Part 3
De bagage van den Amerikaan lag in het net boven zijn hoofd; als toevallig keek de geestelijke naar de pakjes, waarbij zich een in de lengte opgerold cartonnen foudraal bevond.
Het was eigenlijk te lang om als handbagage van een eerste klasse reiziger te dienen en men begreep, dat de inhoud van te veel waarde moest zijn, dan dat die aan den bagagewagen kon worden toevertrouwd. Eenige oogenblikken rustte de blik van den dikken geestelijke op den cartonnen koker, daarop richtte hij het woord tot den Amerikaan en sprak op jovialen toon: „Een mooi land is ons Italië, vindt u niet?”
„Ja, Italië is prachtig”, antwoordde de Amerikaan kortaf.
Zij hadden nu een onderwerp van gesprek en nadat zij eenigen tijd over de voordeden van het zuidelijk klimaat hadden geredeneerd, sprak de geestelijke:
„En dan de kunst! Denk eens aan onze groote artisten, zooals Rafaël, Michel Angelo, Leonardo da Vinci!”
Een bijna onmerkbare schaduw vloog over het gelaat van den Amerikaan.
„Ja”, sprak hij langzaam, „het is immers ter wille van de Italiaansche kunst, dat wij Italië bezoeken.”
Hij staarde peinzend voor zich uit; de geestelijke trachtte nog het gesprek weer aan te knoopen, maar de antwoorden van den Amerikaan werden steeds korter en eindelijk zweeg hij.— —
„Alles uitstappen! Douane!”
De trein stopte aan de Fransche grens. Een bende pakjesdragers stormde op den trein aan; koffers, doozen, valiezen, kleine en groote tasschen, alles werd uit den trein geladen en opgestapeld in de groote ruimte, waar het onderzoek der douanen plaats vond.
De reizigers gingen rondom lage tafels staan, die in een halven cirkel rondom de bagageruimte waren geplaatst.
Namen werden opgeroepen, koffers geopend, kostbare stoffen, sieraden en kunstvoorwerpen werden door de beambten getaxeerd en belast.
„Hebt gij iets aan te geven?” vroeg de kleine Fransche beambte met het puntbaardje, terwijl hij den corpulenten Italiaanschen geestelijke naderde. Reeds wilde hij bevel geven het handkoffertje te laten openen, toen de geestelijke zich tot den beambte boog en dezen in het oor fluisterde:
„Laat mijn bagage niet openen. Gij hebt zeker reeds een bevel van hooger hand daaromtrent gekregen. Mijn naam is...” de laatste woorden waren alleen verstaanbaar voor den douane-ambtenaar.
Deze glimlachte veelbeteekenend en antwoordde met een buitengewoon beleefden groet:
„Een klein plezierreisje naar Parijs zeker?”
John Raffles verloor geen oogenblik den Amerikaan uit het oog.
Het duurde zeer lang, voordat diens bagage werd getaxeerd. Het waren ware kostbaarheden, welke de rijkaard medenam uit Italië: schilderijen, beeldhouwwerk, sieraden, snijwerk in hout en ivoor, kunstig ingelegde mozaïeken en ontelbare andere voorwerpen, welke de verzamelaar voor veel geld in Italië kan koopen.
Bij verscheiden voorwerpen, welke zeldzame antiquiteiten waren, moest de Amerikaan de koopacte vertoonen en daardoor werd de belasting nog hooger.
Eindelijk had alles een beurt gehad en bleef alleen nog de lange cartonnen koker over.
Raffles zag, dat de beambte hem opnam en dat het een zwaar voorwerp was. Toen het étui werd geopend lag daarin een lange, sierlijk bewerkte verrekijker uit het begin der negentiende eeuw. Vermoedelijk had deze kijker groote historische of artistieke waarde, waarom de kooper zijn eigendom zoo zorgvuldig bij zich hield. Het werd belast met een klein bedrag aan inkomende rechten.
De verrekijker werd weer in het étui geborgen en het viel Raffles, die met scherpe blikken toekeek, op, dat de Amerikaan het voorwerp met welgevallen weer in het omhulsel zag verdwijnen.
Alsof hij niemand zijn kleinood toevertrouwde, nam hij zelf het zware cartonnen étui op en droeg het naar zijn coupé terug.
De dame had niet veel aan te geven. Eigenlijk behoefde zij slechts voor één enkel schilderij inkomende rechten te betalen. Dat was een modern, goedkoop, met harde kleuren geschilderd landschap.
Zelfs een leek kon bij het zien van dit schilderstuk onmiddellijk constateeren, dat het een vrij waardeloos modern Italiaansch doek was. Des te kostbaarder echter was de zware prachtige omlijsting van het schilderij.
De galante Fransche beambte kon niet nalaten op schertsenden toon op te merken:
„Madame betaalt alleen belasting voor de zware lijst!”
En als om het schilderij te taxeeren, nam de Franschman het in de hand en woog het met lachend gezicht.
Een doodelijke bleekheid bedekte het gelaat der dame. Maar zij beheerschte zich en glimlachte flauwtjes.
De beambte, die dezen glimlach als een aanmoediging opvatte, vervolgde op half officieelen, half schertsenden toon:
„Als onze belasting zoo hoog was als het schilderij met de lijst zwaar is, moest Madame nu meer betalen dan het geheele stuk waard is!”— — —
Daar buiten pufte de locomotief als gereed om weer te vertrekken. De eigenaardige drukte, welke heerscht aan het station der Italiaansch-Fransche douane, was afgeloopen. De reizigers hadden hun plaatsen weer ingenomen, de bagagewagen was gevuld, het platvorm was weer leeg.
Toen Raffles zijn coupé weer binnenging kwamen hem van den anderen kant de Amerikaan en de dame tegemoet. De groote onbekende zag, dat de Amerikaan in de nauwe zijgang haar de hand drukte en hij hoorde hem fluisteren:
„Ik dank je, Kitty!”
Daarop deden zij beiden weer alsof zij elkaar niet kenden. Elk nam zijn plaats in, de locomotief liet een gillend gefluit hooren en de trein rolde verder.—
Naar Parijs!
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE TELEFOONARBEIDER.
Charles L. Talbott was in Parijs een niet minder bekende persoonlijkheid dan in Philadelphia.
Hij bezat in de Fransche hoofdstad een reusachtig paleis en in den omtrek eenige uitgestrekte bezittingen.
De intieme vrienden van den milliardair uit Philadelphia wisten, dat hij, wat opvoeding en eigenaardigheden betrof, meer Franschman was dan Amerikaan. Toen hij de dertig was gepasseerd, had hij het zoover in zaken gebracht, dat ook gedurende zijn afwezigheid zijn bankierszaak in Philadelphia reuzenwinsten afwierp.
Daarom nam hij elke gelegenheid te baat om reizen te maken naar Europa. Zijn scherp verstand en zijn helder inzicht stelden hem in staat de financieele markt zoodanig te overzien, dat hij vanuit het vasteland van Europa door middel van telegraphische bevelen groote en belangrijke zaken kon ondernemen, welke enormen invloed hadden op de beurskoersen.
Charles Talbott bleef, ondanks zijn onmetelijken rijkdom en zijn allerwege bekende beminnelijkheid, ongehuwd. Deze man, die even hoog ontwikkeld als rijkbegaafd was, kende slechts één hartstocht: de kunst. Hij was een der meest hartstochtelijke verzamelaars van geheel Amerika. In den loop der jaren had hij een waar museum gemaakt van zijn huis in Philadelphia.
Later, toen zijn reizen naar Europa steeds menigvuldiger werden, verhuisde hij bijna geheel naar Parijs. Het gezellige leven in de hoofdstad van de Fransche Republiek had meer aanlokkelijks voor hem dan het onophoudelijke „zaken doen” in zijn vaderstad.
Zeer spoedig na zijn verhuizing naar Frankrijk werd Talbott’s naam populair. Ook hier wist men veel te vertellen, evenals in de Vereenigde Staten, van de groote vrijgevigheid en de even groote ijdelheid van den Amerikaanschen geldkoning. Zijn giften voor liefdadige doeleinden en ten behoeve van de kunst waren vorstelijk.
Hij schonk meer dan een millioen aan de Academie, de rente van een ander millioen francs bestemde hij voor ondersteuning van begaafde beeldhouwers en bijna ontelbare malen hielp hij met milde hand jonge kunstenaars op elk gebied vooruit.
Talbott leidde in Parijs een leven, dat weinig in overeenkomst was met zijn persoonlijke ijdelheid.
Hij kwam slechts zelden in gezelschappen. Dikwijls wist men wekenlang niet, of hij thuis was dan wel op reis. Zijn paleis in de nabijheid van het Bois de Boulogne, in een der voornaamste wijken, was slechts zelden geopend voor bezoekers of grootere gezelschappen.
Men vertelde, dat het een der kostbaarste particuliere kunstverzamelingen van Parijs bevatte, doch slechts zeer zelden had iemand het voorrecht, deze verzameling te mogen bezichtigen.
Men had de schitterendste aanbevelingen noodig om in het huis van Charles Talbott te worden ontvangen.
Daarvan overtuigde Lord Lister zich zeer spoedig uit eigen ervaring, toen hij trachtte, door middel van zijn uitgebreide relatiën, die hij in Parijs bezat, toegang te krijgen bij den Amerikaan.
Het was, als stond er een hooge muur rondom het prachtige paleis, die het volkomen van de buitenwereld scheidde. Hoe dikwijls Lord Lister ook zijn visitekaartje afgaf met den naam van een Franschen markies, onder welken naam hij introductie bij den millionnair wilde krijgen,—telken keere heette het: Mr. Talbott ontvangt niet!
Het scheen alsof er geen kans op was, door het ontvangsalon het huis van den Amerikaan binnen te dringen.
Hij zou zich dus langs een anderen weg dan door het salon toegang moeten verschaffen.
Op zekeren morgen, kort na zijn terugkomst uit Italië, zat Mr. Talbott in zijn cabinet. Hij wilde uitrijden en belde den kamerdienaar, die hem bij het kleeden behulpzaam moest zijn. Eenige minuten verliepen—de kamerdienaar kwam niet. Vol ongeduld drukte Talbott weer op het knopje der electrische bel, een paar minuten later nog eens—maar niemand verscheen. Geërgerd begaf Talbott zich naar de voorkamer en riep:
„Jean!”
„Gij wenscht, mijnheer?”
„Waarom komt gij niet? Ik heb u reeds drie keer gebeld”, sprak Talbott ongeduldig.
„Ik heb niets gehoord”, antwoordde de bediende op beleefden toon.
Juist kwam de majordomus [1] om mede te deelen dat op onverklaarbare wijze alle electrische geleidingen in huis niet meer werkten, zelfs de telephoon niet. Onmiddellijk moest een deskundige op electrotechnisch gebied worden gehaald en opdat het euvel zoo spoedig mogelijk verholpen zou zijn, beval de heer des huizes, dat een der bedienden zich zoo spoedig mogelijk naar de electrische centrale moest begeven om eenige bekwame werklieden te halen.
De bediende begaf zich dadelijk op weg.
Raffles, die reeds sinds den morgen om het huis van Talbott rondzwierf, haalde hem in. Het duurde niet lang of hij was met den bediende in een levendig gesprek gewikkeld over de groote wedrennen, welke dien dag gehouden zouden worden in Passy, een der voorsteden van Parijs.
John Raffles was gekleed als een Fransch burgermannetje en bezigde uitdrukkingen, welke men veel hoort uit den mond van handwerkslieden uit de Westelijke voorsteden van Parijs.
„Zoudt gij graag naar de wedrennen willen gaan, vriend?” vroeg John Raffles den bediende. „Ik heb namelijk een toegangsbewijs voor de tribune, maar ik kan niet gaan: mijn vrouw zou het mij kwalijk nemen. Maar gij—gij kunt het biljet krijgen. Ik wil het u voor een kleinigheid geven, voor 1 franc; het heeft tien francs gekost.”
De bediende dacht na.
„Eigenlijk heb ik het niet erg druk vandaag. De majordomus heeft bovendien beloofd, mij deze week een dag vrij te geven. Maar ik moet nu naar het electrotechnisch bureau.......”
„Dat hindert niet”, viel Raffles hem in de rede; „als gij mij 1 franc voor het biljet geeft, wil ik wel voor u naar den electricien gaan om de boodschap over te brengen.”
De koop was gesloten. De bediende betaalde zijn francs en trok welgemoed met zijn biljet naar de wedrennen te Passy.
Raffles wachtte tot de man was verdwenen, keerde toen terug en begaf zich naar het paleis van Talbott. Maar nog voordat hij de groote poort van het gebouw was binnengegaan, droeg hij plotseling een pet van de electrotechnische maatschappij in Parijs en had hij een kistje met gereedschap in de hand.
Hij wist, wat er hersteld moest worden.
Met veel moeite en voorzichtigheid was het hem gelukt in de nachtelijke uren de electrische geleidingen naar het huis door te snijden. Wat hij daarmede beoogde, had hij door zijn onderhoud met den sportlievenden bediende bereikt.
Met het uiterlijk van een deskundige luisterde hij naar het verhaal van den majordomus omtrent de storingen. Nadat hij den aanleg der electrische geleidingen van het huis had bekeken, verklaarde hij, dat de storing te zoeken was in een chemische werking in de samenstelling van eenige der geleiddraden. Die draden moesten dus vernieuwd worden, een werk, dat twee dagen in beslag zou nemen.
Raffles werkte onder voortdurend toezicht van een der bedienden. Maar ondanks deze strenge contrôle kon hij toch een goed overzicht krijgen van het reusachtige gebouw.
Eigenlijk bewoond werden slechts 5 of 6 kamers. Hierin werkte en sliep de heer des huizes en ontving hij de zeldzame bezoekers. Aan de slaapkamer grensde de enorm groote bibliotheek en vandaar gaf een deur toegang tot de kunstverzameling. Het overige gedeelte van het huis bestond uit een lange rij prachtige vertrekken, die met al hun weelde koud en ongezellig waren.
De Groote Onbekende veronderstelde, dat Talbott geen twee vreemde werklieden in zijn huis zou willen hebben, wanneer een het werk zou kunnen afdoen. Hij hield rekening met het wantrouwen van den millionnair en hij vergiste zich niet: twee dagen werden hem toegestaan om alles in orde te maken.
Als het werk sneller gedaan moest worden, dan zou hij nog een werkman gaan halen.
Eindelijk was de arbeid van Raffles zoover gevorderd, dat hij mededeelde, behalve de bibliotheek en de kunstverzameling gereed te zijn. Hij verzocht den bediende, die steeds toezicht op hem hield, hem naar deze vertrekken te willen brengen.
De bediende zweeg verlegen. Hij wist, dat nimmer, onder geen enkel voorwendsel, iemand deze vertrekken mocht binnengaan. Zelfs als de kamers werden schoongemaakt, geschiedde dat in tegenwoordigheid van Mr. Talbott.
Daartegenover stond, dat juist hier de electrische geleidingen volkomen in orde moesten zijn, want elk der kostbare schilderijen was niet alleen met een slot aan den muur bevestigd, maar ook verbonden met een electrische belinrichting, die onmiddellijk in werking trad als men zou trachten het schilderij van den muur te nemen.
Besluiteloos, hoe in dit geval te handelen, begaf de bediende zich naar zijn heer. Deze liet Raffles bij zich roepen. Met scherpen blik bekeek Mr. Talbott het naïeve gezicht van den werkman; maar de goedige, eenigszins domme trekken van den man wekten het vertrouwen van den Amerikaan op en deze besloot daarom, in zijn tegenwoordigheid den jongen man in zijn kunstverzameling te laten werken.
Slechts met moeite kon Raffles zijn ongeduld bedwingen, toen hij de groote zalen met het bovenlicht binnentrad, waar al de kostbaarheden verzameld waren. Eerst langzamerhand konden zijn oogen aan deze rijkdommen wennen en begon hij zich te oriënteeren.
Hij stelde vast, dat men hier schilderijen van de beroemdste schilders had, zooals men die alleen vond in de koninklijke Museums te Florence, in de National-galerie te Londen, in het Kaiser Friedrich Museum te Berlijn, in het Louvre te Parijs of in de Eremitage te Sint Petersburg. Hij was er van overtuigd, dat elk dezer schilderijen een waarde vertegenwoordigde van een half of een heel millioen, sommige waren zelfs nog veel meer waard en deze verzameling bewees ten volle hoe onmetelijk rijk de Amerikaansche bankier moest zijn.
Al deze schilderijen hingen in zwaar vergulde lijsten en elk was voorzien van een plaatje, waarop de naam en de jaartallen vermeld stonden van den schilder. Maar de gestolen Madonna was er niet bij...
De werkman arbeidde vlijtig door aan de geleidingen. Mr. Talbott stond op eenigen afstand van hem en keek voortdurend naar het werk.
Plotseling werd er aan de deur geklopt en den bediende berichtte:
„De jonge heer is daar weer. Hij wenscht u dadelijk te spreken, sir!”
„Zeg, dat ik ziek ben,” antwoordde de Amerikaan op verdrietigen toon.
„Sir, hij laat zich niet afwijzen!”
Een oogenblik dacht Mr. Talbott na, toen sprak hij op korten, beslisten toon:
„Laat hem binnen, hiernaast in de zijkamer.”
De bediende ging heen. Mr. Talbott wierp nog een blik op den werkman en verwijderde zich.
De Groote Onbekende hoorde lichte mannenstappen naderen, daarop werd alles stil.
Evenals vroeger in Florence, sprong Raffles naar de deur en legde zijn oor tegen het sleutelgat. Hoe groot was zijn verbazing toen hij hoorde, dat de bezoeker van den Amerikaan dezen keer dezelfde was als destijds te Florence, namelijk Dent.
Aanvankelijk waren de woorden, welke daarbinnen werden gesproken, bijna niet te verstaan; langzamerhand wond Talbott zich echter op en eindelijk schreeuwde hij:
„En nu basta, zeg ik u. Hoort gij, ik zeg u, dat het uit is!”
Eerst zweeg de ander, daarop sprak hij met verbazing in zijn stem:
„Gij zult mij toch niet afwijzen, Mr. Talbott?...”
„Ja, dat zal ik, ik herhaal het u nog eens—het is nu uit.”
De stem van den Amerikaan trilde van opgewondenheid.
Dent liep door de kamer heen en weer en sprak:
„En zijt gij niet bang, dat ik...”
„Doe, wat gij wilt,” viel de Amerikaan hem hoonend in de rede. „Ach kom, denkt gij werkelijk, dat iemand u zal gelooven? Waarvoor heb ik mijn millioenen?”
„Maar ik heb een getuige,” antwoordde Dent kalm.
„Dien hebt gij niet!” schreeuwde de Amerikaan. „Die is dood, dat weet gij beter dan ik!”
„Ik spreek niet van de dooden, ik bedoel een persoon, met wie gij misschien op meer dan vriendschappelijken voet hebt gestaan: Kitty!”
Nauwelijks had Dent dezen naam uitgesproken of een waanzinnige woede scheen zich van den Amerikaan meester te maken en als dol schreeuwde hij:
„Noem haar naam niet, kerel!”
Een zegevierend lachje klonk van de lippen van den afperser. Als een kat sprong hij op Talbott toe, greep diens arm en siste:
„En geef mij nu, wat ik verlang of......”
Hij had de kracht van Talbott te gering geschat. Met een ruk had deze zijn hand bevrijd en pakte Dent bij den kraag.
Een vreeslijke worsteling ontstond.
Talbott’s krachten begonnen hem te begeven. Met een handige beweging wierp Dent hem op den grond.
De millionnair hijgde en stikte bijna. Dent drukte zijn knieën op de borst van den Amerikaan en boog zich over hem heen...
Maar op dit oogenblik werden zijn beide handen van achteren beetgepakt. Nog voordat hij begreep wat er gebeurde, werd hij op den grond geworpen. Raffles sprong daarop naar het venster, trok het open en riep met luider stem:
„Hulp!”
Talbott stond op.
De Groote Onbekende hield intusschen zijn blik onafgewend gevestigd op Dent, die er roerloos bij stond.
Een oogenblik later ging de deur open en, vergezeld door de verbaasde bedienden, verschenen twee agenten van politie....
De afperser werd in hechtenis genomen. Brieschend van woede werd hij door de politieagenten weggeleid.
Talbott stond bleek als een doode, met verwarde haren midden in zijn kamer en keek Dent na. Men zag, dat een vreeselijke storm in zijn borst woedde.
Hij wilde Dent terughouden, hij wilde alles als een scherts en een misverstand doen voorkomen, maar de tusschenkomst der politie was niet meer ongedaan te maken.
„Hoe zijt gij er toe gekomen, om hulp te roepen?” vroeg Talbott aan Raffles.
„Ik hoorde stoelen omvallen, mijnheer, toen ik hiernaast aan het werk was,” antwoordde Raffles. „Ik was bang, dat mijnheer iets kon overkomen, daarom snelde ik hierheen en riep om hulp, want de electrische bel werkt nog niet.”
„Zoo,” sprak Talbott in gedachten. „Nu, gij zijt een brave kerel. Gij hebt mij het leven gered!”
„Ik geloof het ook, mijnheer, maar ik heb alleen mijn plicht gedaan,” antwoordde Raffles met een gemoedelijk lachje.
„Ik dank u. Hier hebt gij een kleinigheid voor uw moeite,” sprak Talbott en bij deze woorden gaf hij Raffles een biljet van 25 francs.
ZESDE HOOFDSTUK.
IN VOORARREST.
Onderweg van Talbott’s paleis naar Parijs dacht Dent over den toestand na. Hij was er vast van overtuigd, dat hij alleen door de bemoeiing van dien werkman gevangen was genomen, maar hij trok zich niet veel van het geval aan.
Een korte gevangenisstraf—dat was alles, wat hem te wachten stond, want hij wist, dat Talbott zich alle mogelijke moeite zou geven om het geval als onbeduidend voor te stellen.
„Dat zal hem nu echter nog meer kosten,” mompelde Dent bij zichzelf.
Hij was vroolijk, floot een straatdeuntje en dacht alleen aan het humoristische van zijn toestand.
Maar de eene dag verliep na den anderen en nog steeds zat Dent in voorarrest. De rechter van instructie, die tweemaal een onderhoud met hem had, vroeg hem uitvoerig omtrent zijn vroeger leven en zijn verhouding tot Talbott. Dent vertelde, dat hij een Schot was en, dat hij evenals Talbott, voor zijn genoegen in Parijs woonde.
Hij beweerde, den milliardair te kennen door ontmoetingen in Musea en daar zij beiden evenveel belang stelden in kunstwerken, waren zij vrienden geworden en was hij meermalen bij Talbott aan huis geweest.
Terloops vroeg de rechter van instructie hem of hij Florence kende. Dent antwoordde ontkennend.
Op de vraag, waarom hij Talbott had aangevallen en uit welke oorzaak de strijd was ontstaan, weigerde de schurk te antwoorden.
Maar langzamerhand begon hij ongerust te worden en naar een onderhoud met Talbott te verlangen.
Dit laatste werd hem echter niet toegestaan. Hij schreef brieven, waarin hij den Amerikaan met dringende woorden verzocht, met hem te komen spreken. Maar Talbott kwam niet en Dent werd ongeduldig.
De bewaker, onder wiens toezicht de gevangene stond, was een oude, knorrige Franschman, die alle vragen met een onverstaanbaar gemompel beantwoordde. Groot was dus Dent’s vreugde, toen de oude brombeer hem vertelde, dat hij twee dagen verlof had gekregen en een ander hem zou vervangen!
Die andere was een fideele kerel. De gevangene bemerkte dadelijk, dat hij van dezen jongen man veel meer kon gedaan krijgen dan van den oude.
Er was nog geen halve dag voorbijgegaan, of de bewaarder wist reeds dat zijn gevangene een rijke Schot was, die voor een bewezen dienst veel geld over had. Dent verwachtte veel van hem.
„Zoudt gij mij een groot genoegen willen doen?” vroeg hij den tweeden dag. „Gij krijgt er 100 francs voor.”
„Een mooie, ronde som,” antwoordde de ander lachend.
„Ik zal een brief schrijven en dien moet gij zelf wegbrengen, gij moet hem persoonlijk aan den geadresseerde afgeven en mij het antwoord brengen. Maar gij moet ervoor zorgen, dat de brief in de goede handen komt, hoort gij? Gij kent immers het groote paleis aan het Bois de Boulogne, dat van den rijken Amerikaan.”
„Talbott,” viel de bewaarder hem in de rede.
Onmiddellijk ging hij op weg. Maar nauwelijks was hij buiten, of hij sloeg, inplaats van naar het Bois de Boulogne te gaan, den weg in naar een der groote hotels, waar veel vreemdelingen logeerden.
Daar verwachtte Lord Lister den gevangenbewaarder.
„Honderd francs heeft mijnheer mij beloofd,” vertelde deze.
„Goed, gij zult uw geld dadelijk hebben,” sprak Raffles. „Hier hebt gij 150. Ga onmiddellijk naar dien heer terug en vertel hem, dat Mr. Talbott op reis is. Den brief kunt gij hem terugbrengen, nadat ik hem heb gelezen.”
De Groote Onbekende las:
„Mijnheer, al waart gij niet bang voor mijn dreigementen, toen ik in uw huis op een gemakkelijken stoel zat, dan zult gij het misschien nu wel zijn, nu ik op een brits zit in de gevangenis. Nu is mijn geduld ten einde en ik ben tot alles in staat. Ik schrijf u nu voor de laatste maal. Binnen drie dagen moet ik vrij zijn; ik weet, dat het een kleinigheid voor u—met uw vermogen en uwe relaties—is, om dat te bewerkstelligen. En dan verwacht ik een contoboek bij de Crédit Lyonnais van een millioen francs.
Mocht ik na verloop van drie dagen nog gedwongen zijn, mijn vrijheid te missen, dan neem ik het laatste middel te baat: „Hertog des Esseintes zal mij niet laten wachten!””
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN RIJKE ZONDERLING.
Hertog des Esseintes behoorde tot een der alleroudste families van Frankrijk. Hij was de laatste afstammeling van zijn geslacht, dat met hem uitstierf.
Na een stormachtige jeugd, die hij in de Parijsche salons had doorgebracht, verdween de hertog opeens.
Alleen zijn allerintiemste vrienden wisten, waar hij zich bevond, maar ook zij mochten hem niet bezoeken.
Aan den rand van het Bois de Boulogne dichtbij de woning van Talbott, stond zijn paleis, omgeven door een groot park. Niet het geringste geluid drong door tot den bewoner van het kasteel.
Hij leefde daar met een ouden bediende, den Vlaam Huysmans en diens vrouw en deze twee moesten telkens, wanneer zij de vertrekken van den hertog binnengingen, viltpantoffels aantrekken.
Alles in huis was zoo ingericht, dat hij nimmer behoefde te bevelen of iets te zoeken. De edelman ontving geen bezoek, de post bracht hem brieven noch couranten en de vrijwillige kluizenaar wist niets van alles, wat er in de wereld gebeurde.
Zijn eenig gezelschap waren zijn boeken, zijn kunstvoorwerpen en zijn bloemen.
Zijn zenuwen waren echter mettertijd zoo zwak geworden, dat hij reeds eenmaal bewusteloos in een der broeikassen was gevonden, verdoofd door de sterke geuren der bloemen.