Chapter 1 of 7 · 3996 words · ~20 min read

Part 1

[Illustration]

VARENS EN MOS

door J. R. Kloosterman

BERGUM — T. G. VAN DER MEULEN

INHOUD.

Mijn lied Proza en Poëzie Lof der Schepping (_Voorzang_.) Lof der Schepping God in de Natuur Zomernacht Natuurschoon Het Woud Veldzang Zondagmorgen Rust en Vrede De Poëzie der Heide Terugblik Natuurbespiegeling Twee honderd gulden jaarlijks De Echo der Heide Begraaf mij in mijn eigen Graf In ’t zand geschreven Herinnering De Hoop Troost De Ploeger Een Zonnetje Aan Zee Schipbreuk Zeeramp der Peasenster en Moddergatster Visschers, 6 Maart 1883 Nood en Hoop Neem op uw Kruis Wij zijn op reis Bij ’t Einde des Jaars Na dezen Excelsior Vertrouwen Abraham’s Offerande Aandenken aan mijne dierbare Moeder, overleden 28 Januari 1849 Aandenken aan mijnen dierbaren Vader, overleden 2 October 1879 25 November 1892 Januari De Eenige Zoon Geluk Eenzaamheid Ik laat de wereld buiten Mijn Geboorteplaats De verdwaalde Tourist Noord-Amerika Stad en Land Buweklooster Het Laagland

MIJN LIED

Mijn lied is ’t lied van ’t donkre woud, Van ’t statig dennenruischen, Waaronder beekjes bruisen; Waar woudkoors zangers huizen, Omlaag in het fluweelen mos, hoog in het golvend hout.

Mijn lied is ’t lied van ’t vrije veld; Beperkt door grens noch mijlen; Waarboven wolken ijlen, Wier schaduwen soms wijlen, Waar eene wolkpartij, het zeilend hulkje vergezelt.

Mijn lied is ’t lied, dat mij eenmaal, Van mijn geliefde heide— Die kunstelooze weide— De Poëzie mij zeide: Van haar bekoorlijkheid mij sprak, in wonderzoete taal.

Mijn lied is Meimaands avondstond. Wanneer de gouden stralen, Het westen purper malen, Elk ruitje op hoogte, in dalen, Van ’t blauw azuur, een gouden ster als avondbode zond.

Mijn lied is Herfstmaands kleurenschat, Zijn tintenrijkdoms weelde, Die met goudbrons penseelde Den hof; de beuken geelde; En ’t al met spinrags kantenweefsel teeder hield omvat.

Mijn lied is ’t lied van mijn gemoed— Hoe nietig ’t ook moog wezen— Diep uit het hart gerezen; o Blijv’ nog lang na dezen: Mijn lust aan u Natuur, in ’s levens voor- en tegenspoed.

Proza en Poëzie

Moet alle Poëzie verdwijnen? En alles afgepast naar maat, Van kortsten weg, en rechte lijnen, ’t Al om gewinzucht en om baat? Mag niets aan ’t toeval meer gelaten? Daar ’t anders als men dacht, licht ging; Moet alles, alles enkel baten, Ten doel slechts van berekening?

Ach ’s Levens Proza is zoo koud.— Is nimmer opgewekt of blij. Mag niet een vlucht, een stapje stout, Omhoog, ter zijde, en uit de rij?

Mag ’s klaproos rood of ’t held’re blauw Der korenbloemen in de schaâuw, Laag en bescheiden niet eens staan, Te midden van het hooge graan?—

En als gij dan verzadigd zijt Van vrucht en onrust, leed en goud,— Van al wat u zoo heeft verblijd,— Van al waar ge anders zoo van houdt,— Dan denkt ge ook eens aan ’t heerlijk rood! Dan denkt ge wellicht nog eens gauw, Wat schoons de held’re klaproos bood, De ranke korenbloem in ’t blauw!

Lof der Schepping

_Voorzang_.

Wat zijt gij nietig kind der aarde! Wat roemt ge op uwer handen werk? Wat uw genie, uw geest ook baarde, Waar hooge kunstzin zich aan paarde, Al droeg ’t onwikk’lings hoogste merk;— Wat zijn uw trotsche bouwgewrochten, Des kunstzins eenig ideaal? Roem hen, die ze ooit aanschouwen mochten, Gij, die ze hier en elders zochten: ’t Zij ’t Vaticaan, ’t Escuriaal, Sint Pieter, Straatsburgs, Keulens kerken, Sint Paul of Boroboedors pracht, Of Pyramidens reuzenwerken, Waarin de geest op kunst’naars vlerken Zijn ideaal in vormen bracht! De schim der Angelo’s ruischt zwevend, Bij die der Wrens, der Steinbachs voort; Blijft in hun grootsche werken levend, En werd daarin tot levend woord.— Ziet hoe die hooge zuilen rijzen, Van de aard, steeds hooger, naar omhoog! Ziet! hoe zij als ten hemel wijzen, Langs halflicht heen, ten hoogsten boog;— Hoort! hoe de stomme steenen spreken, Alom, in ’t heerlijk bouwgevaart’, Waar ieders oog verbaasd op staart;— Maar wat is alles vergeleken, Bij ’s Hoogsten werken van Hem zelf,— Die ’t schitt’rend, vonk’lend stergewelf, Heel de aardbol eenmaal overspande, Tot tempelboog der lustwarande, Die groene, bloeiende aarde heet! Gij riept o Heer eens de elementen! Zij sierden de aard’ met heerlijk kleed, Van bloemen en van loovertenten, Zoo weidsch, zoo hoog, zoo trotsch, zoo breed. Hier rijst het oerwoud voor onze oogen, Gevormd tot trotsche tempelbogen, Waar ’s zonlichts stralen, nauw vermogen, De onmeet’bre koepels in ’t gezicht Te brengen, door het weif’lend licht.— Ginds ruischen Mamre’s reuzeneiken, Wier jaren over eeuwen reiken, Dáár Ced’ren op den Libanon; En bloeit op heuv’len en in dalen, Waar slechts de blikken henen dwalen, ’t Gebloemt bij ’t vuur der zomerzon.—

LOF DER SCHEPPING

Ja gij zijt eenig schoon Natuur! Wanneer op Avasaxa’s transen, Te middernacht de stralen glanzen, Der middernachtzon in dat uur, Als Noordkaap zich in purper baadt; Als IJszee’s kille golven dansen, In avondrood en dageraad, Op ’t zelfde uur; als gouden kransen, Zich hechten op het ijsgebergt’, Welks hoofd de zomerwarmte tergt, Ten trots der wekenlange dagen;— Hier zou men zich af mogen vragen, Is zulk een nacht wel minder schoon? Dan wanneer Mei zijn bloemenkroon, In veld en bosch en hof doet geuren?— Of als een herfstdag zijne kleuren, In mengeling, van bruin en goud, Doet blinken over ’t eikenwoud?— Is ’t niet, daar in het zwijgend Noorden— Bij middernachtzonlicht beschouwd— Een lied, een hymne, zonder woorden?

Ja dat verkondigt U o Heer! Gij riept de zon en het werd Lente; ’t Werd Zomer; zij ging niet meer nêer, Beneden in haar watertente; En langer, langer, toeft zij steeds, Tot ze eindelijk, bij korter dralen, Niet meer zich toont, en de IJszee reeds Zich sluit, ’t Blijft nacht. Daar stralen, Laag uit het donk’re Noorden op, De bundels licht naar ’s hemels top, Van uit een vuurgloed aan de kimmen; De hooge sneeuwgebergten glimmen, Waarvan de zachte stralengloed, Heel ’t zwijgend landschap schitt’ren doet; ’t Ontplooit zich als tot bundels pijlen; Van ’t Westen en van ’t Oosten ijlen, Dáár garven vuur, dáár wolken licht, Waarvoor der starren schitt’ren zwicht. ’t Is, of van duizend regenbogen,— Door een magneet als voortbewogen,— Het fonkelende kleurenschoon. Zich vormt, zich opbouwt tot een kroon. En rust’loos vloeit van alle kanten,— Van hyacint, van diamanten, En van saffier en van smaragd, De mengelende kleurenpracht— Zich tot een koepeldak opbouwend, In ’t Zenith hare glans ontvouwend,— Een heerlijk, eenig schoon geheel! Wat goddelijk natuurtaf’reel! De mensch staat stom, staat opgetogen, Gods heerlijkheid gaat voor zijne oogen, Aan zijn verbaasden blik voorbij, En thans aanbidt, bewondert hij!

Hij huivert niet, gelijk voor dezen, Met schrikkelijken angst en vreezen; Hij ziet, wanneer daar straal bij straal, Naar boven schiet, geen vlammend staal; Hij ziet daar in de gouden kleuren,— Met rozeroode tint doorgloeid,— Die statig zich ten hemel beuren,— Wier gloed verschijnt, wier gloed vervloeit— Geen vuur, geen bloed, geen scherpe dolken, Daar in die kleur’ge wolkenschicht, Die helderder dan and’ren licht; Geen rookkolommen in die wolken, Als krijgden boven daar de volken, Voor heel des werelds aangezicht. Het zijn geen legers, geene benden, Die heden keeren, straks weer wenden, Of die hun vuur’ge paarden menden, Als een verwoede legerschaar,— Die zuilen, bundels, koepels, daar.— Geen visioenen, geen gezichten, Die dreigend zich naar de aarde richten, En bloedig over de aarde lichten, Langs de gekleurde hemelzee, Als boden van een naam’loos wee, Die heel het menschdom met hun plagen, Schrik en ontzetting straks aanjagen, Of pest in hunne vaandels dragen, ’t Bericht van oorlog deelen meê!—

Ligt nog »’t van waar,» steeds in het duister, Brak niet de wetenschap de kluister, Van »’t hoe»: des Scheppers pracht en luister, Blinkt eenig, ongeëvenaard, Als ’t poollicht langs den Hemel vaart.

Hoe groot zijn uwe werken Heer! Zij galmen ’t uit; geeft, geeft Hem de eer, Van af het kale en ijzig Noorden, Tot aan de zegenrijke boorden, Van ’s werelds bloemrijk paradijs; Hem juicht het toe, Hem steeds ten prijs! Naar ’t zuiderstrand, van ’t eeuwig ijs, In duizenden van lofaccoorden, Wier lied ten hoogen hemel ruischt! ’t Zij, waar aan welige oosterstranden,— Dier paradijsachtige landen, Bij ’t heete middagzonnebranden, In palmenkronen ’t koeltje huist! Dat enkel dáár nog droomend suist! Of waar van onbewolkte transen, Loodrecht de zonnestralen glanzen, Op Baöbabs gewelfde kruin,— Een wolk van groen, een mollig duin,— De schoonste trots dier Zuidertuin.— U prijst de stemme van die wouden,— Die zich, U Heer, daar temp’len bouwden, Zooals geen oogen meer aanschouwden!— U! noemt ze als op de aâm van de orkaan, Eensklaps beginnen aan te slaan, De Eölusharpen, forsch bewogen, Langs Teifoens vreeselijke baan,— Als ’t dreunt en davert door den hoogen, Wijl ’t bliksemlicht verblindt straks de oogen,— En bij die grootsche melodie, De diepe bas der harmonie,— Uit duizenden bazuinenmonden, Onmiddellijk als van nabij, Van achter, onder, van ter zij, Als tot een vrees’lijk koor verbonden— Rolt, wentelt, in die bange stonden,— Terwijl met vreeselijken knal, Der wouden reuzen, in hun val,— Al stonden zij ook eeuwen pal,— Geheele rijen, honderdtallen, Als stengels riet, ter neder vallen, Bij ’t splijten, kneuzen, daav’ren, schallen, Terwijl hun kruin zich boog ter aard’— En door die breede top bezwaard— ’t Al dreunende ten bodem vaart.

En eind’lijk heeft der winden stoet, Ten lange lest weer uitgewoed; De laatste wolken vliên als schimmen, In rag en weefsel, naar de kimmen; En rein, als smetteloos kristal,— Waarin der sterren vlammen glimmen,— Ligt nu het zeevlak. ’t Grootsch heelal, Daarboven is een zee van luister,— Waardoor des Melkwegs pad van licht, Hel schitt’rend over ’s aard’rijks duister, Den blik verbaasd naar boven richt,— Wijl ’t Zuiderkruis als sterrenkroon, Zijn heerlijkheid ginds spreidt ten toon.

Ook in den stormwind waart gij Heere! Hij was Uw dienaar, U ter eere, Verkondigde hij Uwe macht; Hij droeg Uw orders op zijn vlerken, Hij predikte U in Uwe werken, Hij predikte Uwer werken kracht.— En in der Palmen hooge twijgen,— Nu er alle and’re tonen zwijgen,— Gaat Gij voorbij, Heer der natuur! In ’t zachte ruischen van die palmen, Is of het lief’lijk ruischt van Psalmen, In Tropens middernacht’lijk uur.—

De pracht der Leliën is de Uwe, Heer, Gij, Die ze in hun reinheid schiept, Nadat het Noorden zwijgt van ’t ruwe, Het Zuiden ze oproept in het luwe,— Heer! Gij zijt het, die hen weêr riept,— Opdat het strekk’ U Heer! ten prijze, Opdat het Uwen lof vermeld’!— Hun heerlijkheid, den Koning-Wijze, Van Isrel, in de schaduw stelt.— Neen! al de glans der vorstenkronen, De luister, macht en majesteit, Die uitgaat van der macht’gen tronen, Is naast uw werk, Heer! ijdelheid! Wat kan de schoonheid evenaren, Van wat Gij schiept, God der Natuur? Dat heugt van langer levensduur, Als toen nog de eerste scheps’len waren,— Waar ’t grootsche aan schoonheid zich komt paren: Wien grijpt het niet, met heilig vuur, Wien grijpt het niet bij Staffa’s zuilen, In ’t wonder »Fingalsgrot», gebaard,— Bewond’rend aan, waar zij geschaard, Als eerstgeboor’nen dezer aard’, Eens opgerezen uit de kuilen, Des oceaans, bij stormwinds huilen,— Als met hunne evenknie gepaard,— Die Reuzendam, wiens reeks van wond’ren, Des Scheppers grootheid luid verkondt, Nog onvergank’lijk sinds die stond,— Hoe ook de orkanen hem steeds plond’ren,— Toen hij omhoog rees onder ’t dond’ren, Der wording van het wereldrond.—

Wie bouwde in ’s aardrijks ingewanden, Die schitterende zalen op? Waar dropsteen als met toov’naarshanden, Gewelf en boog en zilv’ren wanden, Optrokken tot des tempels top? En wie groepeerde en stalacmiten, Bevallig hier, en stalactiten, Weer ginder? tot een vingerschaar, Heenwijzend, naar beneên, naar boven, Om ’s Scheppers luister ook te loven, In ’t ingewand des aardrijks, daar; Of tot een orgel, dat reusachtig, Op de achtergrond verrijst, en krachtig, Van achter steunsel en pilaar Zich opbouwde, edel, grootsch en machtig; Terwijl ’t al gloeit van diamant, Van al de luister der juweelen, Omhoog, omlaag, naar allen kant, Waar zij in duizend prisma’s spelen, Zich samenbinden, zich verdeelen; Als sterren flonk’ren, of als zon, Als aller stralen kleurenbron,— In duizenden van regenbogen, De blikken houden opgetogen, Door nooit geziene wonderpracht,— In ’s aardrijks diepe zwarte nacht. Wie denkt aan Biels- en Baumans holen, Niet! waar hun schoon, zoo lang verholen, Door toeval werd aan ’t licht gebracht! Of waar het schoonste der gordijnen, Waarin des dropsteens paarlen schijnen, Van de Adelsberger toovergrot, Met kunst van menschenhanden spot?

Mississipi, »der stroomen vader», Wie, wie ontsloot eenmaal uwe ader? Die als »Geweldige» ten lest’, Waar gij allengs de zee treedt nader,— Als Opperstroom van »’t verre West»— Een reuzenslang wel der Prairieën,— Daar gij tot ééne bond van drieën,— Missouri en Ohio prest, Met Legio’s, waar één, wiens wellen,— In ’t schoonst natuurpark zijn geplant, U, Vader komt in de armen snellen, Om u al ’t heerlijks te vertellen, Van Jellowstones wonderland,— Of in wier bruisen wij nog wanen, Een strijdmarsch wel van Indianen, Een Sage of eene oorlogskreet, Of misschien Long-fellows akkoorden, Langs met Prairie omzoomde boorden— Te kunnen onderscheiden. Breed, Met koninklijken zwier en luister, Stroomt gij, getoomd door boei, noch kluister,— Door zonnige Prairie, door ’t duister, Van ’t ongerepte maagd’lijk woud,— Wiens vorstelijke broeder, ginder, De zon voorbij, U even stout, En even grootsch en schoon niet minder,— Op ’t Westhalfrond gezelschap houdt.— Wijl aan den uitgang van de »Meren,» Wat »Meren?» Zeëen! waar de naam, Sint Laurent, allen oproept, saâm, Om allen zich naar hem te keeren; Om op te bouwen, allen, al, Een Niagara’s waterval: Opdat het »Waterwonder» rijze! Opdat de waterdroppel prijze Hem! de Almacht! Die op deze wijze, Zijn wond’ren werkt. Die, drop bij drop, Miljoenen maal, miljoenen malen, Maal millioenen, stapelt op, Van rots tot rots, tot bergen, dalen;— Zijn schuim en neev’len, saam vergaard Tot wolken; middlerwijl de waat’ren, Onafgebroken, dondren, schaat’ren En nederstorten, zoodat de aard’, Als ware ’t door dien val vervaard,— In hare voegen staat te beven! Terwijl zich regenbogen weven, Op ’t rookend schuim, omhoog gedreven, Als eerepoorten daar omhoog, Hem opgericht, Wiens werk zijn schoonheid, Voor ’s menschen oogen zich ten toon spreidt.—

Gij zijt het Heer! die langs zijn boorden Den Nijl doet »wand’len,» uit het Zuid,— Waar niemand nog »’t van waar» ontsluit, Steeds uit die geheimzinnige oorden, Met staat’gen loop, naar ’t verre Noorden.— Gij zijt het, Die Zambesie’s val, Wiens »Rook raast hier,» doet brullend dond’ren, Geperst in zijnen rotsenwal, Die ons Natuur in hare wond’ren, Als de openbaring van Gods macht, Dus doet aanschouwen in haar pracht.—

Gij wandelt over de Andesketen; Op Chimborasso drukt Gij Heer! Uw voet, als scheps’len God, ter neêr, Waar winter is ten troon gezeten; Waar Cotopaxi’s vuurhaard brandt.— Uw oog reikt tot zijn ingewand: En Himalaya’s reuzenbergen, »Sneeuwwoning» zoomen de overkant, Der stille Zuidzee. Wijl zij tergen, De wolkenlegers, en hen vergen, De schatting van hun kost’lijk nat: Den rijkdom hunner regenschat.— Mount-Everest, gij! die van de aarde,— Die ’t eerst uit haren schoot u baarde, Doorluchtige! als bergen Hoogst’!— Den lof van de bewond’ring oogst,— Ook u mijn groet, als bergenkoning! In uwe vlekk’loos reine woning, Met uwe gletscherpracht tot kroning, Uw schoud’ren onder hermelijn! Gij deed hem rijzen, deed hem worden, Uw machtwoord Heer, Gij riept hem op! Uit de afgrond, tot zijn hoogsten top; Gij deedt met sneeuw zijn lend’nen gorden, En vormdet sneeuw- en regendrop, Tot gletschers, die als lichtgewaden, In ’t avondzonnelicht zich baden, Als »Alpengloeiën» ’t menschelijk oog, Bewonderend trekt naar omhoog!

Hebt gij misschien ooit in uw leven, Gevoeld dat vreemd, dat trillend beven, Beangstigend, aan uwen voet? Alsof de grond schijnt weg te zweven; Een onderaardsche kracht hem doet, Op licht bewogen baren schomm’len, Waartusschen verre donders romm’len,— Terwijl Natuur in diepe rust, Als ware het, schijnt weg te domm’len; Zij, schijnbaar zich, het onbewust, Hoe ’t kookt, hoe ’t borrelt, ziedt, hoe ’t brandt, Diep in des aard’rijks ingewand.

Hebt gij ooit de aard’ zien golven, zwoegen? Als onder naam’loos barenswee Zich rekken, krimpen, splijten, ploegen, Als scheurde de aard uit hare voegen, Bij ’t dond’rend kraken, als in twee?— ’t Beeld van een fel bewogen zee!— Zaagt gij de bergen ooit verwrikken? Als ’t ware elkander tegenknikken, Hun hoofden neigen tot elkaar? Hun kraters oop’nen, met een knal, Die davert over berg en dal, Met de echo als bazuingeschal,— Wijl tot de verst gelegen plaatsen,— En lucht en aard ’t elkaar toekaatsen!

Bemerktet gij dat sterker woelen? Wat was ’t, den eersten schok te voelen Die sidderend door de aarde schoot? En rookkolom, bij rookkolommen, Uit ’s aardrijks schoot omhoog geklommen, Diepzwart den hemel overgoot! Terwijl ’t steeds meer en zwarter rookte, En lava’s gloed, die binnen kookte, Op ’t wolkenzwart dier rookwolk spookte, In zwavelgeel en bloedig rood! Die Hieroglyphen op hen teekent, Met vuurtong, vlam; wijl bliksems, brekend’, Uit zwang’ren zwarten wolkenschoot,— Er tusschen schrijven: Wee en dood! En uit de diepste bergravijnen, Des afgronds van de lavamijnen, Naar rechts, naar links, het kokend vuur Zich wentelt over ’s kraters muur.

Hebt gij ’t aanschouwd, hoe spleet bij spleten, In de aard gescheurd, hoe reet bij reten, Eensklaps tot zwarten afgrond wordt? Waarin paleis en hut zich stort; Waar ’t heerlijkst landschap nog voor kort, Zich tooide met des Zomers luister; Waarover thans, om middag, ’t duister, Bij asch- en puimsteenregen trekt,— Dat dra als lijkkleed ’t leven dekt?— Dit slechts als voorspel. Als de klokken Van stad en dorp, bij ’t vreess’lijk schokken, Door ’t »heen en weêr» van zelf geluid,— (Dat ’s levens doodsnik galmend uit,—) De grond eensklaps vaneen getrokken,— Zich opent, onder bosch en veld,— Vaneen scheurt, onder dorp en steden,— Met al wat ademde op dat heden,— Doet zinken als welkome buit, In zijn wijd opgesperde muilen, Terwijl steeds de elementen huilen, (Niet meer als ware het gestuit,)— Bij ’t dalen in des afgronds kuilen;— Die zich nu weder eensklaps sluit.

Wat is van straks nog, waar ’t gebleven? Het heerlijk landschap, zoo vol leven, Dat gisteren, neen, nog zooeven, In ’t midden zijne trotsche stad, Als zijnen roem en trots bezat? Masoleum, Triomfboog, wondren Der wereld, temp’len, hoe vermaard!— Een trilling slechts trok hen naar ond’ren; Een graf in ’s aardrijks ingewanden, Waaruit nog vlammen lekken, branden, Omsluit het al, wat leven had, In veld en hut, paleis en stad.—

Pompeji’s noodlot rijst voor de oogen; Voor de oogen, als in vreess’lijk woord: Vergaan, vernietigd, ’t prachtig oord! Diep wordt het hart er door bewogen: Begraven, levend, alles, al, In naamloos onbekend getal.— Maar boven daalt reeds van den Hoogen, Door asch- en rookwolk, zachtkens weêr, Bemoedigend een straal ter neer: Een blik van Hem, Die dood en leven In zijne hand houdt; Hij Wiens macht, Der elementen woede en kracht, Thans weder heeft teruggedreven, En ’t al tot rust heraad’men doet.— Ja wat verand’re wat verkeere, Toch de Alpha en Omega, Heere! Blijft Gij, al werd de Hemel bloed.—

GOD IN DE NATUUR

Natuur! waar ik, Een oogenblik, Uw schoonheid merk, Is ’t of op ’t werk,— Van ’s Bouwheers stift, Met vlammend schrift,— Staat ingegrift:— (En telkens weer,—) Groot is de Heer!—

Ja! daar is ’t grootsch, Dat beeld des doods, Als heel Natuur, Bij winteruur, In ’t sneeuwkleed troont; Als ’t woud, gekroond, Met dons, zich toont; Waar ’t morgenrood, Goud overgoot.

Hoor ’t eikenwoud!— De stormwind houdt, Zijn intocht daar!— Hoe diep en zwaar, ’t Daar steunt, en zucht; Hoe ’t door de lucht, Van wolken vlucht! Wat grootsch geheel, Wat tafereel!

Daar grijpt het aan, Waar langs hun’ baan,— Van het heelal— ’t Onnoem’lijk tal, Der sterren, hel, Op ’t Hoogst Bevel, Zich went’len, snel— Langs ’s Hemels trans, Vol gloed en glans.—

De hemelzee, Ligt thans, in steê, Van lieflijk blauw, In duist’re schâuw.— Een wolkenstoet, Met zwavelgloed, Zich zoomend, spoedt, Verschrikk’lijk schoon, Ten hemeltroon.

Nog roert zich niets; Maar toch een iets, Zoo onbestemd, Dat zoo beklemt, Ligt in dit uur;— Daar valt het vuur.... En na geen duur, Dreunt grootsch, met klem, Gods donderstem.

Ja, dat ontzet! Ja, dat verplet! ’t Is of God zelf,— Van ’t luchtgewelf, Als eens, weleer, Naar Horeb neêr, Als scheps’len Heer— Wijl ’t dreunt en straalt,— Ter nederdaalt.

Daar is het zoet, Voor ’t vol gemoed, Waar ’t graanveld suist; Waar ’t beekje ruischt; Waar ’t donzig mos, Van ’t koele bosch, In zomerdos, Bij ’t avondrood, Den wand’laar noodt.

O Daar is ’t schoon, Nu de orgeltoon, Van ’t eenzaam woud,— Vol groen en goud, Vol zacht verguld, In licht gehuld,— Het hart vervult: Gij ook een galm! Mijn ziel, een Psalm!

O Zing nog lang, Voor mij uw zang, Gij zangrendrom, Door ’t schoon rondom!— Waar’ ’t dat geen lof, Mijn zang meer trof, Zing dan mijn stof, In stilte en rust, Uw liefde en lust.

Zoek dan waar ’t mos, In groenen dos, Mijn graf bedekt,— Tot lijkkleed strekt.— O ik, ik weet, Dat gij in leed, Noch smart vergeet: Zing dan mijn stof, Mijn Vaders lof!

Zomernacht

’t Is nacht, maar welk een nacht! De droom eens dags, en de echo van het leven, Dat weggestorven is, en zacht schijnt voort te zweven, En zich heeft opgelost in maneschijn en sterrenpracht.

O heerlijk beeld van kalmte, stilte en rust! De voorhang van ’t onzichtbre, van den hemel, Is voor een wijl thans opgelicht; het aardsch gewemel, Verstomt, verzinkt in ’t niet, wordt thans in diepen slaap gesust.

’t Is of de Heer, de Schepper heden zelf, Langs myriaden werelden, langs zonnen, Den grooten wandeltocht naar de aarde heeft begonnen, Langs zeëen licht, van af het hooge flikk’rend stergewelf.

Een voorgevoel er van, had wel Natuur: Nu zelf de Oneindige ter nederdaalde; Thans in dit plechtig uur, waarbij geen uur ooit haalde, Als ware het een bid- of dankstond in dit uur.

NATUURSCHOON

Ik heb uw heerlijkheid aanschouwd, Uw luister, uwe pracht Natuur! Bij morgenstond, in ’t avonduur. Uw wolken, stralende van goud.

En purper, ’t luchtruim door gestrooid, Waarmeê een gansche wolkenschaar, Eensklaps zich tooide, hier en daar. Met liefelijker kleuren nooit!

Ik zag dat al bij lentepracht; Ik hoorde ’t namelooze schoon, Der een’ge nachtegalen toon, Bij maneschijn in Meischen nacht.

Ik zag Orions stralenschicht Rondom de Poolster, ’t al in vuur, Bij zwijgend middernachtlijk uur: Het heerlijk prachtig Noorderlicht.

O, ’t wekt verlangen naar Hem heen, Die, van het hemelsch Paradijs,— Zijn Naam ter eer, tot lof en prijs,— Een toon, een straal zond naar beneên!

HET WOUD

Wie mint het heerlijk statig woud,— Het rijzig woud, het groene bosch,— Zijn grootsche koepel, hoog en stout,— Omlaag het weeke zwellend mos,— Van rondom, ’t juichend vogellied, In al die duizend wijzen, niet!

O bloeiend takje, lisp’lend blad! O zwellend knopje, rozerood! In windselen van groen gevat, Door de eerste morgenstraal genood!— Wat spreidt ge uw stille pracht ten toon, Wat zijt gij eenig, heerlijk schoon!

VeldZang

Ik zing met u o Leeuwerik! O leeuwrikje in de lucht! Ik volg op ’t zelfde oogenblik,— Als ge opstijgt, met een zucht— Uw lied, uw snelle vleugelslag, Den eersten heldren lentedag!

Gij predikt mij met zoeten zang, Hoog uit der wolken baan; Wenkt naar omhoog, met luiden drang, Trekt mij van de aard naar boven aan; Voorspelt hoe ’t namaals eens zal zijn: ’t Opstandingsfeest vol zonneschijn!

Zondagmorgen

Nu is het rondom Sabbathsrust: Natuur, al waar’ zij zich ’t bewust, Staat daar in gouden feestkleedij, Thans van zesdaagschen arbeid vrij.

Ja! men gevoelt meer dan men ’t ziet: ’t Is of een lisp’lend Zondagslied,— Dat hoog uit gouden wolken ruischt,— De stem van ’t woud en velden kruist.

Het is een reine melodie, Die vol der schoonste harmonie, Zich oplost, lieflijk samensmelt, In ’t lied van ’t luchtruim en van ’t veld.

Het is of de omtrek zich vergroot, Voor klokke’s toon, die kerkwaarts noodt: Opdat, zoo verre moog’lijk, ’t klinkt, En tot de verste verte, dringt.

En van rondomme roepen luid: Van Oost en West, van Noord en Zuid— Als werden zij het maar niet moe,— Elkaâr: »’t is Sabbathmorgen» toe!

RUST EN VREDE

Wat wilt gij meer dan rust en vrede, Op ’s levens zwaren wandeltocht? Waarnaar gejaagd, hoe ver gezocht! Wat hebt gij toch voor grooter bede, Dan rust en vrede?

DE POËZIE DER HEIDE