Chapter 2 of 7 · 3980 words · ~20 min read

Part 2

Maar dan opgestapt, want hoewel we bezwaarlijk elk mooi veld van dichtbij zullen kunnen beschouwen, één enkelen keer willen we toch wel eens tusschen „Flora’s” kinderen wandelen, wanneer ons daartoe de kweeker in de gelegenheid wil stellen en daaraan niet valt te twijfelen. Is hij goedgeluimd, dan zal hij U zelfs voorlichten, U ook nog wel willen vertellen, dat de veilingen van Hyacinthen en Tulpen, gehouden in het begin der vorige eeuw, de bezitters tot welgestelde burgers maakten, waaraan men thans, bij de groote concurrentie en onder den druk der tijdsomstandigheden, een toer zou hebben.

Daar staan we voor de eerste bloembedden, beplant met de fraaie soort „Moreno” (No. 2), rose van kleur. Welk een prachtbloem, forsch en statig gebouwd. „Uiterst geschikt om in potten of op glazen te kweeken”, zegt onze geleider. Dat is ook het geval met de meer donker rose soort „Gertrude”, die ge ginds ontwaart, en die, doordat ze iets later in bloei komt, nog pas begint te kleuren.

„Roi des Belges” (Koning der Belgen, No. 1) is de volgende verscheidenheid, donkerrood van kleur. Zoo groot als „Moreno” is ze niet, maar ze is stevig van stengel, waaraan de vele nagels een mooien en dichten bloemtros vormen.

Op het rijtje af zullen wij de volgende verscheidenheden bekijken. „L’Innocence” (No. 3) zuiver wit, groot van nagel en stevig van stengel, een zeer aanbevelenswaardige soort om te trekken, waarom ze dan ook in het buitenland bij groote hoeveelheden wordt gevraagd. Prachtig doet naast deze kleur het bijna azuur-blauw van de soort „Queen of the Blues” (No. 4). In vorm en schoonheid is deze soort onovertroffen, maar jammer genoeg is ze bij het forceeren wel eens lastig. Het komt bij deze variëteit wel eens voor, dat zich de kop van den bloemtros niet naar behooren ontwikkelt. In dit geval is het aan te bevelen hem zoo nu en dan met een weinigje lauw water te besprenkelen. Deze behandeling wordt echter alléén vereischt bij het forceeren, daar zich de bloem in ’t open veld of in perken veel gemakkelijker ontwikkelt.

En nu dit groote vak in ons gekleurde tapijt, het donkerste gedeelte van het geheele veld. ’t Is „King of the Blues” (No. 5), een soort van het donkerste blauw, bijna zwart, groot van bloemtros, breed van bouw en stevig van stengel. Ook de geur is sterk, zoodat wij als vaklieden op verren afstand reeds kunnen zeggen: Dat is King of the Blues. Ze behoort niet tot de vroegst-bloeienden, zoo wat buiten-cultuur als het forceeren betreft, maar voor beide doeleinden is en blijft ze een prachtsoort. Wegens gelijktijdigen bloei is ze tevens voor perken een prachtcombinatie met de soort „King of the Yellows”, zuiver geel.

Ten slotte nog de fraaie variëteit „Yellow Hammer” (No. 6) zuiver geel, met een breed gebouwden, dicht met nagels bezetten bloemtros, een soort, die wegens haar goede eigenschappen verdere aanbeveling overbodig maakt.

Welk een rijkdom van kleuren, zoo ver het oog reikt, en ware onze tijd niet te beperkt, gewis, we zouden gaarne onze inspectie voortzetten. Ons doel is echter bereikt. We hebben, tusschen de bolletjes geloopen, en... slechts gezien „een druppel aan den emmer” van wat er in ons geheele district gekweekt wordt.

Nu nog even kijken naar enkele fraaie dubbelbloemige blauwe (No. 8), en roode (No. 7) Hyacinthen, die wij thans passeeren, en dan terug langs den naasten weg, langs deze sloot, aan de kanten waarvan wij de z.g. Sloot-Irissen ontwaren, die straks met haar gele bloemen zullen pronken.

De bollenschuur (No. 30), die wij passeeren, willen we later eens van binnen bezien, en wel op het tijdstip, dat de bolletjes, die we thans geïnspecteerd hebben, daar een onderkomen hebben gevonden. Niets belet ons nu meer om onzen tocht voort te zetten, zoodat we onze stalen rossen zullen opzoeken, en dan... Ja, iets is er, dat ik U, nu ge hier tòch zijt, even wil laten zien; een kwartiertje moet er nog maar af, opdat ge tevens zult kunnen meepraten over:

DE AFZANDING DER DUINEN.

Evenals de mensch, van wiens krachten door gestadigen, harden arbeid wat veel gevergd werd, ten behoeve van zijn gezondheid zoo nu en dan eens uit zijn dagelijkschen sleur wil losgerukt zijn, zoo ook hebben onze bolletjes hun eischen, die den kweeker wel eens zorg baren. Een bloembol tiert nu eenmaal niet, wanneer ze voortdurend in denzelfden bodem wordt geplant, en ’t is er den kweeker toch maar om te doen om zijn partijen gezond en voordeelig te kweeken.

Dat bij de enorme uitbreiding der kweekerijen in de laatste 20 jaren het gebrek aan teeltgronden, vooral lichtere zandgronden, zich deed gevoelen behoeft wel geen betoog. Wel tracht men het euvel eenigszins te ondervangen door de zwaardere gronden door vermengen met duinzand luchtiger en lichter te maken, maar dat is en blijft, hoewel een goede maatregel, tóch slechts half werk; alleen verwisseling van bodem kan de bolletjes zoowel als hun meesters in goeden doen houden.

Allengs is men begonnen duingronden, vooral de z.g. binnenduinen, af te zanden, waardoor veel bruikbare gronden werden verkregen. Vooral te Hillegom en Lisse is dit gebeurd, vaak ten koste van veel natuurschoon, en wanneer wij er straks doorpeddelen, zal ik U aanwijzen, waar weleer fraai beboschte binnenduinen te vinden waren.

Om een afzanding te zien, daarvoor zouden wij echter zoo ver niet behoeven te gaan, want ook hier te Overveen knaagt men, hoewel op bescheiden wijze, aan den voet der duinen. Tusschen het zoo straks door mij genoemde „Brouwerskolkje” en „Kraantjelek” toch bevindt zich een kleine afzanding (No. 26) waarheen, naast de schoone buitenplaats „Duinlust”, een vaart van helder water voert. Hier kunnen wij de schuiten vinden van meestal 2 tot 3 M3. inhoud, waarin het duinzand, aangebracht in over planken loopende kruiwagens, wordt gestort. Wanneer de afstand tusschen afzanding en schuit wat groot wordt, maakt men zelfs gebruik van kipkarren, die over smalspoor gemakkelijk voortbewogen worden.

Laat ons hopen, dat men hier niet al te veel zal tornen aan de duinen zóó nabij de „Blinkert”, waarop Witte van Haemstede in 1304 zijn banier plantte.

Thans willen wij onzen tocht voortzetten en kiezen daartoe den fraaien weg langs „Elswout” om vervolgens langs den Oosterduin-weg en Zandvoortschen straatweg Heemstede te bereiken. Ook hier weêr veld op veld bestaande uit groote vakken van de meest uiteenloopende kleuren, iets wat wij op onze geheele excursie zullen aantreffen. Zie, daar zijn ook reeds de vroegste der enkelbloemige Tulpen, de Duc van Thol-variëteiten en ook enkele andere, rood, wit en geel. Van de Narcissensoorten vinden we reeds in bloei „Golden Spur” en „Van Sion”, terwijl we van de andere variëteiten de geel-groene knoppen bespeuren, die zich weldra van haar dun omhulsel zullen bevrijden om met haar gele en witte pracht de schoonheid van onze streek te verhoogen. Mij dunkt, ge voelt wel lust om Uw bezoek te herhalen, wanneer binnen enkele weken de Tulpen, zoo vroeg- als Meibloeiende, zijn ontloken, en ge U aan de schoonheid der Narcissen zult kunnen vergasten! Ge kent nu den weg, en zult dus, indien ge daartoe in de gelegenheid zijt, naar hartelust van alles kunnen genieten.

Neemt voorloopig een bundeltje bloemen meê naar huis, waarvan ge hier voor 5 of 10 cents bezitter(ster) wordt. Het is vooral onze jeugd, die in den bloeitijd een „levendige handel” drijft in „Flora’s kinderen”. Ziet, ze loopen ons reeds met een bouquet in de opgeheven hand tegemoet, luid hun koopwaar aanprijzend, want uitgelaten als ge zijt over den verrukkelijken tocht, begrijpen zij, dat ge bezoekers zijt. Zij kennen hun luidjes, die kleine peuters, en ge moet des avonds bij het tellen der vele witjes, vermengd met (o, schande) vele koperstukken, hun glundere gezichten eens zien. Wee U, zoo ge U té vroeg op den dag door de kleine schalken tot koopen laat verleiden, want door het gestadig bengelen van den verkregen schat om Uw hals of aan het stuur van de fiets, zult ge des avonds als tastbaar bewijs van Uw bezoek aan de bolletjes hoogstwaarschijnlijk het geraamte van de bouquet, slechts de stengels zonder bloemen thuisbrengen. O, die oolijke Amsterdammers, uitgelaten als ze steeds zijn, wat hebben we om hen al een pret gehad! Ze kunnen op één dag wel tien ruikers aan, zoo ze ten minste des avonds nog iets bruikbaars willen meêvoeren!

Heemstede met het aan den Meerweg gelegen „Oude Slot”, en het naburige Bennebroek en Vogelenzang, in welk laatste kleine plaatsje zich Graaf Floris V gaarne ophield, behooren tot de meest landelijke uit onze streek. Men vindt er vele fraaie buitens en dus uit den aard der zaak ook prachtige bosschen. Wie te Heemstede komt, verzuime niet het voor het publiek toegankelijke „Groenendaal” met ingang aan de Van Merlenlaan te bezoeken. Een bijzonderheid is nog „De Naald” juist bij de buitenplaats ’t Manpad. Dit gedenkteeken in den vorm van een 4 à 5 Meter hooge, vierkante, eenigszins spits-toeloopende zuil, werd opgericht op de plaats, waar de voor Witte van Haemstede zegerijke slag tegen de Vlamingen werd geleverd.

Bennebroek, het aardige kleine plaatsje met haar lief, oud kerkje, waarvan wij links van ons slechts den kleinen kerktoren zien, doet niet onder voor de andere dorpen van ons district. Aan aardige dorpsgezichten is hier geen gebrek, en overal zult ge den indruk van netheid krijgen.

Nu nog ongeveer tien minuten en wij bevinden ons op Hillegoms grondgebied, en op de eerste brug, de hooge Oosteinderbrug stappen we af, getroffen door den schoonen aanblik der velden, die zich aan beide zijden van den vóór ons liggenden straatweg bevinden. Welk een bloemenschat, welk een ongeëvenaarde pracht! Is het een wonder, dat ons district jaarlijks duizenden buitenlanders, waaronder zelfs veel Amerikanen, tot zich trekt?

Met Overveen, de bakermat der oude en bekende bloemenkweekers, schijnt Hillegom steeds tot de meest welvarende dorpen behoort te hebben, wat ik mede afleid uit het volgende gedichtje, gedateerd 1799:

„’t Vermaak’lijk Hillegom, omringd aan alle zijden”, „Met laanen, duinen en voortreffelijke weiden”, „Geeft haar bewooneren, den grootsten overvloed”, „Van boom en veldgewas, ’t geen hun voor armoê hoed”.

Inderdaad was Hillegom vroeger vermaard om zijn groenten- en ooftteelt, en ook aan kapitale boerderijen heeft het hier niet ontbroken. Dit alles heeft nu echter plaats gemaakt voor de cultuur van bloembollen, en dat ook dit bedrijf loonend is (ik spreek hier van normale tijden, en laat de misère in ons vak tengevolge van den wereldoorlog buiten beschouwing) daarvan getuigen de vele villa’s en villatjes, zoo ook de reuzen-bollenschuren, ware paleizen.

Tevergeefs zullen wij echter zoeken naar de duinen (binnenduinen) waarvan het bovenstaande gedicht gewaagt. Waar zijn de indertijd zoo aardig beboschte duinen, waartoe ons de thans nog bestaande Pastoorslaan toegang gaf? Waar is het heuvelachtige terrein van de oude buitens Elsbroek, Veenenburg en Rustenburg, doorsneden door de Veenenburgerlaan, gebleven? Afgezand, alles afgezand, alles opgeofferd aan de belangen van het bloembollenbedrijf! De kleine afzanding, die we te Overveen zagen, ze is slechts kinderspel bij wat hier is geschied, en voor een deel althans, al heel lang geleden. Ik heb zoo juist een oude kroniek vóór me, en op de daarbij behoorende kaart van Hillegom van het jaar 1746, waarop de binnenduinen in massa voorkomen, vind ik zoowaar reeds een afzanderij ter plaatse van de buurt „Weeresteyn” met „Afgesand” aangeduid.

Ondertusschen naderen wij Lisse, waar zoowaar een zandsteenfabriek, „De Arnoud”, tot bloei kon komen, wat wel is toe te schrijven aan de aanwezigheid van de grondstof: het zand, door de binnenduinen geleverd. Alweer aardige villa’s en reuzenschuren, alweer de enorme aanplantingen van onze gewassen, zoodat ge ’t wel met me eens zult zijn, dat Lisse niet voor Hillegom behoeft onder te doen. Ik wil niet in bijzonderheden treden, het zou me te ver voeren. Laat het U genoeg zijn, dat we ons hier in ’t centrum van het district bevinden, en dat Lisse nog dat op Hillegom voor heeft, dat het nog een stukje ongerept natuurschoon bezit in het oude en fraaie buiten „Keukenhof”, dat we als jongen nooit verzuimden te bezoeken, mede omdat daar in ’t voorjaar de Belgische Hyacinthjes (No. 116) ook wel Bosch-Hyacinthen genaamd, in ’t wild te bewonderen waren. Het was de azuurblauwe verscheidenheid, wier eigenlijke botanische naam is Scilla Nutans Coerulea. Deze variëteit bestaat ook in rose en wit, maar de blauwe heb ik altijd de mooiste gevonden. Noteert het even, dat het zulk dankbaar goedje is, dat tusschen struikgewas altijd welig tiert, en laat ze in Uw tuintje niet ontbreken. Ze zijn goedkoop, zoodat ge ’t om het geld niet behoeft te laten.—Vergeet echter niet, dat ze voor het kweeken in potten, dus voor het forceeren, niet geschikt zijn.

Thans rest ons nog één plaats, waar we eens een kijkje willen nemen, het dorp Sassenheim, waar ons nationaal product al evenzeer de hoofdrol vervult als in de plaatsen, waar we reeds doortrokken. Hier worden de Narcissen op eenigszins uitgebreider schaal gekweekt dan in andere gemeenten, en iemand, met de plaatselijke gesteldheid bekend, zal in den bloeitijd aan deze cultuur zijn oogen kunnen verlustigen.

Een bezienswaardigheid in deze gemeente is voorts nog de ruïne van „Het slot van Teijlingen” (No. 88) waar Jacoba van Beyeren de laatste jaren van haar leven in gevangenschap doorbracht. Ze heeft wel nooit kunnen vermoeden, dat het slot na ongeveer 5 eeuwen zulk een fleurige omgeving zou hebben.

Zoo is dan het laatste dorp, dat op ons programma stond, bezien. Meent echter niet, dat we nu met het geheele bollenland hebben kennis gemaakt. Zeker, we hebben de belangrijkste en bloeiendste plaatsen, het hartje van de streek bezichtigd, maar ’t is toch slechts een gedeelte van wat er in werkelijkheid bestaat.—Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, enz. in de omgeving van Leiden; Beverwijk, Castricum, Limmen, Egmond en Heiloo in de streek tusschen Haarlem en Alkmaar, al deze plaatsen staan in het teeken der bloembollencultuur.

Maar het meest bezienswaardige gedeelte, het hartje van het district, en bijgevolg de meest aanbevelenswaardige route voor bezoekers, is en blijft de streek tusschen Haarlem en Leiden.

Zie zoo, nu is ’t welletjes voor vandaag! Nog enkele uren, en de dag is ten einde, zoodat we niet moeten talmen, willen we althans niet verplicht zijn de terugreis op een andere wijze dan per fiets te maken. Opgestapt dus; ginds willen we iets gebruiken; niet alleen omdat de inwendige mensch er naar vraagt, maar ook, opdat wij straks er een flink gangetje zullen kunnen inzetten.

„Hallo jongens, wacht even, want m’n paard is kreupel”! Het is deze noodkreet achter ons, die ons onmiddellijk doet afstappen, ’t Was anders den geheelen dag zoo goed gegaan, en nu juist op het scheiden van de markt valt er een slachtoffer.

Gelukkig, dat dicht in de buurt een rijwielhersteller te vinden is, zoodat we althans niet genoodzaakt zijn zelf daarvoor te fungeeren. We willen onze hongerige magen bevredigen, onze dorstige kelen laven, en intusschen zal het euvel wel verholpen zijn.

’t Gaat echter met de reparatie niet zoo vlot als gewenscht was en dies besluit een gedeelte van ons koppeltje om maar vast den terugweg zachtjes aan te nemen, hetgeen geschiedt met een sarcastische opmerking over ’t kreupele paard en de beste wenschen voor zijn spoedig herstel. Wacht maar, spotter, ’t zal je er straks naar vergaan!

Eindelijk komt ook de beurt aan ons om op te stijgen. Onze confraters hebben er toch bepaald een stevig gangetje ingezet, anders hadden we ze al achterhaald.

Maar zeg, zie eens, wat voert hij daar uit? Zie hem eens pompen; ’t lijkt wel of z’n leven er van afhangt. O leedvermaak, ’t is onze collega, die zoo straks met de beste wenschen voor het „kreupele paard” opsteeg.

Zoo amice, wat voer jij daar uit? Ons dunkt, dat jouw „bles” het ook aardig te pakken heeft! Verbruik toch niet zooveel lucht, kerel, je zult ons doen stikken!

Je kunt gerust je aardigheden voor je houden, hoor! Jij hadt tenminste straks nog hulp, en ik kan ’t karweitje alleen opknappen, ’t Is nu al de tweede maal, dat ik er den band uit gehad heb; je moet toch maar „Pech” (No. 59) hebben!

Al zuchtend en steunend pompt onze makker na die ontboezeming met nieuwe kracht door, zoodat het zweet hem van ’t gelaat druppelt. Als hij ten slotte tot de overtuiging komt dat de pleister ditmaal houdt, kijkt hij lachend op en wijzende op zijn partner, zegt hij: En wat zeg jelui nu wel van hem? Zit hij niet aardig in de blommetjes? Hij heeft zich daar straks door zoo’n kleine „bollendame” een ruiker en een slinger laten aanpraten, en als ik het niet verhoed had, zou hij zoowaar de geheele mand hebben leeggekocht. Er lag daar trouwens een schuit vol manden met bloemen (No. 90); ’t is toch zonde, dat die lui hier dat moois afsnijden en weg doen.

Als mijn vriend met bouquet en slinger zich niet onbetuigd latende, onder ’t opstappen uitroept: Zoo is ’t „Elk wat wils”. Ik kocht bloemen en jij pompt—dan kunnen wij een hartelijken lach niet onderdrukken.

Weldra, hebben wij onze vooruit gereden vrienden te pakken, en als we eindelijk de laatste velden passeeren (No. 60), voeren we alle een heerlijken ruiker mede, dien we als bewijs van ons bezoek aan de streek willen thuis brengen. Dat wij echter niet slechts gevoel hebben voor Poëzie maar ook voor Proza, daarvan zou de baas van „IJsco” kunnen getuigen. Zijn wafeltjes waren heerlijk!

„DE TULPEN, HAAR GESCHIEDENIS EN VOORTTEELT” EN „DE VOORTTEELT DER HYACINTHEN”.

Reeds hebben wij van een der hoofdgewassen, de Hyacinthen, een bescheiden stukje geschiedenis leeren kennen. Het gaat natuurlijk wegens beperkte ruimte niet aan om alles zoo uitvoerig te behandelen, maar in elk geval willen wij den Tulpen een plaats inruimen. Haar geschiedenis toch is tè belangrijk, het geheele ras, zoo rijk aan kleurschakeeringen, zoo uitgebreid aan sorteering, is tè vermaard, dan dat we er niet een poosje bij zouden stilstaan.

Vanwaar de Tulpen eigenlijk stammen? Dit is nog een open vraag. Het is echter niet aan te nemen, dat men ze in de oudheid niet heeft gekend, ofschoon wij ze, in tegenstelling met de Hyacinthen, in de oude geschiedenis niet vermeld vinden, of het zou moeten zijn onder een anderen, ons onbekend gebleven naam.

De een meent, dat ze uit de Oriënt, de ander weêr, dat ze uit China en Tartarije afkomstig zijn. Als zeker kan echter wel worden aangenomen, dat ook de oude Grieken, de bezitters der moderne tuinen, de tulpen kenden. Nog heden ten dage treft men in de omgeving van Byzanthium, de Tulipa Gesneriana, (No. 42) purperrood met blauw-violet hart, in het wild aan. Men beweert ook, dat Ovidius tijdens zijn verbanning op zijn wandeling door de bosschen van Thracië vele tulpenvariëteiten heeft aangetroffen. Sporadisch komen ze ook in Zuid-Europa voor.

Zoo is het dus niet uitgemaakt, vanwaar de Tulpen gekomen zijn. Hoe het ook zij, Conrad Gesner trof ze in den tuin van Dr. Harwarts te Augsburg aan, en beschreef ze reeds in 1559. Volgens hem zouden de bollen uit Constantinopel, dus uit Turkije gekomen zijn, en wij meenen daaraan den naam van Tulp, in het Turksch „Toulipan” of Turksche hoed, te moeten toeschrijven.

In België dankt men de invoering der tulpen aan den bekenden botanist Charles de l’Ecluse (Clusius) uit Weenen, die in 1575 zaden van Busbecq, den gezant van keizer Ferdinand I, in Turkije gekregen heeft. Van hieruit (België) verbreidde zich de tulpen in Frankrijk.

Bij de eerste verschijning der tulpen, vooral van Tulipa Gesneriana, wonnen ze de harten der bloemenliefhebbers, en ontstond er zelfs een geestdrift voor dit artikel, die later in dwaasheid ontaardde. Hollanders en Vlamingen betaalden enorme sommen voor het alléénbezit van een soort, die we thans zelfs het aankijken niet waardig keuren. Zoo vermeldt de geschiedenis, dat een rijk koopman een tulp bezat, waarvan hij zich den eenigen bezitter waande. Toen hij echter vernam, dat ook een liefhebber te Parijs een bol van dezelfde soort in zijn bezit had, reisde hij derwaarts, kocht den bol voor 1000 ducaten en ... vertrapte hem met loof en al.

Soms werd een enkele bol met 5000 gulden betaald, o.a. van de toenmaals hooggeschatte soort „Admiraal Liefkens”. Tulpenbollen schenen wel hun gewicht in goud waard te zijn, ja zelfs méér, en men ging er tenslotte inderdaad toe over om ze per gewicht te verkoopen, en wel per „aas”, hetwelk overeenkomt met 1⁄20 gram; een tulpenbol van 527 azen woog dus ongeveer 25​8⁄10 gram.

Twee honderd azen van de soort „semper Augustus” werden voor 5500 gulden verkocht, één bol van „Viceroy” bracht 3000 gulden op, en voor de erven van een zekeren Walther Bartholomeus werden den 5en Februari 1637 te Alkmaar 120 bollen publiek geveild, die de kapitale som van 90000 gulden konden bedingen. Een enkel persoon te Amsterdam verdiende met deze handel binnen vier maanden 60000 gulden.

Ofschoon de tulpen overal geliefd waren en nieuwe verscheidenheden met ware geestdrift werden begroet, zoo zou men zich toch vergissen, wanneer men meende, dat haar deze warme ontvangst uitsluitend werd bereid door liefhebbers, wien het om de bloem te doen was. Integendeel, de handelaars waren geen bloemisten of bloemenvrienden, die met het gewas wilden pronken, het waren slechts speculanten, lieden van allerlei slag: edellieden, kooplieden, boeren, schippers, knechts en dienstmaagden, die allen meenden aan de bollen een kapitaaltje te kunnen verdienen, hetgeen hun menigmaal is gelukt.

En hier begint nu de ontaarding van liefhebberij in zwendel. Men scheen wel de meening te zijn toegedaan, dat de waarde der tulpenbollen nooit zou verminderen, en zoo ontstond de dwaze tulpenhandel, U allen uit de vaderlandsche geschiedenis welbekend.

In de steden Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Leiden, Haarlem, zoo ook in verschillende kleine plaatsen, kwamen de koopers en verkoopers in koffiehuizen en herbergen bijeen, en verhandelden daar hun „schatten” tegen fabelachtige prijzen. Wie geen geld bezat en door de tulpenhandel-koorts was aangetast, verkocht vaak z’n geheele „hebben en hoûen” om toch óók maar mede te kunnen doen en spoedig rijk te worden.

Voor millioenen guldens werden te dien tijd door speculanten verhandeld. Men kocht bollen zonder ze te ontvangen en verkocht zelfs bollen, die men niet eens bezat, in de hoop, dat de markt de eerstvolgende weken een gunstig verloop zou hebben. In dergelijke gevallen ging het dus alléén om verschil in prijs; daalde de markt, dan betaalde de kooper het verschil bij, steeg deze daarentegen, dan behaalde hij een zoet winstje. ’t Hing op die beurs, een beurs in optima forma, waar de bezoekers hun bezinning schenen verloren te hebben, alles dus slechts af van markt-koers.

Zooals reeds vermeld: alles wilde aan de speculatie meêdoen, en zoolang de „koorts” aanhield, bracht de handel vrijwel elkeen gewin, omdat de prijzen steeds stegen. Dat was nog het geval tusschen 1634–1637. De nuchtersten onder de nuchtere Hollanders leefden in de overtuiging, dat de tulpen voortaan door geheel Europa gevraagd zouden worden, zoodat de markt wel aan geen daling onderhevig kon zijn. Het onvermijdelijke gevolg van deze veronderstelling was, dat vele lieden de weelde niet konden verdragen en in een kort tijdsbestek enorme sommen verkwistten. Er was immers geen opkomen aan, want hun tulpjes zouden aanstonds hun beurzen opnieuw vullen!

Zoo was de oorspronkelijke gezonde handel door de deelname van een groot gedeelte des volks, dat buiten het vak stond, ontaard in een dwaas kansspel, en dat de ontgoocheling ten laatste niet kon uitblijven, behoeft nauwelijks betoog.

Toen men in het jaar 1637 eindelijk tot bezinning kwam en begreep, dat ettelijke duizenden guldens, een koets met twee paarden of een paar akkers land, die men eenige maanden geleden voor een enkelen tulpenbol had gegeven, toch eigenlijk méér waarde vertegenwoordigden, toen kwam er een ommekeer, die menigen speculant of bezitter van tulpenbollen noodlottig werd. Rijke lieden waren arm geworden, maar zij, die eertijds arm waren, aan de speculatie hadden medegedaan en bijtijds hadden afgezet, waren rijk. Hij, die ten slotte met de tulpenbollen bleef zitten, door hem tot hooge prijzen gebracht, zag zijn hoop in rook opgaan. Men heeft getracht er nog een tijd lang den gang in te houden en hoewel dit aanvankelijk scheen te gelukken, was toch niemand zoo dwaas meer om zijn goede geld aan soms enkele tulpenbollen te besteden.