Chapter 1 of 7 · 3984 words · ~20 min read

Part 1

DE BLOEMENVELDEN

DOOR J. W. DE GROOT

WAARIN TE BEVESTIGEN „KLAVERBLAD’S” PLAATJES, WELKE ZICH BEVINDEN IN DE VERPAKKING VAN DE BEKENDE EN GEZOCHTE KARNEMELKZEEP No. 340, MERK „HET MELKMEISJE”

(NADRUK VERBODEN)

UITGEEFSTER: N.V. HAARLEMSCHE STOOMZEEPFABRIEK „HET KLAVERBLAD” HAARLEM

VOORWOORD.

Vóórdat ik me aan de aangename taak zal gaan wijden om de aantrekkelijkheid van dit album door een passend en leerzaam bijschrift te verhoogen, eenige regels vooraf.

Reeds deden eminente natuurkundigen, waaronder de heer Jac. P. Thijsse, U op ruime schaal kennis maken met het rijke natuurleven, zoo in woord als beeld. Men denke slechts aan het aantrekkelijke album „Blonde Duinen”, e.a. Hoe is daardoor niet Uwe belangstelling opgewekt geworden voor de schatten der natuur, waarvan ge vroeger het bestaan en de bijzonderheden niet kendet!

Ook dit album zal staan in het teeken der „Natuur”, hoewel het eenigszins zal verschillen van alle voorgaande. Gij zaagt U in andere uitgaven hoofdzakelijk de z.g. „Wilde Natuur” in woord en beeld gebracht, hier echter zult gij kennis maken met „Kinderen van Flora”, door kundige vaklieden met zorg gekweekt, met bloembollen, knol- en wortelgewassen, uit een bepaald district van ons land, gelegen tusschen Alkmaar en Leiden met Haarlem, de bloemenstad, als centrum.

En waarin nu wel het verschil zal bestaan tusschen dit album en de andere? Wel, jeugdige bloemenvrienden, leert en bestudeert ijverig de volgende bladzijden, en de vraag zal door U zelven beantwoord kunnen worden. Ik ben er ten volle van overtuigd, dat ge de verleiding, om de theorie in practijk om te zetten, geen weerstand zult kunnen bieden, dat ge weldra zult behooren tot het reeds groote aantal van kweeklustige jonge lieden, en aanstonds Uw tuintjes en kamers zult versieren met door U zelven gekweekte bolgewassen, zoo onvergelijkelijk schoon.

Moge mijne profetie bewaarheid worden. Dit zal voor mij de grootste voldoening zijn.

Komt ge, ondanks ijverige studie, voor moeilijkheden te staan, schiet Uw kennis te kort, geen nood! Wendt U dan gerust tot mij, en waar het in mijn vermogen is, zal ik U steeds gaarne met voorlichting dienen.

J. W. DE GROOT. Overveen, bij Haarlem.

Heusch, ik weet wel, dat gij niet allen geheel onbekenden zijt op het gebied der bloembollen en hun kweekwijze. Daar toch hebben in menig geval Uw onderwijzers wel voor gezorgd. Met velen van hen heb ik indertijd kennis gemaakt. Heele „Pieten” waren er bij, die over de bloembollen, hun groei en bloei en wat dies meer zij, zéér vakkundig konden praten, en daarmede blijk gaven, dat zij de bolletjes niet slechts hadden bekeken, maar ook gekweekt in hun tuinen en kamers, zoo ook op de school.

Zij wisten in veel gevallen wel te vertellen, welke soorten van Hyacinthen, Tulpen, Narcissen, enz., het meest geschikt waren om in potten, pannen of kistjes, zoo ook op glazen (dit laatste slaat op Hyacinthen) gekweekt te worden, en die dus voor kamercultuur, voor het zoogenaamde „broeien”, ook wel „forceeren” genoemd, waren aan te bevelen. Ja ’t is me zelfs eens voorgekomen, dat ik, onkundig als ik was voor welk doel een Narcissensoort bestemd was, op mijn vraag of met de soort „Poëticus” de welbekende Dichter Narcis met zuiver witte bloembladen en een groen-geel scharlaken gerand hart, bedoeld werd, ten antwoord kreeg: Neen, die laat zich immers niet forceeren! Ik wist toen, dat mijn vriend wenschte de soort „Poëticus Ornatus”, (No. 66) die iets grooter van bloem en welriekend is, maar overigens sprekend op eerstgenoemde variëteit gelijkt.

Zij weten het dus over ’t algemeen wel, de onderwijzers, van wie de opvoedende kracht uitgaat. Zij zijn het, die de jeugd op elk gebied tot voorbeeld strekken, bij haar de lust voor ’t een of ander vak weten op te wekken, en uitstapjes met hun leerlingen maken naar vele bezienswaardigheden, waartoe ook onze streek gerekend kan worden, elk jaar als de bloembollenvelden hun pracht ten toon spreiden.

Zonder twijfel zullen vele jeugdige lezers en lezeressen van dit album reeds een woordje kunnen meepraten, om de eenvoudige reden, dat ze òf in ons district woonachtig zijn òf reeds een uitstapje naar de velden gemaakt hebben. Desniettegenstaande hoop ik, dat ze mijn verhandeling een even welkome ontvangst zullen bereiden als zij, die den aanblik van zooveel schoons tot nog toe moesten derven. In elk geval zullen eenigszins ingewijden in mijn beschrijving allicht iets aantreffen, dat hun aandacht waard is.

Hoevelen zijn er niet, die òf niets òf weinig omtrent de bloembollen gehoord hebben, veelal omdat ze bewoners zijn van afgelegen plaatsen van ons rijk. Wellicht weten ze wel, dat in Haarlem en omstreken bloembollen gekweekt worden, maar nooit werd hun belangstelling voor het schoone bedrijf door woord of beeld opgewekt. Ziet, dat is nu juist mijn streven. Ik wil trachten hun het gemis te vergoeden, hen medevoeren langs de velden, en iets geven van de geschiedenis der bloembollen, hen bekend maken met de voortteelt, de kweekwijze en meerdere bijzonderheden aan het bedrijf verbonden. Ja, ik wil zelfs trachten kleine kweekers en kweeksters van hen te maken, en hen dusdanig voorlichten, dat ook zij hun bolletjes in hun tuinen of in potten, enz. met succes kunnen kweeken, en wanneer dan des winters, sneeuw het land en ijs vaarten, grachten en slooten bedekt, dan zullen zij hun kamers sieren met de kleurige pracht en vervullen met de heerlijke geur van „Flora’s Kinderen”. Volg mij mijn vrienden, en schaart U onder het reeds groote aantal liefhebbers. Heusch, gij zult er geen spijt van hebben.

Het is in ons vak wel een eigenaardige gewoonte om de Hyacinthen steeds voor te stellen. De tweede plaats is aan de Tulpen, en dan komen de Narcissen, Crocussen, enz. Deze rangschikking is zonder twijfel toe te schrijven aan de meerdere of mindere belangrijke plaats, die de gewassen in den loop der jaren hebben ingenomen, zoo ook aan den omvang der aanplanting.

Ook ik zal beginnen met de Hyacinthen, hoewel ik me misschien aan de verdere volgorde niet altijd zal kunnen houden.

Allereerst een stukje geschiedenis, die m.i. wel de moeite waard is.

Weet ge wel, dat de Hyacinthen in de grijze oudheid geen onbekenden waren? Reeds ten tijde van Vespacianus werden ze door den schrijver Dioscorides in diens epistels vermeld. Ze schijnen echter eerst in 1596 hier te lande uit de Levant te zijn ingevoerd. Aanvankelijk waren slechts vier verscheidenheden bekend, t.w.: enkelbloemig wit, dubbelbloemig wit, purperrood en violet. Doch elf jaren later bestonden er reeds elf.

Wat de enkelbloemige variëteiten betreft, deze schijnen altijd wel den voorrang genoten te hebben, maar toch heeft men zich weleer veel moeite gegeven om uit zaad nieuwe dubbelbloemige soorten te winnen, althans de oude Hyacinthengeschiedenis (Anno 1613) gewaagd er van. Ook de bekende Peter Voorhelm vermeldt ze in zijn schrifturen van 1753, en later ook de markies de St. Simon, die over Voorhelm en zijn Hyacinthen in 1786 schrijft.

Als vakman heb ik veel in oude paperassen gesnuffeld, en onder ’t vele goede ook veel gevonden, dat in later jaren gelogenstraft werd. Zoo beweerde men o.a. wel eens, dat de Nederlandsche bodem voor de cultuur der bloembollen niet geschikt zou zijn. Wanneer ooit een veronderstelling onjuist is gebleken, dan is het wel deze, want nergens ter wereld tieren de bloembollen zóó welig als in Holland met zijn verschillende soorten van zand- en kleigronden.

Dat de Hyacinth nu ruim een eeuw geleden nog niet was, wat ze thans is, zeggen ons de oude afbeeldingen, waarop de bloemtrossen voorkomen met een geringer aantal nagels (bloemkelkjes, die samen een tros vormen). Dank zij echter de energie der Hollanders, eerst liefhebbers, later kweekers, handelaars en exporteurs, werd de Hyacinth, wat ze nu is. Door zorgvuldige behandeling en door veredeling werd de bloemtros grooter en breeder gebouwd, zoo ook dichter met nagels bezet. De afbeeldingen in dit album getuigen ervan.

Met de verbetering der bloemen door kruisingen verkreeg men vanzelf ook nieuwe verscheidenheden, en mag men de overlevering gelooven, dan zouden er omstreeks 1750 reeds tweeduizend soorten bestaan hebben, een aantal zóó respectabel, dat wij er heden ten dage, nu ons vak op zulk een hoog peil staat, in één woord „paf” van staan.—Zoo inderdaad dat enorme aantal heeft bestaan, dan zijn daarbij wel veel minderwaardige geweest, die men als onbruikbaar of niet loonend heeft opgeruimd.

Dat ook verzwakking aan het verdwijnen van veel variëteiten niet vreemd zal zijn, deden mij onlangs eenige oude plantboeken, die den stand der cultures weergeven van 1817 tot ruim 1850, vermoeden. Prachtboeken zijn het, wat de bewerking betreft, want het schrift (het zal nog wel met een veerenpen geschreven zijn) is als het ware dat van een calligraaf. Elk jaartal, waarboven het traditioneele „Anno”, is zoo prachtig geteekend, dat het als kunstwerk kan aangemerkt worden. Vergeefs heb ik gezocht naar den naam van den schrijver, vergeefs ook zocht ik in de hedendaagsche bescheiden naar de meeste der soorten in de oude plantboeken vermeld. Dat zich onder de afgestorvenen veel moois bevonden heeft, daaraan valt niet te twijfelen. Ze hebben echter wegens zwakheid of ouderdom naar het schijnt het voorbeeld van den schrijver der plantboeken gevolgd, en dit ondermaansche voor goed verlaten.

„Sic transit gloria mundi”: Zoo vergaat de roem der wereld! Maar niet alzoo die der Hyacinthen. Wel is waar kweekt men thans geen 2000 verscheidenheden, maar nog een zéér beduidend aantal, waarvan een paar honderd als de beste handelssoorten gelden, d.w.z.: die, welke wegens haar goede broei-eigenschappen kooper zoowel als den verkooper de meeste voordeelen bieden, en die uit den aard der zaak dan ook in groote hoeveelheden worden gekweekt.

Jammer dat de bolletjes evenals het menschdom niet voor ziekte gevrijwaard zijn. Om in bijzonderheden te treden zou mij te ver afvoeren. Het zou U moeilijk aan het verstand te brengen zijn, wat „oud- en nieuwziek”, „zwartrand” of „snot” (lacht niet) is.—Het behoeft U als kooper niet af te schrikken, want de kweeker waakt! Evengoed als ge Uw huisarts hebt, die Uw krankheden na vaststelling zijner diagnose weet te bestrijden en vaak erger weet te voorkomen, zoo ook vinden de bolletjes hun doctoren in hun kweekers, die op de meest afdoende wijze te werk gaan, zoo zij ten minste hun taak ernstig opvatten.

Waar gij als leek voor een bloembed geplaatst wordt en aan geen enkele plant iets bijzonders ontdekt, daar ziet het geoefende oog van den teeler aan een enkel stipje van enkele millimeters in doorsnede, dat de bol niet „van harte” gezond is. Het onvermijdelijke gevolg is dan, dat de bol met loof en al wordt uitgetrokken, ja zoo de kwaal ernstig is, moeten zelfs de 5 of 6 geburen van den kranke hetzelfde lot ondergaan uit vrees, dat ook deze besmet zijn en het euvel zouden doen voortwoekeren.

Zou Uw huisarts ook zoo afdoende te werk durven gaan en U om de een of andere reden van het leven te berooven. Mij dunkt, hij zal er zich wel voor wachten. Nog minder zou hij het wagen zich aan Uw buurman te vergrijpen!

Laat U echter niet afschrikken, want ’t is heusch zoo erg niet. Betrekt slechts Uw waar van een der vele betrouwbare kweekers, want wilt ge goeden resultaten bereiken, dan is deze maatregel hier een gulden regel.

„IETS OVER DE WERKZAAMHEDEN” EN: „WAT HET VROEGE VOORJAAR BIEDT”.

Orde en regelmaat, ze zijn geboden in elke zaak, en niet het allerminst in het bloembollenbedrijf, zoo men althans met succes wil werken.

Reeds in September begint men de gronden te bemesten en te spitten, daarna de hoeken (stukken gronds met een oppervlakte van doorgaans 100 Rijnlandsche roeden) met grebben te doorschieten en te omtrekken opdat het overtollige water worde afgevoerd. Vanzelf ontstaan nu op elken hoek 3 of 4 akkers, terwijl elk dezer akkers weer in 20 à 30 bloembedden van volkomen gelijke afmeting wordt verdeeld, met eene tusschenruimte van één voet om als looppad dienst te doen.

Nauwelijks is deze verdeeling gereed, of het planten der bollen neemt een aanvang. Uit het eerste bed wordt om te beginnen de aarde tot op een diepte van pl.m. 10 cM. verwijderd. De blootgelegde bodem wordt gelijk geharkt en daarna met ’t een of ander bolgewas beplant. De onderlinge afstand, waarop geplant wordt, hangt af van den aard of de grootte der bollen, en varieert van 10 tot 15 cM.—Is nu bed No. 1 beplant, dan worden de bollen bedekt met de aarde uit bed No. 2, dat dan weder gelegenheid biedt om het planten voort te zetten.—Bed No. 3 levert vervolgens de aarde voor No. 2, enz.

Komt in dien planttijd eens een kijkje nemen, mijn vrienden, en tracht dan eens het schijnbaar eenvoudige werk met dezelfde nauwkeurigheid te verrichten als onze geoefende arbeiders.—Gewis, ge zult niet aanstonds slagen.

’t Is dien planttijd alles „haast-je, rept-je”, vooral bij kweekers met een groot „kraam” (zoo noemt de kweeker zijn gansche bezit aan bloembollen) omdat nà het planten en als ’t kan, vóór het invallen van de vorst alles tevens „gedekt” d.w.z. van een rietbedekking voorzien moet zijn, want hoewel de gewassen tamelijk winterhard zijn, verdragen ze scherpe vorstwinden minder goed.

Zelfs tot in December kan bij open weêr nog geplant worden, en is de taak eenmaal volbracht, dan komt voor den bollenman een kleine periode van betrekkelijke rust. Weliswaar geven dan enkele laat-rijpende gewassen, zooals Gladiolussen, Begonia’s, Canna’s, Dahlia’s, e.a. eenige bezigheid, maar in verhouding tot de drukte en de beslommeringen, die de hoofdgewassen geven, staat zulks niet.

Rust is in ons bedrijf zulk een schaarsch artikel. Zelfs de bloembol weet er weinig van, want nauwelijks is hij zoo ongeveer tegen Juli afgestorven, of hij toont weer neiging om wortels te maken. Vooral de Narcis gaat aan dit euvel spoedig mank, en elke kweeker zal moeten ervaren, dat een minder stipte behandeling van zijn „kraam” op schade uitloopt.

Is de periode van rust voor den kweeker betrekkelijk kort, ook voor de bol is dat het geval, want in drogen toestand is ze reeds bezig om inwendig de bloem voor het volgende jaar te vormen. Snijdt in September of October eens een bloembol in de lengte juist middendoor, en ge zult reeds het beginsel van de bloem ontdekken.

Keeren wij thans nog even naar den wintertijd terug, naar den tijd van ijs en sneeuw. Hoe merkwaardig goed verdragen onze bloembollen de reine sneeuwbedekking—iets waarover elke bloemist zich verheugt. Zachte of z.g. open winters zijn in ons vak niet geliefd, daar zich de bloembollen dan te vroeg ontwikkelen en reeds in Januari of Februari hun spruiten, of om de juiste term te gebruiken, hun „neuzen” toonen door de rietbedekking heen, die dan eerst half, en een korte spanne tijds later geheel moet verwijderd worden.—Komt de winter dan wat laat, dan behoef ik U niet te zeggen, dat ’s kweekers gezicht niet al te vroolijk staat.

Echter nóch de tijd, nóch de natuur bekommert zich om de menschen of de belangen van den mensch. ’t Zou ook verkeerd zijn, want wat den een van nut is schaadt den ander, hetgeen ook voor den kweeker geen nieuws is. Kalm neemt hij de rietbedekking weg, zoodoende de beplante oppervlakte blootleggende.

Daar ziet ge ze reeds, de jonge geelachtige „neuzen”, die wanneer ze eenige dagen aan het volle licht worden blootgesteld, weldra de normale groene tint aannemen. Als goed gedrilde soldaten staan ze daar netjes in ’t gelid, een bewijs dat het planten met zorg geschiedde. Laten ze zich rustig ontwikkelen, en in April zullen we eens terugkomen om van de kleurige pracht te genieten. Maar al is ’t nu pas Februari en staat Maart ook voor de deur, toch is er reeds iets te zien in ons bedrijf. Daar is reeds de Eranthis Hyemalis (No. 113) het lieve Winter Aconietje, dat hoewel korter van stengel, overigens onmiddellijk doet denken aan de boterbloemen. Wat leent zich dit kleine bolgewasje uitstekend voor vroege versiering, vooral voor randen langs de paden! Hoe spot het niet met de winterkoude!

En wat ons nu verder nog trekt? Wel natuurlijk de Sneeuwklokjes (Galanthus Nivalis) No. 109, U allen zoo wel bekend. ’t Is toch wel haast het liefste goedje, dat ik ken, waarvan men er steeds eenige wil medevoeren. Ze vragen geen zorgvuldige behandeling, ze behoeven zelfs na den bloeitijd niet uit Uw grasveld opgenomen te worden. Plant ze losjes of op kleine hoopjes, laat ze waar ze zijn, en ze zullen telken jare behoorlijk op tijd terugkomen.

Lief geel Winter-Aconietje, nederig en toch zoo treffend schoon wit Sneeuwklokje, ge hebt ons hart gestolen. Voor Uw pracht blijft de vroege voorjaarswandelaar verrukt staan om uit te roepen: Kijk dat ’s mooi! Dat moet ik ook ’t volgend jaar in mijn tuin hebben! Ongetwijfeld zal hij dit eveneens zeggen, wanneer hij in Maart komt te staan voor een prachtveld van Crocussen, die wij onder de meest geliefde bolgewassen kunnen rekenen. Groot zijn de aanplantingen ervan, maar enorm is ook de vraag, mede omdat ze zoo bij uitnemendheid voor potcultuur geschikt zijn. Op een der volgende bladzijden zult ge de cultuurvoorschriften vermeld vinden.

Wat ik U van de Sneeuwklokjes vertelde, is ook van toepassing op de Crocussen. Ze vereischen geen zorgen, ze vragen niet, doch geven slechts. Plant ze tusschen struikgewas, in groote grasvelden, hetzij in perken of losjes uitgestrooid, plant ze waar ge wilt, zij zullen elk jaar opnieuw te voorschijn komen. Ook wanneer ze zijn uitgebloeid, en nog slechts hun grasachtig loof bezitten, kan niets hun deeren, want zelfs voor het voortdurend maaien van ’t grasveld zijn ze ongevoelig, wanneer de bolletjes ongemoeid gelaten worden.

Wat nu de soorten aanbelangd, daarin is de keuze groot, hoewel vele op elkaar gelijken. Zéér fraai en rijkbloeiend is vooral de Groote Gele Crocus (No. 106), van een zuiver goudgele kleur. Bij het forceeren in potten moet ge echter met deze soort voorzichtig zijn, want haalt men haar te vroeg voor den dag, dan krijgt ge meestal wel lof en geen bloemen. Ze mag eerst dàn aan ’t licht en de warmte in de kamer worden blootgesteld, als de gele kleur der bloemen door het witte omhulsel der neuzen zichtbaar is.

Van de blauwe soorten (No. 103) d.w.z. van lichtblauw tot purper toe, spant zeker „Purpurea grandiflora” wel de kroon. Deze zéér donkere Crocus is in de blauwe tinten, wat de soort „King of the Whites” in het wit (No. 104) is—groot en rijkbloeiend.

Zéér lief zijn ten slotte ook de „bonte verscheidenheden” (No. 105) waaronder „Sir Walter Scott”, „La Majestueuse”, „Lothair”, enz., waarvan de bloemen op fraaie wijze zijn geaderd of gevlamd. Is bij de eene soort het wit ’t meest vertegenwoordigd, bij de andere heeft het blauw of violet de overhand.

Het is natuurlijk ondoenlijk om van elke soort een beschrijving te geven, en ik vertrouw, dat ge tevreden zult zijn, wanneer ik U, zoodra ik aan de cultuurvoorschriften toe ben, eenige der beste soorten noem. Komt ge later aan de „praktijk” toe, laat me dan eens weten, of ge over mijn keus tevreden zijt.

OP WEG NAAR DE VELDEN.

Heerlijk schijnt het Aprilzonnetje, dat alle gewassen als ’t ware uit den grond toovert. De gezwollen knoppen van struik en heester, ze konden het in hun omhulsel niet meer houden, vandaar dat ons oog zich reeds verlustigt aan het frissche, jonge groen.

Hoe is ’t toch mogelijk, dat er nog zooveel menschen zijn, die geen oog hebben voor de poëzie der natuur, die wel weten, dat het in den herfst en in Maart guur, in den zomer warm en in den winter koud kan zijn, maar overigens ongevoelig blijven voor het nieuwe leven, dat de lente ons brengt! Arm menschenkind, ruk U eens los uit de dagelijksche omgeving, onderneem eens op een vroegen Aprilmorgen een wandeling, geef Uw oogen eens de kost, en zet Uw ooren eens flink open, en wanneer ge dan gedwaald hebt door bosch en veld, gehoord de gevederde zangers, die om strijd hun best doen om hun Schepper te prijzen voor Zijn grootsch werk, vertel ons dan eens, of de gansche natuur niet tot U gesproken, niets in U wakker geroepen heeft!

Gelukkig, het meerendeel van ’t menschdom leeft nog in den waren zin van ’t woord. Daar is de buitenman met zijn verlangen om bij tijd en wijle eens met het drukke stadsleven kennis te maken, zoo ook de stadsbewoner, wiens programma onvolledig zou zijn, wanneer daarop niet voorkwam een uitstapje naar buiten, zoo mogelijk naar de velden, naar de bloemenstad Haarlem en haar omgeving.

Ofschoon gewonnen en geboren in de bloembollenstreek en derhalve gewend aan de telken jare terugkeerende pracht der velden, waardoor ze bij ons niet die emotie verwekt als bij de nieuwelingen, blijven wij tóch steeds groote belangstelling koesteren voor onze schatten. Zeker, ook wij hebben gevoel voor poëzie, en vinden onze velden telkens weer mooi, doch het is niet het minst het prozaïsche wat ons belang inboezemt, n.l. de stand van het gewas, waarvan ons wel en wee afhangt.

Het is dus in beider belang, wanneer ik me bij U aansluit. Ik wil in gedachten wel eens meetoeren met de luidjes die ons district bij duizenden tijdens den bloei der bolletjes bezoeken. Ja meetoeren, want in aanmerking genomen, dat ik in hoofdzaak jonge bloemenvrienden en -vriendinnen tot gids zal dienen, dan kan de keus moeilijk op iets anders vallen dan op het vervoermiddel bij uitnemendheid, dat ons brengt, waar we anders nooit zouden komen: de fiets!

Vanwaar we komen, doet niets ter zake. Een feit is het, dat we peddelen over mooie grint- en klinkerwegen, langs kronkelende vaarten en slooten, langs heerlijk groenende weiden. Hier een boerderij, een echte oud-Hollandsche, daar een molen, die wij nog zooveel in onze streek aantreffen, en ginds in ’t verschiet de torens van een lieflijk dorpje, dat we straks zullen doortrekken.

Voort, steeds voort gaat het onder vroolijk gesnap en gelach, ja, hoe zou het anders kunnen, zelfs onder gezang, want welk echt Hollandsch kind zou niet zingen, wanneer hij op een heerlijken lentedag zich kan overgeven aan het genot van een heerlijken tocht, terwijl het verfrissende windje met z’n ontbloote haren speelt?

Voort gaat het, in een regelmatig tempo, totdat we eindelijk in ’t verschiet den grijzen toren van Haarlem’s Groote Kerk ontwaren, en nog een flink kwartier en we zijn aangeland in de bloemenstad, in de stad van Kenau Hasselaar, van Ripperda en Lourens Coster. We zullen ons met die oude beroemdheden thans niet bemoeien, hoewel we Lourens Coster (door ons in de wandeling kortweg „Louwtje” genaamd) met z’n A in de opgeheven hand op de Groote Markt niet kunnen ontloopen. Maar dan ook naar de velden!

In de stad zelve ontdekken we van bloemen weinig, dus moeten we naar buiten, hetzij Zuid- of Westwaarts, en, om onze nieuwsgierigheid spoedig bevredigd te zien, zullen wij de westelijke richting kiezen, naar Overveen dus, naar de bakermat der oudste en vermaarde Hyacinthenkweekers.

Welk een pracht zoo onder den rook van Haarlem! Ik kan me begrijpen dat gij, die nooit te voren de reuzenvelden met de schoonste schakeeringen van rood, blauw, wit, rose, paars en geel heb aanschouwd, het uitroept: Hè, dat ’s mooi, machtig mooi! Is het niet als ’t ware één tapijt van bloemen, waarvan ge den geur naar hartelust opsnuift?

’t Is zeer begrijpelijk, dat de bewoners van Haarlem en omstreken in den bloeitijd bij voorkeur hun wandelingen maken langs onze velden, en, bekend als zij zijn met het terrein, bij voorkeur langs de smalle paden der vele vaarten en slootjes. In druk bezoek verheugt zich dan het pad langs de Brouwersvaart, die in den goeden ouden tijd den bierbrouwers uit Haarlem in de gelegenheid stelde om het water voor hun bedrijf aan te voeren uit het alom bekende „Brouwerskolkje” gelegen aan den voet der duinen te Overveen (gem. Bloemendaal). Wel is waar heeft dit voor dat doel reeds lang afgedaan, maar tóch is „’t Kolkje” steeds als uitspanning en pleisterplaats een attractie gebleven. Wie dan ook te Overveen is geweest, en het „Brouwerskolkje” en het even verder gelegen „Kraantjelek” niet heeft bezocht, die heeft veel gemist.

Dat zal van ons niet gezegd mogen worden. ’t Is nog vroeg, zoodat we ons een kwartiertje rust wel kunnen gunnen. Bovendien, een kleine verfrissing zal welkom zijn.