Part 3
Het schip kan aan de verste kusten, Tot hulp’loos wrak verslagen zijn. Verloren wis naar allen schijn— Twee woorden, die een angstkreet susten, Daar ’t luide klinkt: de reddingsboot! De hoop herleefde uit bangen nood.
’t Is waar: het leven met zijn hopen, Houdt niet wat het verwachten deed; Stelt reeds te leur van af de meet, Wil spoedig ’t hart tot twijf’len nopen: Wat bloemknop der herinnering, Die nimmer, nimmer openging.
Neen! Schillers vriendschapsidealen, Gaan even goed als ’t andre heen; Zij laten ’t hopend harte alleen: Er blijft slechts eenzaam dolen, dwalen: Alleen gestâge bezigheid, Iets wat het nog iets zoets bereidt.
En de terugblik naar de jaren, Die henengingen, ongemerkt,— Alsof zij nimmer, nimmer waren— Wat hebben zij aan vreugd gewerkt? Ach ’t zoete dier herinnering, Wordt eindlijk luttel, zoo gering!
’t Wordt in het hart, als in die dagen, Die ons November ruimschoots geeft; Als nauwelijks Natuur meer leeft; En naar ’t bestaan der Zon we eens vragen, Daar achter de ondoordringbre mist, Men nauw er zich van vergewist.
Wat blijft er dan nog van al ’t woelen, Wat geeft dan nog bevrediging, Den afgematten sterveling? Waarin zich nog verheugd te voelen, Waarin, waarom te zijn verblijd, Als alles wegzinkt, met den tijd!
Blijft er voor ’t leven dan niets over, Dat er ten laatste aan hangen doet? Blijft er dan maar geen levensmoed? Den laatsten wensch maar onder ’t loover, Des kerkhofs donkren olmenkring? Waarmeê de laatste hoop verging?
Blijft er niets over dan, na ’t sloven, Van af de wieg tot aan het graf? Van wat gezaaid werd, niets dan kaf? Geen hoop op oogst? geen gouden schoven?— Er ligt bewaard, er ligt bereid; Een wissel toch op de eeuwigheid.
DE PLOEGER
De volle middagzon strooit goud, Van onbewolkten hemel af.— De ploeger drijft zijn tweespan ginds, Op ’t akkerveld, bijna in draf, Door ’t bouwland heen; met vaste hand De ploegschaar richtend, voor zich uit; Terwijl in rechte lijn zich steeds, Allengskens voor aan vore sluit.—
Van ’t westen glijdt het zonnelicht, Langs hooge gouden wolkenkruin; Penseelt het bosch daar gindsch in geel, Den Ploeger in het teederst bruin.— En voorwaarts, voorwaarts, voorwaarts, gaat, Het van ’t begin tot ’s akkers end. Met onverdroten ijver voort,— Zoo vaak de ploeger keert of wendt.
Opnieuw een vore bij het tal; Al weer een nieuwe, een nieuwe meer; Al hijgt het span, al gudst het zweet, Der rossen in de voren neer; Mengt zich bij dat van ’s ploegers hoofd; Hij weet het wel, hij weet het best, Hoe meer hij zweet, hoe meer hij slooft: Zijn gudzend zweet is ’s akkers mest.
Hij smacht naar ’t doel, naar ’t eenig wit; Zijn oog blijft voorwaarst steeds gericht; Hij ziet niet om, naar ’t geen er reeds, Ver achterwaarts van hem, wel ligt.— Vol goeden moeds, steeds voorwaarts meer; Nog is het eind der dagtaak niet, Al wenkt er flauw en onbestemd, Ook de eindpaal in het ver verschiet.
Zoo is des Christens levensreis, Die naar het hemelsch Eden leidt; Zwaar als des Ploegers looden gang; Maar als Een die de Rust verbeidt.— En duikt voor hem de laatste zon, Op de aard in ’t eind voor altijd neer, Hem rijst na welvolbrachte taak, De zon van ’t heerlijk Eden weer.
EEN ZONNETJE
Een zonnetje op den levensweg! Al schijnt het ook maar tusschenbeide, Zoo nu en dan eens vriendlijk mild, Oase in leege barre heide; Of als ’t aldaagsche haverveld, Waar men een veldviooltje ook telt!
Dat lonkt en lokt bij ’t ernstig groen,— ’t Welk op den luchtstroom is gaan hangen, Om van het Zuid den zonnegloed, Tot ’s menschen nooddruft straks te erlangen— Slechts ernstig ruischend, dat nooit lacht, Als ’t schoone bloemje in kleurenpracht.
Zoo’n teeder bloemje is ’t sprekend oog, Van vreugde bij den ernst des levens, Dat troost en opheft altijd weer, En levenslust teruggeeft tevens: Zoodat er wijss’lijk tegenwicht, In beider schaal voor ieder ligt.
AAN ZEE
Ik heb de zee, de zee gezien! In hare stille heerlijkheid; En ’t stralend prachtig zonnebeeld, In gloed, in stille majesteit,— Als gouden ster, aan ’t blauw azuur; Als kroon des hemels en de lust Der schoone Zee,—die lachend haar, Als gezellinne wand’lend kust.—
Ik heb de zee in rust gezien, Toen niet een enkel hulkje of boot, Of zeekasteel voer langs het vlak.— Geen blanke meeuw langs ’t water schoot— Geheel alleen van ’t dorre duin, Met hut noch woning in ’t gezicht,— Zag ik bij zwaar bewolkte lucht, De zee in doez’lig neev’lig licht.—
Bij herfststorm zag ’k de hooge zee; November’s nacht viel haastig in, Toen ’t stormde uit het Noord-westen weg; Wijl ze in de hagelbui haar kracht, Beproefde op Friesland’s westerzoom; De bliksem ging de windbui voor; De donder rolde ’t zeevlak langs, Terwijl de storm het West schoot door.
Hoog steig’rend als ’t verwilderd paard, Dat zijne woede macht’loos uit, Als ’t eind’lijk weer den teugel voelt, Zoo toen de Zee; waar ze eensklaps stuit, Voor gordingen aan ’s paalwerks voet; Waar zij met vreesselijk geweld, Als in een vlaag van razernij, Des zeedijks glooiïng opwaarts snelt; Wiens top zij soms bijna bestijgt;— Bij poozen ’t schuim er overslaat; Diep landwaarts in als voortgezweept, Totdat de vloed terug weer gaat,— Om met een aanloop straks, opnieuw, Met frissche benden, als versterkt, Zich kronkelend, ontzaglijk grootsch, In vorm en kracht, zich opwaarts werkt; Totdat zij met de kruin gelijk Des dijks, eens zelf naar binnen zag, Hoe vreedzaam stil in smaragdgroen, Daar wel een andre wereld lag.— Bewond’rend zag ik onder mij, Het eenig grootsche menschenwerk, Die reuzendijk, wiens kluitjes grond, Den woesten oceaan stelt perk.—
Ik dacht: «dit is ’t getrouwe beeld, Van ’s menschen hart, op ’s levens zee: Vandaag het onbewolkt geluk, Vol kalmte, rust en stilte en vreê; Maar onverwacht, als uit den droom,— In ’t middernachtuur opgeschrikt, Als roerloos schip, bij wilden storm, Waar ’t havenlicht het nergens blikt.
Maar dat niet door de zware lucht, Waarin de duistre sneeuwstorm woont; Maar dat niet door de dikke mist, Die langs het strand hangt, zich vertoont,— Wordt, als de nood op ’t hoogst dan is,— Hij, die het wolkenheer regeert Als de een’ge beste Loods begeerd:— Hij merkt weldra hoe ’t onweer keert;
De mist tot zomerwolkjes wordt; Zich oplost dra des massa’s zwart; De laatste bui verdwijnt, vervliegt, Wier wolkenheer gedund, ontward, De winden breidelt, in hun vaart.— Een streelend koeltje plooit de zee; Alom keert als met tooverslag, Ook in het hart, en rust en vreê.
SCHIPBREUK
Hoor! hoe de stormwind raast, naar ’t strand! Wat tafereel, wat grootsche luister! Hoor de afgrond dondert, kookt en brandt, Dat is de zee, vrij van haar kluister!
Ziet, toe! hoe hoog de breede golven, Hier steigeren, dáár ploffen neêr; En onder vlokkig schuim bedolven, Weer rijzen, licht als eene veer.— Tot eene reuzengolf zich vormend, Komt zij van ginder aangesneld; Eensklaps het hooge duin bestormend, Met ongeëvenaard geweld.
De branding loeit; in breede vlokken, Vliegt landwaarts heen, het kokend schuim; Het is of de ingewanden schokken, Van ’t aardrijk in zijn diepste ruim.
Steeds sneller jaagt het zwarte westen, Zijn benden wolken naar het oost; ’t Is of ’t heelal dreunt op zijn vesten, Natuur haar laatsten angstkreet loost. Het is een bulderen, een loeien: Bazuinen dreunen; uit het diep Des afgronds, schijnt het aan te groeien, Waarin die stem, tot nog toe, sliep. ’t Gaat over in een daav’ren, huilen! Het is niet meer de storm; de orkaan Voert thans uit zeevlak’s diepste kuilen, Tot ’s hemelsboog, de wat’ren aan.—
Ten spel der golven, Danst woest en wild— Dan eens bedolven, Dan opgetild, In- en op ’t koken— ’t Schip, in ’t verschiet; Masten gebroken, Als teeder riet; ’t Schip haast op zij; ’t Kent’ren nabij; ’t Volk handenwringend, Elkaar omringend— Wijl ied’re zee, Van hen, één meê, Sleurt in de baren— Buiten de paren,— Die ginds omhoog, Vast in de stengen, ’t Doodsuur verlengen, Of ’t hun nog moog’, Eind’lijk gelukken, Dat ’s orkaans nukken, Eind’lijk ten lest’, Uitgeput raken; En hun nog rest, ’t Strand te genaken.—
En eensklaps splijt een straal de wolken; De bliksem licht het zeevlak rond. De donder antwoordt langs de kolken, Der wilde wolkenzee, terstond: Nu is ’t alsof de laatste keten, Die lucht en zee nog hield in toom, Als spinrag wordt vaneengereten: De zee rijst op tot ’s wolkens zoom. Zij komt, zij komt, zij ploft naar onder, Raast, loeit en schatert, davert, brult; Haar begeleiding is de donder, Die ’t wolkenheer gestaâg vervult; En ginder: hoogten, duinen, dijken, Paleizen, stulpen, bosch en veld,— Als op een tooverwoord,—zij wijken, Meteen voor stormwinds woest geweld.
En bleek als schimmen, Staan langs de reê,— Starend in zee, Dalen en klimmen, Af- en op ’t duin, Angstige groepen; Wuiven en roepen, Of men de zeilen,— Waar ’t maar een stip,— Misschien kon peilen: ’t Bekende schip,— Dat men uit duizend— Herkennen kon, Als ’t ginder kruisend, De oop’ne zee won. Immers, zoo even, Hoorde men luid,— Ginder in ’t zuid, Voelend het beven, Onder zich, klaar:— ’t Noodschot vandaar.
Weenende vrouwen,— De angst in het hart, Staam’lend verward, Handen gevouwen, Tranen in ’t oog, Blikkend’ omhoog— Kind’ren, die weenen, Smart op ’t gelaat— Turen daarhenen, Waar de wind staat. Verweerde mannen— ’t Gelaat doorgroefd, Staan, diep bedroefd, Zich in te spannen, Spraakloos, of ook— Door ’s brandings rook, Zij in hun pogen, Toch eindlijk mogen, Zien, naar hetgeen, Hen geldt alleen!—
Onafgebroken, Blijft dondren, koken,— De Oceaan,— Niet te weerstaan; Van eengereten, Schijnt ginds de zee, Als ’t ware in twee.—.... Ach! welke kreten, Ginds uit die schaar! Maar al te waar, ’t Schip is bezweken.... Golven reeds breken, Op deze plek,— Tegen ’t verdek.— Dra is ’t verdwenen, Alles is henen.—..... Is het misschien? Neen, «ik kon ’t zien, Dat zij het waren».... ’t Bloed stolt in de âren.... Want zelfs de naam, Leest men te saâm, Van ’t schip, welks stukken— ’t Verongelukken, Van man en van kind,— Bevestigd men vindt.—
Waarom te malen, Weemoed en smart, In aller hart? Waarom ’t herhalen, ’t Naamlooze wee, Van ’t kind der zee?
ZEERAMP DER PEASENSTER EN MODDERGATSTER VISSGHERS
6 MAART 1883
Wel! maar een goed en kort besluit; Het weer lijkt goed, het weer lijkt vast, Op morgen wis ter vischvangst uit, En daarom vroeg ook opgepast:» «Zeg ’t alle visschers straks maar aan, Dat wij bij de eerste scheem’ring gaan.»
Bij het neev’lig morgenlichten, Zag men tal van stevens richten, Waar des Noordzee’s deining bruist; Waar de wiegelende baren, Niet doen denken aan gevaren, Nu geen brieschje of windje ruischt. En wijl de eerste stralen glimmen, Nergens aan de Westerkimmen, Ook een enkel dampje rijst. En bij ’t stijgen van den uchtend,— Alle neev’len haastig vluchtend,— ’t Op geen ander weder wijst.— Ginds met koninklijke glorie, Straalt de Zon reeds als victorie, Over kimmen’s blauwe lijn, Achter hare grens verborgen.— En daar is zij, roept «Goemorgen!» Met haar lach van zonneschijn.
Ziet de golfjes rekken, Zich een weinig stram, Van de slaap, en trekken,— Nu zij ’t licht ontdekken, Op de hoogste kam,— Hunne pronkgewaden,— Smaragd,—overladen, Als met goud, eens aan: Want het laat zich raden, Dat de zonnelach, Stand houdt heel den dag.
Vol vroolijken moed en in ’t minst niet beangst; Met blijde verwachting op rijklijke vangst, Deed uitgeleide als steeds, haar man nu de vrouw, Van meening dat hij weer gauw thuis komen zou. De lucht was zoo helder, de zee was zoo glad, Alsof nimmer lust zij tot woelen weer had; Alsof nimmer brak zij een vrouwelijk hart; Alsof nimmer kleedde een Bruidje ze in ’t zwart; Alsof nooit ze een Vader den eenigen zoon, Den Grijze ooit ontrukte, zijn al, zijne kroon. Zijn hoop en zijn schuts in hoog’ ouderdom; Hij stram, afgeleefd en van arbeiden krom. Verweerd van gelaat en inwendig zoo zwak, Een wegstervende eik, haast een hulpeloos wrak. Daar ligt zij zoo vreedzaam, de sluimrende zee, Alsof uit haar schoot nooit eene angstkreet van wee, Geen doodsnik der schipbreuk’lings immer er rees, Wiens zinken ooit maakte zoo menige wees,— Nog hulp’loos in ’t wiegje door moederzorg teer,— Bewaakt maar wiens vader licht nimmer keert weer; Wie denkt dat er ’t nimmer gedolvene graf, De hunnen de lijken niet eens weder gaf.— Zoo stil en zoo rustig, zoo kalm en vol vreê, Lag onder ’t geflonker der starren de zee.—
Aan de scherp begrensde kimmen, Duiken op: bij reuzenschimmen, Wel het beste vergeleken,— Zonder een waarschuwend teeken,— Massa’s, als met gouden kammen; Waar verbeelding vuur en vlammen,— Die zich schijnen uit te breiden,— Meent te kunnen onderscheiden.
Ginds de visschersvloot! Alle zeilen hijschend; Elk naar ’t noorden wijzend,— Vanwaar nood en dood, Aangrijnst, uit die wolken.— Vormen, die vertolken, Wat zij in hun schoot, Storm en onweer bergen; Dit staat vast: zij vergen, Moed en plichtsbetrachting, Kracht en doodsverachting, Voor wat hen verbeidt, Van wat menschen kunnen;— Moog’ God tijd hen gunnen!— Allen zijn bereid, Allen handig, vaardig. Ook de vloot zeewaardig?— Als het razend Noord, Woeste zwarte buien, Door elkaar doet kruien.— ’t Briesje drijft hen voort, Reeds weer naar de kusten; Moog ’t Noord zoolang rusten, Totdat alle boord— Trouwe reede of baken, Toch maar mocht genaken. Want in ’t Noorden dáár, Spreekt elk in zijn eigen, Blijft het vreess’lijk dreigen, ’t Ongedacht gevaar. Gindsche wolkenvormen, Bergen hagelstormen, Zoo gevreesd van daar— Eer men thuis is?... uren, Zal het moeten duren, Met dit brieschje wind, Dat op loome vlerken, Soms zich pas laat merken, En steeds ongezind Door te breken willen; ’t Is of heeft het grillen, Nukken, dat het vindt. Thans volstrekt niet noodig, Heden ’t overbodig, Dat eens voor den boeg, ’t Flink ging op een schuimen, Dat men zeil moest ruimen, Opdat snel hen ’t droeg, ’t Schip naar ’t doel, hun hopen; ’t Pad staat hun wel open... Is er tijd genoeg, Om de ree te krijgen?— Ziet! de wolken stijgen, Onrustbarend snel; ’t Woelt daar ginds ontzettend; Als men maar oplettend, Naar dat vreess’lijk spel, Een’ge tijd blijft staren, Zal men ’t dra ontwaren; Ziet men ’t al te snel. Wolken achter wolken, Stijgen uit de kolken, Van de zee omhoog; Grijze wilde luchten, Zoo op zee te duchten, Dekken half den boog, Zwaar en dik den hemel, En hun woest gewemel, Valt aanstonds in ’t oog.
En de ernst staat thans op elks gelaat, Der flinke mannen, forsch en stoer, Op uitkijk, van den man aan ’t roer, Tot aan den kleinsten jongen maat, Die meeging, al was hij nog jong: Omdat tot meegaan hij haast dwong.
En de oudste, die het meest gezag, Van de and’ren heeft, die zijn aan boord,— Naar wien men ’t liefste en ’t eerste hoort,— Zegt: «Kindren ’t wordt een zware dag, Helpt heden onze lieve Heer Ons niet, wij zien niet de onzen weer.»
«Ik voer op zee reeds vijftig jaar; ’k Braveerde storm en vreess’lijk weêr, Maar nimmer, nimmer eenen keer, Zag ’k zulk een onweerslucht als daar; Berust in ’t onvermijd’lijk lot: Beveel uw aller ziel aan God!»
«Wat zal ons vlootje in volle zee, Bij zulk een weêr, als straks ons wacht, Als dra de orkaan met volle kracht, Ons overvalt, ver van de reê? En die te krijgen, voor hij raast, Is mijn inziens, niet denkbaar haast.»
«Toch mannen! ieder doe zijn best; Zet alle zeilen haastig bij; Dat alle man op post steeds zij. Aan onzen lieven Heer de rest! Op mannen op! ’t gevaar is groot, Het wordt een wedloop met den dood.»
Forsche mannen trillen, beven, Sterke mannen, voor wie ’t zout, Levenslust en brood en goud, Steeds tot dezen had gegeven: ’t Wordt de braven, thans in steê, Hun tot graf, die zelfde zee.
Grijze mannen, lange jaren, Met die wilde zee vertrouwd, En alzoo geworden oud, Op die steigerende baren, Kiest die woeste zee tot buit, Tot welkome prooi hen uit.
Jonge mannen, die hun leven, Hebben aan de zee gewijd, Hun bedrijf, hun vlijt, hun tijd, Alles, alles wilden geven, ’t Is of daarvoor zij tot straf, Heêntrekt, hen in ’t zoute graf.
Alle mannenoogen weenen, Om hun hartverscheurend lot; Wenden allen snikkend, tot Verre vert’ zich jamm’rend henen: Zenden hunnen laatsten groet, Hun geliefden tegemoet.—
Altijd nog die labberkoelte; Altijd nog die zwakke bries. Maar steeds dreigender ’t Noordwesten; Altijd nog dat tijdverlies; Maar nog zwarter dan zooeven, Dreigt het uit den gindschen hoek, Is naar ’t Zenith opgeklommen.— Hoor! daar valt de storm in ’t doek, Eene rukwind; alle scheepjes, Eensklaps trekkend’ naar omlaag, ’t Is of ’t sein is voor de winden, Want nu komt er vlaag op vlaag, Leggen zoo vaak weer de scheepjes Zich oprichten, hen weer neer, Vliegen voor de ontboeide baren, Over ’t water als een veêr, Nu de hagelbuien klettren, En de orkaan door ’t touwwerk fluit. Maar ’t wordt duisterder allengskens, Wijl de bui naar boven kruit, Waarvan slechts een enkle voorpost. Over ’t breede zeevlak ging: Straks ja, zal het ernst eerst worden, Voor den armen schepeling.
Onheilspellend ruischt van verre ’t; Lucht en water worden een; Wolken dalen tot de golven, Golven rijzen tot hen heen: ’t Is de stemme veler watren, Opgeschrikt door den orkaan! Ach wat menschenwerk en pogen Zal bij zulk een kracht bestaan?
Waar zijn thans de zeilen, Die straks bij elkaar, Zoo statig nog dreven, Waar zijn zij nu, waar?
Haast allen verdwenen.— Ginds tuimelt nog een, Van golfkam tot afgrond, Een enkele alleen.
En onderste boven, Drijft daar wrak bij wrak, Waarvan mast en stengen, Voor stormwinds druk brak.
En stervende klemmen, Zich nog menigeen, Aan kiel en aan zwaarden, En zinken meteen.
Daar roept men «o vader!» Voor altijd vaarwel!».... Hem pakte eene stortzee, Met zijn metgezel.
Ginds vatten twee broeders,— Gevlucht in het want, Daar ’t scheepje gaat zinken,— Voor ’t laatst elkaârs hand.
«Den groet van ons beiden: Neem huiswaarts dien mee, Wie de onzen moog weêrzien, Al de onzen ter reê!»...
«Wie mag overleven, Deez’ vreeslijke dag, Den groet vooral Moeder! Wie haar terugzag.»
Daar roept een: «Mijn Bruidje! Wie ooit haar weêrziet, Zeg: hij had vergeten, U stervende niet.»
Een grijze: «Wie ’t leven, Er afbrengt, hij zeg: «Mijn oudje, «de groete!»— En toen zonk hij weg.—
«Groet al mijne kind’ren, Die weesjes voortaan!» Zeg: «Vader was stervend’ Met hen zoo begaan.»
Zoo jamm’rend, en ’t aak’ligst’ En ’t vaakste geuit, Klinkt boven het buld’ren Der golven weer uit:
«Wie had kunnen denken, Dat ’k u beste vrouw, Aan ’t hart nooit weêr drukken, Nooit wederzien zou!»
Dus roept het en snikt het, Steeds van allen kant, Voor zoover verstaanbaar, Uit zee en van ’t want.—
De doodstrijd bij ’t loeien, ’t Woên van den orkaan,— Bij ’t buld’ren der golven, Is welhaast gedaan.
Nog wat zwarte punten, Een enkele stip, Te midden der golven, Van manschap en schip.
Ten leste wat wrakhout; Niets meer in ’t rondom; De doodsklok langs ’t zeevlak; En ovrigens stom.
Voorbij is thans alles: Het lijden en wee, De doodstrijd dier mannen: Het treurspel op zee.—
En aan ’t strand, al zoovele uren, Klimmen onophoud’lijk op, Vrienden, magen en geburen. Naar den hoogen zeedijks top;
Turen in die bange stonde, Naar ’t geen ’t liefst hun is op aard, ’t Gierend zeevlak steeds in ’t ronde, Vragend: «bleven zij gespaard?»
d’ Arme visschers huisgezinnen; Want van ’t dorpje in ieders huis, Liet toch de angst geen rust hen binnen, Daar geen visscher bleef tehuis.
Trots de wreede hagelvlagen, Houden, houden allen stand; Niets kan hen van de uitkijk jagen, ’t Oog gericht op zee en strand.
IJlend met hun zuigelingen Moeders; kindren: drie of vier, Die zich aan haar kleed’ren hingen, Hijgend, buiten adem schier;
Door de geeselende vlagen, Die met vreesslijk geweld, Fladdrend in hun kleed’ren jagen, Komen dijkwaarts ze opgesneld.
Om met eigen oog te aanschouwen,— Of er nog een hope blijft, Voor hen, licht al weduwvrouwen,— Wat hen steeds naar boven drijft.
Strompelend gaan daar twee oudjes, Op elkanders arm geleund; Lisp’len bibberend: «hoe koudjes», Onderwijl de een de ander steunt.
Hoe zij naar des dijks top sloven! Hijgend van vermoeienis, Om ten laatste te gelooven: Dat er geene hoop meer is.
Hen dreef de onrust, toen de mare, Klonk, hoe ’t stond, door ’t zeedorp heên, En zij volgden ook de schare, En zij dachten slechts aan één.
Want één was hun slechts gebleven; Hun het hoog bedaagde paar, Aan den avond van hun leven, Van hun gansche kinderschaar.
Hij lag hen zoo na aan ’t harte; Hij de Laatste van hun stam; Naar hem zoo gezocht met smarte... O als hij niet weder kwam...—
Ja van al, van al diegenen, Die daar lang reeds zijn of gaan, Gingen zij zoo goedmoeds henen, Zij, die hun zoo nabestaan.
O als ’t ergste moest gebeuren, Wat zal ’t zijn een smart en wee, Die voorbij aan geen der deuren Ging, van ’t visschersdorpje aan zee.
Ach! het zal voortaan na dezen, In het dorp, naar allen schijn, Enkel weduwen en weezen, Ach! een oord van smarten zijn.
Want het is niet te gelooven, Dat een man behouden bleef; Dat in zulk een stormwind boven, ’t Beste schip nog uren dreef.
En laat alle hoop gij varen, Die tot heden zelfs nog hoopt; Als gij aan het weêr bedaren, Nog een sprankje hoop licht knoopt.
Och! de zee zal u slechts geven,— Legt van wat ze ontnam, slechts weêr, Hier of daar aan ’t strand gedreven,— ’t Lijk van een geliefde neêr.
En gij zult de vraag u stellen: Is hij het, of is hij ’t niet? Als men u straks komt vertellen, Dat de storm het stranden liet.
En zoo is van meer dan eenen Armen Frieschen visschersman,— Eer één week nog is verschenen,— ’t Overschot gevonden dan.
Van de meesten taal noch teeken, Komt van hen terug, ooit geen; Zelfs dat laatste zal ontbreken, Zelfs die troost aan menigeen.
NOOD en HOOP
’t Kan stormen op de levenszee, Met wild verbolgen winden, Aleer het harte rust en vreê, Aan eene stille kalme reê, Ten lange lest kan vinden.—
’t Kan zijn zelfs, dat de hooge vloed, Bij springtij tot de lippen, Het zilte water rijzen doet; En zelfs het allerstugst gemoed, Een angstkreet doet ontglippen.
Er kan zooveel te torschen zijn, Zooveel, op aard te dragen; Zooveel van smart, van nood en pijn, Van kommer, leed, alsof het schijn’, Dat nooit weer hoop zal dagen.
Zooveel, dat in die zwarte nacht, Geen licht dreigt weer te schijnen;— Maar nooit vergeefs gehoopt, gewacht, Maar nooit vergeefs gebeên, getracht, De Heer kent wel de Zijnen.—
Hij richt door storm en onweer heen, De levenshulk ter reede, Die nimmer te gewinnen scheen.— En Hij verhoorde, Hij alleen: Hij hoorde zucht en bede.
NEEM OP UW KRUIS
Neem op uw kruis! Uw lasten, uw bezwaren! Wat u moog wedervaren, Bij smart, bij leed, bij ongeluk! Hoe vrees’lijk zwaar dat kruis ook drukk’.
Neem op uw kruis! Het moet gedragen worden: Uw lend’nen dies te omgorden! En brandende steeds uwe lamp, Bereid tot ’s levens zwaren kamp.
Neem op uw kruis! Hoe zwaar het ook moog’ vallen; Gij zijt slechts één dier allen, Die onder ’t kruis gebogen gaat, Te dragen ’t nauwelijks in staat.
Neem op uw kruis! Al kunt gij het niet dragen— Vergeefs is ’t morren, klagen; De last wordt immers lichter niet, Door uwe klacht, door uw verdriet.
Neem op uw kruis! Om met den strijd te aanbinden, Uw Kruisdrager te vinden; Die zegt: «Komt allen herwaarts gij! Gij, met uw drukkend kruis, tot Mij!»
Neem op uw kruis! «Ik zal u ruste geven.» ’k Richt op: «gij zult niet sneven, ’k Neem op, in uwen zwaren druk. Mijn kruis voor uwen last en juk.»
Neem op uw kruis! «Zachtmoedig, ned’rig ’t harte, Leer van Mij,» in uw smarte.— Bij alles wat u ooit ontviel,’ Geeft ruste zulks aan uwe ziel.