Part 2
’k Houd van de grootsche ruime heide, Waar de aarde en waar de hemel, beide, Tot één versmelten in ’t verschiet; Waar in het spel der wolkentroepen, De Phantasie er bergengroepen, Een Alpenwereld zeilen ziet. Waar sneeuw- en gletschervelden gloeien; Hun kleuren in elkaâr vervloeien.— Nog hooger waar het hermelijn Des winters, weidsch die bergen zoomen; Waartusschen stille dalen droomen, Wijl blinken zij in zonneschijn.
Lief blijft mij de onbeperkte heide! Die ongerept, als purpren weide, Zich breed ontrolt, voor ’s wandlaars oog; Wier bloempjes zachtrood de omtrek kleurend, Die hangende aan hun boompjes, beurend Zich opwaarts, nedrig naar omhoog; Ontelbaar wel naar tal of cijfer; Maar waarom met niet minder ijver, De bijtjes voor hun koningrijk,— Steeds zwoegen alle zomerdagen: Hun schat naar verre korven dragen, Waarvan het zoet gewicht geeft blijk.
Ik min zoo de onafzienbre heide, Waar mij Fata-Morgana beidde, In hare stille wonderpracht; Waar ’t landschap uit de verre Tropen, Met Palmen, Zebra’s, Antilopen, Me op eens verrukte, nooit gedacht! ’k Zie hoe de lieflijkheid dier landen, Het schoonst van ’s werelds lustwaranden, Als voor het starende oog verrijst; Tot waar in werk’lijkheid in ’t einde Een kluisje wenkt uit groen van heinde En ver, door sparrengroen omlijst.
Het schoonst was mij de purp’ren heide, Toen eene slagschaduw zich breidde, Op dennenboschjes deinend groen, Uit zware wolkpartijen brekend, Een grillig licht de Dolmen teek’nend, Wijl zachter kleuren gleden toen, In halflichts weiflend bruin, steeds verder, Naar ’t rustend kuddeke en den herder, In haar’ge pij, geheel verweerd; Gelegerd, om zich te vereenen. Met grijs van hei en reuzensteenen. Door kudde en hem schoon gestoffeerd.
En naar de groote stille heide, Was ’k u wel gaarne ten geleide; En toonde u daar, dat toch niet veel, Tot waar geluk de mensch heeft noodig; Dat menig wensch is overbodig: Dat vrede woont bij schamel deel.— Waar lieve, brave, kleine menschen Zich vestigden; wier grootste wenschen, Slecht hun oase in ’t diepst der Hei— Hun stulpje in ’t sparrengroen verloren, Hun koetje of ’t schrale veldje koren, Slechts gold, en ’t naast aan ’t hart hun lei—
TERUGBLIK
In ’t boek »Natuur» heb ’k zoo wat omgebladerd; Uit veld en bosch heb ’k bloempjes saamvergaderd: ’k Vond steenen, grijs, met goud en rood, dooraderd.
Hoe klein en nietig: ’k heb hen nooit een plaats ontzegd, Maar ze voorhands in mijn geheugen weggelegd, En schikte soort bij soort, voor later tijd, terecht.
Gelijk een kind houdt van zijn hoepels, ballen, Bewaarde ik ’t waardelooze, hen, die allen, Af, op ’t gevaar tot kindschheid, te vervallen.
En nu na jaren, wekt bij ’t zien van ieder ding, Nogmaals de vreugd der vondst, een zoete erinnering, Die anders langen tijd, al reeds verloren ging.
O! waar ligt niet een stille vreugd verholen! Bloeit het wild roosje niet het liefst verholen; Geurt nauw bemerkt het niet van veldviolen!
O neen de vreugd, ’t geluk ligt nergens aan den weg. ’t Scheidt vaak den wandelaar door sloot of doornenheg: Om ze te grijpen: ’t vordert zoeken, overleg.
Bij menig van die half vergeten dingen, Komt zich een zonnestraal, uit neev’len dringen, Vol zoets, waaraan eens hart en ziele hingen.
Dat al werd met den tijd zoo dierbaar en zoo waard, Nu ’t eind’lijk, eind’lijk bleek, dat onverhoopt toch de aard, Zoo weinig vrucht en bloemen, ’t menschenkind steeds baart.
Nu ’t blijkt, dat in de toekomst, noch in ’t heden, ’t Hart op geluk nog hoop’, met goede reden: Maar het terugwijst, naar een blij verleden.
Natuurbespiegeling
Een uitzicht naar de heide— Een blik op ’t blauwe meer, Langs het smaragd der weide— Naast ’s boschrands groen dan weer, Op ’t hutje in korenvelden, Ver weg van pad of laan, Daar, waar de wand’laars zelden— De daglooners slechts gaan. ’t Welk daar schijnt op te doemen, In ’t veld zoo uitgebreid,— Met recht wel het te noemen, Een Kluis der Eenzaamheid.— Een kijkje op gindsche Dennen— Een groep van levend groen— Waar Zephyrs luid doorrennen, En krachtig ruischen doen.— Een zitje op grauwe steenen, Aan hunne voet verspreid; In ’t zwijgen om zich henen, En hart en ziel vermeid; Omhuld door een halfdonker, Dat het gezicht bepaalt; Geen licht dan ’t hel geflonker,— ’t Welk van de vleug’len straalt, Eens Vlinders, die toevallig, Van boven nederzijgt, Zijn kleuren duizendtallig, Aan eenen lichtstraal rijgt, Die van een wolkrand stralend, Ver weg, door ’t looverdak,— Naar de aarde schittrend dalend,— Op ’s Vlinders wieken brak.— Wijl straks de Philomelen, Hun beurtzang telkens weer, Uit orgelende keelen, Doen klinken keer op keer; En op hun zangsmotiven,— Allengskens opgebouwd,— Van toen, zij ze eerst aanhieven, Tot een Sonate ontvouwd— In tonen antwoord gevend, Zoo lieflijk, teer en zoet, Op westewieken zwevend, Ontvlammend ’t stugst gemoed.—
Natuur dus te bespieden, In vorm, in kleur, in toon: Kan ’t leven schooners bieden, Dan van Natuur zoo ’t schoon?
Zoo ’t leven door te vlieten, Alsof geen toekomst is, In ’s levens lot, vol nieten, Vol smart, vol ergernis,
Vol schijngeluk, vol hopen, Teleurstelling genoeg— Tot eind’lijk hij ’t ontknoopen, In ’t eind, wat gaf ’t? men vroeg!
Waarom zijne Idealen— Met geestdrift nagejaagd?— En nimmer in te halen;— Voor hen getracht! gewaagd! Om eindelijk ten leste, Waarvoor men was ontvlamd,— De moed heên, die nog restte, De veerkracht straks verlamd! Met moê geslagen vlerken,— Ten laagsten sport gedaald,— Voor goed te moeten merken: Wat schoon scheen, heeft gefaald!
Neen niet door hooge luchten, In razend stormgewoel, Met wilde wolkenvluchten, Naar ’t onbereikbaar doel!— Neen niet langs woeste baren, Bij nachtlijken orkaan, Naar ’t doelwit heen te staren, Of blind’lings af te gaan!—
Er ligt zooveel voor ’t grijpen: Veel bloesems bloeien er; Veel vruchten die er rijpen, Bereikbaar, heinde en ver. Er blinkt een grooten zegen,— Te weinig opgemerkt; En lonkt hem heerlijk tegen: Hem, die slechts bidt en werkt!
Dat staat door heel het leven, Als woord van waarheid pal; Zoo waar, rein, als verheven Blijft het in elk geval.— En zoo vrij van de zorgen, Die op dit oogenblik, Bekommering voor morgen, Vervullen ’t hart met schrik.—
Geniet het blijde Heden! En houd de Vreugde vast.— Waarom toch, zonder reden, De Vreugde als lieve gast— Die glimlach van het leven, Die balsem van ’t gemoed— Die ’t hart in schoon’re dreven Op rozen wand’len doet— Waarom met muizenissen, Die beste vriend verjaagd?— Wie kan zich vergewissen,— Hoe spoedig niet belaagd,— Nu nog niet eens te gissen— Van welken kant het komt, Door veel bekommernissen,— Dat straks de lach verstomt; De zonneblik der oogen, Eensklaps beneveld wordt.— ’t Genot is heengevlogen; De bloem der vreugd verdort!
Geniet bij stil genieten, De vreugde van het hart, Waar ’s Levens golfjes vlieten, Bezwaard door leed noch smart.— Niet waar de wereld ’t leven, Als kermisijdelheid, Zijn stempelmerk wil geven,— Tot zijnen dienst bereid,— En ziel en lichaam beide, Eindelijk na niet lang, Met wroeging als geleide, Wegzinkt ten ondergang.
’t Lot zij te vergelijken, Van U, bij ’t licht, welks gloed, Wanneer de neev’len wijken, Het westen kleuren doet, In Herfstnamiddagstonden, Als de aard van zegen blinkt; De wolken zich afronden, Waarlangs het zonlicht zinkt; En ongekende vrede, Afdaalt van ’s hemels trans,— Die al wat leeft, deelt mede, Van warmte, gloed en glans.
TWEE HONDERD GULDEN JAARLIJKS
Twee honderd gulden jaarlijks! Dat is geheel ’t bedrag: Dus een vol jaar gerekend, Geen zestig cents per dag.—
Wat ’k daar meê zeggen wilde?—... Ziet gij in ’t ver verschiet, Langs de onafzienbre heide, Een dakje in boomen niet? Nauw hooger dan manshoogte, Door schutting, noch door heg, Van ’t eind’loos veld gescheiden, Duikt onder berkjes ’t weg.
Van Huibert en zijn Klaartje, Is het wellicht de stulp, Die wegschuilt onder ’t lommer, Als ’t slakje in zijne schulp. Maar die kan het niet wezen, Dat gindsche klein gebouw, Daar naar Ter Haar’s vertelling, De rook kronkelde uit de schouw.
Hier niet het blauwe wolkje, Dat uit den schoorsteen rijst, En spiraalvormig kronklend, Ons uit de verte wijst, Dat zeker men een wijle, Al is ’t maar voor een uur, Ons noodt, om uit te rusten, Bij ’t knappend prikkenvuur.
Want op de kale ruimte, Is het erg bitter koud, Daar struik, noch boom, ’t noordwesten, In zijne vaart weêrhoudt.
Al zijn wij ook geen ruiters, Die ’t lot alle overvloed,— Behalve kinderzegen, Op ons neêrreeg’nen doet,— Toch zijn wij innig dankbaar, Nu ’t buiten, koud en guur, Langs de open ruimte heengiert,— Voor ’n hoekje bij het vuur.
De hond van onzen Huibert, Doet als een trouwe hond Die zich zijn plicht bewust is, Van onze komst geen kond. Wies onzen Huibert misschien, Allengs de kinderschat, Hem over ’t hoofd, zoodat hij, Te min voor allen had? Ja voor die leege magen, Werd misschien wat hij won, Te weinig, dat hun speelnoot, Nog langer blijven kon? Geen kindrenschaar staat turend— ’t Gordijntje eens opgetild— Wat toch die vreemde mannen, Wel voeren in hun schild? Wat zij toch zouden willen!... Of zij, of Piet of Klaas,— Die gistren nog zoo vloekten, Of Jaap den vechtersbaas,— Ook halen gaan, (wie weet het!) Met sabel en met stok, Om heengevoerd te worden, Naar ’t duistre torenhok.—
Geen enkel levend wezen! Nu wij den wandelstaf, Gaan zetten bij den deurpost: Het zwijgen van het graf.— Geen »Binnen» klinkt het vriend’lijk; Geen kooltjen op den haard, Daarop niet Huibert’s brijpot, Waar ’t kinderoog naar staart.— Die leege haard preêkt kommer; Armoê die rieten wand, In zigzaglijn nog hangend, Geheel uit het verband; Geen meubeltje aan den zijwand, Al waar ’t ook vurenhout; Geen wekker op den schoorsteen, Die ’t zoekend oog aanschouwt. Drie paar gelijmde schotels; Een stoel met rieten mat, En ruw gelaschte leuning; Een poot als zwakke lat; Een voetbankje tot zetel; Vier, vijf, zes, om den haard, Waarop een tal van kleuters, Zich ’s avonds rondom schaart.
Slechts avonds; ’s morgens gaan zij, Houtsprokk’lend boschwaarts heen; Wie pas een voet kan reppen; De kleinsten slechts alleen, Zijn ter verzorging elders; En Vâ is ver van huis.— Waartoe ook thuis te blijven? Dat toch hun is geen thuis; Want kommer met ontbering, Springt hier van zelf in ’t oog; Wend maar eens door de vliering, En dan naar ’t dak het oog, Waardoor de vallende avond, Kil, huivringwekkend ziet.— Treed langs den vloer, hoe hobblig! En zegt ge met mij niet, Is het geen kunst, hier ’t leven, Te rekken, dag aan dag? Of de eindelooze nachten?....— Ik maakte geen gewag, Van twee vierkante hokjes; En het heeft allen schijn, Dat weinig meer dan holen, Tot nachtverblijfplaats, ’t zijn. Wat vunzig stroo, dat kwalijk, Ons tegenriekt, bedekt Door ’n hoopje wollen lompen, Heeft hem tot bed gestrekt, Die hier in diepe ellende, Zijn levensdagen slijt, En met zijn achttal kind’ren, De bitterste armoê lijdt. Ja! hier zou de armste beed’laar, Vergeefs een bete brood, Aan deze woning vragen, Want hier woont zelf de nood.— Wat bij het strengste zoeken, Het oog toch eindlijk vindt? Van alles niets; geen broodkorst, Of anders iets in ’t spind.— De zorg der kloeke huisvrouw, Werkt, ordent hier niet meer; En zou ’t bij allen ijver, Niet kunnen, als weleer; Want met de jaren immer,— Een tiental nu al lang,— Ging ’t met het loon des Armen, Het steeds den kreeftengang.
Alsof de lijdensbeker, Moest tot den bodem leêg, Het leed allengskens hooger, Ten hoogsten toppunt steeg, Kwam met de vreess’lijke armoê, Met wreede ontbering, nood, In ’t kluisje van den schaam’le In hun gevolg, de dood.
Acht kind’ren: kleine weezen, En de oudste negen pas;— Waarvan het kleinste wichtje, Slechts weinig weken was,— Omringden ’t lijk der dierbre, Daar voor hen in de kist, Waarin de droeve Vader, Der kindren Moeder wist. Hij zijner kindren Vader, En Moeder thans voortaan, Hoe zal ’t met dubble zorgen, Hoe zal ’t nu verder gaan?
Twee honderd gulden jaarlijks! Voor negen monden toch, Voor negen kleeding, schoeisel, Voor negen dekking nog, Voor negen in den winter, Nog turf, hout en zooveel, Hoeveel dat al niet samen, Bij zulk een sober deel! »Heeft de aarde dan geen voedsel, Geen nooddruft voor elkeen,» Zijn dan Gods goede gaven, Voor rijken slechts alleen?—
Ver weg aan ’t eind der heide, Zwoegt in zijns aanschijns zweet,— Van ’s morgens vier, tot ’s avonds,— Al brandt de zon ook heet— In ’t goudgeel koren maaiend, Voor zestig cents per dag— De Vader van die weezen.— O wie hem daar zoo zag! Den rug gekromd, door ’t zwoegen, Ofschoon geen veertig nog,— Vermagerd tot zijn beend’ren,— Lijkt zestiger hij toch; Miskend, veracht, vergeten, Door heel de maatschappij, Hoe men het moog’ beschouwen: Toch aller honingbij. Drijft hem de zweep des meesters, Niet altoosdurend voort, Als spooksel, in gedaante, Des hongers, met zijn koord? Tot spier bij spier verlamd wordt; En hij tot niets meer nut, Verwezen wordt naar ’t armhuis, Ternauwernood gestut, Door ’t stokje, stiltjes hunkert— (Wijl weinig meer dan draf, Hem slechts uit nood gegund wordt)— Naar ’t plekje in ’t armengraf.
Gewetenlooze wereld, Die steenen slechts voor brood, Uit uwen volheidshoren, Den nijv’ren arme bood! Gewetenlooze wereld! Gij hebt in marmerschrift, Van die ’t u waardig schenen, De namen ingegrift; Gij hebt hun naam vereeuwigd, Met lauw’ren, hen bekroond, Hun dwalingen, hun fouten, Toegeefelijk verschoond; En juicht bij ’t loftrompetten, Om ’t zeerste met de Faam; Snel voelt ge uw hart dan kloppen, Bij ’t noemen van hun naam!
Maar voor uw armen broeder, Uw naaste, uw eigen ik,— Die met zijn zweet u voedde,— Hadt gij geen woord, geen blik; En loosde in ’t hooploos zwoegen, Hij soms een zwaren zucht,— Gaf door weemoedig klagen, Zijn boezem soms zich lucht:— Gij wildet niet begrijpen, Die stille zielepijn, Gij wildet niet vernemen, Dat het zoo wee kon zijn.— Neen, voor uw broeders lijden, Hadt gij wel nooit gevoel; Het noodlot des geringen, Liet u steeds doof en koel.— Toch zijt gij beiden broeders.— In eene Vadernaam, Treedt voor den Allerhoogste, Voor Zijn gezicht gij saâm.— Ontmoet dan Rijke, uw Arme, Naar ’s Hoogsten hoog gebod, Als naaste, als uwen broeder, Ook als het Kind van God.—
Rust zacht gij arme Broeder! De wereld wilde u niet; De snoode ondankbre wereld, Die u zoo snood verstiet.
Was niet zelf Hij uw’ Broeder, De Christus, u gelijk; Een Arme naar de wereld, En toch zoo eindloos rijk?
De Echo der Heide
’k Zag bij Lente- en Zomerpracht u Heide! ’t Zachte waas der Poëzie verspreidde, Over u zich, toen bij Leeuwriks zangen, Ge iets van eene feestzaal scheent te erlangen; En verheerlijkend, u schoone Heide, trots Uwe stilte en eenzaamheid, gij bloemtuin Gods!
Wel een bloemtuin! maar den Heibewoner, Is ’t prozaisch grasveld toch veel schooner: Want de phantasiën van den Dichter, Maakten om ’t bestaan den strijd niet lichter Hem, die daarom ’t nooit werd eenen zoeten klank: ’t Schoon der Poëzie, zelfs tegen wil en dank.—
Bij al die heerlijkheid en pracht, Blijft ’s Leeuw’riks juichend, jublend lied, Den arme op ’t dorre heiveld niet,— Dan eene kreet van smart: _een klacht_, Als hij zijn niet menschwaardig lot, Eens overdenkt, eens wel beschouwt: Hoe zelfs zijn woning ’t midden houdt,— Deels op—en deels in de aard gebouwd, Dus, van half hut en van half grot.
Tot muren zelfs de moeder aard, Gevraagd, om hare steun en hulp, Omdat geen steenen tot de stulp, Men had, dan tot een kleinen haard. Daarop kwam nog het zwaarste eerst aan: Nu gaf een enkle menschenvrind Wat riet; een buur, hem welgezind, Wat boompjes, tot het dakgebindt:— Eensklaps voltooid, zag men het staan.—
Een vos graaft misschien niet zijn hol, In een paar dagen korten tijd: (Juist zoolang aan dit werk gewijd)— En houdt het hoofd ook nimmer vol, Met wat de bange toekomst geeft. Hij de Arme spant zijn krachten in: Hij spit en graaft van af ’t begin, Op hoop van eindelijk gewin, Recht uit naar ’t doel, waarvoor hij leeft.
Ach de Arme, die de onvruchtbre Hei, Bewerkt, allengskens iets ontgint— Het al te goed toch ondervindt, Dat Heide blijft de dorste wei. ’t Onsamenhangend korr’lig zand, Spot met des armen zwakke kracht.— Hij die zoo rijk alreê zich dacht, Met wat zoo blij hem tegenlacht: Een eigen haard op eigen land!
Veel wat zoo’n Nijvre hier ontbrak, Blijft gelden bij hem toch nog ligt, Als in zijn schaal het zwaar gewicht, Van eigen haard, van eigen dak, Van eigen grondbezit, hij legt.— Help Rijkdom, die te helpen weet; Hij wint den strijd niet, hoe hij zweet; Help tot het eind, van af de meet, Zijn slaven, zwoegen, loont zoo slecht!
BEGRAAF MIJ IN MIJN EIGEN GRAF
Ik ben vergrijsd van baard en haren; Daarvoor tel ik ook tachtig jaren; En diende er zeven van het land, Ingekwartierd aan Brabants rand, Op eersten Willems hoog bevel.— Mijn beste jaren waren ’t wel, Aldus van mijne jeugd verloren. Niets goeds werd mij er uit geboren: ’t Minst bij ’t Miljoenen staatsbudget, Werd op den ex-soldaat gelet.—
Die zeven zijn zoo heên gedreven, Als nutt’loos voor mijn later leven, Voor mij den armen landbouwknecht: Dus de gelegenheid ontzegd,— In jaren, daartoe dubbel waard,— Mij, om den huisselijken haard,— Voor vrouw en kinderen te gronden: ’k Werd ledig weêr naar huis gezonden, Door dierbaar Vaderland en Vorst, Met platte beurs en leêge borst.
En in ’t bewustzijn, geene Belgen, Geholpen hebben te verdelgen,— Met de gedachte «’t land gered,»— Werd nutt’loos ik aan kant gezet; Kwam ’k bij de mijnen weêr terug; De ransel haastig van den rug, Om zonder morren, zonder dralen, De schade weder in te halen, Der zeven jaren, kost’bre tijd, Door zuinigheid en noeste vlijt.
Den zwaren gang van ’t daag’lijks ploegen,— Het «voorwaarts» bij het eindloos zwoegen, In ’t maaien van het gras en graan,— Liet mij geen blik naar achtren slaan. Desniettemin, die zeven jaar, Zij bleven weg, maar al te waar! Zij waren niet terug te winnen, Al trachtte ik het met blijde zinnen; En ’k steeds door onverdroten vlijt, Bleef woekeren, met mijnen tijd.
Nu stierven in dien tijd mijne Ouders, Hunne ouderdom had op mijn schouders, Nog nooit een enklen last gelegd. En Vader had mij eens gezegd: «Wij laten u volstrekt niets na, Dan eene zeis, een hark, een spâ; Geloof! wij laten niets van waarde, Bij ons versterven meer op aarde: Daarmede loopt heel ’t erfschap af, Behalve een overtollig graf.»—
«Mijn’ ouders bleven van hun slaven, Niets dan een drietal leêge graven; Twee zult gij daarvan gauw misschien, Zich oop’nen voor uwe Ouders zien. En ’t derde blijv’ voor u bewaard, Als ouderserf, als eigene aard: Opdat, slaat eenmaal ook uwe ure, Men u geen armengraf dan hure, Wanneer men u ter aard’ bestelt:— Dit is uw erfdeel: _goed en geld_.»
De Bouwknecht sprak: «wil zorg gij dragen, Tot aan het einde mijner dagen, _Mijn Zoon!_ Wat mij, Arme overbleef, Men nimmer aan een ander geef; Daar ik zelf half gestorven, en Voor heel de wereld dood reeds ben.» En ongeschonden bleef in waarde, Dat graf, des Grijsaards eigene aarde: En weldra rustte hij er in, Naar zijn verlangen, naar zijn zin.
IN ’T ZAND GESCHREVEN
Zij werkten in ’t gezaaide. Het was een groote troep,— Waarvan ’t gelach, geroep,— Zeer duid’lijk overwaaide,— Naar ’s Bouwmans luistrend oor, Eer ’t in de verte zich verloor.
Hij zag van ver het stoeien, Terwijl een ader zwol, Op ’t voorhoofd, eensklaps vol: Toorn deed zijn wangen gloeien, Van verontwaardiging Bij ’t treden in hun kring.
Dat zoo maar door zijn akker— Zorgvuldig toebereid, Vol onverschilligheid,— Zijn werklui gaan, als stak er, Niets in, alsof het moest, Zoo wild, onzinnig woest!
Hij durfde nauw’lijks treden, Door ’t jonge welig graan, Waar zijnen voet moest staan, Opdat door zijne schreden, Zich hier, of elders niet, Een halm vertrappen liet.
Wijl zijne ondergeschikten, Niet letten of een plant, Gerukt werd uit haar stand, Haar bladren ook verwrikten: Slechts dadelijk gewin, Wou er met hen slechts in.
Alsof om duizend halmen, Hier noodeloos vertrapt— Om er juist opgestapt— Bij straatdeuns krijschend galmen— Het wat niet al te kras, Om ’t jeugdig koren was.—
En toen hij eindlijk wendde, Zich met een ernstig woord: Als zoo iets dan behoort, Tot de brooddronken bende: Ging de een na de ander heen, En lieten hem alleen.
En waar men mede werkte, ’t Gereedschap, werd geplant, In averechtschen stand, Vlug zonder dat men ’t merkte— Dat het ver zichtbaar stond,— ’t Handvatsel in den grond!
Hij de eigenaar had tranen, Om die brooddronkenheid, Zoo door zich zelf misleid, In hun denkbeeldig wanen, Dat toch niet ze elkaar weer. Ontmoeten: Knecht en Heer.
Zij lieten groeien ’t koren; De dist’len groeiden meê Van nu op ’t zelfde steê. Waar echter op de voren Den voet stond ingedrukt, Was de oogst geheel mislukt.
En niet dan kleine garve, Een half beschot op ’t hoogst— Gaf ’t bij den tijd der oogst, Van havervrucht en tarwe, Waar men was doorgehold, Of stoeiend had gerold.
En nu ten wintertijde, Komt schoorvoetend gegaan, Een troep en klopt zacht aan, Bij een schuurs achterzijde: Of een maat koren niet Voor de armen overschiet?
’t Antwoord: «vooraan zal ’k treden, En toonen u van ’t graan, Waar ’t ruw is toegegaan; (Hij dacht aan het verleden); En plantte als «onbegeerd», De schop in ’t graan, «_verkeerd!_»
En alle mannen zagen ’t, En blikten elkaar aan: Zij hadden het verstaan.— «Treed Bouwheer, ach wij vragen ’t Met tranen in ’t gezicht— Niet met ons in ’t gericht.»
«Welaan wilt er uit leeren: Bij grooten overvloed, Weet zonder overmoed, ’t Geringste ook te waardeeren! Uw zakjes ach! zoo leêg, Vul _schop_ nu eens ter deeg.’»
HERINNERING
Lief heb ’k u, tijden van weleer!— Waarom ’k u min? vraag verder niet; ’k Voel iets in ’t hart, mij dier, mij waard, Dat snel door elken zenuw vaart, Als vreugd, herinnering, als lied!
Een wereld, zoo vol Poezie, Rijst dan uit nevelig verschiet, Op wolken, rijk omboord met goud, Waaruit een wond’re lichtglans vliet, Een gloor, zoo heerlijk, duizendvoud!
Een licht, als uit het Paradijs,— Op nieuw verrezen voor het oog, In volle heerlijkheid, dat weêr, Langs mijne blikken henentoog, Eenmaal misschien, een enk’le keer.
Met al het namelooze zoet, De kindsheid eigen: klank en woord, Zijn te arm, voor al wat zij behoeft: Het leeft slechts in herinn’ring voort, Waarbij zoo graag de geest vertoeft.—
DE HOOP
Waartoe voor deze spanne tijd,— Al waar ’t ook tachtig volle jaren,— Geschraapt, gewoekerd, of benijd Hen, die misschien iets beters varen: Al werd men rijk, ook naamloos groot, Toch de eind van alles is de dood.
O als men vijftiger maar wordt, Dan is ’t of wordt men weer geboren; Dan, aan den boom der hoop verdort, Zoo menig knop; valt af, verloren! Er blijft een groenend takje slechts, Te aanschouwen meer, naar links en rechts.
Dat takje groen, blijft wel is waar, Als ’t Eiloof, dat om de Eik zich hechtte; Maar kennelijk toch streeft het naar Het sap des booms, hoe schoon ’t ook vlechtte Aan stam en tak; ’t geeft niets voor niets: Zelfs voor de hoop verlangt het iets.
De zelfzucht ook en de eigenbaat, Ligt in dit beeld der Hoop verborgen. Het is niet anders, vroeg of laat, Blijft er niets meer dan leed en zorgen; Hoe men ’t ook wende of keeren mocht, Op ’s levens zwaren wandeltocht.—
Zal als ’t hier afgestreden is, Een Ster, van achter wolken lichten?— Door ondoordringb’re duisternis, De blik vol hoop er heen zich richten, Dat vurig, sterk en lang verbeid, Het hopen wordt tot werk’lijkheid?
Ja zeker, ’t kan niet anders zijn. Diep staat er in het hart geschreven: Een Eden, louter zonneschijn, Is hem, die hoopt, vertrouwt, gebleven. En door de poorten van de nacht, Rijst de eeuw’ge morgen onverwacht.
Troost
In ’t woelen op des levens baren, Blijft het onrustig harte steeds, Doorkliefd van smart, geprangd door leeds, In ’t ronde naar een rustplaats staren: Een ankergrond «de Hoop» genoemd, Uit ’s levens branding opgedoemd.