Part 4
Neem op uw kruis! Dan is het licht te dragen; Dan zal Ik zelf u schragen. Die zegt: «Komt allen herwaarts gij, Met uw te dragen kruis tot Mij!»
Wij zijn op reis
Wij zijn op reis.— Hoe lang de tocht zal duren,— ’t Zij lange jaren, of slechts uren;— Is de eindpaal ver of in ’t verschiet? Wij weten, weten ’t niet!
Wij zijn op reis; Op reis, naar ’t onbekende; Waar onze voet, zich keere of wende: Wij reizen onze loopbaan af, Toch regelrecht naar ’t graf.
Wij zijn op reis; Alsof wij vreemden waren; ’t Zij we onderwegs, of bloemen garen, Of doornen legge op ’t pad ons ’t lot: ’t Wijst regelrecht naar God!
Wij zijn op reis, Wel naar het onbekende; Maar God, Hij is en blijft het ende: Want slechts bij Hem zijn wij eerst thuis, In ’t heerlijk Vaderhuis.
BIJ ’T EINDE DES JAARS
O Jaarkrings allerlaatste! Al zijn uw dagen kort, Zie! hoe het te elfder ure, Nog licht rondomme wordt.
Dat is het licht der wereld; ’t Welk gloort uit Bethlehem; Verkondigd van den Hoogen, Door juichende Englenstem!
Hoe heerlijk! «Vrede op aarde! God in de Heem’len, Eer! In menschen Welbehagen!» God zelf, der menschen Heer!—
’t Is niet het licht der aarde, Dat beurt’lings stijgt en daalt, Maar dat gestadig rijzend, Het groot Heelal bestraalt.
Dat is het licht der wereld, Waarnaar zoo lang gesmacht; Des menschdoms hoogste wenschen, Reeds eeuwen lang verwacht!
O blijdste dag der dagen! Hoe juicht het van rondom, Van duizend menschentongen, Met heel der Englen drom.
De Vader gaf zijn’ Een’gen, Zijn Eengeboren Zoon, Der zondaarswereld over, Van Zijnen heil’gen Troon.
Begaan met ’s menschen afval, Was ’t offer niet te groot, Hem, Zoen voor alle zonde, Dat Hij het menschdom bood.
Loof den algoeden Vader! Kniel bij de kribbe neer, Van ’t kindeken, uw Heiland, Uw Middelaar, uw Heer!
Na dezen
Gedenk te sterven, Te sterven mensch! Uw zwoegen, zwerven, Vindt daar zijn grens, Waar ge in de groeve, Ter nederdaalt.— ’t Zij lang gij toeve, Door vreugde omstraald; ’t Zij korte dagen, Gij ’s levens smart, Slechts hebt te dragen, In ’t bange hart.— Gedenkt te sterven! Is ’t wachtwoord steeds: Dit leven derven, Deels vreugd, deels leeds.—
Zie! rozen bloeien, In wit en rood; En lelies groeien, Op graf en dood.— ’t Mos weeft zijn stengel, Zoo donzig zacht, In ’t kleurgemengel, Dier bloemenpracht, De graven over, De marmerzerk, Door hangend loover, Van wilg of berk;— Cipressen treuren, In altoos groen; En klimops kleuren,— Als rijk festoen, Het praalgesteente: Gepleisterd graf— Waar ’t doodsgebeente, ’t Verderf zich gaf.—
Gedenk te sterven! Ging ’t al vooraf; Vergaan, verderven, Als stof, als kaf, Wanneer tot aarde, Het aardsche keert, Die het ook baarde, En ’t weêr begeert.— Stof zult gij weder Eens worden, gij, Als gij eens neder, Daar zij, aan zij, U strekt ter ruste.— ’t Zij arme of rijk’, Of maag’ u kuste, Als liefdeblijk, Ten afscheidsgroete; Of vriend of buur, Aan ’t graf u moette,— Of vreemde om huur.—
Maar sterft het koren, In de aard niet, eer,— ’t Opnieuw geboren, Verrezen weer,— Vol kracht herlevend— De aard toevertrouwd— Zijn oogsten gevend, Wel honderdvoud? En zweeft de vlinder, Ontslagen thans, Van boei en hinder, In kleur en glans,— Uit worm of made, Verheerlijkt,—niet? Nu hij zijn wade, Slechts achterliet.— Zal eens hier achter, ’t Zoo ook niet zijn? Wanneer de Wachter, Het zwart gordijn,— Dat dood en duister Genoemd wordt,—scheidt, En ’s hemels luister, De slapers beidt?
EXCELSIOR
Naar boven! naar boven! Wie kan ons ontrooven, De geestdrift, ’t verlangen,— Waar ’t hart aan blijft hangen:— Wat men bleef gelooven.
Van de aarde opgeheven!— Als of ten nieuw leven, Als naar het volmaakte,— Waar ’t hart zoo naar haakte, Gewend nu den steven!
Op vleugelenslagen, Steeds hooger gedragen! Waar ’s horizons lijnen, In de ether verdwijnen, Steeds opwaarts zich wagen.
Steeds jubelend stijgen, Waar ’t heilige zwijgen, Niets dreigt te verstoren, Van wat nooit te voren, Gehoopt werd te krijgen!
Of ’t slechts enkele uren, Of jaren moog duren; Wie vraagt meer naar tijden, Als men langs de zijden, Van sterren kan sturen!
Wie zal, als planeten, Als zonnen, kometen, Bij ’t nog altijd rijzend, Naar hooger ons wijzend, Zich zelf niet vergeten?
Waar nog geene grenzen, Ons nietige menschen, Door cijferen wetten, De mijlpalen zetten:— Nog hooger wij wenschen!
Vergeten ’t verleden, Van wat ligt beneden;— Nog slechts te behoeven, Een oogwenk te toeven, In ’t vluchtige heden.
Nog hooger! naar boven! Neen, niet uit te dooven, Wat over de zonnen Heen, aan ’t Onbegonnen’, Blijft hopen, gelooven!
VERTROUWEN
Leeuwerikje! ’k Zie, uw nestje, Bouwt ge weder,— Half verholen, Achter sprietjes,— In een holte, Die een stortbui, Van de laatste Herfst, daar groefde!
Lenteluister, Gloeit en schittert, Van den hemel, Op u neder, Achter gouden Wolkengroepen, Weg, van boven.— Licht en schoonheid, Rondom strooiend; Bloemen lokkend! Madeliefjes,— Heldre sterren,— In het donzig Groen der weide,— Blinken, lonken, Rondom ’t plekje, Dat ge u zelven,— Hebt verkoren,— Leeuwerikje.
De bezieling,— Die er uitgaat, Van de stralen, Die dat alles, Tot herleven, Riepen, wekten,— Trekt verlangend’, U naar boven; En ge ontplooit straks, Uwe vlerkjes, Om te rijzen, Om te stijgen, Op naar ’t luchtruim! Waar de gouden Bron der stralen,— Onweerstaanbaar, U van de aarde,— Om te juichen, Om te jub’len, En te loven’— Opwaarts wenkte.—
Vreugde doet uw Boezem zwellen; En geeft uiting, In een Hymne, Die gij opzendt, Naar de wolken— Terwijl de aarde, Ondertusschen, Hoort en luistert, Naar dien lofzang, Ongekunsteld, Schoon en rein.—
Zoo verlangend, En zoo blijde, In mijn lot zijn— Mij van de aarde, Van de wereld, Los te maken,— Mocht mijn deel steeds, Hier beneden, Immer wezen;— Dat ’k met vrije Vleugelslagen, Van de moeite, Kommer, lijden, Uit de boeien, Die mij kluistren, Aan al ’t aardsche,— Was onttogen,— Opdat ik dan,— Aan de bron van Alle leven, Licht en luister, Mij kon laven,— Voor een eindlooz’ Eeuwigheid.
Abraham’s Offerande
«Ja ’t is uw wil o Vader! Ofschoon me in hart en ader, Bij die gedachte ’t bloed verstijft... Mijn eenig kind zal ’k geven, Hoe ook mijn hand moog’ beven, Die ’t staal straks door zijne ad’ren drijft.»
«Volg mij gij mijn geliefde,» Spreekt Abraham.—Al kliefde, Reeds ’t mes zijn eigen hart;— Al moest dat hart ook breken, Toch tracht hij kalm te spreken, In de overmaat van smart.
«Maar wat zal ’t offer wezen?» Is eensklaps opgerezen, In ’t kinderlijk gemoed; «God zelf zal ’t offer geven,» Spreekt Abraham met beven, «Het heden te offren bloed.»
O! zwijgend gaat hij verder, Hij! de getrouwe herder, Met het geliefde schaap; Tot, waar God, den getrouwe, Zegt, dat hij ’t altaar bouwe, Om ’t offeren den knaap.
«’t Is Vaders welbehagen,» Zoo moog zijn harte klagen, In matelooze rouw: «Zijn wil zal zegepralen, En mijn geloof niet falen: Ik weet op Wien ik bouw.»
Daar zal zijn hand zich heffen, Om ’t dierbre Kind te treffen; O God! slechts ééne slag... En dan o! hartverscheurend.... ’t Is God, hem waardig keurend Zijn vriend, Die ’t eischen mag.
Als met gebroken oogen, Staat over ’t kind gebogen, De Vader Abraham; Nog Vader slechts een wijle... «O God! en dan, dan ijle, De wanhoop toe, om ’t schuld’loos lam.»
Daar ligt het zoo aanvallig, Door onschuld zoo lieftallig, Des vaders eenig Kind; Dat Kind zal hij vermoorden.... «Is ’t waarheid dan, die woorden, Alsof in leed, God wellust vindt?»
«En toch ’t is waarheid, waarheid; ’t Zijn woorden, zoo vol klaarheid; Zoo zal, zoo moge het dan zijn;» Een laatste blik vóór ’t scheiden... «Treedt God niet tusschenbeiden, Zoo zijt gij Dierb’re niet meer mijn...»
«Vaarwel!» met biddende oogen,— Het slachtmes uitgetogen,— Heft zich de hand omhoog! Daar, daar, daar valt het neder.... «Terug! gij hand, keer weder, Die zich tot slaan bewoog!»....
«Terug!» dus roept almachtig, Daar eensklaps ernstig, krachtig, Een stem van ’s Hemels trans. «Terug, terug! Ik reken, Uw groot geloof gebleken, En uw vertrouwen thans!»
O! zalig treedt de Vader, Zijn dierbren Liev’ling nader, Die nog op ’t altaar ligt.... Bedwelmd door diepe ontroering, Van dankbare vervoering, Heeft hij zijn Izaak opgericht.
Verplet stort hij in de armen Van ’t Kind. «God! welk erbarmen,» Uit zijn verrukt gemoed.... Een betere offerande, Toont hem de boschwarande, Om te offeren dat bloed.—
Dat is geloofsvertrouwen! Dat zonder ook te aanschouwen, God dienen naar ’t bevel.— ’t Gebod moog’ duister schijnen: De Vader kent de Zijnen, Al wat Hij eischt, is wel.—
AANDENKEN AAN MIJNE DIERBARE MOEDER, overleden 28 Januari 1849
Ik heb een klein, mij dierbaar plekje grond op aarde. Mijn diep betreurde Vader heeft het dikwerf mij gezegd; Zoon! sprak hij dan: «houd steeds dat graf in hooge waarde: ’t Is daar dat ik uw beste Moeder heb ter rust gelegd.»
«Gij hebt Haar niet gekend, want nog geen tweetal jaren, Hadt gij bereikt, mijn Kind, toen zij reeds van ons scheiden ging; ’k Bleef op haar leêge plaats, met droeve erinn’ring staren, Alleen met U, een hulploos weesje, als teed’re zuigeling.»
«Is ’t niet? hoe gaarne zoudt gij hare lieve trekken, Aanschouwen mogen, ja! al was het slechts een enklen keer. Maar ach de erinnering kan u niets doen ontdekken, Hoeveel daarop gepeinsd, daarover nagedacht, hoe zeer.»
Maar dierbre Moeder, ik, ik kan gelooven, weten, Dat ik heb aanschouwd eenmaal, van aangezicht tot aangezicht, U zoo vereerde Vrouw, die Moeder ik mocht heeten, Die mij heeft toegelacht, mij hulpeloos, mij teeder wicht.
Wier Eng’lenlach vol zoets ik weder tegenlachte, Waar de eerste lach van mij, haar allergrootste vreugde was; Wier zoete kus mij bij ’t ontwaken ’s morgens wachtte, En die in ’t wel van haar zoo dierbaar kind, haar ganschen hemel las.
O Moeder! ik kan niet de moeite en duizend zorgen, Die goddelijke liefde van uw hart, die moedermin, Vergelden ooit, die, van af de avond, tot den morgen, Tot de avond van den morgen, van het eind tot het begin.—
Moog in ’t gewest der Zaligen, gij Moeder dragen, De kroon van reine levenswandel, moederliefde en deugd! Daar Dierb’re! vroeg voor u reeds de eeuw’ge dag mocht dagen, Ben ’k onder tranen om uw welzijn steeds verheugd.
’k Vertrouw, Gij werd met Hem, uw besten Man vereenigd.— Mijn diep betreurde Vader liet mij eindlijk hier alleen. Uw beider heug’lijk lot, is ’t wat mijn smart hier lenigt: Gescheiden voor een tijd, zijt gij voor de eeuwigheid thans Één.—
En eenmaal zal de dag voor mij wellicht ook gloren, Dat ’k U mijn Moeder dan van aangezicht tot aangezicht, Gestaâg aanschouwen mag; uw lieve stem zal hooren, Waarvoor dan ’t lang gedragen leed, van lang verwachten, zwicht.—
Zacht ruste uw dierbaar stof hier in den schoot der aarde! Uw graf blijft heilig mij, als een’ge erinnering, Wat Moeder ’k van U heb, welk graf mij die bewaarde. En enkel op deze aarde alleen mij niet verloren ging.
AANDENKEN AAN MIJNEN DIERBAREN VADER, overleden 2 October 1879
Rust, sluimer zacht! o stof van mijnen dierbren Doode! Stof van mijn allerbesten Vader, rust en sluimer zacht! Sinds vele jaren dekt U reeds de groene zode; Toch blijft gij steeds in liefde door uw eenig kind herdacht.
Erkentlijk voor al ’t goede, blijf ik U herdenken: Want in den besten zin des woords, waart Gij een Vader mij. O Vader! hoe gevoel ’k de waarde van uw wenken, Uw wijze lessen; ’t Is of staat gij nog steeds aan mijn zij.—
Rust van uw arbeid, Gij Die werktet al uw dagen, Zoolang als ’t dag was Dierbre. Ja de groote morgen slaat, Als met U al de Ontwaakten Sions wachters vragen: Wat ginder gloort van ver, is dat niet ’s Hemels dageraad?
Of is dat licht voor U naar ’t Zenith reeds geklommen? Is lang, zeer lang misschien, voor U des Hemels heerlijkheid,— In ’t Paradijs, van Vader, Zoon en heil’ge Englendrommen, Der Heem’len heerlijkheid, U zoo betreurde, reeds bereid?
En hebt gij Haar, die lang van af deez’ droevige aarde, Uw dierbre Vrouw, mijn lieve Moeder, treurend van ons ging,— Die onder ’t scheiden nog weemoedig op ons staarde— Haar aan de gindsche zijde ontmoet als blijde Hemelling?—
Hoe smartlijk was het leed, dat bij uw dood mij griefde; Hoe treurig was het mij, uw laatsten levensdag en nacht; Uw laatste woorden, woorden, slechts van vrede en liefde: Ik hoor dat spreken nog, die dierbre stern, zoo goed, zoo zacht!
Ik voel de polsslag nog allengskens zwakker tikken, Besluiteloos op ’t lest van al, of van niet, of van weer; Een eeuwigheid lag in die spannende oogenblikken, Tot eind’lijk voor altijd, eindlijk voor ’t laatst, voor nimmermeer.
Met diepen weemoed bleef ’k op den Geliefde staren, Ik arme, Wien niets bleef dan slechts een zielloos overschot. En ’k bij het graf der Dierbre ’k al mijn kracht moest gâren, Om staande nog te blijven, in mijn zwaar te dragen lot.
Mij is de weemoed zoet, waarmeê ’k aan U blijf denken, Nog over Uw gemis, zoo zeer, zoo eind’loos, diep bedroefd. Maar bij uw graf is ’t, of ik ’t voel, naar boven wenken, Waar beste Vader thans, altijd, voor eeuwig, Gij vertoeft!
25 NOVEMBER 1892
Donkere Novemberdag, Vraag, al is het maar een lach, Van de steeds verscholen zon, Ot het op deez’ dag niet kon— Zeg: één Straaltje van uw glans, Voor den blijden dag van thans!
Zephyr! jaag de wolken heen, Deez’ Novemberdag alleen.— Laat al de and’ren aan den mist, De Atmospheer worde opgefrischt! Vraag ’t zoo met een schelm’schen lach, Slechts voor dezen enk’len dag.
Dan, van buiten zonneschijn! En van binnen moog’ het zijn! Want mijn een’ge Lieveling,— Die ik van Gods hand ontving— Zestien lente’s Bloem, verjaart— De Een’ge Bloem in mijnen gaard.—
En Gij Vader, Die omhoog, Voor haar waaktet, sla Uw oog, Steeds met welgevallen neêr, Op mijn Dierb’re, en Gij vermeer’ Hare jaren.—En zij leer’, U te kennen, tot Uwe eer!
Januari
Eerstgeborene der Twaalve, Die in killen winternacht, Bij aanhoudend vlokkendwarr’len, In de smettelooste pracht, Van het zachte dons van boven, Koesterend u wollig warm, Aan Natuur, die thans vol blijdschap, Sust u, als in moeders arm. Hoor! de hooggetakte abeelen, Zingen met het dennenbosch,— Dat zij ’t al er mee vervulden,— Luide, luide er nu op los; Want het rijk is aan de winden, Om den tijd van ’t nieuwe jaar; Daarom ’t wiegelied gezongen, Luide, luide met elkaar! In de wouden, langs de velden, Zoolang tot het kleine schaap,— Dat zooeven werd geboren, Valt in de eerste zoete slaap; Laat hen dan het rustend wiegje, Met des sneeuwvals trouwe hulp, Dicht, zorgvuldig het omhullen, Tot een warm gevoerde schulp.
En als straks de wolken breken, Leg’ met hen heel ’t windenheer,— Dat de jonggeboorne ontwake Niet te vroeg, zich weer ter neêr. En wanneer hij wakker worde, In het jonge morgenuur, Zij eene eerste lieve groete, Van de frissche woudnatuur, Met het helderst zonnelachje, Dat het nieuwe jaar maar heeft; Wijl des winters een’ge Zanger, Luid zijn wiegezangen geeft, In ’t ontbladerd bosch ten beste: ’t Winterkoninkje er alleen, Hij, de kleinste in ’t koor der zangers, Ach zoo lief, zoo teer, zoo kleên.—
En heeft de aarde thans geen bloemen, Zoo vol aangename geur, Toch wil Winter bloemen geven, Schildert der juweelen kleur, Op zoo meen’ge vensterruiten. En het zonlicht roert hen aan, Met zijn gouden tooverroede, Langs zijn heele zuiderbaan, Dat zij schitteren en lonken, Op de ruiten overal, Grillig schoon in bloem en blaad’ren, In het prachtig zevental.
En op eenmaal: luid en luider Roept het blij, van hier en daar: «Heil en zegen, duizendmalen, In het nieuw geboren Jaar!»
Jaarkrings Eerst’ling, U mijn groete! U mijn heilwensch! meerder lief, Krijg ’k u, als gij werk’lijk bloemen, Schenkt in de eerste Madelief!
DE EENIGE ZOON
Zij hadden een huisje met eenigen grond; Hun eigendom lag daar zoo mooi afgerond; De weg, die door ’t dorp liep, ging gansch er langs heen; ’t Zag netjes er uit steeds, al was het wat kleen.
’t Verschilde van de andere huizen niet veel; Een dubbele boomrij van wilg en abeel, Beschermde bij wintertij, tegen ’t Noord-West, Den schoorsteen en ’t stroodak van ’t huisje opperbest.
Geen sieraad of weelde werd er aan ontwaard, Want de eigenaars waren van deeg’lijken aard; En wat ze overhielden, werd stil opgetast, In plaats van verbruikt ooit, in lade of in kast.
En niemand zou zeggen, als ’t huisje men zag, Dat bijna een schat zelfs, verborgen daar lag; Twee vensterkes klein maar, gordijntjes wat flets, Gaf ’t aanzien aan alles: «geheel ouderwetsch.»
Eene eeuw wel ten achter, bij hunne overbuur; Wiens groote kozijnen in zijn gevelmuur, Pas groen opgeschilderd, in schittrende kleur, Wedijverden met het lichtbruin zijner deur.
Maar ondanks ’t verguldsel van weelde en pracht, Werd zijn geld en goed toch als weinig geacht. En klopte de geldnood soms eens bij hem aan, Deed hem tot leenen naar buurman wel gaan.
Zoo werd het ten leste, allengskens aan ’t end, Door ’t dorp en omstreken voorgoed ook bekend, Dat onze oude luidjes van ’t huisje, maar steeds, Voor den ouden dag goed gespaard hadden reeds.—
Op ’t hun dierbaar klein stuk aarde, Waar zich rust met eenvoud paarde, Leefde ’t echtpaar met hun zoon, ’t Eenigst kind, hun al, hun kroon; Naast hem, was hun beste gave, ’t Kleine goedje, en hunne have. Anderhalve bunder grond, Lag om ’t boerderijtje in ’t rond: Akkerland en klaverweide, Zoowat om de helft van beide— En ’t met zorg bebouwde land,— Onder ’s bouwheers nijvre hand,— Bood hun nooddruft, meer dan noodig; ’t Zuivel werd haast overbodig, Voor hun daag’lijks onderhoud, Aan de zorgen toevertrouwd, Van de huisvrouw, die de koeien, Tot een melkopbrengst deed groeien, Deed vermeerd’ren bij den dag, Waarvan men geen weêrga zag. En hun trots, hun een’ge jongen, Was reeds van ’t besef doordrongen: Wie volmaakt een akkerman, Zijn wil, en het worden kan,— Moet de spade en hark vroegtijdig, Reeds hanteeren, moet veelzijdig, Zich ontwikk’len, opdat hij, Eenmaal knap en handig zij. Daarom, uit de school gekomen, Fluks de hark ter hand genomen, Die hij op den akker ziet, Waar zijn Vâ haar blijven liet. En slaat straks diens arbeid gade, Hoe hij werkt, met schop en spade, Zonder dat hij ’t nog behoeft.— Somtijds zijne kracht beproefd, Bij den oogst, met zeis of sikkel, En het wordt hem dan ten prikkel, Als zijn vader zegt, «’t gaat goed,»— Dat hij ’t straks nog beter doet.
Maar het knaapje wordt steeds ouder; En hij neemt van ’s vaders schouder,— Nu hij vijftien jaren telt,— Een deel arbeids. En in ’t veld, Van des daag’raads eerste glimmen, Tot des avonds gouden kimmen, Gunt hij zich slechts luttel rust: Want dat leven is zijn lust. Zijne wereld is zijne akker, Uit welks groen hem ’s morgens wakker Vink en Leeuwerikje zingt, Dat hem weer tot arbeid dringt. En tot nieuwen lust herboren. Ploegt of wiedt hij, zaait de voren, Of neemt voor den ouden man, ’t Werk weg, wanneer hij ’t maar kan. Helpt soms de oude Vrouw bij ’t melken; Dreigt haar bloemtuin te verwelken, Merk! hoe hij het daad’lijk ziet, En ’t gebloemt’ met vocht begiet.— Is eenmaal weer de oogst geborgen,— Eischt het veld niet meer zijn zorgen, Dan bij stillen wintertijd,— Steeds met onverdroten vlijt, Altijd ijvrig, altijd kregel,— Dorscht hij ’t koren met den vlegel, ’t Graan waartoe met eigen hand, Hij eens zaaide en had geplant. En betaalt aldus de rente, Reeds in zijne levenslente, Daar hij voor de kinderschuld, Zoo zijn ouderplicht vervult.— En bij ’t vlammen op het haardje, Zit hij bij het oudrenpaartje, ’s Avonds vreedzaam bij het vuur.— Komt er soms een goede buur, Dan is alles in de nopjes: Moe neemt dan een viertal kopjes, Dito schoteltjes daarbij; Uit het kastje van ter zij.— Daag’lijks heeft zij drie slechts noodig, Dan is ’t vierde er overbodig: Twee voor ’t manvolk, één voor Moe: En kan zij met _drie_ dan toe.—
Zoo bij ’t kouten met de buren, In de winteravonduren, Wordt men eind’lijk uitgepraat, Nadat over vee en zaad, Men ten eind raakt, dat in landen, Waar de bergen, rooken, branden, Men van krijg, van oorlog, hoort.— Zachtkens drijft zoo ’t leven voort, Tot de vrees elk slaat om ’t harte, Door een zeek’re Buonaparte, Waarvoor heel Europa beeft,— Die naar niets dan krijgsroem streeft, Naar dat men alom vertelde; En eerlang trekt hij te velde, Naar ’t onmeet’lijk Rusland uit, Om weer meerder roem en buit.— En tot voêr voor zijn kanonnen, Is een loting hij begonnen: Zoodat ieder jongeling,— ’t Zij hij rijk is of gering,— Zal een nummer moeten trekken. Wie te laag trekt, kan zich dekken, Door een duren remplaçant; En men hoort van allen kant, Dat zij, die eens heêngaan, allen, Nimmer wederkeeren; vallen, Door de scherpte van het zwaard: ’t Is of de doodsengel waart, Door de wereld, op dit heden, Door gehucht, door dorp en steden, Is ’t of eene kreet van smart, Stijgt uit menig ouderhart. ’t Is of weer uit Bethl’hems dreven, Rachel’s kreet wordt aangeheven, Die haar kinderen beweent;— Half de wereld schreit en steent: Ginds een oude grijze Vader, Met het Moedertje te gader; Weer een arme weduw’naar Hier; een schaam’le weduw’ dáár; Om hun steun der oude dagen, Die hun ouderdom zou schragen, Hun ontrukt, en om misschien, Nimmer, nooit hen weêr te zien.