Part 6
Hij peinst daartoe zijn dagen, Zijn stille nachten door, Of hij ten lange lesten, Daartoe toch vond het spoor.
Of hem den steen der wijzen, Als zoo begeerd, gewerd! Hem van de donkre toekomst, Een straal blonk uit de vert’!
En van den loop der dingen, Het onderling verband. En waar de groote Vadem, Die het Heelal omspant!
Hij die der eeuwen wijsheid, Wat voor hem is geweest, De vruchten der gedachte, Toetst aan zijn eigen geest.
Van af des menschdoms kindsheid, Der Denkers, tot nu toe, De stoutste Hypothesen, Volgt eind’lijk, peinzens moê:—
Er zich ten laatst’ bij neêrlegt: Ik weet het niet; erkent.— Ter zij! Papyrusrollen, En mottig Perkament!
Neen! niet als Diogenes, Tot eene ton het huis; Dat kan geluk niet heeten— Het leven zij geen kruis!—
Hij heeft het niet gevonden, Wat tot geluk hij zocht: Ten koste van veel jarens Bespiegeling, gekocht.—
«’t Geluk bloeit slechts den Rijkdom! Is van zoo menig Leus! De macht, die aarde en volken, Beheerscht, zij mijne keus!»
Wroet ’s aardrijks ingewanden, In ’t zweet zijns aanschijns door; Juicht bij zijn vondst, den goudklomp, Of tweeden Kohinoor!
En hij aanbidt den Mammon, Al werd het hem tot straf.— ’t Om meer, naar grooter schatten, Laat niet weer van hem af.
Al werd hij ook een Croesus;— Nog geen bevrediging, In zijn gemoed, in ’t harte, Waarnaar zijn wenschen ging.
Nu nog naar roem en eerzucht, ’t Verlangen wordt gewekt; Naar naam en groote daden, Het streven uitgestrekt!
Maar ach niets dan miskenning, Zelfs voor verdienste en deugd; Ontnuchterd door de ervaring, Niets wat meer boeit, verheugt.
Ach ijdle klanken waren ’t, Ach bloemen, zonder geur, Die nauwelijks opengingen, Met ziekelijke kleur.
Bij schatten geen voldoening, Waarvan de glans niet streelt; Bij grootheid, onverzadigd, Waar ’t hart niet mede in deelt!
Was ’t zoo niet Alexander De Groote, als veldheer groot? ’t Niet zoo den twaalfden Karel? Of eenen Czaar-Despoot?
Of wel een Buonaparte? Of wien Historie meldt? Vertrapt tot stof; verheerlijkt, Of Moordenaar of Held!
Heeft een dier veel benijden, Van duizenden misschien, ’t Geluk, dat levensbloempje, In waarheid bloeien zien?
Zou na iedre Victorie, Na iedre huldiging, Hun al, die eerbetuiging, Geschenen niet gering?
’k Geloof dat het geluk slechts, Slechts in het kleine ligt; Waar ’t liefst zich naar wil keeren, Zij, ’t vriendlijk aangezicht.
Hoe velen, rijken, grooten Der aarde, erkenden niet, Dat onbevredigd immer, Hun goud, hun scepter liet;
Bleek uit de vijfde Karel, De Vorst, in wiens gebied, De Zon altijd bleef schijnen,— Te zwaar, zijn grootheid niet?
Ach! blijft dan in dit leven, Geen waar geluk bereid, Dat boven ’t onvolmaakte, Zijn breede wieken spreidt?
O, ’t is het hoogste streven, Het vurigste begeerd, Waarnaar door heel het leven, ’t Hart zich steeds henen keert.
Het kan niet anders wezen; ’t Ligt in de harten zelf, Niet dan daar juist te vinden, Laag onder ’t stergewelf.
Uit vrede in eigen boezem,— Daarbij tevredenheid, Gemoedsrust in zijn binnenst,— Wordt waar geluk bereid.
Gelukkig! die als ’t Knaapje, Zijn vreugd bij weinig vindt; Aan eene alwijs Bestuurder, Zich overgeeft als kind.
Eenzaamheid
Men zal hem te beklagen noemen, Die mensch en wereld vliedt; Men zal ’t verkeer als «Leven» roemen— De Wijze wellicht niet.
Die uit den maalstroom van het leven, Dat hem zoo luttel gaf,— Waar de eenzaamheid hem rust wil geven,— Zich gaarne zondert af.
Zijn leven als een hooge gave, Als heilige ernst beschouwt; Te zijn: een Edele, eene Brave, Schat boven roem en goud.—
Hem is steeds de eenzaamheid de reede, Uit ’s levens last en leed; Waar hij als met herwonnen vrede, Zich wel geborgen weet.
IK LAAT DE WERELD BUITEN
Ik laat de wereld buiten. De wereld met haar nijd en haat, Haar laster en haar eigenbaat;— ’k Zie liever door mijn ruiten, Hoe het rondomme buiten staat: Of ’t gras al door de kluiten Van mijne weide groenen gaat.
Ik laat de wereld buiten: ’t Rumoer in slop en steeg en straat; Der buren zinn’loos lasterpraat, Waarvan mij de ooren tuiten, Dat als een loopend vuurtje gaat; ’k Zie liever hoe het spruiten, Van knoppen in mijn boomgaard staat.
Ik laat de wereld buiten: Want ik kreeg het daar gauw te kwaad, Te kwaad met menige onverlaat; Ik kan mijn oor niet sluiten, Voor wat mij bitter tegenstaat: Laat wrok zich tegen mij uiten, Als ’t binnen slechts met vreê mij laat.
Ik laat de wereld buiten: Als regen op mijn ruiten slaat; Het West met kracht op ’t venster staat; De vlagen luide fluiten; En ’t soms tot loeien overgaat, En tegen murenhoeken stuiten: Dan voel ’k waarin de rust bestaat.
MIJN GEBOORTEPLAATS
Mijn horizont is eng begrensd, Hoe vaak ik ’t anders heb gewenscht; Want naar het gansche West en Noord, Is ’t al met kreupelhout omboord, Zoodat ik voor de afwisseling, ’t Vind zoo eentoonig, zoo gering; Slechts naar het Oosten en naar ’t Zuid, Ziet men alleen veel verder uit.—
Wanneer men zich naar ’t Oosten keert, Is ’t veld met vee schoon gestoffeerd; Pronkt voorjaars ’t Boterbloempje in goud, Waartusschen Kievit ’t nest zich bouwt. Golft van de rietpluim ’t zacht fluweel, Bij wilgenkatjes geurig geel; Kweelt Kemphaan, Gruto, Tureluur, Het luidst, bij zonnig morgenuur; Zong Leeuwerikje al weken her, De hoogtijdstrillers vroolijk er.— De plassen van ’t gebroken land,— Met waterlelies bloemenrand— Herbergen lang reeds ’t zwemmend heer, In keur van onderscheiden veêr, Nabij der molenwieken vlucht, Vrij drijvend door de blauwe lucht.— En op den voorgrond, heel nabij, Ligt Buitenpost; de toren vrij— Met zijne schoone aloude kerk, En in die richting ’t hoogste merk; Wijl Haersma-State’s heerlijk bosch, Zich maakt uit ’t groen der Vennen los.—
Men kan nog zien een torenspits— Een Hooge en eene Schoone, mits,— Men kiest een klaren morgenstond; En dan zeer verre als aan den grond, Ontdekt men een verheven punt— Eene enkle maal is ’t slechts vergund. Het puntje is ook zoo uiterst klein; En is de lucht niet zuiver, rein, En zonder een’ge wolken, dan— Is er volstrekt geen sprake van. Daar rijst Martini’s torentop, Van Gruno’s stad, ten hemel op.— Bij Buitenpost trof reeds de gang, Der Molens, den beschouwer lang; Van Stroobos eene lange rij;— (Een vijftal staan daar, zij aan zij)— Waar, door ’t Zuid-Oost, de Oldambster gerst, Tot gort uit hare hulzen berst, En de olie klaar, na slag op slag, Der stampers, straks komt voor den dag.— Nu verder aan den horizont, Ligt Doezums toren aan den grond; En als ’k den blik meer zuidwaarts sla, Dan blauwt daar Augustinusga, Met spitsen toren, hooge kerk, Zich scherp afteek’nend tegen ’t zwerk. Meer op den voorgrond ligt Rohel. «Die polder krijgt wis last van kwel», Dacht men, toen men daar âren groef. Daarom was ’t, dat men dubble schroef, In zijnen forschen Molen lei; En maalt bij sterken wind met bei.—
Surhuizum rijst nu voor het oog, Van over ’t hooge bosch omhoog, Tot waar een boomgroep, vlak in ’t Zuid, Waar Buweklooster stond, beduidt, Eer met zijn Brink ’t oud Drogeham, In ’t lommer van zijne Olmen kwam. En Kootstertille’s molenpaar, Tot meer zuid-westelijk, zich daar, Met flinke vlucht naar boven richt, Wijl Kooten nu komt in ’t gezicht. De nieuwe kerk met torentrans, Verheft zich uit de rijen thans, Der huizings, langs den weg geschaard; De Kootster Molen wordt ontwaard, Ten laatsten aan den noorderend; Sinds jaar en eeuwen reeds bekend, Van verre verte en van nabij.— Hij voerde er eeuwen heerschappij, Als koning, uren in het rond, Met Eolus in schoon verbond; Want concurrentie had hij niet; Heel de omtrek was zijn rijksgebied.— Nog voelt hij niet der jaren last, Schoon menig jongre naast hem wast.
Dan voert de heerlijkste Eikenlaan, Op ’t lange, bloeiend Twijzel aan; Welks Boerderijen, groot en klein, Wel dertig,—allen even rein,— Zich legeren in dubble rij, Van de eikenlaan, ter wederzij. Niet als de Middachter bekend;— Niet minder schoone loovertent, Als die van ’t graaflijk Rozendaal. Wie schetst dit schoon, met stift of taal! Het is der boomen schoonste sier; Hun trots, wier pracht en schoonheid hier, Zich welft tot eene zuilengang, Bijna een uur te wandlen lang.— Pronkt ginds Middachter beukenlaan,— En blijft men licht bewondrend staan, Bij ’t schoon der Rozendaalsche Allée, En doet de Loolaan toch ook mee,— Hier spreidt zich ’t koninklijke schoon, Der Eikenrijen fier ten toon; En zoomen, samen rij naast rij, Den schoonsten weg ter wederzij. En rechts en links en links en rechts— En niet met enkle stammen slechts,— Een Dom van «ongekorven hout»! In wijde spanning, hoog en stout, Als levend lofwerk, vak aan vak, Dus vormend ’t heerlijkst koepeldak, Zoo hoog met ragfijn twijgje en tak, Als Twijzels aloud torendak.— Niet schooner bij u Ellecom, Is het. Milaan! uw marm’ren Dom, Haalt niet bij deze loovertent, Zoo gaad’loos schoon, als min bekend. ’t Is of Gods adem er doorwaart, Als Zefier er door henenvaart, Als ’t jubelt, Hem tot prijs en eer, Van ’t vogellied, voor schepsels Heer!—
Hoe schoon is ’t, deze trotsche laan, Bij Lente en Zomer door te gaan! Wanneer de Zefier er in ruischt, Veelvuldig zich in ’t takwerk kruist; Waar van de Eolusharp, een snaar, Wordt aangeslagen, hier, nu daar! Terwijl ’t veelstemmig, hoog en diep, ’t Registertal van ’t Werk doorliep, Tot eindelijk, van fluistrend zacht, Des reuzenorgels volle kracht, Een luchtmuziek, in Mol en Dur, Weerklinkt, als loflied der Natuur.
Spreid lang uw schaduw nog o Laan! Blijf menschenlevens lang bestaan! De roem van ’t dorp, waar ’s levens dag, Bij mijn geboorte ik blinken zag.
DE VERDWAALDE TOURIST
Mensch, wien de zorg des levens kwelt, Kom maak u op, ga heen naar ’t veld! Langs dreef, langs dennebosch en wei! Op, op! door de ongerepte hei!— Bij de allereersten morgengloor, Nu de ongebaande vlakten door. En altijd verder, heiwaarts heen; Met kudde en scheper, slechts alleen. Den middag in het koele bosch, Gerust, gedroomd, op ’t donzige mos; En ’s avonds, nog een laatste tred, Naar ’t eerbiedwaardig Hunebed. En dan met opgewekten zin, De landelijke herberg in.— Een teuge biers, een land’lijk brood, Genuttigd, bij het avondrood, Dat glijdend over ’t hangend dak, Op ’t groene ruit der herberg brak. Dat als met goud de brink penseelt, Dat iedere eik met gloed bedeelt. En U, den matten wandelaar, Die onder ’t lindelommer daar, In ’t koepeltje van spar en riet, Op ’t voorplein zich ter neder liet, Beschijnt met rood fantastisch licht;— En dat zich verder noordwaarts richt, Eer ’t achter ’t denneboschje trok,— De groen met mos begroeide nok, Van ’t laatste schuurtje, naar dien kant Vooruitgeschoven in het land,— Begroette met zijn laatsten lonk, Voor ’t in zijn gouden slaapsteê zonk.
En nu te bed, nu wel gerust; In slaap, door ’t lindegroen gesust, Welks takken in de nacht’lijke aêm, Zacht ruischen om het vensterraam.—
Met de eerste scheem’ring opgestaan! Zoodra de nieuwe dag zijn baan, Naar de Noord-oosterkimmen richt; En reeds bij ’t weiflend morgenlicht, Met lichte tasch en wandelstaf, Door ’t slapend dorp den landweg af; Zien, hoe de gouden dageraad, In rozegloed langs ’t Oosten staat; En hoe bij ’t eerste koeltje wind, De molen reeds zijn werk begint.— Hoe geurt de hei en dennennaald, En thans eens diep geademhaald! Wat onbeperkte horizon! Nu eerst voorgoed ’t verschiet begon, Nu ’t alles wijkt op de achtergrond, In ’t wazig licht der morgenstond; En boven zich, ’t eens opgemerkt, Hoe ’t zich tot wolkengroepen werkt. Hoe eensklaps ’s wand’laars oog ontwaart, Een statig wand’lend berggevaart, Dat als van de aarde losgeraakt, Een wandeltocht door de ether maakt. Dan met het stroompje weggedwaald, Terwijl het kabbelend verhaalt, Zoo onder ’t ruischen, allerlei: Van waar ’t ontsprong in bruine hei, In stille dalkom ginds naast de Eng, Met borrelenden waterspreng, Van onder knoest’gen eikenstam, ’t Uit wort’lendoolhof zijp’len kwam; En zoo als klare frissche bron, Den langen tocht door ’t veld begon; Terwijl het West een wiegelied, Zong in het suizend oeverriet; Geluisterd, als het straks vertelt, Hoe bij de oase in ’t heideveld,— Waar eene hoeve uit groen verrijst, En ’t mulle zandspoor henenwijst,— Een klein en aardig kleuterpaar, Den eersten lentedag van ’t jaar,— Hun scheepjes drijven doen op ’t nat, Dat om de kiezelsteentjes spat.
Gevolgd nu ’s beekjes kronkelpad; Gepoosd, waar ’t dreunend molenrad, Ons beekje eens aan den arbeid zet, Eer ’t weer ontslagen, onverlet, Door purp’ren heide en gouden brem, ’t Klingklang der woll’ge kudde’s stem, Aan zijnen groenen frisschen boord, Als veldmuziek van ver reeds hoort.
Nu uitgerust in haaz’laars schâuw, Waar nog de parelende dauw— Die op het Westewindje er danst, In heel de kleurengamma glanst.— Gelegerd op ’t veerkrachtig dons, Van ’t zachte mos; naar ’t bijgegons Geluisterd, en den leeuwerik— Die op het eigen oogenblik, Al zingend opvaart naar omhoog,— Gevolgd, door ’t luchtruim met het oog.— Hoe schoon die slagschaduw langs ’t bosch! Hoe maakt die enkle spar zich los, Uit ’s woudzooms groen; hoe grootsch zijn lijn, In ’t volle goud van zonneschijn!— Al keuvelend van jong en oud, Sluipt eensklaps ’t beekje weg in ’t woud.
En de Arme van zijn gids beroofd— Nog eer bij ’t werkelijk gelooft, Staart, als verweesd, langs bosch en grond, Daar hij noch pad noch richting vond.— Drie zijden ’t woud; een zwarte nacht, Heerscht onder Dennen ’s naaldenvracht, Vanwaar het zoo spookachtig ruischt, En ’t al zich als in doolhof kruist. Neen liever dan gezwind en vlug, Naaf de open Heide weer terug: Recht af naar ’t doel; het torendak, Dat glinstrend straks door de eiken brak, In ’t schittrend licht der middagzon. Laag aan den verren horizon.
Toch zie! daar dringt in rechte lijn, Een Tra, bosch in; naar allen schijn Een weg, alsof die ’t woud doorsneed: Zoo koel, vol schaduw, luchtig, breed! Daar langs te wand’len, welk een lust! «Maar wie zegt mij» «wel! neem gerust, Het pad, dwars door het geurig woud, In plaats dat gij ’t door ’t heiveld houdt? «Daar is ’t zoo zonnig, hier zoo koel, En ’t brengt u even goed aan ’t doel.»— «Maar wat duidt mij de richting aan, Die ’k dwars door ’t woud heb in te slaan? Der boomen nameloos getal, Herhaalt slechts de echo, in geval, Ik pad en richting aan hen vraag; En wat ik smeek, of stiltjes klaag, Zij lisp’len, fluistren: «niet verstaan» En zien mij onverschillig aan.»
«Hoor ginds de Koekkoek! is het niet? Alsof hij over mijn verdriet, Reeds gekscheert en hij mij beduidt: «Kom eindlijk eens tot uw besluit! Of wilt ge u hutten bouwen hier? ’t Lijkt niet zoo kwaad: bosch en rivier, Heel zuiv’re lucht; een gratis bad, In ’t koele kristalheldre nat. Geen Kommavrees, volstrekt niet Vrind! Geen Bacil, die gij er ooit vindt; Ozon genoeg, van Den en Eik, En Berken onder uw bereik.»—
«Kwakkak! komt uit de diepte; kwak! Hier zag men nimmer een Barak; Ontsmettingsoven kennen wij,— (Wij zijn in ’t heetste jaargetij, Hier immer en altijd geweest; En altijd door gaat pret en feest—) Zoo ’k zei: hier geen ontsmettingskuur, En geen gevaar van uwen Buur,— Dat die de ziektekiem of bron, Door ’t gootsteengat u brengen kon, Van de gevreesde Cholera.— Gij zijt hier in Utopia.— In heel de wereld is geen bad, Dat ooit die levengeest bevat, Die hier langs uwe voeten stroomt.— ’t Natuurpark ginds, vol hoog geboomt’, Noodt u in ’t middagswandeluur, Na de volbrachte waterkuur, En bovendien, versta mij wel! Speelt morgens reeds de Badkapel U wakker in uw groen paleis, Zooals ’t behoort naar ’s modes eisch.— Ontelbre Musici van naam— Wier lof en roem vooruit, de Faam, Reeds had verkondigd, kwamen hier, Uit aller heeren landen schier. En plompt ge in ’t kille nat uw lijf, Dan heffen zij tot tijdverdrijf— Dat u in ’t bad, niet al te lang,— De tijd zou vallen, liedje en zang, Op wijsjes aan, zoo schoon en vlug, Dat gij wel nimmermeer terug Zoudt willen, naar uw groote stad, Waar gij ’t naar ’t zin toch niet recht hadt.»
«Gij waart hier dan in ’t Paradijs! Alleen dat gij tot elken prijs, Celibitair bleeft; want ik zeg, (Merk goed op, luister! overleg!): Waar gij thans zijt, is ’t vrij domein, Van ’t woudkoor; allen, groot en klein, Ook alles, wat in ’t water leeft, Den aad’laar, tot de kleinste kreeft, Behoort dit alles in ’t rondom, Als onbetwistbaar eigendom. Voor ’t leven echter afgestaan, Kan elk zijn vrije gang hier gaan.— En luidt het in Artikel _Een_, Van onze grondwet: «Algemeen, Geldt dit voor elk Individu; Geen macht kan immer een van U, Ontzetten van zijn wettig recht, Dat hier voor elk is weggelegd; Maar vreemden dulden wij niet hier: Steeds uitgezonderd ieder Dier.»
«Den mensch alleen gedoogt men niet; Omdat, waar hij zich nederliet, Al ’t wee, dat ooit op aarde kwam, In zijn gevolg, hij met zich nam. Het middel heiligt hem het doel: ’t Is alsof hij zich in een poel, Van ongerechtigheden baadt. Hij volgt, als waar ’t naar ’s duivels raad, Steeds tot bereiking van zijn wit,— (Heeft zijn begeert’ hem dat of dit, Doen schijnen eene lieve wensch,)— Die drift.—’t Gedrocht, alias «mensch», Heeft eigenmachtig reeds beslist; En met geraffineerde list, Of overmacht, gaat hij straks heen, En neemt wat hem begeerlijk scheen. Vertreedt er de eerste en hoogste wet, Door aller scheps’len Heer gezet; Door de eerste hunner zelf verkracht, Ten hoon en spot der hoogste Macht.— Niet dat hij niet gebruiken mag, Wat tot zijn nut hij vond, of zag— Hij moordt en hij verdelgt uit lust, Als ware hij zich onbewust,— Dat al wat leeft, er met een doel Bestaat. Dat rondom een gevoel, Van vreugde, blijdschap, leed of smart, Geniet of lijdt, in ’t eigen hart.»
«Zoo kwam onlangs een vreemde snaak,— Wij dachten, slechts tot zijn vermaak,— Een die Natuur genieten wil,— Behoedzaam, loerend, zwijgend, stil, Met haviksoogen, woest en leep— Nam soms een sprong, deed soms een greep»....
«Wij wachten op dien avond lang; En ’t werd ons om het hart zoo bang; O menig zucht werd er geloosd, Om ’t lang wegblijvend kikkerkroost; Tot dat, na nameloos verdriet, Ik ’s anderen morgens, in ’t verschiet, Bij ’t eerste gloren van den dag, Ik uwer gruw’len werk reeds zag. Ik zag mijn kroost gevierendeeld.... Ons vleesch had eens uw tong gestreeld... Met mijner kindren vleesch en bloed, Hadt kannibalen ge u gevoed.»— «Koekkoek!» ei hebben wij u hier? Wier maagschap zelfs ’t onschuldig dier— Het weêrloost schepsel niet ontziet,— Dat als ’t uw weg kruist, graag ontvliedt; Wier kleine duivels, reeds volleerd, In ’t kwaad, en steeds ongegêneerd, Zich oefenen in roof en moord, Zooals ik gister heb gehoord; Hoe zij onze ei’ren, niet alleen Uithalen, maar het nest meteen Vernielen, al is ’t nog zoo hoog, Of hoe verborgen voor het oog. Maar dit is ’t ergste er nog niet van Dat boevenrot! wanneer het dan Ons kleintjes opmerkt, die zoo ver Gekomen zijn, dat zij nu er, Uit de eitjes kwamen,—roepend: «wie! Van ons de stoutste thans is, die Ze uithalen durft, hij is een man! Die zoo iets koens volbrengen kan.» Eén maakt het rijke nestje buit, En moordt ons huis met kinderen uit.»
«Wat zoudt gij zeggen menschenzoon! Wanneer men u ontrukte uw kroon: Uw kinderzegen, van uw hart, En u alleen liet met uw smart?»
«En nog eene aanklacht heb ’k te doen: Ik vloog zoo even langs het groen, ’k Zag op een bloem Vriendin «Kapel,» Zij vroeg mij toen: «heb ik het wel? Of weet ik niet het rechte er van? Waart gij niet met dien gindschen man, Straks in gesprek? ’t Is mij niet lief, Dat hij hier is. ’k Heb menig grief, Ja menig, tegen hem en zou, ’t Hem zelf wel zeggen, maar ik wou, Dat gij het namens mij, maar deedt, Want gij zijt grooter, vlugger. Weet, Dat hij mij licht gevangen nam, En ’k had geen hoop, dat ik ’t ontkwam; Wat lot, door mijner vleug’len pracht, Wie weet, mij dan werd toegedacht!»
«Vraag, hoe ’t zijn zou, dien deugniet thans, Hem, als het staal van pijl of lans, Door ’t eigen vleesch eens henenging, En met heel zijn familiekring, Gespietst, hij zich zag achter glas, Zooals mijn maagschap ’t sinds lang was.»
Maar is ’t, dat ’k misschien mij vergis, Dat hij, die snoode, een ander is,— Koos hij zich hier een plek ter woon, Ter wille van het heerlijk schoon, Dat onze Schepper, groot en goed,— Ons schonk uit Zijnen overvloed— En laat hij ons met rust en vreê,— Wel hij geniet’ dan alles meê: De heerlijkheid van bloem en woud,— En maak’ zijn hart met ons vertrouwd.»
«Kwakkak! ’k zeg nogmaals, «kom alleen!» Wij dulden hier niet meer dan één; Slechts als Celibitair, zijt gij, Ons welkom; vestig u dan vrij.»
«Niet anders» roept een Vinkjes stem, «Ontvangt de vogelwereld hem. Want kwam hij slechts met ééne vrouw, Dan kwam te laat een vroeg berouw: Want ’k zag dit voorjaar op mijn tocht, In eene verre havenbocht, Aan de oevers van den Senegal, Een grooten Schoener aan den wal, Met iets vreemdsoortigs in zijn buik. Ik merkte door ’t geopend luik, Een schittering van kleurenpracht; Ik sloop onmerkbaar nader, zacht, Om te onderzoeken en ik zag.... Wat vogellijkjesstapel lag Daar op een berg! en toen ik weêr, Mij zette in ’t ver Europa neêr, Zag ’k op de helft van ’s menschen kruin, Veel vlerkjes er, in goud, in bruin, In hemelblauw, in schittrend groen, Of in het prachtigst vermiljoen.— Soms een volledig vogellijk, Stond op een vrouwenhoofd te kijk, Van eene dwaze ijdeltuit: De slaafsche mode steeds ten buit.»—
«Na gemeenschaplijk overleg, Van ons, blijve al wat vrouw is weg! Uit ons gebied het allereerst, Zoodat hier vrede en ruste heerscht. De vogeltjes met bonte veêr, Eenstemmig ’t gansche vogelheer, Is ’t, dat thans vol welsprekendheid, Op goede gronden zulks bepleit, Om slechts te gunnen aan één Man, Dat hij bij ons, zich vest’gen kan.
En met den Kikvorsch en Kapel, Als uit één mond klinkt het: «’t is wel.» Waar ’t anders, zie! wij zagen reeds, Vooruit een toekomst, zoo vol leeds; «’t Momenti Mori», in ’t verschiet, Na enkel kommer en verdriet; Dan werd door de toegeeflijkheid, Ons zelf dat naam’loos wee bereid, Dat reeds aan de onzen is gebeurd, Waarover nog zoo menig treurt.»
«’t Is goed gezegd, ’t is goed gedacht: Vermenigvuldigde ’t geslacht, Bij ons zich van één menschenpaar, Dan zoude licht een menschenschaar, Onze arme dierenwereld dra,— Roept heel het woudkoor, vroeg en spâ— Doodmart’len, pijnigen, alras, Totdat niets meer te dooden was.»
«Maar wat geschuifel hoort men hier! Ja wel! daar is ’t bespraakste dier;»— «Gij kent van ouds mij wel, mij slang! Wees voor die menigte niet bang! Neem gij gerust een Eva mee; Eén mensch is niets; dus zij er twéé.— Ik weet een mooie Pommadam. Als ’k er meê bij uwe Eva kwam, Dan naamt ge ook weer een goede beet, En werktet voortaan u in ’t zweet. Gij deedt weêr op dezelfde wijs, Als bij mij eens in ’t Paradijs: Dus hebt gij in een Eva lust: Ik waag daaraan mijn levensrust.»
«Hum! ’k hoor hier van het dierenrijk, Waar men in veel heeft groot gelijk; Men is hier ook bij lang niet bloô: Ik hoorde nooit de waarheid zoo, Op die manier, bepaald, beslist, Zooals ik ’t nimmer had gegist. Men maakte ’t zich niet nood’loos druk, Men hield er immer voet bij stuk, En ieder voorgedragen feit, Werd juist en duidelijk bepleit.— Op kansel, voor de balie, zag, Men zelden het zoo bij den dag, Ik vond het alles zoo gepast. Summa Summarum: ik, verrast. Heb een en ander aanstonds toen, Zelf genoteerd in ’t mollig groen.»—