Chapter 4 of 7 · 3968 words · ~20 min read

Part 4

Hoewel ze nu bij flinke bedekking voor buiten zeer geschikt zijn, worden ze toch veelal voor potcultuur gebruikt. Enkele fraaie soorten wil ik hier opnoemen. „Grand Monarque” wit met geel hartje, „Jaune Suprême”, geheel geel, „Gloriosa”, wit met donker oranjehart, „Mont Cenis”, wit met geel hart, een der grootbloemigste, en „Koningin der Nederlanden”, wit met citroengeel hart. De soorten „Witte Paul” en „Staten Generaal” zijn beide geheel wit, maar de mooiste zuiver-witte is „Paperwhite Grandiflora” (No. 74) ook wel „Dubius” genaamd, die hier, evenmin als de soort „Constantinopel” of „Marseiller Tazette” (geel), niet buiten kan worden geteeld of voortgekweekt, maar in normale tijden uit het zuiden van Frankrijk worden ingevoerd.

Heel wat verscheidenheden werden in den loop der jaren in Holland door kruisingen gewonnen, zelfs is men er in geslaagd een nieuwe klasse te scheppen, die grooter is van bloem en minder sterk van geur, twee eigenschappen, die als een besliste verbetering worden beschouwd. Men heeft ze den naam van „Poetaz-Narcissen” gegeven, omdat ze ontstonden door kruising van Tros-Narcissen en de reeds besproken soort „Poëticus”. De bloemtros is weliswaar slechts met 4 tot 8 bloemen bezet, maar deze zijn dan ook grooter dan van de Tros-Narcissen; ze houden het midden tusschen de laatstgenoemde en „Poëticus”. De meest bekende fraaie soorten zijn: „Elvira”, (No. 73) wit met geel hart; „Irene” (No. 77) bleekgeel met oranje hart; „Aspacia”, wit met geel hart; „Alsace”, zuiver wit, het hartje een weinig rood aangeloopen. Deze laatste soort doet ons het meest aan de „Poëticus” denken.

Zooals alle andere gewassen, zou ik ook de Narcissen breedvoeriger kunnen behandelen, maar alles heeft zijn grenzen. Wat ge noodzakelijk weten moest, heb ik U niet onthouden.

Een belangrijk praatje zal aanstonds de wijze van ’t kweeken voor U zijn, vooraf echter wil ik nog enkele kleinere bolgewassen aanhalen, die geen echte bloembollenvriend of -vriendin verzuimen zal te koopen. Om te beginnen de Scilla Sibirica, (No. 110), die reeds bij goed weer omstreeks half Maart buiten prijken. De dunne, 10–15 cM. lange stengeltjes zijn dan met 3 à 4 stervormige helder blauwe bloempjes bezet. De bloeirijkheid hangt af van de grootte van het bolletje, dat doorgaans 6–10 cM. in omvang is. Veelal brengt een bescheiden bolletje reeds 2 à 3 bloemstengels voort. Reeds in 1590 werden ze hier uit Constantinopel ingevoerd, en thans worden ze bij beduidende hoeveelheden gekweekt, hoofdzakelijk uit zaad. Ook voor potcultuur zijn ze zéér aan te bevelen.

Even mooi, wellicht nog mooier dan Scilla Sibirica is de Chionodoxa, (No. 112) vrij vertaald „Roem der sneeuw”, een naam, dien ze daaraan te danken heeft, dat ze voor ’t eerst gevonden werd bloeiende in de sneeuw. In de gebergten van Anatolië en den Taurus, op Kreta en Cyprus, worden ze veel aangetroffen, en in Juli van 1842 vond men ze op 2000 Meter hoogte op den westelijken Timolus. Eerst in het jaar 1877 verkregen ze in de tuinen van Europa burgerrecht, nadat ze toen ook in het gebergte ten oosten van Smyrna waren gevonden. Er bestaan slechts enkele soorten van, n.l.: „Luciliae”, „Gigantea” en „Sardensis”, waarvan de eerstgenoemde het meest gevraagd wordt. De bloempjes, en het geheele plantje trouwens, vertoonen een merkwaardige overeenkomst met die van Scilla Sibirica, het hartje is echter witachtig getint, en het bolletje, witachtig van kleur, is kleiner. De bloeitijd is Maart. Plant ze in vereeniging met Scilla, Sneeuwklokjes en Crocussen. Iets liefelijkers is haast niet denkbaar. En dan, ze behoeven alle zoo weinig zorg, want ze zijn immers tegen de winterkoude bestand!

Ten slotte nog de „Hyacinthus Botrioïdes”, ook wel „Muscari” geheeten. De bekendste is „Hyacinthus Botrioïdes Coerulea”, het „Blauwe Druifje” (No. 107), dat in Maart–April buiten bloeit, en dat ook voor het forceeren aanbeveling verdient. Eerst ontwikkelt zich het smalle, stijve loof, en wat later ziet men het bloempje geheel aan het benedeneinde, dus als ’t ware uit den grond, te voorschijn komen. Het stengeltje is, geheel uitgegroeid, 10–15 cM. lang en draagt een trosje van ongeveer 3 cM. hoogte, gevormd door een aantal fijne op kraaltjes of kleine druifjes gelijkende bloempjes, dicht tegen elkander gedrukt. Gelijk van vorm is de witte verscheidenheid, het „Witte Druifje” (No. 108), dus de „Hyacinthus Botrioïdes albus”.

Wat ik U verder nog wil aanbevelen, is de Muscari Plumosus, die in vorm geheel van de voorgaande gewassen verschilt. De stengels zijn langer, en de violet-blauwe bloemen zijn veel grooter en van een pluimachtigen vorm.

Wilt ge dus iets liefs kweeken, slaat dan vooral de Muscari’s niet over.

DE KWEEKWIJZE DER BOLGEWASSEN.

Voor zoover de beperkte ruimte zulks toeliet, heb ik U, liefhebbers(sters) van „Flora’s kinderen” een kijkje gegund op het bloembollenbedrijf met al zijn wel en weê. En wat zal nu het gevolg zijn van mijn causerie? Zullen wij het aantal bezoekers zien vermeerderen, en mag ik veronderstellen, dat er aanstonds nieuwe kweekers en kweeksters zullen opstaan?

Ge kunt U natuurlijk ook voornemen om de velden jaarlijks te bezoeken en om eens bij den een of anderen kweeker een kijkje te gaan nemen, maar ’t rechte is het dan toch niet. Neen, ge moet zèlf kweeken om het rechte genot er van te smaken! Ge moet zèlf planten en oppotten, ge moet de bolletjes zèlf verzorgen en dagelijks hun ontwikkeling gadeslaan en ze tot bloei brengen! Ge zult het, ik sta er U borg voor, een goedkoope, leerzame en interessante liefhebberij vinden.

Nu werd menige leek door het mislukken van zijn bolletjes teleurgesteld, en schreef dan de minder gunstige resultaten toe aan de slechte kwaliteit van de geleverde waar. Zeker, er wordt helaas nog heel wat minderwaardig goed geleverd, veelal doordat men de tòch reeds goedkoope bloembollen tegen den allerlaagsten prijs wil opdoen. In dat geval is „goedkoop” ten slotte „duurkoop”. In de meeste gevallen echter is onoordeelkundige behandeling de oorzaak. Ik ken er o.a. wel, die hun bolletjes direct na het oppotten of op glazen zetten, voor de ramen aan ’t daglicht blootstellen, en het dan nog onbegrijpelijk vinden, dat er van de boel niets terecht komt. Hoe is ’t mogelijk! Laat ik U, mijn bloemenvrienden, voor teleurstelling vrijwaren, en U hieronder de voor U noodzakelijke cultuuraanwijzing neêrschrijven.

Cultuur in open grond. De eerste vragen, die bij den amateur rijzen zijn: In welken grond moet ik mijn bolletjes planten? Hoe moet ik bemesten? Ik kan U hierop slechts antwoorden, dat elke goede tuingrond geschikt is, mits goed omgespit. Zware kleigronden zou men met wat zand of turfmolm kunnen vermengen om ze wat luchtiger te maken, maar een volstrekte noodzakelijkheid is zulks niet.

Is Uw tuingrond (zandgrond) voedzaam, dan kunnen de bollen het ’t eerste jaar heel goed zonder bemesting stellen, in kleigronden zéér zeker. Mocht ge echter in een armen bodem moeten planten en dus eenigszins moeten bemesten, draagt er dan zorg voor, dat de bollen niet met de mest in aanraking komen, daar dat hoogst nadeelig is. Ook heeft de ondervinding geleerd, dat mest die tè diep is ingespit, niet naar behooren verteert, of beter uitgedrukt „verzuurt”, doordat de invloed der zonnewarmte zich op te groote diepte niet doet gelden. Het verdient daarom aanbeveling om de mest slechts ongeveer 15 cM. onder de oppervlakte te brengen, zoodat, wanneer de bollen op een diepte van 10 cM. worden geplant, de humuslaag zich 5 cM. daaronder zal bevinden. Een zandlaagje van 5 cM. zal dus de bollen van de mest scheiden.

Een andere methode, gemakkelijker en veelvuldig toegepast, is het uitstrooien der mest over het bloembed, nadat het beplant en geheel in orde gemaakt is. De mest ligt dan geheel aan de buitenlucht blootgesteld, maar toch dringen de voedende stoffen genoegzaam den grond in. Gebruikt steeds koemest, liefst oude, en bemest nooit te sterk. Een dun laagje, luchtigjes uitgestrooid, is ruim voldoende. Denk er bovendien om, dat Narcissen, Crocussen, Winter-Aconietjes, Chionodoxa, Scilla en Sneeuwklokjes geen of zoo goed als geen mest noodig hebben. ’t Is beter ze gewoonweg in een goeden tuingrond te planten.

Wat nu het in gereedheid brengen der bloemperken, randen of rabatten betreft, dat is eenvoudig, maar moet niettegenstaande met zorg geschieden, opdat de bollen zich op gelijke diepte onder de oppervlakte zullen bevinden. Legt Uw bloembedden bij voorkeur een klein weinigje bolvormig aan, zoodat het middelpunt iets hooger komt te liggen, verwijdert dan de aarde tot op de diepte, waarop het bolgewas geplant moet worden (in de meeste gevallen 10 cM.). Menigeen gaat anders te werk, verwijdert den grond niet, maar drukt den bol gewoonweg 10 cM. diep door de losse geëffende aarde heen. Ik beschouw dit als geheel verkeerd, omdat de grond onder het gewas veel te vast wordt aangedrukt. En dan, hoe zal op deze manier van een regelmatige beplanting sprake kunnen zijn? Veelal sluit zich de grond na het indrukken onmiddellijk boven de bollen, en voor het juiste „in ’t verband planten” mist ge elk overzicht wat vooral bij twee- of meerkleurige bloembedden zeer ongeriefelijk is.

Bij het opvolgen van mijn voorschrift overziet ge het geheel, totdat de laatste bol een plaatsje heeft, en hebt ge dus steeds de zekerheid, dat alles na het opbrengen der aarde op de vereischte diepte staat, en kunt ge derhalve een volmaakt gelijk opkomen verwachten.

Minder nauwkeurig behoeft ge te werk te gaan, wanneer ge bol- of knolgewassen, die daarvoor geschikt zijn, in casu: Crocussen, Chionodoxa en Sneeuwklokjes in grasvelden of tusschen hout- en struikgewas zonder regelmaat plant. Wij noemen dat „uitstrooien”. Maakt met ’t een of ander voorwerp gaatjes tot op de vereischte diepte, plaatst het gewasje er in en trapt de gaatjes daarna voorzichtig toe. Natuurlijk kunt ge alles door elkaar, of ook op groepjes bijeen zetten. Ge zult eens zien, hoe wonderschoon het effect is, dat ge door losjes uitstrooien verkrijgt. Laat de gewasjes nà den bloeitijd rustig staan, maait het gras gerust, zooals ge dat gewoon zijt te doen, mits niet àl te vroeg: ze komen telken jare in volle pracht terug. Bedekking tegen winterkoude is overbodig.

Even wil ik nu nog terugkomen op de regelmatige plantwijze en raad U aan den inhoud van het volgende tabelletje in praktijk te brengen:

Hyacinthen: Plantdiepte: 10 c.M.; onderlinge afstand: 12 c.M. Tulpen: ,, 10 ,, ; ,, ,, : 10 ,, Narcissen: ,, 10 ,, ; ,, ,, : 10 à 12 ,, Crocus: ,, 6 à 8 ,, ; ,, ,, : 8 ,, Sneeuwklokjes: } Scilla: } ,, 5 ,, ; ,, ,, : 8 ,, Chionodoxa: } Winter Aconiet: } Anemonen: } ,, 5 ,, ; ,, ,, : 1 ,, Ranonkels: } Engelsche Iris: } ,, 8 ,, ; ,, ,, : 10 à 12 ,, Spaansche Iris: } Gladiolus: ,, 10 ,, ; ,, ,, : 12 à 15 ,,

De vijf laatstgenoemden heb ik nog niet besproken, dat komt nog. ’t Zijn knolgewassen, evenals Chionodoxa en Winter-Aconietjes, wat ik nog verzuimde te zeggen. Gladiolussen plante men eerst in het voorjaar, zoo ongeveer April, wanneer geen nachtvorsten meer te vreezen zijn, Anemonen en Ranonkels bij open weer van einde Februari tot Maart. Voor de acht eerste bolgewassen van de tabel is de geschikte planttijd van October tot eind November. Bij zacht weer kan men desnoods nog heel in ’t begin van December planten. Veelal wordt niet zoo bijster vroeg geplant, omdat in October in de perken voor de bloembollen bestemd, menig ander gewas, bijv. Begonia’s, nog in vollen bloei staat. Men vindt het dan jammer, en niet ten onrechte, om de bloemenschat te vernietigen.

Is het eenmaal November, dan is de tijd daar om perken, enz. met stroo, riet of droge bladeren te bedekken, de Hyacinthen, Tulpen en Narcissen ter dikte van 5 cM., de Tros-Narcissen en Jonquillen van 10 cM., aangezien deze den vorst minder goed verdragen. Voor het opwaaien verdient het verder nog aanbeveling op de rietbedekking eenige takken, op de bladeren wat sparregroen te leggen.

Of ge, nu Uw schatten het voorloopig geheel zonder U kunnen stellen, de verzoeking zult kunnen weerstaan, om zoo nu en dan eens te gaan „neuzen” hoe het er nu eigenlijk meê staat, dat valt nog te betwijfelen. Maar ge zult goed doen geduld te hebben tot Februari. Is dan het weer vorstvrij en ligt er geen sneeuw, schuift dan hier en daar het riet of blad wat op zijde; ge zult dan de geelgetinte spruiten wel reeds boven den grond zien komen. Ge kunt er nu zoetjesaan aan gaan denken, de bedekking voor de helft te verwijderen. Ge doet dit het gemakkelijkst door de geheele laag eraf te nemen, en er deze daarna opnieuw gedeeltelijk voorzichtig op te brengen. Is in Maart het weer zachter, neemt dan de geheele bedekking gerust weg. Zooals van zelf spreekt, hangt hier alles af van de geaardheid van het winterweer, en waar bij een zachten winter in Februari het wegnemen van de bedekking toelaatbaar is, daar is het bij strenger koude soms begin Maart nog te vroeg. Meestal echter is het in Maart de juiste tijd.

Sneeuwklokjes en Winter-Aconietjes bloeien reeds in Februari, en daar ze winterhard zijn, behoeven ze geen bedekking. Ook Chionodoxa en Scilla, zoowel als Crocus, die mede tot de vroegstbloeienden behooren, verdragen de koude vrij goed, en zoo ge ze al bedekt, doet het dan dunnetjes en verwijdert de bedekking niet te laat. Ge loopt anders de kans, dat de bloemen door het riet heen komen, zoodat ge ze bij het verwijderen der bedekking zoudt beschadigen.

En nu wilt ge nog wel weten, wat ge na den bloei met de bollen moet doen, niet waar? Welnu, wilt ge aan Hyacinthen, Tulpen, enz. ook het volgende jaar nog iets hebben, dan dient ge ze eerst te rooien, nadat het loof is afgestorven; dat wordt wel zoo ongeveer Juli. Bewaart dan de bollen op een droge, luchtige plaats, en plant opnieuw in October of November. Door het rooien der bollen onmiddellijk na den bloeitijd worden ze, zooals van zelf spreekt, in hun groei gestuit, en zelfs het onmiddellijk elders inkuilen kan niet voorkomen, dat ze danig krimpen en dus vrijwel waardeloos worden. Crocussen, Chionodoxas, Sneeuwklokjes, Scillas, en Blauwe en Witte Druifjes kunt ge gerust ongestoord laten staan. Ze komen ’t volgende seizoen desnoods bloeirijker terug.

En nu de aanwijzingen voor het forceeren, voor de z.g. kamercultuur, een bezigheid, die wel Uw geheele toewijding vereischt. Van een juiste, zorgvuldige behandeling hangen toch grootendeels de resultaten af.

Evenals bij de cultuur in open grond rijst Uwerzijds ook hier de vraag: Welke aarde moet men gebruiken bij ’t oppotten? Is bemesting gewenscht?

Het antwoord kan heel kort zijn. Gebruikt bladaarde vermengd met zand, of anders goeden, gewonen tuingrond, waarin de bolletjes het voortreffelijk doen.—Bemesting is geheel overbodig. Ze bevatten immers alles, wat voor de ontwikkeling der plant noodig is!

Wat de bloempotten betreft, neemt bij voorkeur gebruikte exemplaren. Nieuwe potten dient men vooraf eenige dagen in een kuipje of emmer met water te plaatsen, opdat ze goed doortrokken zullen zijn. Elke pot heeft een gaatje in den bodem, dat vóór het vullen met aarde met een scherf, een stukje van een ouden bloempot, moet worden bedekt. Hoe dit geschiedt, toont U onze afbeelding No. 24.

Nadat de pot tot op ongeveer 4 cM. onder den rand met aarde is gevuld, plaatse men de Tulpen op onderling gelijken afstand er op, drukke ze iets naar beneden, en bedekke ze dan met aarde, die om de bollen heen stevig moet worden aangedrukt. Doet men dit laatste niet, dan loopt men gevaar, dat de bollen zich bij het wortels maken omhoog werken, daar ze geen tegenstand ontmoeten. Dat nu mag in geen geval gebeuren. Draagt er zorg voor zóó te planten, dat de bollen van boven juist onder den rand van den pot komen te staan, zoodat ze slechts met een laagje van ½ cM. aarde bedekt zijn.

Aangezien afbeelding No. 20 de wijze van planten duidelijk voorstelt, nam ik de Tulpen ’t eerst. Ik raad U van de „vroege enkele” en „vroege dubbele” tulpen 3 stuks in één gewonen bloempot te planten, terwijl ge van de vroegste, de Duc van Thol-variëteiten, 5 stuks kunt nemen, omdat hiervan de planten kleiner zijn.

Hyacinthen, zoo ook Narcissen, plant men op dezelfde manier, van de groote, eerste soort, één bol, van de kleinere moeten 3 bollen in één pot. Narcissen kan men betrekkelijk dicht tegen elkander planten, omdat het loof zich recht naar boven ontwikkelt, in tegenstelling met dat der Hyacinthen. Ge zult dus gemakkelijker 3 flinke Narcissenbollen dan 3 Hyacinthen in één pot kunnen planten, doch wanneer ge van de laatsten bollen kiest van 15 tot 16 cM. omvang, die nog heel mooie bloemen voortbrengen, dan zult ge, mits ge niet te kleine potten gebruikt, met geen moeilijkheden te kampen hebben.

Een zeer gezochte wijze van planten is die in groote pannen, groote, wijde en platte potten, die veelal een middellijn hebben van 25 cM. Ze kunnen gemakkelijk 6 Hyacinthenbollen en zeker een grooter aantal Narcissen bevatten. Veelvuldig worden ook benut houten kistjes van willekeurige lengte en breedte. De gangbaarste maat is wel die van 20 à 25 cM. lengte, 15 à 20 cM. breedte, bij een hoogte van 10 cM.; deze zijn, wanneer hun inhoud eenmaal bloeit, werkelijk allerliefst. Het omkleeden van een dusdanig kistje met crêpe-papier e. d. zal het effect zéér verhoogen.

Onthoudt verder goed, dat voor pannen en kistjes de beste Hyacinthenbollen zijn die van 15 à 16 en 16 à 17 cM. omvang, daar de van de grootere bollen de uiteraard ook eenigszins grootere bloemen, en ook het loof, te veel in het gedrang zouden komen.

Meent nu echter niet, dat een Hyacinthenbol van 16 à 17 cM. omvang geen flinke bloem kan voortbrengen! Het hangt alles af van den leeftijd van den bol en of hij met zorg is gekweekt. In menig geval zal een middelmatig groote bol wat bloem betreft kunnen concurreeren met een grooter exemplaar. Dit, opdat ge U niet zult laten afschrikken om bollen van kleinere maten op te doen.

Ik zal U bewijzen, dat ook kleine bollen reeds sterk kunnen bloeien. Vóór me staan eenige potten, waarin ik zelf z.g. Miniatuur Hyacinthen tot bloei bracht, bolletjes van 13 à 14 cM. omvang. Naar gelang van den omvang der te verwachten bloem plantte ik 4 à 5 stuks in één pot. Welnu, de schitterend roode soort „Roi des Belges” telt, voor den voet op, 20 nagels aan den stengel, „Lady Derby”, rose, evenveel, en „Schotel”, porcelein-blauw, 13 stuks. En dàt van zulke kleine bollen! Is het niet schitterend?

Probeert ze ook eens in pannen of kistjes, waarvan ik de grootte reeds aangaf. Ge kunt ze met een tusschenruimte van ongeveer 4 cM. daarin planten. Maar ik zou U nooit aanraden gemengde kleuren in één kistje of pot te zetten, aangezien niet alle soorten gelijktijdig bloeien of van gelijke hoogte zijn. Eén soort in elken pot of elk kistje voldoet beter.

Gaarne zou ik U nu nog een volledige beschrijving geven van de Hyacinthensoorten, die voor het forceeren zijn aan te bevelen, maar ik moet met de ruimte rekening houden. Toch wil ik U, omdat ik zulks eenige bladzijden terug beloofde, eenige soorten noemen, die altijd succes geven. Ze zijn: Enkel Rood of Rosa: Cardinal Wiseman, Garibaldi, Gertrude, Gigantea, Lady Derby, La Victoire, Moreno, Queen of the Pinks, Roi des Belges. Enkel Wit: Arentine Arendsen, Grande Blanche, Grandeur à Merveille, La Franchise, La Grandesse, l’Innocence, Mina. Enkel Blauw: Enchantress, Grand Lilas, Grand Maître, Johan, King of the Blues, Marie, Pieneman, Schotel. Enkel Geel: City of Haarlem, Ida, King of the Yellows, Yellow Hammer. Enkel Paars: Distinction, Lord Balfour, Mouwe Queen, Sir William Mansfield. Onder de dubbelbloemige bevinden zich mede fraaie soorten, doch evenmin als de vroege dubbele tulpen bloeien ze zoo gemakkelijk als de enkelbloemige, d.w.z. ze zijn niet zoo vroeg in bloei te krijgen. Ge kunt ze echter gerust probeeren, en elke betrouwbare leverancier zal voor U een geschikte keuze maken.

Van de Tulpen heb ik U al een geschikte sorteering gegeven, en wat de Crocussen betreft, zoo ge een prijslijst in handen krijgt, weet dan dat ze alle geschikt zijn voor het forceeren. Het heeft dus geen zin om daarover in bijzonderheden te treden.

Terwijl ik dit alles schrijf, staat een groot gedeelte der beschaafde (?) wereld door den oorlog in vuur en vlam. Het verkeer met het buitenland is zoo goed als gestremd, maar zoodra de tijden normaal zullen zijn, kunnen wij er wederom aan gaan denken om de uitheemsche bolgewassen te importeeren, zooals de Romijnsche witte Hyacinthjes (No. 9) die in het zuiden van Frankrijk worden geteeld. Hier kan men ze buiten niet kweeken, maar voor het forceeren worden ze bij massa’s gebruikt, vooral omdat ze, indien vroegtijdig opgepot, reeds met Kerstmis kunnen bloeien.

Ik durf wel aannemen, dat mijn voorlichting U duidelijk is, zoodat het oppotten zonder moeite door U kan geschieden. Ik wil U thans iets vertellen omtrent de verdere behandeling van den opgepotten voorraad. Den bollen moet nu den tijd gegund worden om hun wortels te maken en hun spruiten of, om den vakterm te gebruiken, hun „neuzen” tot op bepaalde hoogte te ontwikkelen.

Het laat zich denken, dat ge de ontwikkeling der bolletjes ’t liefst onmiddellijk na het oppotten zoudt willen gadeslaan. Ge zult echter wat geduld moeten oefenen, opdat U teleurstelling bespaard blijve.

Wat ge nu te doen hebt? Kiest in Uw tuin een luw en droog hoekje, graaft een plekje tot op ongeveer 10 cM. diepte uit, plaatst daarin uw potten, kistjes of pannen op een rijtje, en bedekt dit alles vervolgens met een laag aarde van 8 à 10 cM. Een bedekking van het geheel met wat stroo, riet of wat droge bladeren bovendien, verdient nog aanbeveling. Bezit ge geen tuin, dan kunt ge ook volstaan met de potten in een donker hoekje van een drogen kelder te plaatsen, mits ge er zorg voor draagt, dat de aarde steeds vochtig blijft. In de eerste twee weken na het opzetten is het gieten niet aan te bevelen, omdat er dan nog niet voldoende wortels aanwezig zijn om het water te verwerken, terwijl voor den verderen duur der bewortelingsperiode alleen sprake mag zijn van vochtig houden.

Laat nu Uw kweekelingen gedurende 5 à 6 weken ingekuild of in den kelder, in welken tijd zij hun wortels door den geheelen pot zullen kronkelen, ja zich zelfs door de kleine ruimte onder de potscherf en door het gat in den bodem van den pot een weg naar buiten zullen banen. Onze afbeelding No. 21 stelt U dit aanschouwelijk voor.

Om nu te weten, wanneer de bolletjes aan het licht gebracht mogen worden (No. 22), houde men na de voorgeschreven 5 à 6 weken een inspectie, en verwijdere voorzichtig de blad- en aardbedekking, zonder de neuzen, die intusschen meestal een lengte van 3 tot 5 bereikt hebben, te beschadigen. Wanneer ge nu de spruiten voorzichtig betast, zult ge bemerken dat de bloemknop zich reeds in de spruit bevindt. Het is nu tijd om de potten, enz. voor den dag te halen. Er zijn natuurlijk altijd eenige achterblijvers, zoowel onder de Hyacinthen als onder de Tulpen. Dit komt vooral voor bij de laatste. Vroege dubbele Tulpen in ’t bijzonder zijn langzamer in hun ontwikkeling.

Nadat ge de bloempotten van buiten hebt gereinigd, plaatst ge er schotels onder, waarin het water bij voorkeur wordt toegediend. De wortels, die zich op den bodem van den pot bevinden, zullen ’t gretig ophalen. Het gieten bovenop de aarde is slechts nu en dan noodig, wanneer de aarde te droog wordt.

Voorts zou ik U willen raden: Brengt Uw geheelen voorraad, nadat hij uit de uitkuiling of uit den kelder is gehaald, eenige dagen in een goed verlicht, doch koel vertrek, opdat de overgang niet te groot zij. Daarna kunnen de planten naar de verwarmde vertrekken worden overgebracht. Wilt ge Uw bolletjes achtereenvolgens en bij gedeelten in bloei hebben, dan moet ge ’t voorbeeld van de echte amateurs volgen, en de potten, enz. telkens met een tusschenpoos van 4 à 6 dagen naar de verwarmde vertrekken overbrengen.