Chapter 3 of 7 · 3964 words · ~20 min read

Part 3

Op het bloemistencongres, den 24en Februari 1637 te Amsterdam gehouden, waar vele groote handelssteden en kleine plaatsen van Holland vertegenwoordigd waren, werd bepaald, dat alle contracten in 1636 afgesloten, geldig zouden zijn; dat echter koopen in 1637 gedaan met 10 procent rouwgeld zouden kunnen worden afgekocht. Dit besluit werd zelfs door de Staten van Holland bekrachtigd, maar niemand dacht er meer aan om tegen ongekende prijzen tulpen te koopen, zoodat voor den „dwazen” handel het sterfuur geslagen had. Ik zeg opzettelijk „dwazen” handel, want handel bleef er tenslotte bestaan tusschen bloemisten en liefhebbers onderling, maar op gezonderen grondslag, en zoo ontstond voor ons land een tak van nijverheid die een wereldsche vermaardheid zou krijgen.

Zoo werd dus uit dien bespottelijken handel toch nog iets goeds geboren. Lieden, die zich speciaal op de cultuur van bloembollen gingen toeleggen, hadden gelegenheid tè over om uit hun ondervindingen practische kennis op te doen, en zoo zullen zij zich ook wel veel moeite gegeven hebben om uit te vinden op welke wijze zij hun voorraad het vlugst konden vermeerderen of ook wel nieuwe verscheidenheden winnen, opdat zij den volke steeds méér en steeds wat nieuws konden aanbieden.

Hoe men nieuwe soorten wint en hoe vermeerdering plaats vindt? Het zou moeilijk zijn U dit te zeggen, zonder meer van het „Tulpen-thema” af te dwalen. Vergun me dus dat ik dit even doe.

Allereerst iets over het winnen van nieuwe verscheidenheden uit zaad, waartoe men van een aantal Hyacinthen en Tulpen de bloemen niet plukt of afsnijdt, hetgeen anders ter wille van de volkomen ontwikkeling der bollen veelal wordt gedaan. Bevlogen door onze nijvere bijtjes, die het stuifmeel van bloem op bloem overbrengen, vormen de uitgezochte exemplaren spoedig zaadknoppen. Bij voorkeur echter brengt de kweeker zelf met een klein penseel het stuifmeel over, waarbij hij niet aan een enkele soort gebonden is, en bij eenig overleg gemakkelijk de resultaten van zijn kruisingen zal kunnen controleeren.

Bij voldoende rijpheid worden de zaadknoppen afgesneden, het zaad gedroogd om later te worden uitgezaaid in groote pannen, die een warm hoekje in onzen tuin verlangen. Firma’s, die veel aan het winnen van nieuwe verscheidenheden doen, gebruiken ook vaak zaadkastjes, die goed schijnen te voldoen. Niet altijd komt het zaad vlug op, in welk geval wij spreken van „slapen”, en des liefhebbers geduld wordt niet zelden danig op proef gesteld. Echter acht men zich rijkelijk beloond, wanneer zich onder de talrijke zaailingen slechts enkele verbeteringen bevinden, d.w.z. bloemen, die de bestaande soorten in hoedanigheid, vorm en kleur overtreffen of die althans iets bijzonders genoemd kunnen worden. Menige fraaie Darwin Tulpensoort werd in de laatste jaren door kruising uit zaad verkregen.

De tweede wijze van nieuwe aanwinst is er een, waaraan wij part nog deel hebben: het zoogenaamde „verloopen”, hetgeen vooral nog al eens plaats vindt bij Tulpen en Hyacinthen. We treffen dan ook menigmaal tusschen een volmaakt zuivere partij een vreemdeling in Jeruzalem aan, hoewel de bol het vorige jaar een volmaakt gelijkkleurige bloem gaf.

Nemen we eens de witte tulp „La Reine”, zacht rose getint. Danken wij aan deze soort niet „Flamingo”, een ware rose prachttulp? Is ook niet de zuiver witte soort „Witte Valk” (No. 14) uit haar voortgekomen? En er zijn nog meerdere variëteiten, die „La Reine” tot moeder hebben. Ook de dubbele vroege tulp „Murillo” (No. 32) zacht rose-wit, heeft veel nieuws geleverd, o.a. „Schoonoord” (No. 35) zuiver wit, en „Theeroos”, zwavelgeel. Uit de enkele vroege tulp „Duc van Thol”, scharlakenrood, is de fraaie zustertulp „Vermilion Brillant” voortgekomen.

Wat nu de Hyacinthen betreft, eigenaardig is het te zien, hoe sommige bloemen uit een groote partij bij tijd en wijle verbasteren, of beter gezegd „verloopen”. Zoo stond ik indertijd voor eenige bedden beplant met de chocolade-violet-kleurige soort „Lord Balfour” en ontdekte, dat van eenige bloemen een paar nagels voor de helft donker-rose waren. Het volgende jaar ontdekten wij opnieuw eenige bloemen, die deze afwijking vertoonden, en hoewel nóg een jaar daarna bij sommige van de verbastering niets meer te bespeuren was, en deze zoogenaamd „teruggeloopenen”, dus tot de oorspronkelijke kleur waren teruggekeerd, nam bij andere het verloopen dermate toe, dat een nieuwe variëteit ontstond, de „Lord Balfour”, donker-rose.

Hoewel dit alles slechts voor den vakman waarde heeft, is het toch voor buitenstaanders wel aardig te weten, hoe vaak nieuwe soorten ontstaan, en zoo twijfel ik er niet aan, of ge zult eveneens iets willen weten omtrent de voortteelt, de vermeerdering der bloembollen.

Beschouwt eens ons plaatje No. 19, voorstellende eenige Tulpenbollen, die hun leeftijd hebben bereikt, dit is de tijd, waarop de bol èn voor den kweeker èn voor de koopers de meeste waarde heeft. Zulk een bol heeft veelal reeds eenige aangroeisels, dus kleine jongen voortgebracht, die na ettelijke jaren telens, op hun beurt weêr leverbaar zullen zijn. De allerdikste onder de leverbare tulpen noemen wij om de vakterm te gebruiken „Moêrbollen”, en met dit materiaal houdt de kweeker bij voorkeur zijn partijen op kracht. Met zorg behandeld, zullen zij zich het volgend jaar bij eenigszins gunstige omstandigheden vaak omgezet hebben in sterke jonge exemplaren, die men spoedig leverbaar teelt.

Ook Narcissen en Crocussen teelt men zoo, en hoewel dit van Hyacinthen eveneens mogelijk is, wordt deze methode bij die bollen niet of zéér zelden toegepast. De vermeerdering daarvan geschiedt op geheel andere wijze, die ik wil trachten U duidelijk te maken.

Wanneer ge onze afbeelding No. 10, „Hyacinthenbol met jongen” aandachtig bekijkt, dan ziet ge U de methode van „hollen” en „snijden” aanschouwelijk voorgesteld, en ik behoef er niet bij te zeggen, dat de vermeerdering hier op ruimer schaal geschiedt dan bij andere gewassen. Ge wilt natuurlijk weten, wat „snijden” en wat „hollen” is. Ik zal het U vertellen.

Zoo ongeveer tegen ’t einde van Juni begint men met het rooien der Hyacinthenbollen en worden van de partijen, waarvan vermeerdering wordt gewenscht, een willekeurig aantal bollen afgezonderd om de noodzakelijke operatie te ondergaan. Nu leent zich de eene soort het best tot „snijden”, terwijl voor de andere het „hollen” de voorkeur verdient; dat heeft de ondervinding ons geleerd. De bollen nu, die voor het snijden bestemd zijn, worden meestal terstond onder handen genomen. Men neemt den bol in de hand met den bodem naar boven en brengt hem kruiselings drie insnijdingen toe tot ongeveer in ’t hart, waarna hij eenige weken ingekuild wordt op een zonnig plekje in onzen tuin, onder een laagje zand.

Wat nu het „hollen” betreft, hiertoe bezigt men een smal, dun en scherp mesje, steekt dit juist bezijden den bodem (de z.g. wortelkrans) in schuine richting tot in ’t hart van den bol, en draait daarna het mesje handig om, zoodat den patient een kegelvormig gedeelte wordt ontnomen. Vervolgens worden deze „geholden” gelegd in een daarvoor bestemd en ingericht, eenigszins verduisterd lokaal, dat later bovendien nog verwarmd wordt, op stelling of laden van hout of vlechtdraad, met de wonden naar boven. Hier komen hen nu ook de „gesnedenen”, die intusschen uit de inkuiling gehaald zijn, gezelschap houden.

Nu weet ge wel, dat een knol één vast bestanddeel is, zooals o.a. een aardappel en een Begonia, terwijl een bol, zooals de Hyacinth, uit vele schubben bestaat. Na eenige weken bespeurt ge reeds werking, en weldra ziet ge tusschen de ruimte der schubben door de jonge bollen te voorschijn komen. Langzamerhand wordt nu de wonde, door de operatie ontstaan, met een aantal jongen bedekt, dikwerf van 20 tot 30 stuks, en in dezen toestand wordt de bol in November geplant. Als ’t voorjaar aanbreekt, ziet ge de sprietjes der jonge bollen boven den grond komen, de oude bol echter is verdwenen. Na vier jaren telens zullen de bolletjes hun grootste wasdom bereikt hebben.

Ziedaar iets over de vermeerdering der bloembollen. Hebt ge lust en tijd om in October eens een kijkje te komen nemen, welnu ge zijt welkom. Ik wil thans terugkeeren tot de Tulpen, en wat dies meer zij.

Onvergelijkelijk schoon zijn de bloeiende velden der vroege- en Meibloeiende Tulpen, zoodat zij zich dan ook in een niet geringer bezoek mogen verheugen dan de Hyacinthen. Ze komen met massa’s, de bloemenliefhebbers, en de jonge dames uit de omgeving vergeten haar mandjes niet om de bloemen te bergen, die ze den kweeker afgebedeld hebben. Ons plaatje (No. 23) is wel een overtuigend bewijs, dat de dames bij haar bezoek aan onze tuinen succes hebben.

In volgorde wil ik nu de verschillende klassen tulpen verder bespreken, beginnende met de Vroege Enkele soorten, die omstreeks half April buiten bloeien, en die alle bijna zonder uitzondering voor kamercultuur geschikt zijn, vooral de Duc van Thol-soorten, de voorloopers buiten zoowel als binnen. Weliswaar behooren deze Duc van Thol-variëteiten niet tot de grootste, zéér zeker echter tot de liefste en dankbaarste. De beste soorten zijn: scharlakenrood, zuiver wit (Maximus wit), rose en zuiver geel; zorgt er voor, dat ze straks aan Uw collectie niet ontbreken, en plaats 5 stuks in een gewonen bloempot.

Verder is een prachtsoort „Couleur Cardinal” (No. 13), purperrood en zéér stevig van stengel. Dezelfde eigenschappen bezit „Pink Beauty”, wel haast de mooiste rose variëteit. Beide soorten behooren tot de laatste der vroegbloeienden, en zijn, in vereeniging geplant, voor perken onovertroffen. Wonderschoon is ook de combinatie van „Witte Zwaan”, met zuiver witte, eivormige bloemen, of „Jacoba van Beijeren”, zuiver wit, met „Couleur Cardinal”. Al deze soorten bloeien gelijktijdig, maar zijn om in potten te trekken wat lastig. Voor vroegbloei zijn ze zeker niet geschikt; kiest dus voor dit doel andere soorten.

Wanneer ge prijscouranten in handen krijgt, dan zult ge eerst gewaar worden, hoe rijk de sorteering is, en om U het doen van een keus te vergemakkelijken, wil ik U in volgorde der kleuren eenige aanbevelenswaardige soorten noemen.

Rood: Duc van Thol, scharlaken; Vermilion Brillant; Cramoisie Brillant; Belle Alliance; Grace Darling; Maes. Wit: Duc van Thol, maximus; La Reine, met zacht rose tint; Lady Boreel, zuiver witte, groote en spits gevormde bloem; Witte Valk (No. 14). Rose: Duc van Thol; Flamingo; La Précieuse (No. 16); Le matelas; Rose Luisante. Geel: Duc van Thol; Gele Prins, welriekend; Golden Queen; King of the Yellows; Mon Trésor (No. 15). Oranje: Prins van Oostenrijk; Fred. Moore; Thomas Moore. Violet: Proserpine; President Lincoln. Purperkleurig: Wouwerman; van der Neer.

Met al deze variëteiten kunt ge bij eene goede behandeling ook goede resultaten verwachten. Plant buiten eens een perkje van „La Précieuse” met de zéér fraaie „Cottage Boy”, welke laatste eigenlijk de oranjekleurige La Précieuse is. Ge zult eens zien, hoe mooi dit is.

Overigens zijn bij de vroege enkele tulpen nog het vermelden waard enkele bontbladige variëteiten de z.g. „bontlof tulpen” o.a. Gele Prins (No. 18) en Purperkroon. Het liefste tulpje vond ik daarbij steeds „Lac van Rhein”, purper van kleur, het groene blad bijna wit gerand. Ook onder de dubbele tulpen treft men enkele bontbladige soorten aan, zooals Rex Rubrorum en Gele Roos. Als rand om een perk met groenbladige tulpen doen de bontbladsoorten dikwijls dienst, voor potcultuur deugen ze minder.

Vroege dubbele tulpen komen iets later in bloei dan de vroege enkele soorten, zoo op het veld als in potten. Of ze mooi zijn? Gewis, prachtig zelfs, rozen gelijk! Daar is „Murillo” (No. 32) zacht rose, „Couronne d’or”, (No. 31) geel met oranje, „Vuurbaak” (No. 33) schitterend rood, „Schoonoord” (No. 35) zuiver wit, „Salvator rosa” (No. 36) donker rose, „Tournesol” (No. 34) rood, geel gerand; daar is „Theeroos” de zwavelgele Murillo, „El Toreador” de bruinzwarte Tournesol met oranje rand, enz. enz. Mocht ge er toe komen om te gaan liefhebberen, dan zult ge met deze kleine keuze zeker niet bedrogen uitkomen.

Laten we nu eens nagaan, wat de Meimaand ons verder aan tulpen biedt. ’t Zijn de z.g. Late Tulpen, waaronder zich vele schitterende soorten bevinden, die hen wegens hun 30 à 40 cM. langen stengel tot onovertroffen snijbloemen maakt. Zie een „Picotée” (No. 38) wit met een fijn rose randje, hoe lief hé! En dan „Bouton d’or” (No. 40) een middelmatig groote bloem, geel met een smal rood randje, „Retroflexa”, (No. 41) zuiver geel met omgebogen bloembladen, „Elegans” (No. 37) karmijnkleurig, „Isabella”, (No. 39) karmijn-rose met wit, „Gesneriana Spathulata” (No. 42) scharlakenrood met zwartblauw hart, hoe wedijveren ze alle in schoonheid!

En toch is er een tijd geweest, dat deze Meibloeiende en oud-Hollandsche tulpen niet in trek waren, wat misschien wel te wijten is aan het feit, dat ze voor het vervroegen, dus het trekken in potten, niet geschikt zijn. In de laatste jaren is de vraag echter groot, en vooral de Amerikanen schijnen nu op deze late tulpen te vallen, wat den onderlingen binnenlandschen handel hier ten goede komt.

Het zijn vooral de Breeders (No. 47) de grootbloemige eenkleurige late tulpen, waaronder er zijn met fraaie glanzende fluweelbruine kleuren, die tegenwoordig gewild zijn, zoo ook de oude Vlaamsche bruin, rose, violet of rood gevlamde tulpen met witten ondergrond, in het vak bekend onder den naam van Bijbloemen violet (No. 45) en Bijbloemen rose (No. 44). Ook aan de Bizarren (No. 46), waarvan de grondkleur steeds geel is, en die zeer eigenaardig bruin tot purper gevlamd zijn, wijdt men tegenwoordig meer en meer aandacht. De stengels zijn zoowel van Bijbloemen als Bizarren stevig en tamelijk lang. Het is haast ongeloofelijk maar tóch waar, dat deze klasse van tulpen nog niet zoo heel lang geleden bijna geen opgeld konden doen en door menig kweeker gewoonweg werden opgeruimd. Nu wordt voor menige soort een zéér hooge prijs betaald.

Tot de zonderlingste der laatbloeienden behooren de Parkiet-Tulpen (No. 43) wier lange, wijd van elkander staande of liever hangende bloembladen zéér grillig zijn gedraaid en gekarteld, wat haar juist zoo aantrekkelijk maakt. De kleuren zijn helder en sprekend, bij de soorten Feu Brillant en Monstre Rouge fraai rood, terwijl Café brun, Markgraaf van Baden en Perfecta eigenaardig rood met geel gevlamd zijn. Bovendien loopt door de genoemde kleuren bij enkele soorten een frisch groenkleurig vlammetje, hetgeen de aantrekkelijkheid nog verhoogd. Grillig zijn ze van vorm, grillig ook wat betreft het bloeien, want plant ge tien bollen, dan hebt ge nog geen tien bloemen! De vakman zal U echter spoedig zeggen, wat al dan niet bloeibaar is, zoodat de nukkigheid van dit ras U niet behoeft af te schrikken. Jammer, dat de stengels die de fraaie zware bloemen dragen, niet al te stevig zijn, zoodat de bloem steeds wat hangt. Ge kunt dit euvel echter gemakkelijk verhelpen door naast de planten stokjes te plaatsen, waaraan de stengels worden gebonden.

Bijna alle Tulpen heb ik nu besproken, maar de Darwin-Tulpen met haar stevige en zéér lange stengels wil ik nog een bijzonder plaatsje inruimen! Grootbloemig en schitterend van kleur als ze zijn, mogen ze zich verheugen in de volkomen sympathie der binnen- en buitenlandsche liefhebbers, en ook de bloemisten erkennen meer en meer de waarde dezer klasse, omdat vele variëteiten zich laten forceeren in tegenstelling met de andere laatbloeiende tulpen.

Gemakkelijk forceeren doen ze niet direct, maar met overleg en goede behandeling kan ’t prachtig gelukken. Wij hebben er althans de schoonste resultaten van gezien.

Ziet eens verderop de cultuuraanwijzingen, en weet dan, dat de Darwin-Tulpen langer buiten ingekuild moeten blijven dan de vroege enkele en vroege dubbele tulpen, en dat ge ze dus, wanneer ze in October zijn opgepot, eerst half Januari te voorschijn kunt halen. Ze houden van het volle licht, en in het begin van een matige temperatuur, die in Februari iets opgevoerd kan worden. Meer dan 60 à 70° Fahr. is echter niet aan te bevelen.

Ook voor perken en rabatten zijn deze tulpen zeer waardevol. Een aanleg langs de randen van terrassen of grasvelden van kleine perkjes van pl.m. 1 à 1½ voet, is zeer effectvol, vooral wanneer men in elk perkje een aparte kleur plant. Dat kan geen moeite opleveren, want de sorteering is niet gering.

Ge hebt allicht eens hooren spreken over de zwarte tulp? Welnu, het is bij de Darwin-klasse dat ge deze aantreft. De Fransche naam, dien ze draagt „La Tulipe Noire” (de zwarte tulp) zegt genoeg. Ook „Zulu” (No. 51) is zéér donker, bij zwart af. Van de overige soorten zijn aan te bevelen „Bartigon” (No. 49) schitterend rood, „Madame Krelage” (No. 50) donker lila-rose, „Pride of Haarlem” (No. 53) rose-violet en zéér gewild, „Mr. Farncombe Sanders” (No. 54) scharlakenrood. Zuiver wit treft men niet aan, hoewel „La Candeur” (No. 52) bij het begin van den bloei room-wit, later wit met lila weerschijn, er het meest nabijkomt. Verder zijn in de rose tinten vooral mooi „Baronne de la Tonnaye”, „Clara Butt” en „Psyche”, terwijl in lila „Reverend Ewbank” en „William Copeland” uitblinken.

Ten slotte verdienen nog vermelding de Rembrandt-Tulpen, fraai gevlamd of gestreept. Ze zijn uit de Darwin-Tulpen voortgekomen, derhalve zeer langstelig en bijzonder artistiek. Als nieuwe aanwinst zijn ze nog al prijzig, alhoewel niet in die mate, dat het aanschaffen den liefhebber zou behoeven af te schrikken.

DE NARCISSEN EN NOG EENIGE FRAAIERE KLEINERE GEWASSEN.

Toen ik begon te schrijven, heb ik de Narcissen als een hoofdgewas aangeduid, en niet ten onrechte. Hoofdgewassen toch zijn meestal dezulke, die zoowel voor cultuur in open grond als om te trekken geschikt zijn en deze eigenschappen bezitten de Narcissen volkomen. Bij duizenden worden ze door de buitenlandsche bloemisten gebruikt, bij duizenden gebruikt men ze tevens voor perken en tusschen heester-, struik- en houtgewas. Engeland met zijn groote parken en buitens zou het bezwaarlijk zonder Narcissen kunnen stellen, en men treft ze daar dan ook bij massa’s aan, vooral los en zonder regelmaat uitgeplant, of beter gezegd „uitgestrooid”. Men kan dit veilig doen, omdat de Narcissen, op enkele uitzonderingen na, de winterkoude goed verdragen, tusschen houtgewas zelfs zonder bedekking.

Wilt ook gij, liefhebbers of liefhebsters, Uw tuin met Narcissen sieren, en bezit ge een hoekje, dat voor niets anders gebezigd behoeft te worden, plant ze dan aan. Laat ze kalmpjes uitbloeien, de bollen, en ze zullen de eerste drie jaren evengoed, misschien nog beter bloeien.

De roem der Narcissen is reeds van zéér ouden datum. Een oostersche fabel gewaagt er reeds van en schrijft het ontstaan van den naam toe aan de verliefdheid en verwaandheid van een zekeren jongeling Narcissus, die voor zijn straf in een bloem veranderde, welke zijn naam ontving. Plinius schrijft het ontstaan van den naam toe aan het Grieksche woord „nake” dat verdooving of bedwelming beteekent.

De verschillende secties onderscheidt men gemakshalve in twee klassen, namelijk de soorten met lange en met korte trompet, door ons kortweg genoemd „langkrone” of trompet-narcissen en „kortkroningen”. Bij de eerste is het hart, dus de trompet of kroon even lang als de wijd uitstaande bloembladen, bij de laatste half zoo lang of korter.

Wat aangaat de grootkronige Narcissen, deze zijn òf geheel geel, òf tweekleurig, d.w.z. met bloembladen, waarvan de kleur varieert van lichter geel tot wit. Vandaar de naam: Bicolor = tweekleurig. Ook geheel witte soorten treft men er bij aan, waarvan „Madame de Graaff” (No. 63) al bijzonder fraai en daardoor niet de goedkoopste is. De soorten „Albicans” of „Moschatus” en „William Goldring”, welke laatste wegens haar gebogen houding den bijnaam draagt van „zwanenhals”, munten door schoonheid uit.

Van de Bicolor-soorten zijn de gangbaarste: „Bicolor Empress”, „Bicolor Grandis” en „Bicolor Victoria”, (No. 62). Is de trompet doorgaans van een naar voren wijder uitloopenden vorm, bij de soort Bicolor Victoria is deze van rechter bouw. Van de volmaakt gele variëteiten is „Gouden Spoor” (No. 61) welhaast de meest gewilde. Ze is in potten vroeg in bloei te krijgen, en de bloem is onberispelijk. Grootbloemig en zeldzaam mooi zijn bovendien „Emperor” en „Trumpet Maximus”, maar de kroon spant „King Alfred” met de zeer groote, wijd uitstaande trompet.

Is de keuze in grootkronige soorten groot, niet minder is zulks het geval bij de kortkronige. Hiervan zijn „Barri Conspicuus” (No. 65) met zachtgele bloembladen en een dito met oranje-scharlaken gerand trompetje, en „Incomparabilis Sir Watkin” (No. 64) met zwavelgele bloembladen en oranjegele trompet, zéér gezocht. De laatstgenoemde soort behoort tot de grootste onder de kortkronige.

Evenmin als thans bij de Crocussen geheel of gedeeltelijk roode verscheidenheden worden aangetroffen, evenmin kwam deze kleur vroeger bij de Narcissen voor. In de laatste jaren is het den vaklieden echter gelukt nieuwe verscheidenheden te winnen, waarvan de trompetjes inderdaad rood zijn, wat een fraai contrast levert met het wit der bloembladen. Men treft het rood alléén nog aan bij de klasse der kortkronige, dus bij de Barrii-, Incomparabilis-, en Poëticus-verscheidenheden. Eenig mooi zijn: „Barrii Firebrand”, met schitterend scharlaken oog, „Incomparabilis Lucifer” bloembladen wit met schitterend rood trompetje en „Poëticus King Edward VII” (Almira) met breede aan de punten geronde bloembladen en donkerrood hart. Uiteraard zijn deze verscheidenheden nog al prijzig, maar ik geloof dat, wie ze eenmaal heeft gezien, zich niet zal laten weerhouden om eenige bollen voor potcultuur op te doen. Zéér billijke, maar niettemin fraaie soorten, zijn nog „Incomparabilis Cynosure” en „Figaro”, beide geel met orange, zoomede Leedsii „Mrs. Langtry” (No. 67) en „Minnie Hume”, wit met heel zachtgeel trompetje. Als op den voorgrond tredende fraaie nieuwigheid valt nog te noemen Leedsii „White Lady”, mooi wit.

Over de Poëticus-klasse heb ik heel in het begin al iets losgelaten. De Poëticus, het lieve Narcisje met ’t fraaie groen-gele, scharlaken gerande hartje, dat zoo mooi afsteekt bij het zuivere wit der bloembladen, en dat nog wel eens bestempeld wordt met den naam van „Kop en schotel”, dit pracht-narcisje voor den tuin, ’t mag nergens ontbreken. Plant ze desnoods bij honderden, want ze zijn zóó goedkoop, dat ge ’t om het geld niet behoeft te laten. Neemt haar echter voor potcultuur niet, want ge zoudt er geen succes mee hebben. Vraagt dan Poëticus Ornatus (No. 66). Van deze soort is het hartje iets meer scharlakenrood, ook is de bloem in haar geheel iets grooter. De leek zal dit echter niet zoo gemakkelijk uitmaken, wanneer niet beide welriekende soorten naast elkander staan.

DUBBELBLOEMIGE NARCISSEN.

Laat ons nu eens zien, wat er verder nog op het gebied der Narcissen te vermelden valt. Om te beginnen nemen we de dubbelbloemige, waarvan „Van Sion” (No. 68) welhaast de gezochtste soort is. In ’t zuiden van Frankrijk en in Italië treft men ze nog in ’t wild aan, en vooral in ’t eerstgenoemde land maakt men er nog al werk van om ze voort te kweeken, mede omdat de bolletjes in Holland gaarne worden geplant.

Wanneer deze soort van een zuiver ras wordt geteeld, heeft de gevulde bloem den vorm eener trompet, zooals die van de grootkronige enkele Narcissen. Zéér fraaie dubbelbloemige variëteiten zijn ook „Oranje Phoenix” (No. 69) geel met oranje, en „Sulphur Phoenix” (No. 70) prachtig wit. Vooral de laatste soort wordt veel gevraagd. „Albo pleno odorato”, is de dubbelbloemige, „Poëticus”, derhalve ook welriekend en zuiver wit. Voor potcultuur is ze echter niet geschikt.

En nu de Jonquillen, het lieve welriekende goedje, dat tot de kleinbloemige Narcissen behoort, en voor potcultuur uiterst geschikt is. Men moet er echter voor zorgen, dat ze volop licht, echter geen al te hooge kamerwarmte krijgen. De enkelbloemige (No. 78) en dubbelbloemige gele Jonquillen zijn de meest bekende, maar ook de enkelbloemige „Campernelle” (No. 75) waarvan ook een dubbelbloemige (No. 76) verscheidenheid bestaat, is voor menigeen geen vreemdelinge. Deze is niet alleen grooter van bloem, maar ook van bol. Bij cultuur in open grond drage men des winters zorg voor een flinke bedekking met riet of stroo, daar ze voor koude veel gevoeliger is dan de hiervoor genoemde Narcissen.

Zeer gevoelig voor winterkoude zijn mede de Tazetten (Tros- of Polyanthus Narcissen), maar bij flinke bedekking tegen vorst zijn ook deze voor den tuin zeer geschikt. Zonder twijfel geniet ook deze klasse de volkomen sympathie der liefhebbers. De stevige stengels van een volwassen bol dragen van 8 tot 20 bloemen van 4 à 5 cM. doorsnede van een kleinen kortkroningen Narcissenvorm. Vandaar den naam Tros-Narcis.

In Zuid-Europa en Noord-Afrika komen ze veel in ’t wild voor, maar natuurlijk niet in zooveel verscheidenheden, als waarop de Hollandsche bloembollenstreek kan bogen. Heel veel soorten toch zijn in Holland gewonnen.