Part 4
Eveneens was de bonte kleurenpracht der schilderijen te sterk voor zijn zenuwen en daarom vertoefde hij het meest in de bibliotheek en de groote zalen, welke zijn kunstverzamelingen bevatten, lagen als een oud kerkhof, eenzaam en verlaten terneer.
Het was een heldere lentemorgen, toen Raffles het kasteel van des Esseintes bereikte. Aan de zware massieve deur, die zorgvuldig gesloten was, vond hij bel noch klopper: deze ingang was niet voor vreemdelingen berekend.
De Groote Onbekende moest geruimen tijd kloppen, voordat de oude bediende, verbaasd over de ongewone storing, verscheen.
„Gij vergist u zeker?” vroeg hij kortaf.
„Neen, ik zou gaarne den Hertog des Esseintes willen spreken,” antwoordde Raffles.
De verbaasde bediende nam hem van het hoofd tot de voeten op.
„De hertog is nooit te spreken,” sprak hij met bijzonderen nadruk op het woordje „nooit”.
Maar Raffles liet zich niet afwijzen.
Dringend verlangde hij te worden ontvangen en ten slotte bleef den ouden man niets over dan het den hertog zelf te gaan vragen.
Ook deze scheen over dit ongewone, ongevraagde bezoek zoo verbaasd te zijn, dat hij, tot groote verbazing van den bediende, den heer liet verzoeken, in zijn salon te komen.
Ook Raffles moest vilten pantoffels aantrekken, als bij het betreden van een zaal, wier kostbare mozaïekvloer niet geschonden mag worden.
Door een lange reeks vertrekken werd de bezoeker door den bediende geleid en wat hij daar zag, was meer dan zeldzaam.
De eetzaal was laag en zag er uit als de hut van een stoomboot. Van uit de vensters zag men geen landschap, maar door middel van een kunstig mechaniek, helder, golvend water, zoodat men zich verbeeldde, dat daar buiten de blauwe zee golfde.
Een andere zaal zag er uit, alsof alles uit ijs was gehouwen. Het vertrek, waar de hertog zijn bezoeker ontving, was geheel met zwart fluweel bekleed. De kamer had den vorm van een zwarten halven kogel, waarvan de bodem de doorsnede was.
De bleeke, bloedelooze gestalte van den hertog geleek op een schim in dat donkere vertrek. Hij was nog jong, maar het bloed zijner voorouders liep langzaam en traag door zijn aderen.
Nadat de gebruikelijke beleefdheidswoorden waren gewisseld, sprak Lord Lister tot den hertog:
„Ik ben gekomen om uwe hoogheid te vragen, of uwe hoogheid Mr. Talbott kent.”
„Het spijt mij, monsieur,” antwoordde de ander, „alles wat daar buiten leeft, heb ik aan de andere zijde van den drempel gelaten.”
De Groote Onbekende was verbaasd. Hoe zat dit? Weigerde de hertog te antwoorden? Dan zou hij niet veel verder komen. Hij vroeg daarom na een korte pauze verder:
„Zou Uwe Hoogheid mij willen toestaan, de kunstverzamelingen te bezichtigen?”
„Vraag dat mijn bediende!” antwoordde de hertog.
Lord Lister kon dus heengaan.
Toen hij den bediende naar Talbott vroeg, kon de oude man hem niets vertellen. Daar niemand den hertog bezocht, wist de bediende niet, of des Esseintes den Amerikaan kende of niet.
John Raffles vroeg nu naar de kunstverzameling van den hertog.
De oude man werd verlegen.
„Daar heeft niemand toegang,” sprak hij.
„Waarom?” vroeg Lord Lister.
„De hertog wil het niet hebben,” antwoordde de bediende.
„Maar als Zijne Hoogheid het veroorlooft...” sprak Raffles.
De bediende zweeg een poosje, daarop sprak hij, zachtjes het hoofd schuddend:
„Het zijn doode dingen, die schilderijen. Men voelt zich daarbij niet op zijn gemak.”
„Niet op zijn gemak?” vroeg Raffles.
„Ja,” knikte de bediende. „Ziet gij, ik ben een verstandig mensch en geloof niet meer aan geesten of spoken, maar ik verzeker u, als ik alleen ben in de groote zaal en aan de muren een zacht geritsel hoor—het is misschien niets anders dan het geratel van een ver verwijderden spoortrein—dan voel ik, oude man, mij niet op mijn gemak.”
„Zoo?” vroeg Raffles nieuwsgierig. „Hoort gij geluiden in de schilderijengalerij?”
„Neen, ik durf dat niet stellig beweren,” antwoordde de oude ontwijkend. „Het kan wel toeval zijn, maar in elk geval ben ik daar niet graag.”
„Hm,” bromde Raffles. „Maar dit is voor mij geen bezwaar!”
En terwijl hij den ouden bediende vriendelijk op zij schoof, trad hij de schilderijenzaal binnen.
John Raffles keek in de groote zaal om zich heen zonder iets verdachts te ontdekken. Hij begaf zich naar een kleiner aangrenzend vertrek, waarin ook schilderijen hingen. Daar beklopte hij de muren, maar ook hier vond hij niets bijzonders.
Nu bukte hij zich en begon den vloer te bekloppen. Plotseling ontdekte hij een plek, die hol klonk.
Met zijn zakmes onderzocht hij de naden van den parketvloer en stak eindelijk op de plek, die verdacht klonk, zijn mes in een der naden, waar hij, zonder veel moeite het eene houten blokje na het andere over een oppervlakte van ongeveer een vierkanten meter uit den vloer oplichtte.
Zijn verwachting kwam uit, want hij ontdekte al spoedig daaronder een donkere, gapende opening.
Snel had hij nog meer blokjes opgelicht en voor hem lag een hellend vlak, dat zorgvuldig met metselsteenen was geplaveid en dat toegang gaf tot een onderaardsche gang.
John Raffles dacht bij deze ontdekking het zijne. Hij wilde niets te vlug doen, daarom dekte hij de opening vluchtig weer toe, begaf zich naar den ouden bediende en verzocht dezen, hem den catalogus te willen geven van de kunstverzameling van den hertog.
Toen de Groote Onbekende den catalogus in handen had, onderzocht hij eerst zorgvuldig of de vermelde voorwerpen werkelijk alle aanwezig waren en hij was in het geheel niet verbaasd, dat eenige der kostbaarste stukken, welke vermeld stonden, ontbraken.
Daaronder was een zeldzame Renaissance-beker van gedreven goud en een kostbaar gobelin uit den tijd van Lodewijk XVI, dat met talrijke juweelen was gezet. Bovendien ontbraken nog meerdere zeldzame edelsteenen, die op gouden en andere sieraden bevestigd waren.
Raffles begaf zich nu in de geheime gang, die ontegenzeggelijk door misdadige handen was gegraven.
Het was een lang, smal en donker gewelf, dat maandenlangen arbeid moest hebben vereischt. In het huis van den hertog vermoedde natuurlijk niemand iets van het bestaan der onderaardsche gang.
Reeds had Raffles volgens zijn berekening zooveel afstand in de gang afgelegd, dat hij zich buiten het hertogelijk park moest bevinden, toen hij plotseling op een muur stiet.
Het scheen alsof hier het eind der gang was, alsof het gewelf bij het huis van den hertog behoorde.
Maar Raffles liet zich niet misleiden. Met de kleine zaklantaarn, die hij bij zich had, verlichtte hij de wanden. En hij vond een voeg in het metselwerk, waarin hij zijn mes als hefboom kon zetten.
En ziedaar—gemakkelijk kon hij de schijnbaar zoo zware steenen verwijderen, zoodat een opening ontstond, waardoor gemakkelijk een man kon kruipen.
Lord Lister liet het licht door de opening vallen.
Doch wat hij daar zag, deed hem bijna een luiden gil slaken.
Vlak tegenover hem, in het schijnsel van het electrische licht, keek hem, bijna als een levende vrouw, de Madonna van Rafaël aan.
Nu begreep Raffles alles.
De onderaardsche gang leidde van het huis, waarin de hertog woonde, naar een verblijf, dat de dief van het wereldberoemde schilderij, hetwelk aan het Koninklijke Museum te Florence behoorde, voor zichzelf had ingericht. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of hij bevond zich hier onder het huis van den Amerikaanschen millionnair Talbott.
Het stond bij Raffles reeds lang vast, dat Talbott de museumdief was!
De Groote Onbekende kroop het onderaardsche verblijf binnen en keek om zich heen. Onmiddellijk ontdekte hij een kraantje, waarmee hij het electrische licht kon ontsteken.
Toen dit brandde, zag hij, dat het geheele vertrek een met prachtige meubelen en schilderijen versierde rustkamer was. Vanuit een aangrenzende ruimte leidde een houten trap met kostbaar beeldhouwwerk naar boven, ongetwijfeld naar de kamers in het paleis van Talbott.
Hier was dus de zoo lang gezochte Madonna!
Toen Lord Lister het schilderij bij het dagheldere licht der electrische lampen zag, moest hij met de verrukking van een kunstliefhebber erkennen:
Dit was het echte schilderij, het origineel!
Maar wat nu te doen? Naar boven gaan, het huis binnendringen en alarm maken, zou dwaasheid zijn.
Hij bedacht ook, dat het onzin was om de politie in den arm te nemen, want hij wist uit eigen ervaring, hoe moeilijk juist op het gebied van kunst een diefstal te bewijzen was. Er zou een langdurige strijd ontstaan, of de Madonna van Rafaël het origineel dan wel een uitstekende copie was en Talbott zou met zijn invloed en zijn millioenen stellig en zeker als overwinnaar uit den strijd treden.
Er bleef dus niets anders over dan den millionnair te slim af te zijn. Raffles moest het schilderij stelen, evenals indertijd Talbott of zijn medeplichtigen het uit het Museum hadden gestolen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
INSPECTEUR BAXTER VAN SCOTLAND YARD.
Een tot dusverre ongekende angst had zich meester gemaakt van de Londensche kunstvrienden, ten gevolge van een kort artikel in de „Times”, dat tot opschrift had:
„Schilderijendiefstal in het Kensington-Museum.”
De Engelschen, die tot dusverre met onverschilligheid hadden gelezen over de internationale bende museumdieven, geraakten in grootste opgewondenheid, nu in hun eigen land een schilderij was ontvreemd. Het was een klein landschap van den beroemden schilder Constable uit de eerste helft van de negentiende eeuw.
Scotland Yard was in rep en roer. Inspecteur Baxter vloog heen en weer en alleen zijn secretaris, detective Marholm, bijgenaamd de vloo, keek met een kalmen glimlach naar het zenuwachtige gedoe.
Onophoudelijk was men in telephonische gemeenschap met Kensington-Museum.
Plotseling meldde het hoofdkantoor een buitenlandsche aansluiting. Florence vroeg gehoor.
„Hallo? Wie daar?”
„Professor Ciatti, directeur van het Koninklijk Museum te Florence. Is inspecteur Baxter aanwezig?” klonk het.
„Ik ben zelf aan de telephoon! Hier Baxter!” riep de inspecteur in slecht Italiaansch.
„Nu, inspecteur, hoe staat het met onze Madonna van Rafaël?”
„Welke Madonna van Rafaël?” riep Baxter verbaasd.
„Maar gij herinnert u toch zeker wel ons gesprek hier in Florence, twee maanden geleden, betreffende den diefstal?” klonk het terug.
„Voor twee maanden?” schreeuwde Baxter met een somber voorgevoel, „ik ben in zeventien jaar niet te Florence geweest!”
Een uitroep van verbazing klonk door de telephoon en professor Ciatti had afgebeld.
Nu volgde een drukke wisseling van telegrammen tusschen Londen en Florence. Eindelijk kwam inspecteur Baxter buiten zichzelf bij Marholm:
„Een ongehoord geval—in het Museum van schilderijen te Florence heeft het een of andere individu zich onder mijn naam voorgesteld!”
„Ik vind dat geen ongehoord geval,” antwoordde Marholm spottend. „Zullen wij eens wedden, inspecteur, dat onze vriend Raffles daar achter steekt? Dat zou niet de eerste keer zijn!”
„Ik wed niet met u!” schreeuwde Baxter en woedend vervolgde hij:
„Alweer die vervloekte Raffles!”
Onmiddellijk begaf Baxter zich met Marholm naar het hun welbekende huis van Lord Lister.
Maar daar stond hun een oude, grijze bediende te woord, die hen mededeelde, dat Lord Lister dit huis, hetwelk hij reeds sinds langen tijd niet meer bewoonde, onder zijn bewaring gesteld.
Met hen beiden stelden de politiebeambten een huiszoeking in. Maar de kamers maakten werkelijk den indruk van verlatenheid en alleen het kleine dienstbodenvertrek was met allerlei goedkoope prullen gevuld, zooals een oude man die gaarne om zich heen ziet.
De dikke Marholm klopte lachend met zijn hand op een plaat en sprak: „Nu, de concurrentie met het Kensington-Museum is niet heel groot!”
„Houd uw ongepaste aardigheden voor u!” riep Bakker hem woedend toe. Hij was prikkelbaarder dan ooit, omdat zij bij de huiszoeking niets hadden gevonden en nu onverrichterzake moesten heengaan.
Geen van hen beide had gezien, hoe de oude huisbewaarder bij de schertsende woorden van Marholm een weinig bleek was geworden.
Nauwelijks waren de beide beambten van politie verdwenen, of de bediende ontdeed zich van zijn grijze haren en livrei en van onder de vermomming kwam te voorschijn de vriend van Lord Lister, Charly Brand, die zich nu als een Engelsch koopman ging kleeden.
Daarop ging hij naar het dienstbodenvertrek, waar de plaat uit het geïllustreerde tijdschrift aan den muur hing.
Voorzichtig haalde hij er de punaises uit. De plaat scheen op carton geplakt te zijn. Maar dit was slechts schijn, want daarachter kwam het verrukkelijke Theems-gezicht van den beroemden schilder te voorschijn.
Charly rolde het schilderij, dat op linnen was, op, haalde een cylinderhoed, haalde er de zijden voering uit en bevestigde op die plaats het opgerolde schilderij. Daarop naaide hij de zijden voering daarover en met opgewekt gelaat kwam eenige oogenblikken daarna een jonge heer uit het huis te voorschijn met een hoogen hoed op, het type van den Londenschen beursbezoeker, zooals men die bij honderden in de City ziet.
Nog dienzelfden dag vertrok Charly Brand van uit Dover met de stoomboot, die hem over het Kanaal naar Calais zou brengen.
Des avonds tikte op Scotland Yard in de kamer van inspecteur Baxter het telegraaftoestel. Baxter was juist afwezig en daarom nam Marholm het telegram op. En wat hij op de papierstrook las, ontlokte hem, zooals altijd in dergelijke gevallen, een vergenoegden glimlach:
„Parijs. Politie-inspecteur Baxter, Scotland Yard, Londen.
Kan u mededeelen, dat gestolen schilderij uit Kensington-Museum niet in Londen, maar te Parijs is.
Raffles.”
„Zoo, zoo,” lachte Marholm, „wat zal Baxter vloeken, als hij dit telegram leest!”
Toen Charly Brand te Parijs op het perron aankwam, kwam een magere pakjesdrager naar hem toe, die hem zijn koffertje bijna uit de hand rukte. Charly, die bijna duizelig werd van de drukte om hem heen en die vreemd was in de Fransche reuzenstad, volgde den man op den voet.
Maar plotseling zag hij, dat de kruier, achter wien hij liep, terwijl hij tegelijkertijd naar alle kanten uitzag om Lord Lister te ontdekken tusschen de menschenmenigte, hem niet naar den uitgang van het station had gebracht, maar dat zij zich bijna aan het eind van het perron bevonden.
Reeds wilde Charly wantrouwend den kruier zijn koffertje afnemen, toen een welbekende stem hem lachend vroeg:
„Maar Charly, wie vertrouwt zijn bagage zoo blindelings den eersten den besten toe? En als ik nu eens een politiebeambte was?”
De kruier nam zijn pet af en Charly herkende tot zijn groote vreugde zijn vriend Raffles.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mr. BAXTER EN DE VLOO TE PARIJS.
Een dag later kreeg de directeur van het Huis van Bewaring te Parijs tot zijn verbazing bezoek van twee Engelschen, die zich als beambten van Scotland Yard legitimeerden. Hunne papieren en onderscheidingsteekenen toonden aan, dat het inspecteur Baxter en Marholm waren. Baxter verzocht den directeur een onderhoud met den in voorarrest zittenden Dent.
Toen de beide Engelsche politiebeambten naar het kleine vertrek werden gebracht, waar zij Dent zouden spreken, fluisterde de als Baxter voorgestelde tot den ander:
„Charly, gij blijft dus buiten voor de deur wachten en meldt mij, wanneer er gevaar mocht dreigen!”
De voorkamer van het kleine vertrek, waarin de voorgewende Baxter met Dent zou spreken, gaf met zijn ramen juist uitzicht op de groote aparte trap, die naar het Huis van Bewaring leidde. En terwijl Raffles onder de vermomming van den inspecteur van politie binnen met Dent sprak, ging Marholm uit verveling bij het raam zitten om te kijken naar het voorbijgaande Parijsche leven. Eenig gevaar of een plotselinge overval scheen hem voor het oogenblik buitengesloten.
Dent werd binnengebracht. De voorgewende Baxter gaf den bewaker een wenk zich te verwijderen, trad daarna op den met somber gelaat voor hem staanden persoon toe en zei met gedempte stem, hem scherp aankijkend:
„Het baat u niet te zwijgen, meneer Dent. Ik weet alles. Kitty Potter heeft uit de school geklapt!”
Als door den bliksem getroffen keek de in voorarrest zittende den spreker aan. Opeens sprong hij als een wild dier op Raffles toe. Doch deze bedwong den woesteling met zijn doordringenden blik, en langzamerhand liet Dent zijn armen omlaag zakken. Een diepe zucht kwam over zijn lippen.
„Hebt gij in Florence Pasini vermoord?” vroeg Raffles.
Een stom knikje met het hoofd was het antwoord.
„Gij wildet hem uit den weg ruimen, omdat hij medeplichtig was aan den diefstal in het museum?” vroeg Raffles, Dent met zijn scherpen blik als het ware hypnotiseerend.
„Dat vervloekte wijf!” zuchtte de gevangene, „het was beter geweest, dat ik haar nooit had gekend!”
„Het was dus Kitty Potter, die u tot den schilderijdiefstal aanzette?” vroeg Raffles op beslisten toon, alsof hem inderdaad alles was meegedeeld, terwijl het toch slechts een gelukkige combinatie was van zijn vorschenden geest.
„Dat duivelsche wijf behoorde aan Talbott; hij maakte haar buigzaam, die vervloekte millionair. En zij ving mij in haar netten; de prijs voor de diefstallen in de musea zou zij zelf zijn!”
„Maar gij hebt beproefd, bij Talbott afpersingen te plegen, dat was dom van u, mijn waarde,” zei Raffles.
Op hetzelfde oogenblik werd er aan de deur geklopt. Marholm stak zijn hoofd opgewonden door de reet:
„Een enkel woord, inspecteur!”
Tijdens het verhoor van Dent was er iets zeer verontrustends geschied.
Charly had, in het masker van Marholm, heel goedmoedig uit het raam zitten kijken. Plotseling ontwaarde hij, dat beneden bij het portaal een automobiel stilhield. Twee mannen verlieten het gevaarte en bestegen de groote trap. Het was inspecteur Baxter en zijn makker Marholm, bijgenaamd de vloo! Het telegram van Lord Lister had hen naar Parijs doen komen.
Snel deelde Charly zijn vriend de situatie mee.
„Slechts brutaliteit kan ons redden, mijn beste!” lachte de Groote Onbekende.
En terwijl hij den bewaker op bevelenden toon toeriep: „Bewaak den gevangene goed! Ik moet naar den directeur!” vloog hij met Charly Brand weg.
Zij snelden door de lange gangen van het Huis van Bewaring, steeds op hun hoede, op hun vlucht niet te zeer de aandacht te trekken.
Eindelijk hadden zij den uitgang van het huis bereikt. Reeds wilden zij de groote aparte trap afgaan, toen plotseling, als uit den grond gerezen, de werkelijke Baxter en de werkelijke Marholm, die juist de trap waren opgeklommen, voor hen stonden.
Zonder de beide naderbijkomenden den tijd te laten hen aan te kijken, liepen Raffles en Charly, als in groote haast, met een vaart tegen hen aan, en zonder zich te verontschuldigen, snelden ze weg over de lichamen der beide politiebeambten heen, die door den hevigen stoot op den grond waren gevallen.
Lang keken beiden elkaar aan, totdat Marholm voorzichtig het woord nam:
„Hoor eens inspecteur, we zouden immers eerst dit huis binnentreden—doch het is mij juist, alsof we er pas uitgeloopen zijn. In elk geval leek die andere kerel verduiveld veel op mij!”
Inspecteur Baxter bukte zich ondertusschen naar een klein, wit kaartje, dat voor hem op den grond lag, las het, en met een woedenden kreet riep hij:
„Raffles!”
Terwijl de twee Engelsche politiebeambten nog in de grootste opgewondenheid met den directeur van het Huis van Bewaring confereerden, ontving deze juist een telegram. Het was geadresseerd aan inspecteur Baxter, Scotland Yard. Tijdelijk Huis van Bewaring, Parijs. Directeurskamer.
„Wie kan nu weten, dat ik op ’t oogenblik hier ben?” sprak de inspecteur verbaasd, terwijl hij het telegram openscheurde. Doch de inhoud deed hem blijkbaar nog meer versteld staan:
Het waren de volgende woorden, die Marholm, over Baxter’s schouder heen, las:
„Raffles houdt zich verborgen in het huis van Charles L. Talbott, Bois de Boulogne.”
Alles kwam in opschudding. Wie kon dat telegram hebben verzonden? Alleen een verrader van Lord Lister.
Niemand kwam natuurlijk op de gedachte, dat de Groote Onbekende zelf, ten dienste van zijn doel, het telegram had verzonden.
Dadelijk vroeg Baxter aan den heer Lépine, den Parijschen prefect van politie, verlof, het huis van den rijken Amerikaan, onder leiding van een Franschen beambte te mogen binnendringen.
Toen de Engelschen met de beambten der Fransche politie bij den Amerikaan verschenen, was deze aanvankelijk weinig geneigd, hun wensch tot een huiszoeking toe te staan. Dat Raffles zich in zijn huis zou bevinden, scheen hem de vinding van een dolleman. Maar aan de schriftelijke verklaring met de handteekening van den prefect van politie moest hij zich onderwerpen. Met een handbeweging stelde hij zijn huis ter beschikking van de beambten:
„Ga uw gang, gij zult niets vinden!”
Geen der beambten vermoedde natuurlijk de aanwezigheid van een onderaardsch gewelf. Reeds wilden zij onverrichter zake vertrekken, toen plotseling als diep uit den schoot der aarde een gedempte stem klonk:
„Zoek dieper!”
Ontsteld keken zij elkaar aan. De Amerikaan was bleek geworden.
„Och, ik vergat nog,” zei hij geërgerd, „dat ik beneden een gewelf heb, waarin ik eenige sieraden bewaar. Nu, daar zal nauwelijks iemand kunnen binnendringen.”
Doch de beambten verzochten dringend te worden toegelaten tot de zich beneden bevindende ruimte.
De Amerikaan bedacht zich, dat feitelijk in het eerste gewelf slechts een paar onbeduidende kasten met brokaten stonden, en dat de deur, die naar het vertrek met de geroofde kunstwerken leidde, direct in den muur was aangebracht. Hij behoefde dus de beambten alleen te verklaren, dat dit de eenige ruimte was beneden in huis; van de aanwezigheid van geroofde schatten zoo dicht bij zouden zij niet het geringste vermoeden hebben.
Doch toen hij de beambten naar beneden had geleid en deze onderzoekend rondkeken, weerklonken plotseling drie slagen op de geheime deur. Een stem riep:
„Ik heb u hierheen gebracht om u den bedrijver van den museumdiefstal aan te wijzen. Breek de geheime deur open—daar vindt gij opheldering!”
De stem zweeg. Men hoorde een zacht geruisch en alles was stil. De aanwezigen stonden als versteend. Opeens zag Marholm, dat de Amerikaan zich plotseling uit de voeten wilde maken. Doch de beambte plaatste zich breed voor den uitgang en riep:
„Niemand verlaat deze ruimte! Geef een breekijzer!”
De dunne houten deur, die er als een steenen muur uitzag, was spoedig opengebroken en men drong het nevenvertrek binnen, Marholm dicht achter den Amerikaan aan.
Van het plafond scheen getemperd electrisch licht omlaag, de geroofde kunstwerken en geheel vooraan het groote Madonnabeeld van Rafaël bestralend. Daarvoor, op een rijk besneden kast stond een elegante Engelsche cylinderhoed, en daarop lag een brief in een deftig-langwerpig couvert met het opschrift:
Den inspecteur van politie Baxter, Scotland Yard, tijdelijk Bois de Boulogne, ten huize van den rijken schurk Talbott.
Een kreet van verbazing klonk uit den mond van alle aanwezigen. Baxter maakte haastig den brief open. Er viel een kleine fotografie uit, die den Amerikaan voorstelde met miss Kitty Potter in het café te Rome. Daarbij bevond zich het volgend schrijven:
Zeer geachte Mr. Baxter!
Ik deel u mede, dat zich in dezen cylinderhoed tusschen de zijden voering het gestolen landschapje uit het Kensington-museum in ongeschonden staat bevindt. Ik liet het stelen en hierheen brengen, om eindelijk eens de aandacht der politie te vestigen op Mr. Charles L. Talbott, die met behulp van zijn millioenen de arme menschen berooft van het laatste geluk, dat hun geschonken kan worden, het kunstgenot der musea. Bovenal maak ik u opmerkzaam op het groote kostbare Madonnabeeld, dat u zeker ook in de grootste verrukking zal brengen.
Welnu, om de Engelsche politie op het spoor der schurken te brengen, pleegde ik den diefstal van het landschap van Constable. Zoek niet naar mij, ik ben reeds lang in veiligheid en behoud den cylinderhoed als souvenir.
Uw John Raffles, de groote onbekende.
Daarnaast lag een brief met het opschrift:
Aan den Rechter van instructie.
De bijzonderheden der diefstallen zal u de in voorarrest zittende gevangene Dent meedeelen, die tevens de moordenaar is van den Florentijnschen Pasini. Als getuigen der diefstallen heeft u professor Ciatti uit Florence en professor Grombeck uit Rome uit te noodigen.
Raffles.
Opeens wilde de Amerikaan door een plotselingen uitval den schijnbaar onoplettenden Marholm op zij duwen om den uitgang te bereiken. Doch de vloo was op zijn hoede. Met een sprong wierp hij zich op Talbott, en voordat de van woede kokende het wist, waren zijn handen geboeid.
Waar was Raffles echter gebleven? Eindelijk ontdekte men een opening in den muur, die toegang gaf tot de lange gang, die naar het paleis van den hertog des Esseintes voerde.
De beambten snelden naar binnen en stonden plotseling voor den ontstelden ouden Huysmans, den bediende van den hertog. Doch deze kon alleen meedeelen, dat even tevoren uit het geheimzinnig vertrek, dat de kostbaarheden van den hertog bevatte, een zwarte gedaante was geslopen, die hij echter als gezichtsbedrog had beschouwd.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE ONECHTE Mr. TALBOTT.