Part 6
Spreiden de vroegbloeiende Gladiolussen veel pracht ten toon, ze worden daarin nog overtroffen door de laat-bloeiende verscheidenheden. Wanneer men de zéér groote en bijzonder fraai gevormde trompetbloemen beschouwt, dan kan men zich indenken dat de groote kleuren-rijkdom tot den dwazen handel van vóór eenige jaren, aanleiding gaf. De hoofdgroepen van deze zwaardlelies bestaan uit: G. gandavensis, G. nanceianus en G. Lemoine, terwijl ook de Childsii-klasse een eerste plaats inneemt, omdat ze, door kruising de prachtigste grootbloemige soorten in de schitterendste kleuren oplevert. Dan treffen we in den laatsten tijd nog aan de G. primulinus hybriden, afkomstig van de G. primulinus, die oorspronkelijk aan de Zambesi-rivier groeide, waar het altijd vochtig en dampig is. Wanneer nu de bloemen gevormd waren, zooals bij andere soorten, dan zouden de stampers en meeldraden steeds vochtig zijn, en zou derhalve de bevruchting niet kunnen plaats hebben. De natuur is echter te hulp gekomen, en heeft het bovenste bloemblad zoodanig gevormd, dat het als een kapje de stampers en meeldraden beschermt. Bij de hybriden, die grooter van bloem zijn, heeft men dit eigenaardig kenmerk weten te behouden. Is de G. primulinus zuiver geel gekleurd, bij de hybriden komen reeds de fraaiste tinten voor in geel en oranje, van wit tot diep rose, van licht rood tot het diepste scharlaken.
Wat de andere genoemde rassen der laatbloeiende Gladiolussen aanbelangt, deze worden thans bijna niet zuiver meer gekweekt. De kweekers van den laatsten tijd hebben er niet zoozeer opgelet om raszuivere groepen, als wel fraai gekleurde, groote bloemen te verkrijgen. Ze hebben de mooiste bloemen uit de verschillende groepen met elkander gekruist, en op deze wijze kwamen de grenzen spoedig te vervallen. Ik wil U even eenige mooie soorten noemen, zonder daarbij de groep te vermelden. „Amerika” (No. 97) met mooie, groote lila-rose bloemen; „Baron Joseph Hulot” (No. 98) de welbekende blauwe verscheidenheid (blauw trof men vroeger bij Gladiolus niet aan); „Liebesfeuer” (No. 99) schitterend rood; „Willy Wigman” (No. 100) groote witte bloemen, met bloedroode vlekken (zéér fraai); „Panama” (No. 101) frisch rose getint; „Printemps” (No. 102) donker fluweelrood, wit gevlekt, mooie, groote trompetvormige bloem; „Halley” fraai zalmkleurig rood. Dan bestaat nog de mooie, blinkend witte soort „Europa”, die echter nog overtroffen wordt door „White Giant”. Zoo zou ik U nog meer soorten kunnen noemen, die alle in schoonheid wedijveren.
Deze laatbloeiende Gladiolussen worden gedurende den winter op een droge en vorstvrije plaats bewaard, en half Maart aan den bodem toevertrouwd. In randen, rabatten of in groote groepen geplant, komen ze steeds tot haar recht. Plant eens samen Gladiolus Brenchleyensis, scharlakenrood, met Galtonia Candicans, doorgaans Hyacinthus Candicans genoemd, en ge zult eens zien, welk een prachtig effect dit geeft. De Hyacinthus Candicans bloeit met een langen, één meter hoogen stengel; aan de zijtakken hangen de klokvormige bloemen af. Beide soorten bloeien gelijktijdig.
Na den bloeitijd, wanneer het loof afsterft, kan men de Gladiolus opnemen, het oude loof even boven den bol afsnijden en ze vervolgens opnieuw tot het voorjaar vorstvrij bewaren.
RANONKELS EN ANEMONEN. Wanneer we van Ranonkels (No. 122) spreken, dan denken we hier aan de z.g. klauwtjes-Ranonkels, van welke we van einde Mei tot Juli zulke mooie velden in de bloembollenstreek kunnen vinden. De bloemen doen ons denken aan kleine roosjes; ze zijn evenwel iets stijver. De stengels hebben een lengte van 20 cM. en meer, zoodat de bloemen voor het vullen van vaasjes zeer geschikt zijn. In den tuin kan men er het best een bed mede beplanten, waarvan men dan in den bloeitijd de fraaiste bloemen snijden kan. Zij houden van een voedzamen, niet te drogen grond, doch bij het planten dient men er op te letten, dat de aarde niet te vochtig is, daar de klauwtjes anders licht tot verrotting overgaan.
Vele variëteiten zijn er van bekend; er bestaan een viertal groepen van, n.l.: Turksche, Fransche, Persische en Schotsche Ranonkels. De Turksche bloeien het eerst en hebben groote, eenkleurige bloemen. De Schotsche hebben alle bonte bloempjes, terwijl de Fransche in het midden der bloem het hartje laten zien. De kleuren komen voor in alle mogelijke tinten, behalve in blauw, zelfs groen is vertegenwoordigd.
Beter nog bekend dan de Ranonkels zijn de Anemonen of „windbloemen”, welke naam afgeleid is van „anemos”, dat „wind” beteekent. Een groot aantal wilde soorten zijn hier te lande ingevoerd, doch niet alle hebben burgerrecht verkregen. Men heeft allereerst de vroegste soorten, welke in Maart en April met allerliefste bloempjes prijken, en die zoo buitengewoon geschikt zijn voor onderbeplanting onder heesters. Van deze is Anemone apennina, met heerlijk blauwe bloempjes, een der fraaiste. De bosch-anemonen zijn mede welbekende vertegenwoordigsters van dit rijke geslacht. En dan is daar nog de groote massa, welke door de bollenkweekers gewoonlijk in enkele- (No. 123) en dubbele- (No. 124) Anemonen onderscheiden wordt. Ze zijn allerfraaist als snijbloemen, evenals de nieuwere Anemonen St. Brigid (No. 125) met zeer sierlijk gevormde bloemen. Het meeste succes heeft men met deze Anemonen, wanneer men ze op een luw en voedzaam plekje plant. Ze leveren U in Mei, Juni en Juli een schat van snijbloemen.
LELIES (No. 121). Geen bloem onder de bolgewassen, die méér beschreven en bezongen is, dan de Lelie. Het is ook geen wonder, want een lelie in vollen bloei is een toonbeeld van weelde en pracht. Een groot aantal species is in den loop der eeuwen uit alle deelen der wereld ingevoerd, doch het is slechts een beperkt aantal, dat populair geworden is. De Lilium candidum, de langstelige witte tuinlelie, treft men hier en daar nog wel aan, evenals de z.g. boerenlelie, de L. Umbellatum, de tijgerlelie of L. Tigrinum en L. elegans. De tijgerlelies hebben op oranjerooden grond vele zwarte spikkeltjes. In deze soort bestaat ook de dubbele vorm, L. tigrinum plenum. Ze is bijzonder mooi.
Uit onze bloemenwinkels kennen we voorts heel goed de lelie, met lange, witte, trompetachtige bloemen, de L. Longiflorum, terwijl we daar ongetwijfeld bovendien eens aantroffen de L. Speciosum-verscheidenheden, soms met zuiver witte, soms met rose en donker-rose bloemen. De bloemen van deze lelies hebben alle ietwat naar achteren omgebogen bloembladen, en zijn zeer sierlijk. Andere mooie lelies zijn nog: L. Auratum, met breede goudgele streep en fraai gespikkeld. Ze komt uit Japan en kan hier niet met succes voortgekweekt worden. Ze wordt veel voor potcultuur gebruikt. L. Brownii, met bloemen als L. longiflorum, aan den buitenkant prachtig purper gekleurd; L. giganteum, een witbloemige, soms 2 Meter hoog groeiende soort, met stengels als bamboestaken; L. Henryi, als L. speciosum, doch met bruingele bloemen; L. Martagon, met purperkleurige, sterk gekrulde bloemen, en nog vele andere.
De lelies zijn bijzonder geschikt voor boordbedden, en juist dáár schenken de elk jaar terugkeerende en steeds fraaier wordende bloemen een groot genot. Groot is de pracht van veel andere gewassen, maar geen, die haalt bij de indrukmakende schoonheid der lelies.
VERSCHILLENDE BOL- EN KNOLGEWASSEN. Behalve de vele reeds genoemde gewassen zijn er nog tal van andere, welke we nog niet bespraken, maar die we niet zonder ze te vermelden voorbij mogen gaan. Zoo zijn daar in de eerste plaats de Kievitseitjes (Frittillaria Meleagris) (No. 114). Aan een lang, slank en toch stevig stengeltje bengelt een eivormig bloempje, dat even eigenaardig gekleurd is als een kievitsei. Er zijn ook witbloeiende verscheidenheden, maar de bonte zijn het eigenaardigst. Tusschen gras, of langs den waterkant komen deze bloempjes voortreffelijk uit. De bolletjes van de Kievitseitjes zijn niet groot, in tegenstelling met die der Kroon-Imperialen (No. 111) (Frittillaria Imperialis). Het verschil tusschen deze twee groepen is hemelsbreed. De Kroon-Imperiaal vormt een langen bloemstengel, met in top een vijftal of meer roode of gele neerhangende bloemkelken. Men kan de bollen in Juli of Augustus, wanneer ze uitgebloeid zijn, uit den grond nemen en ze droog bewaren. Ze verspreiden dan een eigenaardigen, niet steeds aangenamen geur.
De Colchicum, of droogbloeier (No. 115), die bloemen ontwikkelt veel gelijkende op Crocus, is mede een bolgewas, dat op onze attentie recht heeft. Zoo maar zonder water, zonder aarde zelfs, ontwikkelen zich de bloemen! Gemakkelijker kan het al niet, en dat is dan ook wel een der redenen, waarom dit gewas de laatste jaren veel belangstelling geniet. Het meest eigenaardige is vervolgens, dat in het najaar de bloemen en eerst in het voorjaar de bladeren voor den dag komen. Plant men dus een uitgebloeiden bol in den tuin, dan ziet men in het voorjaar de bladeren verschijnen. Tusschen heesters is dit een gewas, dat altijd voldoet. Het bestaat in meerdere verscheidenheden, meest zacht lila, maar ook wit.
Camassia (No. 118) zijn bolgewassen, die geschiktheid bezitten voor z.g. natuurlijke groepeeringen, dus voor het maken van een massa-effect. Daar komen de blauwe bloemen op lange, dunne stengels het best tot haar recht. Ook hiervan bestaan meerdere verscheidenheden, doch alle in blauw of wit.
De hondstand, of Erythronium, is een alleraardigst gewasje, meest met typisch gevlekte bladeren. De Erythronium denscanis (No. 119) wordt reeds meer dan drie eeuwen hier gekweekt en nog steeds neemt zij onder de vroegbloeiende gewassen een eerste plaats in. De bladeren zijn langwerpig van vorm, zeegroen getint en voorzien van purpere vlekjes. De bloempjes doen eenigszins aan die van viooltjes denken, en zijn fraai purper-rose getint. Voor den rotstuin is de Erythronium niet te overtreffen, maar ook tusschen gras of onder heesters maakt zij een heerlijk effect. In de vele jaren van cultuur zijn natuurlijk tal van verscheidenheden in veel verschillende tinten gewonnen. Bovendien zijn ook nog Amerikaansche soorten ingevoerd, vele met de allerfraaiste bloemen, in wit, geel, purper en rose.
Was het zooeven genoemde gewasje een der vroegste bloeiers, de Cyclamen Hederæfolium (No. 120), allerliefst plantje voor den vollen grond, bloeit daarentegen juist in den herfst. Het is eenvoudig een kleinbloemige Cyclamen, welke we allen als gezochte potplanten kennen. C. hederæfolium geeft lila-purpere bloempjes. Behalve deze bloeien ook C. Europæum en C. Africanum in het najaar, terwijl C. Atkinsi, C. Coum en C. repandum in het voorjaar haar lieve, kleine bloempjes vertoonen. Men plant ze het best daar, waar ze gedurende den winter beschutting van andere planten genieten.
Fraaie bloemen leveren ook de Uien- of Allium-soorten, waarvan de eene variëteit meer dan een meter hoog wordt, terwijl zich de andere soort nauwelijks boven de aarde weet te verheffen. Zeer hoogbloeiend is A. giganteum, uitvloeiend purper, terwijl A. oreophilum met schattige wijnroode bloempjes juist boven den grond bloeit. Mooi zijn nog A. Azureum met blauwe, A. Moly met gele en A. roseum met rose bloemen.
Amaryllis zijn bolgewassen voor de kas, maar niet altijd is men zeker van bloei. Zoo tegen Januari of Februari kunt gij echter bij de kweekers bollen bekomen, die reeds hun knop toonen, want eigenaardig genoeg, komt meestal eerst de knop en komen later de bladeren te voorschijn. Wanneer ze in zéér voedzame bladaarde in potten worden geplant, kunt ge ze in een zonnig goed verwarmd vertrek prachtig tot bloei brengen. In de meeste gevallen wordt de stengel tot meer dan 50 cM. hoog en doorgaans bevinden zich daaraan drie of vier groote, trompetvormige bloemen. Onder deze Amaryllis Hippeastrum-verscheidenheden treft men de fraaiste tinten van rose, scharlaken- en purperrood, bijna zuiver wit, ja zelfs oranje aan.
Een lief, zeer lief bolgewasje is de Ixia (No. 117) met o zoo teere bloempjes, gedragen op een zeer dun en lang, maar niettegenstaande dat, zeer stevig stengeltje. De bloempjes in de fraaiste tinten, ze stelen ons hart. Verzuimt nooit Ixia’s te kweeken, en vraagt dan ook naar de groene soort „Viridiflora”, waarvan het hartje zwartachtig is. Ze is lief, maar niet overvloedig, en duurder dan de andere. Ook de Sparaxis doen mee! Deze blijven veel lager, doch het kleuren-spel in deze bloempjes is zoo eigenaardig, dat men ze in elken tuin, maar vooral den rotstuin moet planten.
Wat levert ons vak toch een schat van gewassen, een keur van bloemen! Terwijl ik zoo ’t een en ander op ’t papier zet, is het me bezwaarlijk om een keus te doen uit het vele, en dat moet ik toch, wil ik niet té uitvoerig worden. Zoo ligt hier vóór me een plaat van de fraaie Aronskelk of Calla (No. 127), die ook den deftigen naam draagt van Richardia en die met haar reinwit en goud onze tuinen sieren als het warm is. Daar zijn fraaie soorten. In wit: de R. aethiopica (Lelie van de Nijl), de alba maculata, met gevlekte bladeren, e.a.; in zuiver geel: Elliottiana en Elliottiana Rossii. De meeste soorten kan men in vruchtbare aarde in potten binnenshuis tot bloei brengen; beter nog in kassen. De planttijd is dan van October tot Maart.
Heb ik nu te veel gezegd, toen ik beweerde, dat men in ons vak het geheele jaar door iets in bloei treft? Bolgewassen en andere, ze zijn er altijd, en in alle vormen. Zoo zijn het in het voorjaar de blauwe Chionodoxa, de purpere Corydalis bulbosa, de azuurblauwe Scilla Sibirica, de lieve witte Sneeuwklokjes, de nietige gewasjes, die met haar knopjes als ’t ware de sneeuw doorbreken. Groot en frisch komen later de Lelies en op de Amaryllis gelijkende Crinums; ook de Eremurus met haar bijna drie meter lange stengels, waaraan een groote lange bloempluim, bezet met talrijke rosetjes van wit, geel of rose. Hoewel men het niet zou vermoeden, behooren deze tóch tot de bol- en knolgewassen. De wortels zijn eigenaardig gevormd; ze hebben den vorm eener poliep.
Zoo zou ik U nog tal van soorten kunnen noemen, doch veel gewassen leveren bij de cultuur velerlei moeilijkheden op, en daarom wil ik U nog slechts de Montbretia’s (No. 139) voorstellen. Dit zijn knolgewassen, evenals de Gladiolus. Wat zijn ze sierlijk! De lange grasvormige bladeren vormen met hun frisch groen een prachtigen ondergrond voor de elegante bloempjes, geel, rood of oranje. De Montbretia’s doen het op bijna elken grond en doorstaan den winter het best met een bedekking van turfmolm. Voor het maken van randen en kleine groepen zijn ze geknipt, terwijl ze als snijbloemen onovertroffen zijn.
BEGONIA, DAHLIA EN CANNA. Ziet daar drie gewassen, die feitelijk met wat we gewoonlijk bollen noemen niets te maken hebben, maar er toch zoo nauw mede in verband staan, dat ze in elken bollencatalogus van eenige beteekenis voorkomen. Ze verlangen alle drie een bijzondere voorbehandeling, en daarom behandel ik ze hier afzonderlijk.
De Begonia’s vormen groote knollen, vandaar de naam van Knol-Begonia. Ze worden vermenigvuldigd van zaad en ook wel door stekken, doch bij deze laatste methode vordert men zóó langzaam, dat men ze slechts toepast, wanneer men een of andere verscheidenheid zuiver wenscht voort te kweeken. Het uitzaaien geschiedt reeds in Januari in pannen of kleine kistjes, die in de warme kas worden geplaatst. Zoodra de jonge plantjes zichtbaar zijn, worden ze dicht bij elkaar overgeplant of z.g. „verspeend”. Deze bewerking wordt later eenige malen herhaald. Tegen het einde van Maart of begin April worden de jonge planten in de kouden bak overgeplant en met beschermde ramen gedekt, omdat ze ’t volle zonnetje niet kunnen verdragen. Ventilatie moet er echter ruimschoots zijn. Zijn de planten eenmaal aangeslagen, dan verwijdert men de ramen en worden de planten afgehard. Ze geven hetzelfde jaar nog flinke bloemen. Wanneer ge ze op perken uitplant, geeft ze dan niet een plaats, waar ze den ganschen dag de volle zon hebben. De bodem moet voedzaam zijn; veengrond of tuingrond vermengd met wat oude koemest voldoet altijd het best. Doorgaans geven deze Begonia’s tot laat in het najaar fraaie bloemen, maar zoodra de nachtvorsten komen, neemt ze dan uit de aarde, laat ze flink drogen, klopt het droge zand er een weinig af en bewaart ze koel en vorstvrij in kistjes met kurkdroog, wit zand. Deze methode pas ik zelf al sedert jaren toe, en ’t bevalt me goed. Ge kunt echter ook volstaan met ze gewoon droog te bewaren. Doch plukt niet te veel aan de droge wortelvezels. Ge wondt daarmede de knol, en dat mag volstrekt niet. Op deze manier blijven de knollen bruikbaar, en wanneer Maart in ’t land komt, neemt dan grootere kistjes met bladaarde, plaatst de knollen, die doorgaans al teekenen van nieuw leven vertoonen, (getuigen de kleine scheuten) er op, en drukt ze zachtjes iets naar beneden. Bedekt ze voorts heel dunnetjes met een laagje aarde of lekzand en houdt de aarde vochtig. In de serre of in een verwarmd of zonnig vertrek kunt ge ze nu vast aan den groei brengen, maar zoo ge een kas bezit, verdient het plaatsen daarin de voorkeur. Plant ge in Mei de knollen op de vakken zonder deze voorbehandeling, dan lukt het weliswaar wel, maar niet zoo goed, en ge hebt véél later bloemen. Planten voortgekweekt in kistjes slaan, eenmaal op de perken uitgeplant, veel vlugger aan en bloeien spoedig.
De Enkelbloemige Begonia’s (No. 130) soms met bloemen van 1 dM. in doorsnede, en de Dubbelbloemige (No. 130) met bloemen, die inderdaad aan rozen of groote Camelia’s doen denken, zijn het meest bekend. Men treft ze aan in lichte en donkerroode tinten, in rose en wit, in geel en oranje, ja zelfs in de koperkleur. Typisch en mooi is ook de Begonia Cristata (No. 132) de gekamde Begonia. Bij dit ras treft men op de bloembladen kleine kamvormige aangroeiseltjes aan, hetgeen aan de geheele bloem een vreemd doch aardig aanzien geeft. Zeer gracieus van vorm zijn voorts de Begonia Crispa (No. 131), de buitengewoon sierlijk gekartelde en gegolfde verscheidenheid. Keurig mooi is ook dit ras.
Dit zijn nu de hoofdgroepen der Begonia’s maar er bestaan nog andere: de kleinbloemige, waaronder Lafayette, Graaf Zeppelin, Bertini, enz. Ze bestaan meest in roode tinten, maar er zijn ook gele.
En nu nog iets. Toen ik daar zooeven een beschrijving gaf van de wijze van vermenigvuldiging, dacht ge wellicht: Nu, dat uitzaaien wil ik eens probeeren. Meent echter niet, dat ge dat met succes zoudt doen. Bestelt liever flinke knollen bij den kweeker, dan blijft U teleurstelling bespaard.
Ook de Dahlia’s behoeven voor de vermenigvuldiging de warme kas. In Februari worden oude knollen op een tablet uitgeplant en weldra vertoonen zich de scheuten, die, wanneer ze groot genoeg zijn, onder de bladstoel worden afgesneden en in kleine stekpotjes geplaatst. Ze blijven dan nog een poosje in de kas, verhuizen later naar den kouden bak, en kunnen in Juni in den vollen grond worden uitgeplant. In het potje heeft zich dan een knolletje gevormd, dat het dikwijls geheel vult. Meent nu niet, dat het oogenschijnlijk nietige plantje geen voldoende resultaten geven zal. Ge zult over den bloei versteld staan, en de echte liefhebbers geven dan ook aan potknollen de voorkeur.
Van de Dahlia’s zijn veel rassen bekend. In de eerste plaats de Cactus Dahlia’s (No. 144) met fijn gepijpte, soms bovendien nog opgerolde bloemblaadjes. Hiervan zijn tal van pracht-verscheidenheden in den handel, die als snijbloemen en voor fijn bloemwerk eenig zijn. Dan hebben wij nog de Pioen Dahlia’s, met breede bloembladen, en die in het midden het hartje laten zien. De Decoratieve Dahlia’s gelijken er veel op, doch deze zijn geheel gevuld. Ook de Enkelbloemige Dahlia’s, de gewone Dubbele Dahlia’s en de Pompon-Dahlia’s met kleine kogelvormige bloemen, zijn geen onbekenden.
En nu nog een kleine wenk. Doorgaans brengen de Dahlia’s vele scheuten voort. Doch indien ge mooie, groote bloemen wilt hebben, laat dan de plant slechts drie stevige scheuten behouden, en snijdt de overige af. Ge vindt het misschien jammer; volgt echter mijn raad op.
En dan dit nog: Wanneer de eerste nachtvorst het loof heeft vernietigd, haalt dan de planten uit den grond, snijdt het oude loof 1 d.M. boven den knol af, en bewaart ze zonder inkuiling, dus droog, op een koele, vorstvrije plaats. Groote planten kan men in het voorjaar, wanneer zich de scheuten vertoonen, in tweeën of drieën scheuren.
Nu nog de Canna’s (No. 128). Dit zijn tegenwoordig sierlijke bloemplanten. ’t Is echter niet altijd zoo geweest, want vroeger kweekte men ze om het mooie effect, dat de bruine of frisch-groene bladeren geven. Ze hebben fraaie, rood-, geel- of oranjekleurige bloemen, en moeten, alvorens ze buiten kunnen worden uitgeplant, in de kas of in den bak aan den groei worden gebracht. Zoodra de vorst dreigt in te treden, neme men ze uit den grond, snijde het loof af, en beware de knollen koel en vorstvrij.
EENIGE VASTE PLANTEN.
Ten slotte, nadat ik langen tijd met U heb stilgestaan bij zooveel verschillende bol- en knolgewassen, wil ik ook nog eenige oogenblikken met U tusschen de vaste planten vertoeven. Deze toch hebben waarlijk ook recht op ons aller belangstelling. Ze geven zoo veel en zijn met zoo weinig tevreden! Ze vragen van U geen bijzondere behandeling; hebt ge ze eenmaal geplant, en hebben ze het naar den zin, dan groeien ze lustig door en geven elk jaar meer bloemen.
Geen wonder dan ook, dat men ze langzamerhand in grootere getale is gaan aanplanten en er geheele bedden, randen of open plekken voor heestergewassen mede is gaan vullen.
Een der liefste vaste plantjes, al wordt ze er gewoonlijk niet onder verstaan, is het Lelietje van Dalen (Convallaria) (No. 134). Heeft het zich eenmaal genesteld, en ’t liefst doet het dat onder boomen, dan komt het elk jaar in volle pracht terug, zijn standplaats door zijn liefelijke geur verradende. Hoewel het niet gemakkelijk is, ten minste wanneer ge geen broeikas bezit, kunt ge de Convallaria’s ook binnenshuis vroeg in bloei krijgen. Ge moet de wortels dan vóór het planten, tot ongeveer 7 cM. onder de bloeikiem inkorten. Plant 25 zulke bloeikiemen, dicht tegen elkander in een gewonen bloempot en vult de ruimte aan met vruchtbare aarde. Ze verdragen en verlangen nu zelfs een hooge temperatuur tot 80 à 85° Fahr. en opdat de kiemen, die ge nooit geheel met aarde moogt bedekken, goed vochtig blijven, moet ge ze voorloopig, d.i. totdat de bloempjes zich uit het omhulsel loswerken, met sphagnum bedekken en dit steeds nat houden. Denkt er om, de Convallaria’s verlangen veel water! Plaatst dus den pot steeds op een flinken schotel.
Ook de Diclytra spectabilis (No. 135), die den bijnaam draagt van „druipend hartje”, is een hoogst aantrekkelijke vaste plant. De lange, gebogen stengels zijn beladen met rosekleurige, hartvormige bloempjes, zooals U de afbeelding duidelijk doet zien. De plant bloeit buiten ongeveer Juni, en kan binnenshuis gemakkelijk en vroeg in bloei getrokken worden. Men gebruike dan goede vruchtbare aarde en giete rijkelijk.
Meer nog dan de zooeven genoemde zijn de Delphiniums of Riddersporen (No. 136) als vaste planten bekend. Welk een pracht van bloemen, gedragen op soms 1 Meter lange stengels! Het hemelsblauw is zoo wonderschoon, dat men er over in verrukking raakt. En dan de purperviolette, donkerblauwe variëteiten! Ze steken elkander naar de kroon. Eenig mooi en rijkbloeiend is ook de witte verscheidenheid „Moerheimi”. De bloeitijd is vanaf Juni. Even later, d.i. in Juli komen de magnifieke Vlambloemen, de Phlox Decussata (No. 133) in bloei. Oningewijden heb ik ze wel eens „koekoeksbloemen” hooren noemen, en daar lijken ze inderdaad veel op. De kleuren zijn wit, licht en donker rose, rood en lila, in de fraaiste schakeeringen. In randen of in groepen geplant, zullen ze een sieraad zijn voor elken tuin. Zorg hebben ze niet noodig, en ze zullen elk jaar bloeirijker terugkomen.
Uitermate gezocht is ook de Papaver Orientalis (No. 137) de z.g. groote klaproos, wier gloeiend roode kleur U tegenfonkelt. Nadat ze een jaar heeft vastgestaan, zal ze U overvloed van prachtige snijbloemen brengen, niet alleen in rood, maar ook in rose, zalmkleur en andere tinten. Dat hangt natuurlijk af van de soorten, die ge geplant hebt.
„Chineesche Pioenen” of Pæonia Chinensis (No. 138), ziedaar een vaste plant, wier weerga ge vergeefs zult vinden. Ook hier is waar, dat, hoe langer ze vast blijft staan, hoe sterker ze bloeit. Overplanten is steeds een fout, want ge loopt dan gevaar, en dat zult ge wel het allereerste jaar na het planten ervaren hebben, dat ze dan héél zuinig of in ’t geheel niet bloeit. Schitterend zijn de roode, rose, vleeschkleurige en zuiver witte bloemen van 12 tot 15 cM. in doorsnede, ja soms nog grooter. Denkt er om, ze houden van een voedzamen bodem.