Chapter 5 of 7 · 3864 words · ~19 min read

Part 5

Eenmaal overgebracht, verdragen de meeste gewassen een temperatuur van 60–70° Fahr. Geeft veel licht, liefst een zonnig plaatsje, giet rijkelijk in de schotels en matig boven op de aarde, maar plaatst ze nooit te dicht bij de kachels of op schoorsteenmantels, want groote en droge warmte is zéér nadeelig. Het loof of de bloemen moet ge niet gieten, slechts is het geoorloofd een hyacinthenknop, die zich wat stug ontwikkelt, met wat water, dat op kamertemperatuur is gebracht, te besprenkelen.

Ziedaar de beschrijving voor potcultuur, en nu wil ik U nog iets vertellen omtrent een andere, zeer gezochte en aantrekkelijke kweekwijze, namelijk op water. Vooral de Hyacinthen worden veel op water gekweekt, d.w.z. op glazen van wit, bruin, groen of blauw glas, en van verschillende vormen, daarvoor speciaal in den handel gebracht. Onze afbeelding No. 11 vertoont een Hyacinth op glas, en wanneer ik zooeven van „een gezochte kweekwijze” sprak, dan heb ik heusch niet te veel gezegd. De rechte liefhebber geniet dubbel, wanneer hij zoowel de ontwikkeling der bloem als van de wortels voortdurend kan gadeslaan.

De afbeelding doet zien, dat het bovenste gedeelte van het glas zoodanig is ingericht, dat het juist een hyacinthenbol kan bevatten. Dat bovengedeelte nu mag nimmer met water worden gevuld, daar de bol zelf nooit in het water mag komen te staan. Vult dus het glas zoover met helder pomp-, leiding- of regenwater, dat het den onderkant van den bol juist raakt, en voegt er, om het water frisch te houden, wat keukenzout bij. Een hoeveelheid, die men tusschen duim en vinger bergt, dus die van een klein theelepeltje, is voldoende.

Vervolgens hebt ge de glazen in een donkere, koele kast te plaatsen, en wel zoodanig, totdat de wortels den bodem bereikt hebben, ja zelfs gaan kronkelen. Dat is na ongeveer 5 weken en dan zullen ook de neuzen zich voldoende ontwikkeld hebben. Het is dan tijd om ze aan het licht bloot te stellen. Het water in het glas moet zoo nu en dan worden bijgevuld. Mocht dit al troebel worden of mochten de wortels er uit gaan zien alsof er vezels aan zitten (dat komt niet veelvuldig voor) dan kunt ge den bol voorzichtig uit het glas lichten en de wortels in water, dat op kamertemperatuur is gebracht, heel voorzichtig afspoelen of met de hand zachtjes afwrijven. Spoelt het glas flink om, vult het opnieuw met helder water onder toevoeging van een kleine prise keukenzout, en laat daarna de wortels voorzichtig in het glas glijden, daarbij zorg dragende, ze niet te kneuzen.

Heel aardig is ook de cultuur van hyacinthen in mos. Men neme daartoe een schaal of schotel, plaatse daarop een aantal bollen en vulle de tusschenruimten aan met losgeplukt mos, dat steeds vochtig gehouden moet worden. De wortels zullen zich weldra met het mos dooreenstrengelen, zoodat ze daarmede één geheel gaan vormen, waardoor het omvallen wordt voorkomen. Ook hierbij wordt het plaatsen gedurende ongeveer 5 weken in een donkere koele kast vereischt, voordat de bollen aan het licht gebracht mogen worden. Eenmaal in bloei, maakt zulk een schaal een aardig effect.

Ook Crocussen zullen het op water alléén aardig doen, hoewel ik de cultuur in potten of pannen steeds de meest loonende heb bevonden. Men plaatst de Crocussen gewoonweg dicht tegen elkaar op een bord of schoteltje, waarin men zooveel water doet, dat de onderkant der bolletjes bevochtigd wordt. De wortels zullen zich dan weldra ontwikkelen en dooreenstrengelen. Zorgt, dat het bijvullen met water niet wordt vergeten, want Crocussen zijn dorstig.

Wilt ge cultuur op water bij Narcissen toepassen, ook goed. Daarvoor zijn diepe pannen of schotels noodig, die ge met gereinigde sintels en water zóóver vult, dat de onderkant der bollen juist wordt geraakt. Om het omvallen der planten te voorkomen zoudt ge de bollen niet òp, maar tusschen de sintels kunnen plaatsen.

Nu kan ik wel veilig van de cultuur op water afstappen. Het is U wel duidelijk, dat het den wortels nooit aan water mag ontbreken, maar dat de bollen zelf nooit daarin mogen staan.

Ten slotte nog een paar wenken:

Wilt ge Flora’s kinderen met begin Januari in bloei hebben, of zelfs met ’t Kerstfeest, zet ze dan reeds begin of half October op.

Van welk gewas ook, plant bij voorkeur slechts één variëteit in elken pot, enz., opdat ge van een gelijktijdigen bloei verzekerd kunt zijn. Zoo ge meerdere kleuren en verscheidenheden in één pot, pan of kistje wilt planten, raadpleegt dan Uw leverancier, die ter zake kundig is.

Ziet niet op een kleinigheid, maar betrekt Uw waar steeds van een betrouwbare firma.

DE „BOLLENSCHUUR”, DE „BOLLENPELSTERS” EN DE „SORTEERMACHINE”.

Toen wij ons uitstapje naar de velden maakten, en wij na het bezichtigen der Hyacinthen de bollenschuur (No. 30) passeerden, namen we ons voor om op het tijdstip, dat de bollen zouden zijn gerooid en op de stellingen uitgestrooid, eens terug te komen. We nemen aan, dat dit tijdstip daar is en kunnen nu ons voornemen ten uitvoer brengen.

Bollen-„schuur” is heden ten dage eigenlijk een te nederige benaming voor zulk een gebouw. Men zou ze haast bollen-„paleizen” durven noemen, want allengs is men den bouwtrant gaan moderniseeren, en heeft men, door er meer stijl in te brengen, het fraaie met het geriefelijke vereenigd.

Dit hebben ze echter alle gemeen, dat ze zóó zijn ingericht, dat licht en lucht steeds rijkelijk kunnen binnenstroomen door de lange, openslaande beglaasde ramen, die ge bij droog weer in Juli en Augustus steeds wijd geopend kunt vinden. Een goede ventilatie is een vereischte om de vochtige bolletjes in een korte spanne tijds voldoende uitwendig te drogen, opdat zij geschikt zullen zijn om reeds einde Augustus, verpakt in papieren zakken en groote kisten, naar alle oorden der wereld verzonden te worden. Duizenden, ja millioenen kilogrammen van Flora’s Kinderen worden jaarlijks uitgevoerd naar Amerika, Engeland, Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk, Hongarije, Rusland, Scandinavië, enz., zelfs naar Australië.

Wanneer ge nu onze afbeelding No. 29 beziet, zal het U niet moeilijk vallen om U een voorstelling te maken van het inwendige van een bloembollenschuur. De stellingen, die ge daarop ziet afgebeeld, zijn meestal lange houten bladen of tafels van 1.20 M. à 1.40 M. breedte in stevige jukken boven elkander geplaatst met een onderlinge tusschenruimte van pl.m. 30 cM. Meestal bevinden zich in een flinke schuur 4 of 5 zulke stellingen, waarvan de tusschenruimten van 60 à 70 cM. breedte als looppad dienst doen.

Zooals reeds vermeld, worden de bollen in vochtigen toestand op de stellingen uitgestrooid waarop ze bij goed weer binnen enkele weken voldoende gedroogd zullen zijn, wat echter nog niet beteekent: gereed ter verzending. Thans is het sorteeren der Hyacinthen en Tulpen, benevens het pellen der laatstgenoemde aan de beurt.

Wat pellen is? Eenvoudig het losmaken uit de oude, intusschen verdroogde huid van de groote en kleinere tulpenbollen, hetgeen over ’t algemeen geschiedt door jonge meisjes en vrouwen, onder toezicht van een of meer knechts, opdat onze bollendames zich niet zullen verstouten om het kleine jonge goedje, dat het voortbestaan der partijen verzekert, in de oude huid te laten zitten. Onze dames, die de „pelkunst” telken jare beoefenen, hebben daarin veel vaardigheid.

Het laat zich overigens denken, dat het op een vergadering van 20 à 25 dames, behoudens enkele niet altijd te vermijden kleine kibbelarijen (hoe zou het anders kunnen), vroolijk toegaat, zonder dat de werkzaamheden er onder lijden. We kunnen veilig aannemen, dat het leeuwenaandeel onzer bolletjes onder gezang wordt bewerkt; liederen van groote meesters en dichters staan begrijpelijkerwijze niet op het programma.

Wat nu het sorteeren der verschillende bolgewassen betreft, dit geschiedde vroeger steeds met de hand, dus op het oog, of met ronde zeven, elk voorzien van gaten van verschillende afmeting. Een bollenman, die in zijn vak thuis is, zal U op ’t oog met het grootste gemak zeggen, hoe groot de omvang van een bepaalden hyacinthenbol is.

Wanneer wij echter bedenken, hoe enorm veel grooter de partijen der verschillende soorten tegenwoordig zijn, hoeveel grooter ook de omzet vergeleken bij vroeger jaren, en dat alles niettemin in hetzelfde korte tijdsbestek als weleer moet worden verwerkt, dan is het begrijpelijk, dat, wanneer alles met de hand en met ronde zeven moest worden gesorteerd, men zeker niet op tijd gereed zou komen.

Waar op velerlei gebied de machinerieën de industrie te hulp kwamen, doordat ze bij een beperkte bediening het werk van veel arbeiders verrichten, daar kwam de sorteermachine zich bij ons bedrijf als redster uit den nood aanmelden. Om te weten, hoe zulk een machine er uitziet, behoeft ge onze afbeelding No. 28 slechts te bezien.

Ge ziet hier echter de machine van pl.m. 2½ Meter lengte bij een breedte van ongeveer 1 Meter slechts uitwendig, met aan beide zijden de uitmondingen van 5 schuin afloopende, bekleede glijplanken, waarlangs de gesorteerde bollen de manden bereiken. De lengte der machine komt ongeveer overeen met de breedte van 5 bollenmanden, of 10 maal de breedte van een glijplank. Ge begrijpt nu allicht, waarom de 10 glijplanken over de beide zijden der machine zijn verdeeld.

Het inwendige der machine is betrekkelijk eenvoudig, doch practisch ingericht. Zes tot 10 stevige, dunne houten platen ter breedte van 25 en ter lengte van ongeveer 90 cM. vormen een naar het achtereinde der machine geleidelijk afloopend vlak. Deze houten platen sluiten zonder oneffenheid nauwkeurig aaneen, terwijl elke plaat voorzien is van ronde gaten van volkomen gelijke afmeting. Zoo heeft de plaat, die zich aan het hoogste gedeelte van het hellende vlak bevindt (dus bij den man aan ’t rad), talrijke op gelijken afstand aangebrachte gaten van bijv. 1½ cM. middellijn. Plaat No. 2 heeft ze iets grooter, en zoo zal de laatste plaat met gaten van 7 cM. in doorsnede zijn voorzien, die dus bollen van ongeveer 22 cM. omvang kunnen doorlaten, aangezien 3½ maal de middellijn den omtrek geeft. Al deze houten platen sluiten in een passend raam, dat door het draaien aan het rad een schommelende beweging aanneemt, waardoor de bollen zig-zag’s-wijze langzaam naar achteren rollen, en wanneer ze de passende plaat bereikt hebben, door de gaten heen op de glijplank tuimelen, en zoo in de manden terecht komen.

Aangezien nu de plaat met de kleinste gaten zich aan ’t boveneinde van het afloopende vlak bevindt, is het begrijpelijk, dat de kleinste bollen het allereerst in de manden rollen, de grootste het laatst. De grootste bollen leggen derhalve steeds den grootsten afstand af. Mochten bollen op gaten blijven liggen, waar ze juist niet doorheen kunnen, dan zorgen twee bekleede rollen, die zich onder het platenvak heen en weer bewegen, dat ze opgewipt worden en verder rollen.

Voorts ontdekt ge op ons plaatje bij den man aan ’t rad een naar voren afloopenden stortbak. Ge ziet juist een ander daarin een mand ongesorteerde bollen uitstorten. Uit dezen bak, die in kettingen hangt, en door het draaien aan ’t rad eveneens een schommelende beweging aanneemt, verspreiden zich de bollen langzaam over de zich daaronder bevindende sorteerplaten.

Voor de bediening der machine zijn doorgaans twee personen voldoende, t.w.: één, die draait, en één die stort, en de volle manden met gesorteerde bollen door ledige manden vervangt.

Ook dat zal U wel duidelijk zijn. Gevoegelijk kan ik nu overgaan tot het laatste deel van mijn causerie. Meent echter niet, dat ik dan ons bedrijf volledig beschreven zal hebben. Het lijkt er niet naar. Er komt heel wat meer bij kijken en nooit, nooit zijn we uitgestudeerd. Maar ik zou U een kijkje geven op de hoofdzaken. En dat doel hoop ik te hebben bereikt.

„NOG EEN KLEINE GREEP UIT „FLORA’S RIJKDOM”. „WAT ONS DE MAANDEN NÀ MEI BIEDEN”.

Waar zou het einde zijn, indien ik naar hartelust alle gewassen kon beschrijven, die in ons vak met zooveel zorg worden gekweekt! Zeker, er is stof te over, maar gezien de beperkte ruimte, die mij nog over is, zal ik me moeten bepalen tot datgene, wat U m.i. het meeste belang kan inboezemen, en tot die gewassen, welke ge met succes kunt planten.

Laat ik beginnen met een der hoofdgewassen, de

IRISSEN. Onder het vele schoons, dat in de bollenstreek wordt gekweekt, nemen de Irissen ongetwijfeld een belangrijke plaats in. We zien ze vroeg in het voorjaar, als de Lente de sneeuw nauwelijks heeft doen smelten, het nog dorre en kale aardrijk met fraaie tinten tooien: als de gloeiende zomerzon onze huid verbruind, prijken ze met de stemmigste tot de schitterendste kleuren; maar ook diep in het najaar, zelfs in den winter, zijn er Irissen in vollen bloei. Iemand heeft dan ook eens beweerd, dat er geen tijdstip in het gansche jaar is, of er bloeit een Iris, en ik geloof, dat de man gelijk had. Niet minder toch dan 200 wilde soorten zijn in den loop der eeuwen in Europa ingevoerd, en voeg daar nu eens bij de honderden, neen duizenden door hybridatie of selectie gewonnen, dan krijgt men eenig idee van den rijkdom van dit plantengeslacht.

Dit groote geslacht kan men in vier hoofdgroepen verdeelen, n.l.: 1o. baard-Irissen; 2o. baardlooze-Irissen; 3o. Oncocyclus-Irissen en Regelia-Irissen; en 4o. bol-Irissen. Tot de eerste groep behooren de algemeen bekende Iris Germanica (No. 81) en al die soorten, welke op de onderste bloembladen een breeden baard of kuif hebben. Iris Kaempferi of Japansche Iris (No. 82) is een goede vertegenwoordiger van de tweede groep, terwijl Iris Susiana (No. 83) de Rouw-Iris, tot de derde groep behoort. Tot de vierde groep, welke misschien wel de meest fraaie verscheidenheden telt, behooren b.v. ook de welbekende Spaansche- (No. 80) en Engelsche Irissen (No. 79), die ge in den herfst kunt planten. Ze doen het in elken goeden tuingrond, houden van een zonnig plekje en zijn met eenige bedekking tegen de winterkoude bestand.

Na deze korte omschrijving wil ik nu nog eenige der fraaiste Irissen noemen.—Allereerst dezulke, die reeds zoo vroeg, n.l. van Januari tot Maart, den volke kondschap doen van het naderende voorjaar. Deze Irissen worden niet hoog, slechts 10–15 cM. Het schijnt wel, of ze het weten, dat ze de eerstelingen zijn op een nog kaal en dor landschap, en dat ze stormen zullen moeten weerstaan, want de stengels zijn kort en de blaadjes houden als ’t ware het teere, en o zoo fijne bloempje, vast. Pareltjes onder deze eerstelingen zijn: Iris Reticulata, schitterend blauw; Krelagei, purperviolet; Histrioïdes, licht blauw en Iris Persica. Van laatstgenoemde soort bestaan meerdere verscheidenheden, ze bloeien met ietwat grootere bloemen, terwijl de stengels nog korter en de bladeren breeder zijn. Het allerbest plant men deze Irissen in den rotstuin, waar ze, geplant tusschen, en beschermd door groote steenen, een allerfraaist effect maken. In boordbedden of randen en rabatten doen ze het eveneens best, als ze er maar wat zon hebben.

De Iris Germanica (No. 81) zijn plant-Irissen, d.w.z. zij worden van den wortelstok en niet van bollen vermenigvuldigd. Zij vormen een der hoofdgroepen van het geslacht en worden dikwijls „Orchideeën van het veld” genoemd, zoo grillig zijn de vormen en zoo fantastisch de kleuren. In deze groep is de verscheidenheid enorm; ik weet, dat een Haarlemsche firma nog niet zoo heel lang geleden, meer dan 1000 soorten kweekte. Evenals bij de Hyacinthen zijn ook hierbij vele, die niet altijd des liefhebbers gunst mochten verwerven. Eenige verscheidenheden, die een voorname plaats innemen, wil ik U noemen: Florentina alba, wit; Kharput, zéér grootbloemig, donker blauw; Macrantha, helder blauw, zeer groote breede bloem; Isoline, zilverachtig purperrose; Iris König, oud goud met helder bruin; Mad. Chereau, wit met lila streepjes; Princes Victoria Louise, zwavelgeel met bruinrood; Ed. Michel, eenkleurig purper; Queen of May, helder purperrose; Princess Beatrice, heerlijk hemelsblauw; Odoratissima, helder blauw, violet getint, en Nibelungen, okergeel met pruimkleur.

Dan hebben we nog de Iris pumila, de kleine Iris Germanica, die echter een maand eerder bloeien, en voor kleine rotspartijen en rabatten zeer dankbaar materiaal leveren; de interregna-Irissen, een ras verkregen door kruising van de I. Germanica met I. Pumila. Deze interregna-Irissen zijn korter van stengel, echter even groot van bloem als de Germaansche Iris. Ze bloeien vroeger en kunnen dus met recht een tusschenras genoemd worden.

Tot de plant-Irissen behooren verder ook de Japansche Irissen (No. 82), welke met haar groote, platte bloemen, een zeer eigenaardigen indruk maken. Er zijn enkel- en dubbelbloemige verscheidenheden in allerlei kleuren, dikwijls met onuitspreekbare Japansche namen, en ze komen het best tot haar recht, als ze in groepjes langs den waterkant geplant staan. Ge begrijpt hieruit, dat het planten zijn, die een vochtigen bodem verlangen, en het veld Japanische Iris van ons plaatje No. 87, heeft zeker aan dezen eisch kunnen voldoen. Ook Germaansche Irissen tieren niet in een drogen grond, terwijl ook de Siberische Irissen, Iris Siberica, de droogte schuwen. Tot de allerergste nathalzen echter behoort onze Sloot-Iris (No. 86), Iris pseudocurus genaamd, die we indertijd, toen we de Hyacinthenvelden inspecteerden, voorbij liepen. Thans prijken ze met haar helder gele bloemen.

Ongeveer gelijk, of iets vroeger dan de Germaansche Irissen, bloeien de Oncocyclus- en Regelia-Irissen. De Oncocyclus Irissen munten uit door groote, fraai gekleurde en mooi gevormde bloemen. Iris Susiana (No. 83) is de meest bekende uit deze groep, en wie ze eenmaal heeft zien bloeien, wil ze zeker kweeken. Op zilvergrijzen grond ziet men tal van zwartachtig-bruine en purpere aderen, waardoor een sombere, maar bijzonder zeldzame kleur verkregen wordt. De naam Rouw-Iris is haar met recht toegekend. De Regelia-Irissen hebben kleinere en puntige bloemen, doch door het kruisen van beiden rassen verkreeg men een tusschengroep, waarin de goede eigenschappen zoowel van de Oncocyclus- als van de Regelia-Irissen, tot haar recht gekomen zijn. De cultuur van deze Irissen is niet zoo gemakkelijk, doch door den wortelstok voldoende rust te geven, en niet te vroeg te planten, bereikt men wel goede resultaten.

Thans willen we nog even de Bol-Irissen behandelen, die in schoonheid in geen enkel opzicht bij de reeds genoemde Irissoorten achter staan. Den bol vindt ge U met plaatje No. 85 aanschouwelijk voorgesteld. Enorm is de verscheidenheid ook in deze klasse; de Spaansche- (No. 80) en Engelsche- (No. 79) Irissen behooren er toe; ze mogen in geen tuin ontbreken. De cultuur is zoo gemakkelijk, dat ze misschien de voorkeur verdienen boven de wortelstok-verscheidenheden. Men plante ze in het najaar in gewonen, goeden tuingrond, zorge gedurende den winter voor een goede stroo- en bladbedekking, en rooie ze in Juli, om in October opnieuw te planten. Ge moet ze in dien tusschentijd op een droge, luchtige plaats bewaren.

Het zou me te ver voeren, wanneer ik deze zoo aantrekkelijke bol-Irissen uitvoeriger ging behandelen. Plant ze, en geniet dan de heerlijke pracht der Spaansche Irissen (No. 80) met haar brons-, licht- en donkerblauw, zuiver wit en helder geel, en siert Uw kamers er mede, want snijbloemen zijn het bij uitnemendheid. Niet minder is dit het geval met de Engelsche Irissen (No. 79). Het heldere blauw zal U bekoren, ook het zachte lila, het zuivere wit soms zoo prachtig lila gespikkeld. De bloeitijd van deze Irissen is Mei en Juni. De Engelsche Irissen, die grooter van bloem zijn dan haar Spaansche zusters, zijn eenige weken later, maar wie de schoonste zijn, ik zou het U niet kunnen zeggen.

Als op den voorgrond tredende species zou ik U nog willen noemen de Iris filifolia, die van de Spaansche Irissen bijna niet te onderscheiden is. Zeer fraai zijn ook I. tingitana en I. Juncea, zoo ook I. pavonia (No. 34).

Het is voor U natuurlijk niet doenlijk om alles te kweeken, wat ik U heb beschreven. Ik zou U echter willen raden, de bol-Irissen in geen geval over te slaan, want iets mooiers zult ge vergeefs zoeken.

GLADIOLUS (Zwaardlelies). Wie zou de Gladiolus niet kennen? Ze zijn in de laatste jaren ware uitverkorenen van het bloemenminnende publiek geworden. Het ligt velen wellicht nog versch in het geheugen, hoe enkele jaren geleden in de bollenstreek een z.g. windhandel in Gladiolusbollen gedreven werd. Kleine partijtjes bollen van bijzondere soorten brachten soms ƒ 20000.– op, en voor „kralen”, (dat zijn de jonge broedbolletjes), betaalde men eveneens groote sommen. Het geleek wel iets op den dwazen tulpenhandel, waarover ik reeds schreef; en evenals toen, volgde ook hier op al die grove speculaties de ontgoocheling. Menigeen denkt dan ook liever maar niet aan de dwaze Gladiolus-periode terug!

In de volkstaal noemt men Gladiolus wel „Zwaardlelies”, een naam, afgeleid van het woord „gladius”, d.i. „zwaard”. Vandaar dat men de oude Romeinsche zwaardvechters „gladiatoren” noemde.

Ongeveer 140 species, dat zijn in het wild groeiende soorten, zijn in den loop der jaren ingevoerd. Met uitzondering van enkele Europeesche soorten komen ze uit Afrikaansche landen. Van de laatbloeiende Gladiolussen zijn de bollen grooter dan van de vroegbloeiende. Ik spreek uit macht der gewoonte steeds van „bollen”, hoewel de Gladiolus eigenlijk een „knol” is, omdat ze één vast bestanddeel vormt. In het vak praat men echter altijd van „bol”; ik laat het dus gemakshalve zoo. Wat de vermenigvuldiging betreft, deze geschiedt bij de laatbloeiende verscheidenheden door middel van de z.g. „kralen”, de kleine, jonge bolletjes, die soms bij tientallen aan de groote bollen voorkomen.

De meest bekende Europeesche species zijn Glad. Byzantinus en Communis. Zij bloeien in Juni, soms nog in Juli, met helder purper-rose bloemen. Deze kinderen van Turkije maken in onze rabatten steeds een fraai effect.

De zooeven genoemde soorten worden in bloei opgevolgd door de Gladiolus Colvilli, waarvan wij vier verscheidenheden kennen, t.w.: de type, donker karmozijn-purper; roseus (No. 96) rose; albus, wit met blauwachtige helmknopjes, en albus de Bruid (No. 95) eveneens wit, maar met witte helmknopjes. Ze zijn tamelijk lang en stevig van stengels, en zijn dus voortreffelijke snijbloemen.

Gelijktijdig met de Colvilli-soorten bloeien de Gladiolus Nanus met een zeer groot aantal verscheidenheden, waaronder soorten zoo mooi, dat ze het hart van elken liefhebber terstond moeten winnen. Hoe fraai zijn de kleuren, en wat zijn de onderste bloembladen zeldzaam mooi geteekend! De vlekjes op de blaadjes lijken erop geschilderd. Ziet eens de soort „Koningin Wilhelmina” (No. 94) met wasachtig witte bloemen, voorzien van een crême-wit, karmijn gerand vlekje. En dan „Blushing Bride” (No. 92), die veel overeenkomst vertoont met „Koningin Wilhelmina”, doch een weinig kleinere bloemen voortbrengt. Wat een attractie is deze zéér veel gevraagde verscheidenheid! Bij „Peach Blossom” (No. 93) komt de vlek niet zoo sprekend uit, doch de frissche perzikbloesem-tint vergoedt dit gebrek ruimschoots. Zéér mooi is bovendien „Ackermanni” (No. 91) met warm roode, vurig scharlaken gevlekte bloemen.

Zoo zou ik U een menigte soorten van deze allerliefste klasse kunnen noemen, maar ge moet mij ten goede houden, dat ik daartoe, wegens beperkte ruimte, niet overga. Nog enkele, die uitblinken, zooals: „Crimson Queen”, karmozijn met lila vlek, „Fire King”, schitterend scharlaken, donkerder gevlekt, „Sapho”, lila met purper vlekje, en „Queen of Holland”, bijna wit, ik kan ze U aanbevelen, en wil U dan nog op ’t hart drukken: Laat dit betrekkelijk zoo goedkoop goedje niet in Uw tuin ontbreken; iets lievers is er bijna niet!

Als nu de Nanus-verscheidenheden zoo goed als uitgebloeid zijn, volgen de Ramosus-soorten. Deze hebben grootere bloemen, maar vertoonen overigens veel overeenkomst met de Nanus-klasse.

De vroegbloeiende Gladiolussen kan men in het najaar planten, doch men bedenke, dat ze niet volkomen winterhard zijn, en dat dus gedurende den wintertijd een flinke bedekking met blad of turfmolm noodzakelijk is. Men kan ze ook des winters op een koele, vorstvrije plaats bewaren, en ze vroeg in het voorjaar planten. Dit laatste wordt echter niet veelvuldig gedaan.