Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 38 EEN MUSEUMDIEFSTAL.
EEN MUSEUMDIEFSTAL
EERSTE HOOFDSTUK.
IN HET MUSEUM TE FLORENCE.
Lord Lister stond reisvaardig in zijn Londensch huis tegenover zijn vriend Charly Brand. Terwijl hij een sigaret aanstak, keek hij eenigszins zenuwachtig naar zijn kisten en koffers.
„Je wilt dus werkelijk zonder mij weggaan?” vroeg zijn vriend.
„Ja, mijn beste”, klonk het antwoord. „Ik moet eens vacantie nemen. Slechts voor vier weken ga ik Londen verlaten. Ik heb wat rust noodig na onzen laatsten grooten truc. Mijn zenuwen zijn een beetje overspannen en ik heb er behoefte aan om mij ergens te bevinden, waar ik inspecteur Baxter van Scotland Yard en zijn assistent, den voortreffelijken Marholm, bijgenaamd de Vloo, niet telkens zie opduiken.
„Bij den tegenwoordigen toestand van mijn zenuwen zou ik die beide heeren weleens onaangenaam kunnen bejegenen en, je weet het immers: ik houd er niet van, om onbeleefd op te treden.”
„Maar waar wil je dan heengaan?” vroeg Charly Brand.
„Ja, waarheen?” antwoordde Lord Lister aarzelend. „Wacht eens, laten wij eens in den reisgids nazien, wanneer de eerste expresse naar Parijs vertrekt.”
„Wil je je gaan verpoozen in de Seinestad?” vroeg Brand.
„Neen, oude jongen”, klonk het antwoord. „Nu vergis je je geweldig. In Parijs, te midden van al die millioenen aan geld en brillanten zou ik er niet toe kunnen komen om amusementen na te jagen.
„Ongetwijfeld zou de oude dievenaard in mij wakker worden en ik zou met zoo koortsachtigen ijver aan het werk gaan als dat in Londen of New-York slechts denkbaar was.
„Maar wacht eens, ik ben er!
„Ik reis via Parijs naar de Riviera, trek naar het schoone Genua en geniet rustig van mijn vacantiedagen in Italië als de eerste de beste Engelsche tourist.
„Jij, mijn lieve Charly, blijft hier, bewaakt het huis en seint mij dadelijk, als er iets bijzonders gebeurt.
„In Italië kent men mij nog niet in mijn ware gedaante. Daar weet nog niemand iets van John Raffles, die door de politie wordt achtervolgd, omdat hij den millionnairs hun geld afneemt en het aan de arme bedrogenen teruggeeft.
„In Italië ga ik nog altijd door voor de rijke en voorname Lord Lister, die zeer vrijgevig is met geschenken en fooien en die zoo bemind is bij arm en rijk, omdat hij een goedhartig, beminnelijk aristocraat is.
„Daarop ga ik naar Rome en daar bezoek ik mijn ouden vriend, den Duitschen schilder professor Grombeck. Wij kennen elkaar nog van vroeger, toen ik een hartstochtelijk verzamelaar van kostbare schilderijen was.
„Ik denk dat ik, als er vier weken van alleenzijn achter mij liggen, jou bij mij laat komen.”
Raffles genoot reeds eenige weken van het verrukkelijkste voorjaarsweer aan de Riviera.
Maar het onrustige bloed in zijn aderen, dat steeds naar nieuwe avonturen verlangde, kon hem niet lang met rust laten.
Toen hij in de beroemde internationale badplaats Rapallo was, verveelde hij zich doodelijk. De oberkellner van het hotel, waar hij zijn intrek had genomen, legde hem de kurlijst voor.
Reeds wilde hij zich inschrijven als Mr. Smith uit Londen, toen een plotselinge gedachte in hem opkwam en hem deed glimlachen. Vastberaden schreef hij:
Politieinspecteur Baxter, Scotland Yard, Londen.
„Wat zou mijn doodsvijand daar wel van zeggen?” dacht hij, inwendig lachend, „als hij eens wist, dat ik hier onder zijn naam verblijf houd!— —”
Twee dagen later las hij in het kleine weekblaadje, dat gedurende het badseizoen te Rapallo verschijnt in de Italiaansche taal, het volgende:
„Een groote beroemdheid op het gebied van de jacht op misdadigers vertoeft sinds eenige dagen in ons midden. Het is de inspecteur Baxter van het Londensche hoofdbureau van politie.”
Hierop volgde een opsomming van Baxter’s heldendaden.
„Wel, ik ben ervan overtuigd”, dacht Raffles lachend bij het lezen van deze regelen, „dat deze mededeeling in de courant haar gevolgen wel zal hebben.”
Hij had zich niet vergist. Reeds den volgenden dag vond hij in zijn kamer een dringend telegram van dezen inhoud:
„Inspecteur Baxter, vertoevende: Rapallo, Hotel Al Cancellerio,
Verzoeke onmiddellijk wegens dringende aangelegenheid naar Florence te komen. Strengste geheimhouding. Spoed!”
Het telegram was onderteekend door den bekenden professor dr. Ciatti, directeur van de Koninklijke Musea en kunstverzamelingen te Florence.
„Wat voor dringende aangelegenheden kunnen er in Florence zijn voorgevallen?” dacht Lister bij zichzelf, „in die rustige, prachtige stad, waar de kunst van het verleden een grootere rol speelt dan het leven van den tegenwoordigen tijd?”
De naam van den afzender van het telegram deed vermoeden, dat er sprake was van een gewichtige museumaangelegenheid.
Onmiddellijk begaf Raffles zich naar Florence.
„Kom,” mompelde hij tot zichzelf, „laten wij ook maar eens voor detective spelen.”
Directeur Ciatti bevond zich in de wereldberoemde Galerij, toen Raffles zich aan zijn villa liet aanmelden.
Maar nauwelijks had hij den bediende den naam van inspecteur Baxter genoemd, of deze wenkte een voorbijrijdend huurrijtuig en verzocht Raffles, dadelijk naar het Museumgebouw te rijden, waar de directeur op hem wachtte.
Het was juist een dag, waarop het Museum gratis toegankelijk is voor belangstellenden; toen Raffles voor den ingang uitstapte en de zuilengalerij betrad, die een soort van voorportaal vormt, stroomde een bonte, internationale menigte naar de deur.
Alle zalen waren gevuld met publiek.
Geleid door den bediende, liep de Groote Onbekende een lange rij prachtige vertrekken door. De kostbare, met goud versierde plafonds van deze zalen, de kunstig ingelegde vloeren, het artistieke houtsnijwerk der deuren—dit alles scheen slechts als omlijsting te dienen.
Alle wanden waren van boven tot beneden met schilderijen behangen, waarvan elk stuk, in een zware omlijsting gezet, een vermogen vertegenwoordigde, vele zelfs het vermogen van een millionnair.
Bijzonder vol was het in de ronde zaal der Galerij, waar het voornaamste sieraad van de geheele verzameling hing—de beroemde Madonna van Rafaël.
Toen Lord Lister met snelle schreden hier voorbij liep, drong door de wijdgeopende, hooge deuren een luid gegons van bewondering in zijn ooren. In alle mogelijke talen hoorde men uitroepen van verbazing en verrukking.
In de onmiddellijke nabijheid bevonden zich de vertrekken, waarin het secretariaat was gevestigd en het ambtsvertrek van den directeur van het Museum, waar Raffles nu binnentrad.
De directeur, een bejaarde, eerwaardige heer met den karakteristieken kop van een geleerde, begroette hem.
„Ik dank u zeer, dat gij onmiddellijk gevolg hebt gegeven aan mijn verzoek,” sprak hij. „Wij bevinden ons hier in de grootste moeilijkheden en ik geloof, dat gij alleen, geëerde heer Baxter, ons in dit geval kunt helpen.”
„Als de bescheiden krachten van een Engelschen detective de kunst van dienst mogen zijn...”, antwoordde Raffles glimlachend.
„Het handelt in dit geval om een misdaad, die voorbeeldeloos brutaal is,” vertelde de directeur. „Om kort te zijn: het gaat om onze kostbare Madonna van Rafaël.”
„Die heb ik toch zooeven in het voorbijgaan vluchtig gezien,” meende Raffles.
„Ja, dagelijks zien honderden en duizenden menschen haar,” antwoordde professor Ciatti, „en toch—en toch is dat, wat de menigte bewondert, niet de Madonna van Rafaël, maar iets anders.”
Een kreet van verbazing ontglipte onwillekeurig aan de lippen van den Grooten Onbekende. En hetgeen hij hoorde, was dan ook zeer merkwaardig.
De Madonna van Rafaël bevond zich sinds onheuglijke tijden in het bezit van het Florentijnsche Museum.
Als bijzonder kostbaar stuk werd dit schilderij nog gestrenger bewaakt dan de andere schatten, ja, het stond zelfs onder persoonlijk toezicht van den directeur.
De minste beschadiging van het schilderij of zelfs van de omlijsting moest den directeur onmiddellijk worden gemeld. Elken Zaterdag werd door hem persoonlijk het schilderij nauwkeurig onderzocht.
Op zekeren dag overviel hem bij deze bezichtiging een vreemde gewaarwording. Al was hij ook in den loop der twintig jaren, gedurende welke hij in dienst was van de Koninklijke verzameling te Florence vrijwel gewend geraakt aan het genie van Rafaël, toch kon hij niet nalaten, de Madonna telkenkeere opnieuw te bewonderen.
Maar dezen keer was die bewondering gemengd geweest met eigenaardige gewaarwordingen.
Het was hem alsof de trekken der Madonna weinig, heel weinig, voor niemand merkbaar, waren veranderd, alsof het landschap, dat de wonderbare gestalte omgaf, een ander karakter had gekregen.
Het was Rafaël en toch ook weer niet de door God begenadigde kunstenaar, het was niet volkomen deze groote meester, of misschien nog iets meer, de Madonna van Rafaël en nog iets anders...
Professor Ciatti bracht een geheelen dag alleen met het schilderij door. En toen hij des avonds, bleek en uitgeput, de ronde zaal van het schilderijenmuseum verliet, stond het vreeselijke feit bij hem vast:
De Madonna van Rafaël was geruild!
Hij vertrouwde eerst zijn eigen oogen niet!
En toch—het was zoo!
Hoe was het mogelijk, dat binnen deze acht dagen het zoo streng bewaakte schilderij was weggehaald en een goede copie er van op zijn plaats kon zijn opgehangen!
En dat men hier te doen had met een vervalsching, een zeer handige vervalsching, stond voor professor Ciatti vast. Slechts een bekwaam schilder, ja, alleen een beroemd meester kon dit schilderij zoo copieeren, dat het geen enkelen der talrijke bezoekers van het Museum was opgevallen.
En nog iets was den directeur duidelijk: eenmaal moest de verwisseling publiek bekend worden en dan was het gedaan met hem, met zijn geheele bestaan! Hij alleen zou, volgens het oordeel der wereld, het schilderij vervalscht kunnen hebben.
Zoodoende liep hij groot gevaar, voor het gerecht en in de gevangenis te zullen komen. In de eerstkomende weken zou te Florence een internationale conferentie tot instandhouding van kunststukken worden gehouden en het was zoo goed als zeker, dat dan de verwisseling van het beroemde schilderij ontdekt zou worden.
Voordat het zoover kwam, moest er dus raad worden geschaft. Al zijn hoop was nu gevestigd op inspecteur Baxter van Scotland Yard!— —
Peinzend verliet de Groote Onbekende den directeur van het Museum.
Hij haatte het plegen van dergelijke diefstallen. Wel had hij indertijd het beroemde schilderij van Murillo ontvreemd (zie no. 15: „De Zilveren Apostel”), maar hij had het reeds lang weer terugbezorgd en uit een museum had hij anders nog nooit iets gestolen.
Want hij was er van overtuigd, dat de kunstschatten van dergelijke inrichtingen juist den armen kosteloos genot verschaffen, zooals zich dat anders slechts millionnairs kunnen veroorloven.
Hij begreep zeer goed, dat men hier niet met een gewonen dief te doen had. En hij besloot, de vervolging op zich te nemen.
Hij wist hoe streng de schilderijen werden bewaakt.
Om een groot, zwaar schilderij, dat met een solied slot aan den muur was bevestigd, van zijn plaats te krijgen en daarvoor een ander neer te hangen, dat er precies op geleek—dat was een meesterstuk, dat alle andere boevenstreken verre overtrof.
Maar hoe den dief te vinden?
Tot dusverre hadden alle nasporingen, welke de directeur in alle stilte in het werk had gesteld, niets gegeven, totaal niets!
De inlichtingen, welke hij inwon omtrent de personen, die het Museum het meest bezochten, hadden ook tot niets geleid. Het heette, dat gedurende de laatste weken, waarin Florence overstroomd werd door vreemdelingen, als bijzonder drukke bezoekers van het Museum slechts twee personen waren opgevallen: een jonge man en een dame met een zeer voornaam uiterlijk.
Maar de jonge man copieerde alleen met voorkennis van den directeur een klein schilderij en was daarop onmiddellijk weer afgereisd. Ook de dame had naar alle waarschijnlijkheid Florence reeds verlaten, want sinds eenige weken had men haar niet meer gezien.
In gedachten verdiept, liep John Raffles langs den oever van de Arno, langs de Lungarno, de mooiste straat van Florence met haar voorname hotels en het schilderachtige uitzicht op de heuvelen en bosschen.
Plotseling hoorde hij luidkeels roepen: „Giornale di sera!”—„Avondblad!”—„Het lijk in de Cascinen!”
Een courantenjongen kwam Raffles tegemoet met een bundel avondbladen onder den arm. De Groote Onbekende gaf hem een koperen muntstuk en kocht een nummer.
Wat hij daarin las, scheen een zeer alledaagsch geval te zijn. In het stadspark van Florence, in de zoogenaamde Cascinen, was het lijk gevonden van een mannelijk persoon, die herkend was als de dertigjarige ongehuwde Carlo Pasini.
Pasini was een onbeduidend handelaar in oudheden of eigenlijk een tusschenpersoon, een van die figuren, van wie het in Florence wemelt en die het den vreemdelingen soms zeer lastig maken.
Pasini was een tamelijk verloopen sujet, hij dronk en speelde en moest nog in de allerlaatste dagen een vrij aanzienlijke som hebben verloren, die zijn gewone inkomsten verre overschreed. Vanwaar hij dat geld had, was onbekend.
Zooals de buren van Pasini beweerden, moest de nu overledene een rijke beschermer hebben gehad, een Amerikaan. De man had dikwijls gepocht, dat hij van dezen zooveel geld kon krijgen als hij maar wilde.
Maar ondanks deze pocherij verkeerde Pasini voortdurend in groote geldverlegenheid en daarin zou ook wel de oorzaak van zijn zelfmoord liggen.
Dat Pasini niet het slachtoffer was geworden van een misdaad, maar door zelfmoord om het leven was gekomen, had een geneeskundig onderzoek, dat onmiddellijk was ingesteld, bewezen.
Het lijk had een diepe steekwonde.
Er naast lag de dolk, waarmede de ongelukkige zich zelf van het leven had beroofd. In de zakken van den doode vond men 3 Lire 70 centesimi aan kopergeld en een gouden horloge.
Raffles stond tegen de steenen borstwering geleund en hield de courant in zijn hand. Er was eigenlijk niets opvallends in dit bericht en toch—waarom bleven zijn gedachten, die nog zooeven met den diefstal van het schilderij waren vervuld, zich nu hiermede bezighouden?
Opeens doorkliefde een gedachte het brein van den Grooten Onbekende, zoo scherp en helder als een bliksemstraal.
Raffles kon zichzelf niet verklaren waarom. Maar hij wist opeens met groote zekerheid dat tusschen de beide gebeurtenissen, welke hij dezen dag te weten was gekomen, tusschen den schilderijendiefstal en het gevonden lijk, eenig verband bestond.
Hij vatte het besluit, het spoor van den vermeenden zelfmoord verder te volgen.
In het lijkenhuis was de doode niet meer. Als had de politie er haast mee gemaakt om het lijk kwijt te raken, was het lichaam van Pasini nog dienzelfden dag ter beschikking gesteld van zijn familie.
Men toonde Raffles het wapen waarmede de handelaar in oudheden den zelfmoord zou hebben gepleegd.
Het was een eenvoudige dolk, zooals de Italianen die dikwijls gebruiken bij vechtpartijen, maar bij nader onderzoek van het wapen ontging het den scherpen blik van den Grooten Onbekende niet, dat de dolk langen tijd ongebruikt gelegen moest hebben.
Hij ontdekte ook eenige vingerafdrukken op het heft en deze sporen wezen er met alle zekerheid op, dat zij door een persoon waren achtergelaten, die niet gewend was, er mee om te gaan.
Raffles zag duidelijk voor zijn geestesoog, hoe het wapen was vastgehouden en dat was hem voldoende om de overtuiging te krijgen, dat de handelaar in oudheden, Carlo Pasini, door een ongeoefende, vreemde hand was vermoord.
Den volgenden dag vervoegde zich bij de oude moeder van den vermoorden Pasini een man met een klein, houten kistje, dat hij met een riem over den schouder droeg. Men zag dadelijk aan zijn uiterlijk, dat hij kleine sieraden in het kistje had, zooals die veel in de straten van Florence te koop worden aangeboden.
De koopman sprak dialect en gedroeg zich tamelijk brutaal.
Met luide stem verlangde hij van de oude vrouw, dat zij hem 25 lire zou betalen, die haar zoon hem schuldig zou zijn gebleven.
„Die schurk, die bedrieger!” schreeuwde de man, „vijf en twintig lire is hij mij schuldig. Als ik ze niet krijg, sla ik u de vensters in!”
Nu begon de Italiaansche van haar kant ook te schelden. Een half uur lang duurde dit geschreeuw en gevloek; eindelijk begreep de oude vrouw, dat de man niet zoo gemakkelijk weg te krijgen was en riep:
„Wat wilt gij dan? Ik heb geen geld. Mij heeft hij nooit wat gegeven; Carlo kreeg alles. Ga naar hem, misschien betaalt hij je het verschuldigde!”
„Wie?” vroeg de woedende koopman.
„Wel, die vervloekte Amerikaan uit het hotel Bellevue; aan hem en zijn geld heb ik het nu te danken, dat mijn zoon Carlo de hand aan zichzelf heeft geslagen. Ga naar hem, en...”
Bij deze woorden sloeg de vrouw de deur dicht.
De koopman bleef een oogenblik staan, daarop sprong hij vlug op en begaf zich met haastige schreden naar het bedoelde hotel.
Daar verzocht hij den portier zoo beleefd en onderdanig mogelijk om vergunning, den rijken Amerikaan te mogen spreken; hij vertelde, dat hij de vriend van Carlo Pasini was en dien heer eenige belangrijke mededeelingen had te doen. De goedige portier liet den koopman door en riep een der kellners toe:
„Breng dien man naar Mr. Kinley.”
Toen John Raffles—want de koopman was niemand anders dan de geniale meesterdief—boven was, moest hij eenige minuten op den Amerikaan wachten. Deze had juist bezoek.
Nauwelijks was de kellner verdwenen, of John Raffles legde zijn oor tegen de deur en hoorde nog het laatste van een gesprek:
Naar de stemmen te oordeelen sprak een oudere heer.
„Hoor eens, ik moet het hebben, ik moet; het moge kosten, wat het wil.”
„Maar dat is onmogelijk,” antwoordde een tweede, jongere mannenstem.
„Ik bied u tienduizend francs!”
„Het gaat niet,” antwoordde de jongere op kalmen toon.
„Ik bied u vijftien, twintigduizend!” riep de oudere heer opgewonden.
„Neen, ik doe het nu ook niet voor honderdduizend. Bedenk eens...”
De stem ging over tot een gefluister. Raffles hoorde niets meer.
Daarop ging de deur open en een jonge, elegant gekleede man snelde de gang door. Een vluchtige blik was den Grooten Onbekende voldoende om zijn trekken goed op te nemen.
De voorbijsnellende zag er volkomen uit als een man van de wereld, maar Raffles zag dadelijk, dat deze uiterlijke chic van eenigszins verdachten aard was.
„Wat wenscht gij!” klonk op dit oogenblik een stem naast hem.
„Genadige Signore,” begon Raffles en bijna uitte hij een kreet van verbazing, want dien Amerikaan, die daar voor hem stond, kende hij—maar onder een anderen naam!
Onmiddellijk echter bedwong hij zijn verwondering en op onderdanigen toon vervolgde hij:
„Wilt gij mooie, oude dingen koopen, signore? Echte antieke stukken?”
„Laat eens kijken, wat gij hebt,” riep de Amerikaan uit en ging, gevolgd door Raffles, de zitkamer binnen.
De Groote Onbekende begon met hem over antieke meubelen, porselein en schilderijen te praten. De Amerikaan luisterde vol aandacht, wilde de dingen zien en beloofde, goed te zullen betalen.
„Ja, genadige Signore,” riep de koopman, „ik weet dat gij goedhartig zijt. Mijn vriend, die arme Carlo Pasini, heeft het mij altijd wel gezegd.”
„O, zoo? Hebt gij Pasini gekend?” vroeg Mr. Kinley, schijnbaar volkomen kalm, maar het ontging niet aan de scherpe ooren van Raffles, dat zijn stem onzeker was.
„Nu, goed, goed, wij zullen zien. Kom morgen terug. Vandaag heb ik geen tijd,” sprak de Amerikaan, terwijl hij opstond.
Toen Raffles op straat was gekomen, gaf hij zich geheel aan zijn gedachten over.
„Kinley? Kinley? Hoe komt hij er toe, hier in Florence, in deze rustige, vreedzame stad, een valschen naam aan te nemen?”
Raffles had den Amerikaan op den eersten blik herkend. Dikwijls genoeg had hij diens portret gezien en zijn naam in couranten gelezen. Ja, zelfs vaker dan de namen van andere Amerikaansche multi-millionnairs, want de ijdelheid en zucht naar roem van dezen man waren bijna even groot als zijn rijkdom.
Charles C. Talbott ging door voor een der rijkste onder de opperste tienduizend in Philadelphia. Hij was beroemd door zijn weldadigheidszin en om zijn reusachtige kunstverzamelingen. In verschillende steden van Amerika en Europa bezat hij prachtig ingerichte huizen, want hij reisde zeer veel.
Wat bewoog Charles C. Talbott, dezen ijdelsten van alle millionnairs, ertoe om in Florence den naam Kinley te dragen? Wilde hij zich door zijn incognito misschien rust verzekeren en lastige bedelaars op een afstand houden?
Maar ook onder den naam Kinley stond hij in hotel Bellevue bekend als Amerikaansch millionnair en werd hij door allerlei soort kooplieden, bedelaars en verzamelaars lastig gevallen!
Raffles zag iets raadselachtigs in de handelwijze van Charles C. Talbott en dit raadsel moest opgelost worden. Hij was nu opmerkzaam geworden op den millionnair en hij wilde dezen niet zoo spoedig uit het oog verliezen.
De Groote Onbekende verdween voor een oogenblik onder de brug van de Arno, die in de buurt van hotel Bellevue was en toen hij weer te voorschijn kwam, had hij zijn kistje met snuisterijen niet meer bij zich. Daarvoor in de plaats droeg hij een mandje met viooltjes in de hand en zijn gelaat was onherkenbaar veranderd.
„Viooltjes, versche viooltjes!” riep hij. Hij zocht een plaatsje bij het hotel, zooals de Italiaansche bloemenverkoopers dat gewend zijn te doen en bood den voorbijgangers zijn koopwaar aan.
Maar hij verloor de vestibule van het hotel geen oogenblik uit het oog.
Er verliep ongeveer een uur, toen Mr. Talbott bij den uitgang verscheen.
Een rijtuig kwam voor, de millionnair stapte in en reed weg. In snellen draf helde de bloemenverkooper het rijtuig na.
In een der stedelijke plantsoenen, die boogvormig om het binnenste gedeelte van de stad loopen, bleef het rijtuig staan. Talbott betaalde den koetsier en nam zijn weg door de nauwe, smalle straatjes weer naar het centrum der stad.
Raffles volgde hem ongemerkt.
Hij had geen bloemen meer bij zich en maakte den indruk van een mensch, die geen bedelaar van beroep is, maar slechts af en toe zijn hand ophoudt.
Bij een klein, onooglijk wijnlokaal bleef Talbott staan. Hij keek met een snellen blik om zich heen en verdween in het huis.
De Groote Onbekende volgde hem.
Het wijnhuis bestond uit een vrij groot vertrek en een achterkamertje. De kastelein zat bij het buffet en schreef langzaam en met inspanning in zijn boek. Het was in den namiddag, geen enkele bezoeker bevond zich in het lokaal.
Raffles bestelde een halven liter goedkoopen landwijn en ging in een hoekje zitten. Nadat hij een glas had gedronken, legde hij zijn hoofd op de armen en sliep schijnbaar in.
Hij wist, dat Talbott in het aangrenzende achterkamertje moest zijn. Maar hij wilde geen achterdocht opwekken en bleef geduldig zitten.
Opeens hoorde hij zachte schreden. Zonder zijn houding van slapenden drinker te veranderen, haalde Lord Lister snel een photographisch zaktoestel te voorschijn. Op dit oogenblik ging Talbott hem voorbij en achter hem kwam een dame, die haar sluier had opgeslagen, zoodat men haar buitengewoon mooi gelaat kon zien.
Bliksemsnel richtte Raffles zijn toestel op het tweetal. Daarop stond hij geeuwend op, betaalde den herbergier den wijn en verliet het lokaal.
Hij zag Talbott en diens gezellin, die nu haar sluier liet vallen, op ongeveer honderd pas afstands in een rijtuig stappen.
Raffles snelde het voertuig na. Maar blijkbaar op bevel van de inzittenden ging het plotseling in vluggen draf, zoodat Lord Lister het rijtuig niet meer te voet kon volgen. Hij sprong achter op het rijtuig, maar de dame bemerkte dit en gaf den koetsier een wenk. Deze sloeg met de zweep achteruit en Raffles kon nog juist op het laatste oogenblik afspringen. In razende snelheid verdween het rijtuig uit het oog van Lord Lister.
„Wat zou de aristocratie in Philadelphia zeggen, als men u, Mr. Talbott, in een huurrijtuig op deze wijze door Florence zag snellen?” dacht de Groote Onbekende. „Welke reden heeft hij om dat te doen?”
Toen Raffles den volgenden morgen volgens afspraak bij den millionnair kwam in het hotel Bellevue, vertelde de portier hem, dat Mr. Charles C. Talbott rechtstreeks naar Londen was vertrokken.
„Gij hebt er dus reden toe, voor een bescheiden handelaar in oudheden te vluchten, Mr. Talbott”, sprak Raffles lachend tot zichzelf.
Hij wist, dat het hem niets zou geven, al wilde hij den millionnair volgen, want hij begreep, dat Londen slechts het voorgewende doel der reis was. Nu twijfelde hij er geen oogenblik meer aan, of Talbott stond tot de misdaad in betrekking.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE EEUWIGE STAD.
In het „Internationale tijdschrift voor Kunst” stond op zekeren dag de volgende advertentie:
„Een geleerde is van plan een wetenschappelijk werk over oude Italiaansche schilderijen en hun copieën uit te geven. Hij verzoekt derhalve alle artisten en kunstliefhebbers, welke goede copieën bezitten van oude Italiaansche schilderijen, in het belang der wetenschap, hun adres op te geven bij directeur Professor Ciatti, Florence.”
Toen Lord Lister zich bij directeur Ciatti liet aandienen, kwam deze hem tegemoet met een stapel brieven in de hand.