieden van een anderen stam, een weinig minder zwart, gekleed met een gestreepten lendendoek, die van het midden tot de knieën afhing, het hoofd bedekt met een soort kap, afhangend op de schouders, van dezelfde stof.
Zij droegen Cystrums, luiten, een soort harpen, langwerpige trommen, en bliezen op groote bazuinen, zoolang dat zij ze onmogelijk alleen konden torschen, en een helper noodig hadden, die het voorstuk op den schouder droeg.
Het was een woeste, zeer eigenaardige muziek welke zij ten gehoore brachten, een eindelooze passage, telkens opnieuw herhaald.
Deze muzikanten waren ongeveer tachtig in aantal en schreden langzaam voort over den breeden weg, die van het woud naar de tempelstad leidde.
Zij werden gevolgd door een groote schare danseressen.
Velen daarvan waren gitzwart, en hun huid blonk als ebbenhout, maar anderen waren bijna blank te noemen, of slechts zeer weinig gebruind.
Al deze vrouwen schreden, met de handen achter het hoofd ineengestrengeld in rythmischen cadans voort.
Zij waren allen tot het midden naakt, en van daar tot op de enkels, die met gouden ringen prijkten, daalde een doorzichtige gazen sluier af, met kleine gouden loovertjes bestikt, en dien de wind telkens deed opwapperen.
Sommigen droegen het gitzwarte haar los, en dan viel het tot bijna in de holte der knieën, anderen hadden het opgestoken, en dan verdween het bijna onder de gouden versierselen.
De danseressen werden op hun beurt gevolgd, door een schaar priesters, in lange witte gewaden gekleed met gouden sandalen aan de voeten, en het hoofd gedekt door een zeer hoog hoofddeksel in den vorm van een afgeplat suikerbrood.
Na de priesters kwam een schaar jonge meisjes, bijna allen volkomen blank, en allen zonder het minste kleedingstuk, hoe gering ook.
Zij liepen in gelederen van acht naast elkander, en waren met de polsen aan elkander geketend.
Allen liepen zij met gebogen hoofd, ten getale van ongeveer tweehonderd. Nu kwam een afdeeling slaven aanschrijden, allen zwart als ebbenhout, en slechts gekleed met een smallen heupdoek.
Om polsen en enkels droegen zij breede gouden banden.
Een oogenblik meenden de drie mannen dat nu de optocht geëindigd was, maar daar verschenen twaalf negers van reusachtigen lichaamsbouw, die op hun schouders een rustbed droegen, met goud versierd, waarop een vrouw lag uitgestrekt, de ellenboog in mollige kussens gesteund, en met trotschen blik om zich heen ziende.
Zij was van een buitengewoone, vreemde schoonheid.
De wenkbrauwen waren ongewoon lang, slechts weinig gewelfd, en leken in elkander te loopen.
De neus was dun, en zeer fijn gemodelleerd, de mond had volle lippen die kunstmatig nog rooder waren gemaakt dan zij reeds waren.
De oogen waren amandelvormig, zeer groot en reebruin.
Op het gitzwarte haar was een soort van diadeem bevestigd en het voorhoofd was omsloten door een gouden slang, met naar voren gebogen kop.
De vrouw droeg niets anders dan een zeer dunnen sluier, achteloos over de onberispelijk gevormde beenen geworpen.
Om haar hals hing een keten van zeer groote diamanten, en de borsten waren beschermd door kleine schilden van goud, die met gouden kettingen over de schouders en onder de oksels waren bevestigd.
Aan de geheele houding van deze vrouw was te zien, dat zij het bevel moest voeren, misschien wel de koningin was in dit gebied der vergetelheid.
Na de slaven met de draagbaar kwamen wederom priesters, en ten slotte een groote afdeeling soldaten, bijna duizend man sterk, verdeeld in troepen van tweehonderd man, die ieder door een bereden chef werden aangevoerd.
Deze soldaten vormden zeker een lijfwacht, want zij waren prachtig uitgedost, en geleken zeer veel op de oude Romeinsche zwaardvechters, met hun gouden kuras, dat de borst en een gedeelte van het onderlijf bedekte, het korte witlinnen rokje daaronder, dat tot halverwege de dijen reikte, het blinkende korte zwaard, dat zij ontbloot over den schouder droegen, en den grooten helm met zijn vleugels terzijde en het zware vizier, dat hier echter niet van ijzer, maar van het zuiverste goud was.
De vijf aanvoerders droegen, behalve het zwaard in de rechterhand een korte spies, als teeken van hun waardigheid.
Deze stoet nu, schreed op de stad toe, en begon haar te beklimmen.
Het duurde vele uren, telkens zagen de drie indringers den optocht een weinig hooger opnieuw verschijnen, totdat hij eindelijk den top van den toren had bereikt.
Bijna op hetzelfde oogenblik gingen aan de voorzijde van den tempel twee ontzaglijk groote deuren open, en nu konden Raffles en zijn metgezellen in het binnenste van den tempel zien.
Daar stond, achter in een reusachtig groote zaal, een bronzen afgodsbeeld, bijna veertig meter hoog, met een afschuwelijke gelaatsuitdrukking, zes armen, en evenveel beenen, gekruist onder het lichaam gevouwen.
Priesters bewogen zich rondom het beeld, en nu traden twee hunner naar voren, en trokken een luik in den buik van den afgod open.
Dadelijk werd een felle gloed zichtbaar.
„Wat is dat toch Mylord?” vroeg Henderson fluisterend, „wat doen die menschen daar?”
„Dat afgodsbeeld, Henderson, is het beeld van den God Baäl, en die lieden daarginds gaan een menschenoffer brengen. De jonge meisjes welke wij zooeven geboeid voorbij hebben zien leiden, zullen in het binnenste van dat bronzen beeld verbrand worden!”
Charly en Henderson slaakten een kreet van woede en ontzetting, en de jonge man riep uit:
„En moeten wij daarbij lijdelijk toezien, Edward? Moeten wij dat afschuwelijke dulden?”
„Wat kunnen wij er tegen doen?” vroeg Raffles op doffen toon. „Wat kunnen wij beginnen tegen die overmacht? En voor wij daarginds boven zouden zijn, zou toch alles al achter den rug zijn.”
Plotseling gaf Henderson een schreeuw, en wees met uitgestrekten vinger naar het afgodsbeeld.
Twee priesters hadden een der naakte jonge meisjes gegrepen, die thans van hun boeien ontdaan waren, en hen met geweld naar de deur van den helschen laaienden oven gesleurd, het volgende oogenblik was de ongelukkige verdwenen, en de drie reizigers verbeeldden zich, dat zij hier haar jammerklachten konden hooren.
De koningin, steeds op haar sponde uitgestrekt, leek glimlachend toe te zien.
Maar dit was meer dan drie Europeanen konden verdragen.
„Dan maar met de vliegmachine!” schreeuwde Raffles. „Misschien zal onze verschijning alleen wel voldoende zijn, om hen op de vlucht te jagen! Ik ben overtuigd dat zij, zoodra wij verdwenen zijn, opnieuw zullen beginnen, maar dan zullen wij al thans geen getuigen van dat afschuwelijke schouwspel zijn.”
De drie reizigers scheepten zich onmiddellijk in, en laadden hunne geweren, eenige seconden later begon de schroef te wentelen, de vliegmachine schoot over het terras en verhief zich daarna in de lucht, om recht op de tempelstad aan te sturen.
In minder dan vijftien seconden was de afstand afgelegd, en onvervaard liet Raffles de machine midden tusschen de doodelijk ontstelde menigte neerdalen. Velen hadden zich op den grond geworpen maar het meerendeel nam in allerijl de vlucht, gillend en met de handen boven het hoofd geheven, de priesters, de slaven, de danseressen, het gevolg van de koningin en ook de ongelukkige jonge meisjes, die aan den God Baäl ten offer hadden moeten worden gebracht.
Alleen de soldaten trachtten zich een oogenblik te weer te stellen, maar een paar goed gerichte geweerschoten brachten zulk een ontsteltenis en bijgeloovige vrees te weeg, dat de geheele legermacht op de vlucht sloeg.
Binnen enkele oogenblikken was er boven op den toren geen levend wezen meer te bespeuren, alles had de vlucht genomen voor deze bovenaardsche verschijning, deze vuurspuwende draak.
De tempel was geheel verlaten.
Op eenige meters van den ingang lagen te weerszijden twee geweldige, zuiver ronde kogels, van klinkklaar goud, en blijkbaar massief, want Henderson kon ze nauwelijks verrollen. Zij moesten ieder minstens drie honderd kilo wegen.
„Wij zullen deze fraaiigheden als aandenken medenemen,” zeide Raffles, „maar wij zullen verstandig zijn, en ze aan niemand laten zien, want men zou ons toch voor bedriegers houden.”
Met vereende krachten werden de gouden kogels aan boord van de vliegmachine getild. Juist toen dit geschied was klonk er van de vlakte een onbeschrijflijk gehuil, en toen de mannen naar beneden keken zagen zij het geheele dal als het ware overdekt met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden zonderlinge wezens, sterk behaard, en allen met pijl en boog, knuppel of steenen bijl gewapend.
„Holbewoners,” zeide Raffles lakoniek. „Zie, zij gaan den toren bestormen, de schoone koningin heeft hen zeker op ons afgezonden, wij zullen zoo verstandig zijn en dat leger van een half millioen hier niet afwachten, want zelfs voor onze moderne geweren is die overmacht te groot. Kom vrienden, laten wij ons inschepen, en uit deze oorden vertrekken, en er voorloopig vooral niet over spreken, daar men ons misschien in een gekkenhuis zou opsluiten.”
Een oogenblik later zweefde de Duivel der Lucht weder boven dit gebied, zoo vol wonderen en geheimen, terwijl daar beneden een woedend gehuil, gelijkend op het rauwe geblaf van hyena’s, uit honderdduizenden kelen opklonk.
Dat was de afscheidsgroet uit het Land der Vergetelheid..........