Part 5
In het Parijsche Bois de Boulogne, in het aristocratische Paviljoen-café, waar een kopje koffie twee francs kost, zat, temidden der bonte menigte van de meest bekende dames der Parijzer wereld, een vrouw, wier geheeld wezen moest opvallen.
De trekken van haar wonderschoon gelaat waren bijzonder energiek. Daarbij was zij weliswaar volgens Engelsche mode, doch naar Parijsche opvatting, zeer elegant gekleed.
Zij gevoelde zich daar, hoewel het nauwelijks merkbaar was, niet geheel op haar gemak, en scheen op iemand te wachten.
Eindelijk trad een elegant gekleed heer het paviljoen binnen, wiens geheele verschijning ons welbekend is: Charles L. Talbott.
Hij ging naar de dame toe, nam zijn hoed af en ging aan haar tafel zitten, met een zucht van verlichting door haar begroet.
„Ben je daar eindelijk, Charles?” sprak zij. „Denk er toch aan,” voegde zij er zacht aan toe, „dat we op onze hoede moeten zijn—Raffles is in Parijs en ons op het spoor.”
De aangesprokene, die niemand anders was dan Lord Lister, de groote onbekende in eigen persoon, had zich, dadelijk na de inhechtenisneming van Talbott, vermomd als die persoon, teneinde het laatste lid der bende van internationale museumdieven, die nog niet in hechtenis was genomen, in zijn macht te krijgen.
En nu zat hij dan tegenover Miss Kitty Potter, hier in het deftige café van het Bois de Boulogne om uit haar eigen mond te hooren: „Raffles is in Parijs.”
Na een langdurig stilzwijgen merkte Kitty op:
„Eigenlijk imponeert mij die man door zijn ongelooflijke geslepenheid.”
Om zichzelf te amuseeren speelde Raffles een beetje den jaloersche:
„Wat, hij imponeert je, mijn beste, en ik dan?”
Doch Kitty antwoordde heel verbaasd:
„Nu, Charles, je zult toch niet jaloersch worden op dien Raffles, daartoe zijn wij te nauw aan elkaar verbonden.”
„Och, ik ben nu juist niet jaloersch op Raffles, doch veeleer op dien Dent!” gaf Lister ten antwoord.
„Ach, op Dent—maar dat is toch lang voorbij, Charles! En jijzelf hebt mij immers destijds de kennismaking met hem aangeraden, om een goeden handlanger te hebben!”
Raffles zweeg een oogenblik en zei toen:
„Hoor eens Kitty, het zou, dunkt mij, zeer interessant zijn, wanneer we, louter voor pleizier eens de avonturen, die we op onze museum-diefstallen hebben beleefd, op schrift stelden en, gedrukt in een klein boekje, toezonden aan alle museum-directeuren der geheele wereld. Natuurlijk, zonder daarbij namen te noemen. Herinner je je bijv. nog die geschiedenis met de Madonna van Rafaël uit Florence?”
Ondertusschen waren ze opgestaan, Raffles had betaald, en geleidde nu zijn dame naar buiten in het voorjaarszonnetje van het Bois de Boulogne.
„Zeker herinner ik me dat nog,” antwoordde Kitty lachend. „Mijn genoegen zou ongestoord zijn geweest, wanneer Pasini niet was doodgestoken.
„Ik had jullie toen immers dat groote Madonna schilderij gegeven, dat Grombeck naar Rafaëls Madonna had gecopiëerd en waarop de verliefde ezel mijn trekken aanbracht in plaats van die der Madonna.
„Daarop moest Dent met het schilderij het museum binnensluipen in de rol van ijverig leerling-schilder. Hij verborg zich onder een tegen den muur staande groote sofa. ’s Nachts sneed hij het origineele schilderij van Rafaël uit de lijst en zette de copie van Grombeck er voor in de plaats. Dat was een meesterstuk van jouw gedachtengang, want slechts op deze wijze kon het gelukken, dat de roof verborgen bleef, totdat onze sporen voor altijd waren uitgewischt.
„Beneden op het Lungarno stond Pasini ’s nachts op wacht. Ik loerde onder de donkere zuilengang van het museum rond en waakte er voor, dat wij niet werden verrast. Eindelijk opende Dent boven een raam en liet het kostbare, opgerolde schilderij aan een touw naar beneden zakken, waar Pasini het opving en aan mij gaf. Daarop sloot Dent het raam weer dicht en verborg zich opnieuw onder de sofa.
„’s Morgens, toen de galerij van het museum voor het publiek geopend werd, sloop hij ongemerkt naar buiten. Daardoor had niemand iets van den diefstal ontdekt. Later begon Pasini zich op te dringen en toen moest Dent wel—”, hier bootste zij de beweging na van iemand, die een dolksteek toebrengt.
Raffles wist genoeg. Hij had wel al veel beleefd, doch nog nooit bij zoo’n schoone vrouw zooveel slechtheid aangetroffen.
Zijn plan stond vast. Hij nam in het Bois de Boulogne een automobiel en reed met Kitty Potter naar Parijs terug. Voor een postkantoor liet hij halt houden, stapte uit en verzond twee telegrammen: een aan Charly Brand, het andere aan inspecteur Baxter.
Hij deed het op de wijze van iemand, die belangrijke handelszaken per telegraaf afdoet, en door de talloos vele handelsbetrekkingen van Talbott kon dit Kitty niet verbazen.
Daarop stapte hij weer bij zijn gezellin in het rijtuig en beval den chauffeur hen naar een der bekende restaurants met chambres séparées te brengen.
Toen zij in restaurant Riche aankwamen, waar alle kellners Talbott kenden, werd hun direct een gesepareerde kamer gegeven, waar de voorgewende Talbott het souper liet opdienen.
Het kon niemand opgevallen zijn, dat hij ondertusschen even de kamer verlaten had, want hij kwam direct terug.
Doch dit oogenblik was voldoende geweest om eenige woorden te wisselen met Charly Brand, dien hij telegrafisch naar het restaurant had ontboden.
Even later verscheen er een nieuwe kellner, die naar de wenschen van het gezelschap informeerde—het was Charly Brand, wien het gelukt was een kellner over te halen hem zijn kleeding af te staan.
Raffles had hem opgedragen om voor zichzelf den terugtocht te dekken.
Voorloopig echter was hij nog vertrouwelijk in gesprek met Kitty Potter. Steeds weer vroeg hij haar voorzichtig naar de bijzonderheden der diefstallen.
Zoo vertelde zij hem, hoe Dent en zij in het Quirinaal-Museum te Rome den antieken spiegel hadden geroofd.
„En wat zei Talbott daar wel van?” vroeg Raffles, vol aandacht luisterend.
„Talbott?” lachte Kitty verbaasd, „maar dat ben jij immers zelf— —”
Dat eene oogenblik, waarop Raffles zich had vergist, was voldoende om hem heel verlegen even te doen zijn.
Maar de vrouw, met veel ondervinding op dit gebied, wierp een scherpen blik op hem en hem strak aankijkend, riep zij plotseling met een kreet uit:
„Ha—jij bent Talbott niet!”—en met een ruk trachtte zij hem baard en pruik van het hoofd te trekken.
Raffles had echter zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen. En terwijl hij de vrouw met sterken, vasten greep bij de polsen vasthield, zei hij lachend tot haar:
„Gij hebt gelijk, liefste, ik ben Talbott niet!”
„Ontzettend!” riep Kitty uit, „maar wie ben je dan? Er is maar één man op de wereld, wien het zou kunnen gelukken, mij te overtroeven en dat is—”
„Raffles!” viel Lord Lister haar in de rede.
„En jij?”
„Ja, ik ben Raffles!” was het vroolijke antwoord.
Doch nu volgde iets, wat Raffles in ’t geheel niet had verwacht. Kitty’s gelaat straalde plotseling van vreugde, en Raffles werd met een stortvloed van woorden overstelpt. Zij vertelde, dat zij er steeds naar verlangd had, hem te leeren kennen. In hem zag zij den grooten held, dien haar hart zocht. Talbott bezat haar liefde in ’t geheel niet, slechts zijn millioenen hadden haar ingepalmd. Maar nu—nu had zij voor ’t eerst lief. En wien ze liefhad, dat was—Raffles!
„Kom, neem mij en vlucht met mij naar verre landen,” zoo besloot zij haar hartstochtelijke liefdesbetuiging, „niemand zal ons daar kennen, wij zullen een nieuw leven beginnen!”
Dat was een gevaarlijk moment. Ieder, die Raffles niet van nabij kende, zou gedacht hebben, dat hij zich ten slotte door de liefdesverklaringen van een mooie vrouw zou laten verteederen.
Op dit oogenblik werd er echter aan de deur geklopt.
De kellner, of liever Charly Brand trad binnen.
„Excuseer, het rijtuig, dat meneer besteld heeft, staat buiten!”
„Een rijtuig?” vroeg Raffles schijnbaar ontstemd over de stoornis en verbaasd, „ik heb geen rijtuig besteld.”
In werkelijkheid was dit een met Charly afgesproken teeken, dat Charly zou geven wanneer de per telegraaf ingelichte inspecteur Baxter met Marholm waren aangekomen.
Raffles stond schijnbaar geërgerd op.
„Dat is een vergissing!” riep hij uit, „maar ik wil me even overtuigen, wie zich die grap heeft veroorloofd!”
En schijnbaar woedend snelde hij naar buiten.
Het was echter ook hoog tijd, want op hetzelfde oogenblik drongen Baxter en Marholm de kamer al binnen.
Kitty, die beiden direct herkende, viel met een luiden kreet door deze onverwachte truc van den grooten onbekende in zwijm. (Zie titelblad.)
Toen de politiebeambten de spoedig weer tot bewustzijn gekomene wegleidden, overhandigde de kellner eerbiedig aan den inspecteur een wit, smal couvert met het opschrift:
„Den Heer Inspecteur Baxter, Scotland Yard, tijdelijk restaurant Riche.”
„Inspecteur,” grijnsde Marholm, „wedden, dat gij vermoedt van wien die brief komt?”
„Loop naar den duivel met je opmerkingen!” brulde Baxter woedend. „Natuurlijk vermoed ik van wien die brief komt—van dien vervloekten— —”
„Raffles!” viel Marholm lachend in de rede. En toen Baxter het couvert opende, las hij:
„Mijn belofte, ook het laatste lid van de museum-dievenbende aan u over te leveren, heb ik door de gevangenneming van Miss Kitty Potter vervuld.
De kellner was overigens mijn vriend Charly Brand.
Uw zeer onderdanige RAFFLES.”
De groote onbekende zat met zijn vriend in een deftig Parijsch hotel aan de ontbijttafel.
Juist waren zij met eten klaar en staken een sigaret op om daarbij de Parijsche morgenbladen door te vliegen.
„Nu Charly,” begon Raffles, „het wordt tijd, dat we onze detective-werkzaamheden staken en tot onzen ouden arbeid terugkeeren!”
Doch nauwelijks had hij dit gezegd, of hij viel bij het openvouwen der courant zichzelf met een kreet van schrik in de rede.
„Drie gevangenen uit het Huis van Bewaring ontvlucht!”
Charly sprong overeind.
„Het zullen toch niet— —” riep hij uit.
„Ja verduiveld,” zei Raffles, „je hebt goed geraden, het is hun gelukt, die vervloekte honden!”
En inderdaad, de mededeeling in de courant klonk troosteloos.
Het was aan de drie gevangenen, Talbott, Dent en Kitty Potter gelukt te ontvluchten!
Het strenge onderzoek, dat was ingesteld, had het volgende aan het licht gebracht:
Talbott had Kassiber naar Kitty gezonden.
En de millioenen van den Amerikaan tezamen met de betooverende bekoring van Kitty hadden bewerkt, dat twee gevangenbewaarders zich lieten omkoopen, zoodat de drie misdadigers aan de hoede van den Franschen Staat waren ontsnapt.
„De donder moge hun halen,” riep Charly, nog ontsteld, uit.
Doch Raffles was alweer zichzelf.
„Mijn beste Charly,” sprak hij, een nieuwe sigaret opstekend, „ik had daarjuist ongelijk. Onze detective-arbeid is in ’t geheel nog niet ten einde. Aan het werk dus! Wij moeten achter het drietal aan!”
Natuurlijk hadden de millioenen van Talbott het zeer gemakkelijk gemaakt voor de drie vluchtelingen, om in de Fransche hoofdstad spoorloos te verdwijnen.
Doch Raffles behoefde niet te wanhopen.
Hij had immers in alle kringen der samenleving vrienden, die hun oogen den kost gaven, en daardoor wist hij weldra van een kleinen straatjongen, dat deze een oudachtig heer, in wiens gezelschap zich waarschijnlijk een jongere heer en dame bevonden, aan het station drie kaarten naar Marseille had zien nemen.
„Dus naar Marseille zijn zij gereisd?” riep hij. „Nu, ik twijfel er niet aan, of we zullen spoedig uit een of ander hoekje der wereld van nieuwe museum-diefstallen hooren. Dat zal ons op hun spoor brengen. De vos verliest zijn streken niet!”
Dadelijk reisden zij naar de Zuid-Fransche havenstad.
In Marseille kwam Raffles na lange vergeefsche strooptochten en toen hij op het punt stond zijn onderzoek te staken, op zekeren dag in een kleine herberg aan de haven.
Het was een nauw vertrek, waar men den rook kon snijden, met balken in de zoldering, en vol met woest en gevaarlijk scheepsvolk.
Hij ging op het eenige plaatsje zitten, dat nog vrij was en zette zijn glas jenever voor zich op de ruwe, natte, houten tafels.
Plotseling deed een ruwe hand een greep naar zijn glas, en een reusachtige kerel met pikzwart haar en baard, half beschonken, zei lachend, half Fransch, half Spaansch:
„Gij permitteert toch, mijnheertje!”
„Ho, ho,” sprak Raffles, „man, blijf met uw hand van mijn glas!”
„Mannetje, wat verbeeldt jij je wel!” brulde de reus. Doch Raffles was al overeind gesprongen, had bliksemsnel, zooals hij in Japan had geleerd, den kraag van het matrozenpak met beide handen krachtig over den nek van den ander naar beneden getrokken, zoodat de reus hulpeloos en verbluft stond te kijken, halverwege in zijn hemdsmouwen staande en door zijn eigen jas weerloos gemaakt.
En voordat hij iets kon beginnen, had Raffles zijn arm beetgepakt en omgedraaid, zoodat hij met weinig moeite het glas uit zijn hand kon nemen.
Alle gasten waren gaan staan en hadden om het tweetal een kring gevormd.
Toen nu, tegen alle verwachting in, de groote onbekende overwinnaar was gebleven, steeg er een luid gelach op, onderbroken door gelukwenschen voor den overwinnaar, die ondertusschen weer was gaan zitten en met kalme stem bij den waard „nog een glas jenever voor dien dorstigen man daar!” besteld had.
„Hola, José”, sprak de waard hem toe, toen hij den borrel bracht, „die heeft het je leelijk afgeleerd!”
De zwartlokkige reus, José genaamd, stond nog altijd verstomd over den verloop en dronk mopperend zijn glas leeg.
„Wie zijt gij, jonge man?” vroeg de waard vol respect aan Raffles, „dat gij het tegen hem kondt opnemen? Dat heeft nog niemand vóór u gedaan!”
Zwijgend keek de groote onbekende het vertrek rond. Toen hij niemand ontdekte, die hem verdacht voorkwam, sprak hij op kalmen toon:
„Ik heet Raffles!”
Hij wist, dat hij die lagen van het volk door het noemen van zijn naam nog steeds op zijn hand had gekregen. En hij had zich ook nu niet vergist.
Velen kwamen vol eerbied naar hem toe om hem de hand te drukken.
Zelfs José ontwaakte uit zijn overpeinzing, er kwam een glimlach op zijn gelaat en ook hij drukte den grooten onbekende de hand.
„Wanneer gij Raffles zijt,” sprak hij half in het Spaansch, half in het Fransch, „dan was het voor mij geen schande overwonnen te worden!”
„Hoor eens, vriend,” begon de groote onbekende, nadat hij de vriendschap voldoende door eenige glazen jenever had bekrachtigd, „hoor eens, vriend, hebt gij hier in de haven misschien ook een Amerikaan gezien, in gezelschap van een mooie vrouw en een jongen man met een echt bulldoggen misdadigersgezicht?”
Tegelijkertijd haalde John Raffles uit zijn borstzak de photographie te voorschijn, die hij eens van Kitty en den misdadigen Amerikaan in de Osteria te Rome had gemaakt.
„Die man en die vrouw—en nog een derde— —”, antwoordde José voorzichtig, „ja, dat kan wel zijn. Die drie namen, geloof ik, plaatsen op een boot naar— —wacht eens— —juist, ik ben er, naar Valencia!”
„Aldus, op naar Valencia!” mompelde Raffles in zichzelf. „Nu, ik ben nieuwsgierig wat voor schurkenstreken de echte Mr. Talbott in het arme Spanje voor heeft!”
Spoedig daarop besprak hij met Charly plaatsen op de eerste boot die naar Valencia vertrok.
Doch zelfs aan den scherpen spiedersblik van Raffles was het ontgaan, dat even na hem een vuile in lompen gekleede matroos, die tot nu toe onopgemerkt, half verborgen achter vaten, in een hoek had gezeten, de herberg verliet en naar het telegraafkantoor ging om een telegram te zenden naar Valencia.
Het was de schurk Dent.
Spiegelglad en groenachtig blauw vertoonde zich de golf van Valencia, die Raffles en Charly in een broeiend heete zon doorsneden, aan hun oogen.
Lui lagen de passagiers op het dek onder de daken van zeil, die hen tegen de brandend heete zon moesten beschutten.
Midden op den warmen dag kwamen ze op hun bestemming aan. Het schip liep de haven van Valencia, de voorstad Grao, binnen.
Een bonte troep armoedig gekleede mannen kwam op het tweetal af om zich van hun bagage meester te maken. Raffles en Charly klommen in een zoogenaamde tartane, een karretje op twee wielen, zonder veeren en door een muildier getrokken. Zoo reden zij Valencia binnen.
Hier ontrolde zich het eerste groote beeld van het Spaansche leven aan de oogen van Charly.
Raffles, die dat alles reeds kende, keek onverschillig rond.
Doch zijn vriend verbaasde zich over de bijzonder nauwe straten, waar oeroude Spaansche paleizen, die er gedeeltelijk uitzagen als gotische kerken, gedeeltelijk als Oostersche bouwwerken, dicht grensden aan kleine bouwvallige huizen.
Te midden der palmen, oude fonteinen en vervallen marmeren trappen krioelde een menigte bedelaars, straatjongens en kooplieden doorelkaar.
Doch plotseling kwam er beweging onder de menschen.
Juist was de nieuwste uitgave der groote Spaansche courant „El Nacional” verschenen, en de jongens, die ze verkochten, liepen, zooals in alle zuidelijke landen, schreeuwend met hun pak door de straten.
Raffles kocht een exemplaar.
Doch nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste pagina, of hij zei hardop lachend tegen Charly:
„Ik wist wel, dat een vos zijn streken niet verliest. Door hun daden herkennen wij die kerels. Luister eens, Charly, wat ik hier juist zie.”
Daarop las hij het volgende telegram voor:
„Groote schilderijdiefstal in het beroemde Prado-museum te Madrid. Een schilderij van Velasquez van den muur gestolen. Daders onbekend.”
„Ziezoo, mijn waarde,” merkte hij op, „nu zullen ze wel in de val loopen, en niet weer ontsnappen, wil ik wedden!— —Dus, op naar Madrid!”
Met den eerstvolgenden trein reisden zij naar Madrid, door een streek, die niet de minste bekoring had voor het oog. Het was een onmetelijke, door de zon verbrande vlakte met hier en daar een enkel schraal korenveld aan den voet van een heuvel.
Een ontzettende loomheid maakte zich van de beide vrienden meester in de benauwde spoorwegcoupé, die geblakerd werd door de gloeiende zonnestralen. En reeds begonnen zij het voorbeeld van de andere reizigers te volgen: zij maakten het zich gemakkelijk en waren op het punt in te slapen.
Plotseling weerklonk een geluid als van zware donderslagen en een geweldige ontploffing deed den trein schudden.
Alsof zij van den grond werden opgetild, zoo werden allen in de hoogte geslingerd. Met een enkelen blik zag Raffles, dat de deur der coupé open stond en dat met woeste gebaren Talbott en Dent trachtten binnen te dringen.
Op hetzelfde oogenblik greep hij zijn revolver en vuurde twee schoten op hen af.
Daarop snelden hij en Charly Brand naar buiten.
Als door een wonder waren zij ongedeerd gebleven. De locomotief was vernield, twee wagens waren omgevallen. Overal lagen dooden en verminkten.
Ongetwijfeld was een aanslag gepleegd op den trein en was deze gemunt geweest op het leven van Raffles en Charly Brand.
De groote onbekende was er vast van overtuigd, dat Talbott, die van zijn reis naar Madrid wist, op deze wijze had getracht hem onschadelijk te maken en met behulp van zijn geld een ontsporing had weten te veroorzaken.
Maar juist de wagen, waarin de groote onbekende en diens vriend zaten, de voorlaatste van den trein, was gespaard gebleven.
Met Charly Brand trachtte hij de gewonden te helpen. Daarop wilde hij trachten, het volgende station te bereiken om, zonder zijn naam te noemen, hulp te krijgen voor de ongelukkige slachtoffers, die nog te redden waren. En ten slotte wilde hij den vervloekten Amerikanen hun rechtmatige straf bezorgen.
Doch van Talbott en zijn medeplichtigen was in den geheelen omtrek geen spoor te ontdekken.
Urenlang liepen Raffles en Charly door de bruingebrande vlakte, totdat hun vermoeide voeten zoo pijnlijk waren geworden, dat zij hen bijna niet meer konden dragen.
Eindelijk wilde Charly niet verder gaan.
Raffles trachtte hem op alle manieren over te halen, doch niets hielp.
„Neen, Edward,” sprak Charly op zachten toon, „laat mij hier nu maar liggen, ik kan niet verder!”
Lord Lister goot uit zijn veldflesch een paar druppels cognac in den mond, maar in de gloeiend heete zon vermeerderde dit nog Charly’s ondragelijken dorst.
Raffles lag naast zijn vriend in het harde, droge gras.
Zijn keel was als dichtgeschroefd.
Charly lag roerloos naast hem.
De duisternis viel even nadat de zon was ondergegaan en een schitterende sterrenhemel keek op de beide uitgeputte mannen neer.
Plotseling meende Raffles op verren afstand geluid te hooren, dat langzamerhand nader kwam.
Hij richtte zich half op—neen, hij had zich niet vergist. Het was een regelmatig geluid, alsof men aan den oever van een meer het luiden hoort van een klok van de overzijde van het water.
Charly Brand wilde reeds opspringen en luidde om hulp roepen, maar als door een plotselinge ingeving belette Raffles dit door hem de hand op den mond te leggen.
En zoo lagen zij in den stillen nacht te luisteren naar het naderende hoefgetrappel.
De minuten verliepen in pijnlijke onzekerheid.
Eindelijk zagen zij in de verte een klein voertuig, waarin twee gestalten zaten. Een walmende lantaarn bengelde voor aan het rijtuigje.
Zij konden hun ongeduld nauwelijks bedwingen en reeds wilde Raffles de nachtelijke reizigers roepen, toen Charly zijn arm greep en fluisterde:
„Mijn hemel—daarin zitten Talbott en Dent!”
Plotseling hield het kleine voertuig, een Spaansche tartane, stil en een bevelende stem riep door de duisternis:
„Halt! Hier is iemand! Ik heb het duidelijk gehoord! Wie daar? Antwoord! of het zal u slecht vergaan!”
Met groote onverschrokkenheid stond Raffles op en riep met heldere stem:
„Hallo, Mr. Talbott! Ik zocht u juist!”
Daar weerklonk uit het rijtuig een woeste kreet:
„Dat is Raffles!”
Een donkere gestalte sprong uit de tartane en liep op Raffles toe.
Charly Brand kwam vloekend toegesneld om Raffles ter hulp te komen.
Met stalen vuist hield Dent, want deze was het, Raffles bij de keel. Maar Charly greep hem van achteren beet en Dent moest zijn vijand loslaten.
Nu was echter ook Talbott naderbij gekomen en wilde zich op Charly Brand werpen. Lord Lister echter, die nu zijn armen vrij had, haalde bliksemsnel zijn revolver te voorschijn, en eenige keeren schoot hij in de lucht.
Onmiddellijk lieten Talbott en Dent hun vervolgers los en Raffles zag, hoe zij inderhaast achter een groot steenblok op korten afstand van hen verdwenen.
Zij hoorden een woest hoongelach van Talbott, dat als het ware in den grond verdween en Raffles en Charly het bloed in de aderen deed verstijven.
Geruischloos op den buik voortkruipend, slopen zij naar den steen toe, totdat zij plotseling, op eenigen afstand daarvan, met opgeheven revolver voorwaarts snelden.
Maar geen menschelijk wezen was te vinden: Talbott en Dent waren spoorloos verdwenen!
Met een vloek riep Charly Brand:
„O, wat een schurken! Dus is het toch waar, wat alle Fransche en Spaansche misdadigers vertellen van de schuilhoeken, die Talbott overal op de wereld heeft! Zij zijn in een onderaardsche gang gevlucht!”
Raffles begreep onmiddellijk, dat de groote steen den ingang van een dergelijke schuilplaats moest bedekken en het toeval had hen de beide schurken juist op deze plek doen ontmoeten.
En nu in den donkeren nacht was het onmogelijk om de geheime plek te vinden, waar men den steen kon doen wijken. De beide vluchtelingen waren ongetwijfeld reeds in veiligheid.
Raffles en Brand namen derhalve in het voertuig plaats en reden in de richting van Madrid.
Het was tegen het krieken van den dag, toen zij aan den horizont de lichten der stad zagen. Charly Brand stiet een kreet van vreugde uit en ook Raffles voelde zich als herboren.
Zij zorgden er, bij aankomst in de stad, voor, dat verplegers en doctoren naar de plaats des onheils werden gezonden en begaven zich daarna doodelijk vermoeid naar een hotel in een der voorsteden, waar zij de zoozeer benoodigde rust eindelijk vonden.
Hoe geheel anders zag Madrid er uit, toen het heldere zonlicht de straten en gebouwen bescheen! Nu zag men een elegante stad voor zich, terwijl in den nacht alles er even afschuwelijk had uitgezien.
Met innig welbehagen lieten zij zich meevoeren door den stroom van keurig gekleede dames en heeren, die zich allen begaven naar het voornaamste plein der stad, de Puerta del Sol (poort van de zon).
Plotseling zag Raffles op een marmeren trap aan de overzijde van het plein een welbekende gestalte.
„Talbott!” riep hij en haastig trok hij Charly mee naar de marmeren trap.
Maar het gedrang vóór hen werd steeds grooter, een waterdrager liep hen voor de voeten en toen Raffles opkeek, was Talbott verdwenen.
Doch hij wist nu, dat Talbott zich te Madrid bevond!
Daar trad hun een vuile, oude man met de oogen van een roofvogel tegemoet.