Part 7
«Kwakkak!» ’t wordt koeler naar ik merk. Hoe is ’t! betrekt niet wat het zwerk? Mij dunkt, ’k word huiv’rig om het lijf; Ik ga wat naar mijn wachtend wijf; Ik voel wat in mijn heupgewricht; Is er ook Onweer in ’t gezicht?— Wij wonen bij dat groepje riet, Dat gij daar ginder wuiven ziet. Daar ligt een drijftil op den stroom Voor anker; en een’ holle boom,— Een Lijsterbes, met roode vrucht, Staat half, hangt half, er in de lucht.— Daar koos ik Domicielje en wij, Bevinden ons er vrij en blij. Kom, ’k moet nu gauw naar mijne vrouw, Want, wat zij wel niet zeggen zou, Als ’k voor het onweer niet tehuis, Was, bij haar, in de droge kluis; Ik vrees, ik heb mij al verpraat; Maar zeker vrind! maak daarop staat, Dat, is het Onweer gepasseerd— En heeft het geen van ons gedeerd— ’k U weer gezelschap houden zal, Hier op des beekjes koele wal. ’k Moet zien te komen onder dak, En nu vaarwel tot straks, «kwak, kwak!»
Wel! wat een taal die Kikvorsch praat Mij voor, waar het nu maar op staat! Die heeft een Eiland in bezit, Een koninkrijk, met dat en dit. ’t Was beter, had hij mij gezegd: «’k Wijs voor het onweer U terecht.»
«Koekkoek! wel Man zijt gij nog hier? Zwart is heel ’t West en Zuiden schier; Lood lijkt tot boven toe het zwerk; Ik zag het uit mijn hooge berk. En hoor maar eens! het dondert al; ’t Wordt met U! Vrind een naar geval: Het weer lijkt dreigend; ’t wordt straks boos; Een ellenlange waterhoos, Daalt spiraalvormig naar den grond, En slingert vreeselijk in ’t rond. Ik wou, eer ’k in mijn nestje ging, U eenzame, arme zwerveling, Nog zeggen, wat ik straks vergat: Zijt gij het dralen nog niet zat? Hebt ge u geen kluisje nog gebouwd? Komaan! vlug dan maar meê in ’t woud. Hoor! hoe nu reeds de donder brult, De hagelstorm de lucht vervult!— Ziezoo! nu zijn wij onder dak, En volg mij: maar van tak tot tak».... «Koekkoek! waar dwaalt gij met mij heen, Hier in de wildernis alleen?»
«Wel nu! merk op: waar ik thans sta; En huppel mij maar achterna, Van twijg, tot tak, van twijg tot tak, Voorzichtig! opdat er geen brak. Zie eerst goed voor u in het rond! Wel man! gij staat nog op den grond! Wat blikt gij hulp’loos, goede Vriend! Nu het geluk u niet meer dient! Gij staat met al uw wijsheid hier, Hulp’loozer als het nietigst dier. Gij weet niet eens of ge achteruit, Of voorwaarts moet; neem een besluit, Hier in der bosschen duisternis, Nu ’t vuur niet van den hemel is, En ver genoeg uw pad verlicht, Met bliksemstraal op bliksemschicht U hier, u daar, den donderslag Steeds roept, kom eindlijk voor den dag, En de echo van den storm u wenkt, Opdat aan uw vertrek gij denkt!»
«Gij wilt toch eindelijk eens naar huis? Het schijnt of gij den weg naar thuis, Gansch bijster zijt, sinds langen tijd; Gij hebt nu zeker deerlijk spijt, Van al uw dwalen, ver van honk, Hoe heerlijk ’t u ook tegenblonk, Om een paar dagen, ’t allerlei, Het schoone in woud, in veld en hei, Te smaken flink op uw gemak. Uw lust daartoe kreeg thans een knak, Nu ’t water uit uw kleêren druipt, En als gejaagd, door ’t woud gij sluipt.
«Hier is mijn nest: ik kruip er in; Dit weer is juist een goed begin, Voor eene stormige onweêrsnacht; Ik zit hier mollig, droog en zacht.— Was ’t nestje groot genoeg voor twee, Bepaald: ik nam u gaarne mee.... Vaarwel! gij neemt uw richting nu, Vlak in den wind op; dat brengt u— Wanneer de kou der hagelvlaag, U ’t niet belet, misschien vandaag, Toch morgen, wis naar uwe stad, In onophoud’lijk waterbad, Wijl u de storm om de ooren blaast; Vaarwel van harte, voor het laatst!»
«Wat heeft zoo’n Koekkoek het toch best, Gedoken in zijn heerlijk nest; En vierend zijne spotlust bot— In vergelijking met mijn lot!»
«Een dagreis ik van huis, zie ’k thans, Hoe ik ’t verzin, maar geene kans, Om eenigzins vóór ’t nachtelijke uur, Mij uit dit zeer vreemde avontuur Te redden. In mijn hachlijk lot, Benijd ’k Robinson in zijn grot. Ik, die van Darling, Marahon, Den loop en bronnen zeggen kon,— Die onder ’s Keerkrings zonnegloed Den weg te weten meende, boet, Mijn wandellust, thans wel beschouwd, Als een verdwaalde in ’t inheemsch woud.»
«Hoe ’k ook het keer, ’t is met dat al, Een vreemd en netelig geval. Ik ben hier eens en moet van hier.— Dat zelfgesprek met beekje en dier, Had alles weinig om het lijf;— Wáár is ’t, van koude word ik stijf. Vond ik maar ’s beekje’s zeek’re gids, Opnieuw weer; daarmede aan de spits, Was ’k wis, dat ik en weg en pad, Of richting zonder mis, weer had.»—
«Maar hoor ik goed, is ’t niet gesuis? Of is het nog het windgebruisch? Het is des waters toon gelijk; De Nimfen uit het dropplenrijk, Na gemeenschapp’lijk overleg, Zijn, om te zoeken mij, op weg. En aan hun trouwe hand geleid, Wijkt reeds der bosschen donkerheid. Een golvend landschap maakt reeds plaats, Voor ’t duister woud; van ’t West weêrkaatst, Een zee van teeder avondlicht, Op ’t wolkgevaart’, dat zwart en dicht, Den hemel in het oost bedekt— Op eens wordt daar de pracht gewekt, De luister van den regenboog: Van de aarde laag, ten hemel hoog, Oprijzend, alsof door die poort Van licht, des Hemels luister gloort. Wijl zijwaarts aan den horizon Het avondgloeien van de zon, Op windvaan en op torendak, Mij ’t seinlicht tot mijn koers ontstak.
NOORD-AMERIKA
Nieuwe Wereld, Land der toekomst! Land van geestdrift, land van jeugd; Bloeiend in uw volste schoonheid, Dat pas enkele eeuwen heugt! Land van pracht’ge reuzenstroomen; Land der grootste meren, die— Groot als koningrijken, golven, Langs het rollend land: «Prairie!» Millioenen, die nog hunk’ren, Naar U, land van overvloed, Naar uw Paradijs vol zegen, Zenden u vooruit hun groet. Ja, ’t beloofde land Europa! Is voor u het verre West, Waar de geest der vrijheid zetelt! ’t Eenig schoon Gemeenebest. Waar voor ieder, die niet vadzig, Onverschillig is, of slecht,— Armen, handen maar wil roeren— Voor diegene is weggelegd, Wat hem toch in de oude wereld, Op een menschwaardig bestaan, Nooit deed hopen, maar ’t hem wenkte, Ginder over de oceaan. Waar hem ’t blokhuis, dat hij bouwt er, Zij ’t ook nog zoo primitief— Daar op eigen grond hij ’t stichtte, Hem weldra wordt dier en lief; Waar hij met de tooverroede, «Vlijt», de klei in tweëen splitst, En dra gouden tarwe wiegelt. Neen! de zwartste Pessimist, Moet tot andre meening komen, Als hij weldra ’t ruischend goud, Topzwaar neigen ziet ter aarde, Schoon, als nergens ooit aanschouwd.
’t Werd een «Nieuwe Wereld» werklijk, In den volsten zin van ’t woord, Hem, den Emigrant van ’t Oosten, Die hem weldra toebehoort, Met zijn denken, met zijn hopen, Met zijn arbeid, met zijn vlijt, En er weldra ingeburgerd, Wordt daar Zoon van zijnen tijd.
Merkt gij dat Europa’s akker, Niet in ’t eind, verlangt naar braak? ’t Vruchtenmoede u luide predikt, Maak u op van hier: ontwaak! Want merk op! aan gindsche zijde, Bij des zonlichts ondergang, Wacht de zegenrijke bodem, Op ontginning, sedert lang. En met honderdvoudige oogsten, Ziet ge uw noeste vlijt beloond, En rijk zijt ge als eene koning, Als ge er op uw «Eigen» troont. Ja «Nieuwleven» zal ’t u worden, In het nieuwe vaderland: Loon voor arbeid, loon voor zorgen! Toekomst, die de zorgen bant!
Zeg, het afgeleefde Europa,— Met zijn ziek’lijk «als van ouds», Met zijn staatkunde er vermoordend. Volk en ras elkaâr, om gouds,— Dat gij ’t eind’lijk moede, moede, Moede werd, om have en goed, Kracht en arbeid, vlijt en zwoegen, Langer te offren, zelfs uw bloed! Scheur u los beklagenswaarden;— Paria’s der maatschappij, Van het zoo doodkranke Europa,— Waar gij slechts in naam zijt vrij.— Waar in andren vorm gegoten,— Hoe ’t ook te betit’len zij, Het een nieuwe variatie, Is, op ’t Thema «Slavernij!» Waar geen deel aan ’s Heeren tafel,— Ook voor U door Hem gedekt,— U vergund wordt, aan te zitten, Wijl de handen uitgestrekt— Naar hetgeen u rechtens toekomt, Krachtens menschelijke wet, Men bij de algemeene feestdisch, U eenvoudig buiten zet.— Och! wat kan uw voet weêrhouden? Wat u binden aan dien grond, Waar, na jaren wroeten, zweeten, Steenen slechts voor brood gij vondt?
En het woord «Vaderlandsliefde,» U van kindsbeen voorgelegd, Bleef tot hier eene ijd’le leuze: Komt dáár eind’lijk tot zijn recht. Want waar nood of zorg of kommer, Met den honger in ’t gevolg, Het laatste uitzicht op verbeet’ring, Met zijn veerkracht ’t al verzwolg,— Daar, daar zijn het holle klanken, Waar men ooit van vaderland,— Als het hoogste en allerschoonste,— Sprak, van ’t allerdierbaarst pand.— Zulks past in ’t verouderd stelsel.— Naar Europa, levensmoê, Wenkt, als ’t licht der Nieuwe Wereld, ’t Jong Amerika, U toe!
Stad en Land
Wil steed’ling niet zoo rijk u wanen, Gij, op de schoonheid uwer stad, Op uwe prachtgebouwen prat, Als gij door uwe steenen lanen Gaat, en bij winkelkastvertoon, Zegt: «wat is mijne stad toch schoon!»
Vergeet daarbij de schrille kleuren, Van baksteenrood en portlandwit, Waartusschen ge als gekerkerd zit, Geen horizont gij kunt bespeuren; Geen op- of ondergang der zon, Die u er ooit verrukken kon!
Gij schijnt het ook voor weinig te achten, Hoe duf, bedompt, hoe weinig frisch, Het langs uw troeble wat’ren is; Wat er omhoog stijgt uit uw grachten,— Als gij daartegenover stelt, Wat wierook geurt, door bosch en veld!
’t Wil bij u toch nooit land’lijk worden, Al zegt ge «’t gaat wel op den duur!» Het wordt niet meer dan half natuur, Al gaat ge uw stad met groen omgorden; Hoe ge ook uw best doet, graaft en plant, ’t Wordt nooit dat schoone in veld en land.
’t Is of Natuur zich niet aan banden Laat leggen ooit, maar altijd vrij, In onbeperkte heerschappij, Wil blijven, noch zich aan laat randen: Gaslicht beneên en boven stoom, Is niet het rijk voor bloem en boom.
BUWEKLOOSTER
Stil plekje aarde is ’t, onder ’t ruischen, Van der Olmen bladrenpracht, Zwevend langs de kloostergracht, Niet om spitsboog meer of kruisen— Toch is ’t, of zich daar nog breidt, Iets, van kloostereenzaamheid.
Als bij lieflijke avondstonden,— ’t West met zachter stralend goud, Op die plek zijn Schoon ontvouwt, Over hoog gelegen gronden Strijkend, rakelings voorbij, ’t Huisje in laagte en boompartij;
En langs Eiken en Kastanje, Bij des avonds eenzaamheid Zich door ’t looverdak verspreidt, Af, op ’t bloemhout, licht als franje, Naar, van over pad en dreef— Wat van Buwe’s klooster bleef;
Is ’t of ze aanstonds wederkomen, Allen, van de Nonnenschaar, Door de loofbooggangen daar, Ruischend in hun wakend droomen, Nu, ’t daar gloeit, als ’t kaarslicht, hel, Op ’t altaar, eens der Kapel.
’t Is, of zij nog, als voor dezen, Buigen, voor ’t Madonnabeeld; Waar ’t Zuid juist het loof verdeelt, Uit hun graf nu opgerezen— Als een plotsling visioen— Vorm aannemend, van het groen.
’t Is of de Echo van ’t verleden, ’s Kerkhofsklokstem daar nog is, Die de Nonnen en Abdis, Ten gebed roept, op dit heden. Van zijn eenzaam Kerkhof uit. Nu ’t in Buweklooster luidt,
Wand’lend naar de Kerk van ’t Klooster:— «Heilige Maria’s Graf»— ’t Uitgetreden voetpad af.— Reeds eene andre schimtne poost er; Blijft, wat heenga, of verga, Die, des Stichters _Harkema_.
„’t Ave Maria” klinkt sedert Eeuwen, niet meer te avondstond, Over Buwe’s kloostergrond. Toch is ’t mij, als klonk daar weder ’t. Nu er Zesuur’s avondklok, De aandacht, als het rustuur trok.
En het vroom gezang der Nonnen, In hun zoo eentonig grijs, Op een Palestrina’s wijs Zwijgt. Maar sedert lang begonnen, Liedren van de woudkoorschaar. Hunne Lentehymnen daar.
’t Is hier thans een woudidylle; Eene wereld op zich zelf; Slapende onder ’t bladgewelf ’t Klooster, dat hier ging ter ziele; Waar geen beeld der Moedermaagd, Der geloov’gen groet meer vraagt.
Bleef zelfs van de kloostermuren, Den Mariadienst gewijd, Niet een brokstuk tot deez’ tijd: Van meer nuchtere naturen Een, bij zijnen kleinen kring, Leeft daar in bespiegeling.
Daar, waar eens de zusters samen, Preev’lend bij hun rozekrans, In den matten kaarsenglans, Reeds bij nacht ter vroegmis kwamen— Peilt den versten hemelzoom, Thans de Landman—Astronoom.[1]
[1] Met den Landman—Astronoom wordt hier bedoeld: BINDERT JAKOBS KLOOSTERMAN, Landbouwer, en zijnen vrijen tijd wijdende aan de beoefening der Sterrekunde, wonende bijna op dezelfde plek waar eens het Buweklooster stond.
HET LAAGLAND
Ik min de vrije horizon! De witte duinen, groene dijken! Van waar ik eerst als kind begon, Mijn groene wereld te bekijken: Van toen als vereenzelvigd reeds, Met mijn bestaan en dat bleef steeds.
O ongeplante Bloemtuin, die, Op groengrond mij een Eden toovert! Die door zijn eigen Poëzie, Mijn hart en zinnen heeft veroverd, Mijn Gosen, rijk gezegend Land, Aan ’s aardrijks uiterst noorderstrand!
Om mij heen moet de vlakte zich, Haar stille heerlijkheid ontvouwen, Die, wijl ik uit mijn venster lig, Nooit moede ik word van te beschouwen: Haar moet ik steeds weer gadeslaan, Zoo trekt haar majesteit mij aan.
De ruime vlakte is mij zoo lief! Zijn Puszta mocht Petöfi prijzen, Die in zijn zang hij hoog verhief; En Long-fellow op een’ge wijzen, Zong ’t eigen schoon van zijn Prairie, De nooit volprezen Poëzie!
Bederf mijn klein geluk mij niet, Daar ik dat stukje grond kan minnen! Dat wat zijn eigen schoon mij biedt, Bij zooveel ligt het niet kan winnen, Als men Arkadië soms roemt, ’t Naast Emmens dal niet wordt genoemd.
’k Heb Landje u even lief er om! Door Noord- en Zuiderzee omstrengeld, Waar grillig plas en kreek rondom, Van land en eiland, ligt doormengeld; En vormend zoo een schoon geheel, Een ongeêvenaard tafreel.
Gij blijft mijn vreugde, gij mijn lust, Diep Landje, ver en afgelegen; Waar ge achter aan der Wadden kust, Uit meer en schor eens opgestegen, Door Molens wieken reuzenkracht, Tot weide werd omhoog gebracht.
Ik zie hen staan, als kostlijk merk, Echt Vaderlandsch het landschap sieren; Gedenkteekens der vadren werk! In ’t breede majestueuse zwieren Der wieken, met hun trotsche vlucht, Zich wentlend door de noordsche lucht!
Het is eenig grootsch gezicht, De wind, zich leenend, om de wat’ren, Wier peil tot Meters dieper ligt, In ’t vlakland te doen bruischen, klaat’ren; En zulks door ’t vaderlandsch genie, Ja daarin ligt ook poëzie!
Roem gij op woeste waterval, Die Zwitsers dreigt van uwe bergen, Of op uw karig rotsendal, Dat altijd door, uw vlijt blijft vergen: Hier bogen wij op vette wei, Waar ’t water men aan banden lei!
Ik ken geen schooner veldgezicht, Dan waar de trotsche Molens prijken! Waar de eene rust, één draait, één zwicht, Aan meerzoom, op de groene dijken: Rijkmakers der landbouwerstand, Die koningen van ’t Polderland!
Schoon Landschap! met een «Molenzicht»! Waar «Veldlust» in zijn krans van boomen, Een «Waterblik» aan ’t meertje ligt; Waar langs de golfjes rimplend stroomen, Omgord door breeden zoom van riet, Daar ’t zonlicht tinten overgiet!
Waar schilderacht’ge groepen vee, Zich tusschen leeg’ren in de weiden: En over dijk en duin, in zee, Het Driemastschip men ’t zeil ziet breiden, Door avondrood het al getint: ’k Heb Landje u niet om niets bemind!
Het Laagland is mijn Vaderland! Het land der vlakte en dat der meren, Door eenen gordel dijk omspand: ’k Blijf het als Vaders erf waardeeren; ’k Heb daar aan Moeders hart gerust! Daar is mijn al, mijn vreugd! mijn lust!