Chapter 2 of 6 · 3993 words · ~20 min read

Part 2

„Uw raad was voortreffelijk, hooggeachte Mr. Baxter”, sprak hij op opgewekten toon. „Deze hoop brieven kwam alleen van artisten, welke in den loop der laatste 40 jaar onze Madonna van Rafaël hebben gecopieerd.”

„Gij weet nu zeker wel, heer directeur, wiens penseel de voortreffelijke copie heeft kunnen vervaardigen, die inplaats van het gestolen schilderij is achtergelaten”, sprak Raffles.

„Jawel. Ik heb al de brieven doorgekeken en ik geloof, dat er de naam bij is van den persoon, aan wien de copie kan worden toegeschreven.”

„En die is?” vroeg Raffles.

„Professor Grombeck te Rome”, sprak de directeur.

„Aha! Dat is mijn vriend!” viel Raffles hem verbaasd in de rede.

„Kent gij professor Grombeck?” vroeg de directeur verrast.

„Ja, van zijn reis naar Amerika”, antwoordde de vermeende inspecteur. „Wat schrijft hij?”

Professor Ciatti overhandigde hem den brief.

„Hooggeachte heer!” schreef de bekende schilder. „Bij dezen ben ik zoo vrij, u mede te deelen, dat ook ik eens een groot Italiaansch doek heb gecopieerd en wel de beroemde Madonna van Rafaël, die zich in het Museum te Florence bevindt. De copie is helaas sinds langen tijd niet meer in mijn bezit.

Met de meeste hoogachting

GROMBECK.”

„Gij gelooft dus stellig, dat Grombeck de copie heeft gemaakt?” vroeg Raffles, nadat hij den brief had gelezen.

„Ja, stellig! Ik wilde zelfs dadelijk nadere inlichtingen van den professor vragen.”

„Ik verzoek u, dat niet te doen”, viel Raffles den directeur in de rede. „Ik wilde gaarne, dat gij eenige dagen lang niets zonder mijn voorkennis deedt. Ik vertrek nog heden naar Rome. Mijn adres is post-restant.”

Spoedig daarna zat de Groote Onbekende in den spoortrein en las de courant, toen plotseling een artikel zijn aandacht trok:

„Museum-diefstallen.

Hedenmorgen bevatte ons blad het bericht omtrent een nieuwen, belangrijken diefstal, welke in een onzer nationale verzamelingen is gepleegd.

Dezen keer geldt het een kostbaren Renaissance-spiegel, die eens aan de beroemde heeft toebehoord.

Het laatst was dit kostbare stuk het eigendom van de hertogin der Abruzzen, welke het aan de koninklijke verzameling ten geschenke gaf.

Steeds opnieuw moeten wij erop wijzen, hoe slecht onze musea worden bewaakt. De lijst van de gestolen voorwerpen groeit op onrustbarende wijze.

En het is merkwaardig, dat al deze diefstallen bijna tegelijkertijd worden gepleegd. Heeft men hier te doen met een epidemie of vallen onze kunstvoorwerpen in handen van een wijdvertakte bende?

Maar hoe het ook zij, het wordt tijd, dat er een eind komt aan het bedrijf van deze brutale misdadigers!”

Zoo eindigde het artikel in de courant.

Raffles zat een poosje na te denken.

„Het schijnt inderdaad”, sprak hij tot zichzelf, „dat ik mij in dit land der kunst met de kunst moet bezighouden, maar op een zeer eigenaardige manier.”

Nog voordat John Raffles zich den volgenden dag naar zijn vriend, professor Grombeck, begaf, nam hij op het postkantoor een telegram in ontvangst van directeur Ciatti, van den volgenden inhoud:

„Verzoeke u dadelijk te melden bij den museum-directeur van het Quirinaal. Persoonlijk onderhoud noodzakelijk!”

„Dat dacht ik wel”, mompelde de Groote Onbekende.

In het paleis van het Quirinaal, de verblijfplaats van den Koning, kon Lord Lister slechts met moeite den directeur te spreken krijgen.

De kunstverzamelingen waren voor het publiek gesloten. Onder de beambten heerschte de grootste opgewondenheid.

Al vertegenwoordigde de gestolen spiegel ook geen bijzonder groote waarde, toch was het een ongehoord geval, dat uit de persoonlijke eigendommen van den Koning op klaarlichten dag iets was gestolen.

De directeur was de kluts kwijt.

Door de politie werd huiszoeking gedaan bij verschillende beambten van het Quirinaal-museum, maar niets werd gevonden. De beambte, onder wiens bijzonder toezicht de gesloten glazen kast stond, waaruit de spiegel was ontvreemd, werd gevangen genomen.

De Groote Onbekende vernam al deze bijzonderheden van den directeur. Deze hooggeplaatste ambtenaar verzocht den vermeenden inspecteur Baxter dringend om hulp. Hij had van diens verblijf te Florence gehoord en nauwelijks was de diefstal van den spiegel ontdekt, of hij richtte zich tot zijn collega, professor Ciatti.

De directeur zegende het toeval, dat Baxter zich te Rome bevond en de Italiaansche koninklijke beambte aarzelde geen oogenblik, om de geheele aangelegenheid aan Raffles toe te vertrouwen.

Wat nu te doen?

Lord Lister was sinds zijn komst te Florence in een aantal moeilijkheden gewikkeld, tot welker oplossing in het geheel geen gegevens voorhanden waren.

De verwisseling van het beroemde schilderij van Rafaël, de moord op Pasini—want voor Raffles stond het vast dat men hier met een moord te doen had—en nu den diefstal van den kostbaren spiegel. Aan welke van deze drie problemen zou hij zijn krachten en zijn scherpzinnigheid wijden?

Iedere detective zou in zijn plaats beginnen met zich met een dezer drie gevallen bezig te houden. Maar Raffles was een geheel ander mensch.

Hij wist, dat er voor hem geen toeval bestond. De opeenvolgende reeks van zijn ervaringen en avonturen, zooals die zich geleidelijk achter elkander hadden afgespeeld, was voor hem niet, zooals voor gewone menschen, een spel van het toeval.

Zijn instinct deed hem altijd eenig verband vinden tusschen de op zich zelf staande, schijnbaar van elkaar onafhankelijke gebeurtenissen.

En daarom besloot hij nu, om te trachten alle drie misdaden tegelijkertijd op het spoor te komen en, zoo mogelijk, van al deze drie gevallen den dader te vinden.

Toen Lord Lister bij zijn vriend, professor Grombeck kwam, bevond deze zich juist in de Campagna, de groote Romeinsche laagvlakte, waar hij aan een landschapsschilderij werkte. Raffles moest een geheelen dag wachten, voordat Grombeck terugkwam.

Hij keerde daarom naar het Quirinaal-museum terug en bestudeerde daar de zaal en de glazen kast, waaruit de spiegel was gestolen.

Maar hij kon niets bijzonders ontdekken. Het slot der kast was geheel onbeschadigd en toen hij vroeg, wie den sleutel van dit slot bezat, kreeg hij ten antwoord, dat deze anders in handen van den beambte Grasso was, die zich nu in hechtenis bevond.

Om zijn tijd zoo mogelijk nuttig te besteden, besloot Raffles nu, om, voordat zijn vriend, de schilder, terugkwam, een bezoek te gaan brengen bij de familie van den gevangen genomen Grasso.

Hij verwachtte, in verband met de verdenking, die op Grasso rustte, een vuile bende te zullen vinden van twijfelachtige eerlijkheid. Maar hij was aangenaam verrast, toen hij een kleine, zeer zindelijke woning binnentrad en de vrouw van den beambte hem, zelfs in haar ongeluk zeer vriendelijk, tegemoet kwam.

Het was een slanke, donkergelokte vrouw met levendige, diep zwarte oogen, een echte Italiaansche schoonheid. Dadelijk daarna verscheen ook de moeder van den gevangene, een oud, door de jaren gebukt vrouwtje met zachte, goedige gelaatstrekken.

John Raffles stelde zich voor als collega van Grasso en binnen eenige oogenblikken wist hij het vertrouwen der beide vrouwen te winnen. Oprecht en openhartig vertelden zij hem, hoe zij aanvankelijk geheel verslagen waren geweest door de inhechtenisneming van den beminden zoon en echtgenoot. Zij twijfelden echter geen oogenblik aan zijn onschuld en beschouwden het alleen als een verzoeking van Hooger Hand, dat zij zoo lang moesten wachten en lijden, voordat de waarheid aan het licht kwam.

Daar de beide vrouwen in Raffles een vriend zagen, toonden zij hem alle notitieboeken, brieven en papieren van den gevangene, maar hoe nauwkeurig Raffles dit alles ook doorkeek, hij vond daarin niet het minste, wat aanleiding kon geven om Grasso te verdenken, aandeel te hebben in den diefstal.

Het was reeds avond geworden, toen Raffles de goede menschen verliet. Het was heerlijk, zacht weer, een der lenteavonden, waarin Rome, de oude stad, in den vollen tooverglans van haar antieke pracht straalt.

Raffles besloot, te voet naar zijn hotel terug te keeren en zich onderweg in de frissche lucht geheel aan zijn gedachten over te geven.

Hij wist het: als het koele verstand zweeg, dan wees zijn phantasie hem nieuwe wegen en middelen, die als uit zijn ziel opdoken.

De familie Grasso woonde in het midden der oude stad. De nauwe en kromme straatjes, waarin ook een inwoner der stad slechts met moeite den weg kan vinden, geleken Raffles een doolhof. Nadat hij een tijdlang rondgewandeld had, ging hij onder een lantaarn staan en haalde een kaart van den platten grond van Rome te voorschijn om zich omtrent den weg te oriënteeren.

Hij was zoo in dit werk verdiept, dat hij niet bemerkte, hoe op het oogenblik, waarop hij de kaart uit zijn zak haalde, daaruit een couvert op den grond viel.

Raffles teekende den weg, dien hij moest nemen, op de kaart aan, stak zijn gids weer bij zich en ging langzaam en nadenkend verder.

Opeens hoorde hij achter zich roepen:

„Signore! Signore!”

Hij keek om en zag een jongen van ongeveer twaalf jaar, die buiten adem met een couvert in de hand naar hem toekwam.

„Gij hebt iets verloren!” riep het kind buiten adem en gaf Raffles het couvert.

Op het eerste oogenblik herkende de Groote Onbekende zijn eigendom niet eens. Maar nu viel hem in, dat hij in Florence, bij de vervolging van den Amerikaan, dezen in het wijnlokaal te zamen met de gesluierde dame ongemerkt had gephotografeerd.

Later had hij deze moment-opname laten vergrooten en ze in zijn zak gestoken.

Om zich ervan te overtuigen of het werkelijk de photo was, die hij zooeven had verloren, opende hij het couvert.

Raffles stond naast een helder verlichten winkel. Tegenover hem stond de jongen en zijn zwarte, vonkelende oogen volgden nieuwsgierig elke beweging van den vreemden heer.

Opeens slaakte hij een kreet van vreugde, wees naar de photographie en riep:

„O, de signora, de vreemde dame!”

Raffles keek op.

„Je bent een brave jongen”, sprak hij. „Daar heb je een paar soldi, omdat je mij het couvert hebt terug gegeven.”

„Ik dank u zeer, signore!” riep de jongen verrukt uit. „Gij zijt goed. Gij zijt zeker de broeder van de signora, want zij is ook zoo goed. Gij zijt een buitenlander, de signora is ook een buitenlandsche en alle vreemdelingen zijn goed.”

„Zoo, mijn jongen?” viel Raffles hem in de rede, „hoe is je voornaam?”

„Alberto”, luidde het antwoord.

„Jij bent een flinke jongen, Alberto”, sprak de Groote Onbekende op vriendelijken toon. „Kom, ga een eindje met mij mee en vertel mij iets.”

Met de echte vertrouwelijkheid der Italianen begon Alberto allerlei verhalen van zichzelf en zijn familie te vertellen. Raffles luisterde geduldig; daarop vroeg hij, als terloops:

„En de buitenlandsche signora? Ken je die reeds langen tijd?”

„O ja! Ik ken de signora reeds verleden voorjaar. Maar zij is zoo dikwijls op reis. Dan komt zij opeens terug en geeft mij soldi.”

„Weet je ook, Alberto, of de signora nu op reis is?”

„Neen, zij is weer hier!” riep Alberto op levendigen toon. „Ik heb haar vandaag juist ontmoet, vroeg in den morgen, toen ik bij de Sint Paolokerk stond, kwam zij daar uit en heeft een heele poos tegen mij gepraat.”

„Zij heeft je ook iets omtrent signore Grasso gevraagd, nietwaar?” vroeg Raffles. „Dien ken je toch zeker wel, dat is de man, die nu in de gevangenis zit.”

„Ja”, sprak de jongen. „De signora heeft ook over hem gesproken en over zijn familie. De signora is goed.”

„Weet je ook, waar zij woont, Alberto?”

„En of! In de buurt van het groote paleis, waar het huis van onzen koning is. De signora zei.......”

„Mooi, mijn kind”, viel Raffles den mededeelzamen jongen in de rede. „Je bent een verstandige jongen, dat zie ik wel. Wil je mij een pleizier doen?”

„O ja, graag!”

„Dan moet je morgenochtend heel vroeg bij het huis der signora zijn en den geheelen dag haar volgen en goed opletten, wat zij doet. Maar zij mag niets van ons gesprek weten, begrijp je, Alberto?

„Dan kom je morgenavond bij mij in het groote koffiehuis op de Corso, waar de rijke heeren altijd zitten en dan vertel je mij weer alles.

„Daarvoor krijg je dan een heele hoop soldi van mij.”

„Goed”, riep Alberto verrukt uit, „ik zal alles doen, wat gij mij hebt gezegd. En niemand zal er iets van te weten komen.”

De ontmoeting tusschen Lord Lister en den Duitschen schilder was zeer hartelijk. Zij hadden elkaar sinds jaren niet gezien en de professor was innig verheugd zijn vriend, Lord Lister, weder te ontmoeten.

Zonder den professor de werkelijke aanleiding tot zijn reis naar Rome mede te deelen, vertelde Raffles hem, dat hij toevallig door een kennis, den directeur van het Koninklijke Museum te Florence, had vernomen, dat hij, professor Grombeck, zich te Rome bevond en daar hij zich alleen voor zijn genoegen in Italië bevond, wilde hij niet verzuimen, zijn vriend op te zoeken.

Het gesprek liep al spoedig over kunst, vooral over de schilderkunst, het vak van den professor.

„Toen ik in de schilderijengalerij van het Museum te Florence de wonderschoone, wereldberoemde Madonna van Rafaël bewonderde, vertelde directeur Ciatti mij, dat ook gij eens dit kunstwerk hebt gecopieerd. Zou ik dat werk eens mogen zien, mijn beste vriend?”

De heldere oogen van den schilder werden als door een doffen sluier bedekt.

„Helaas neen”, sprak hij op droevigen toon, „het schilderij is weg, evenals mijn mooie droom van geluk verdwenen is, onherroepelijk en voor eeuwig!”

Raffles bemerkte, dat hij, door over het schilderij te spreken, treurige herinneringen bij zijn vriend had opgewekt. Hij vatte diens hand en sprak op zachten toon:

„Ik vraag het niet uit nieuwsgierigheid; en al verzwijg ik ook de reden van mijn weetgierigheid, gij begrijpt zeker wel—dat is een gewichtige en daarom—vertel mij van uw copie. Wanneer hebt gij deze gemaakt?”

„Wanneer ik die heb gemaakt?” herhaalde de professor weemoedig. „De tijd, waarin ik dat stuk heb gewrocht, ligt reeds lang achter mij.

„Ik was toen nog jong, zoo jong, dat ik aan trouw en in de menschen geloofde. Ik leefde voor mijn ideaal en dat was een jonge vrouw, geloof mij, zij was zelf als de Madonna van Rafaël, want Kitty geleek op haar als de eene tweelingzuster op de andere.

„Ik beminde Kitty en vereerde het schilderij. Daar ik haar haar eigen schilderij wilde geven, begon ik de Madonna te copieeren. Met koortsachtigen ijver werkte ik, dag in, dag uit, veel maanden lang en toen de copie gereed was,—mijn vrienden prezen haar en vergeleken haar bij de beste oorspronkelijke schilderijen—kwam de groote ontnuchtering.

„Kitty had alleen het gelaat en de handen van de Goddelijke Madonna, haar ziel echter was die van een duivelin.

„Het beviel haar niet, de vrouw te worden van een eenvoudig schilder, die toen nog onbekend was.

„Zij wilde niets meer van den armen drommel weten. Zij verlangde naar rijkdom, naar pracht en praal, zij wilde machtig zijn.......

„En op zekeren dag was zij verdwenen en met haar was het gecopieerde schilderstuk, waaraan ik met hart en ziel had gewerkt, voor altijd weg.

„Ik heb geen van beiden ooit terug gezien”, eindigde Grombeck bijna fluisterend zijn verhaal.

„Hoe heette de vrouw, die zooveel gelijkenis vertoonde met de Madonna?” vroeg Lord Lister, toen na een poosje zijn vriend weer kalmer was geworden.

„Kitty Molders”, sprak de schilder. „Ik heb nimmer gehoord, wat er van haar is geworden, waar zij is gebleven.”

John Raffles zweeg.

„Zou de directeur te Florence zich vergist hebben?” dacht hij. „Maar neen, dat was niet mogelijk. Ook ik, die niet aan schilderen doe, zou erop zweren, dat de copie van een modern artist moet zijn en die artist is mijn vriend Grombeck.

„Maar hoe is de copie op de plaats van het gestolen schilderij gekomen?”

DERDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT WEERZIEN.

Toen Raffles den professor had verlaten, twijfelde hij er geen oogenblik aan, dat het geschenk van den schilder aan de geliefde uit zijn jeugd niet door toeval in de handen van den brutalen museumdief was geraakt.

Hij wist nog niet, wie deze dief was.

Zooveel kon hij slechts met zekerheid zeggen: er moest verband bestaan tusschen den millionnair Talbott, de dame, welke door den Romeinschen straatjongen Alberto signora Potter werd genoemd en het gebeurde te Florence, misschien ook was de vermetele diefstal in het Quirinaal-museum te Rome er bij betrokken.

Maar ook dit wist hij: het zou niets geven, al liet hij de dame, wier adres hij nu immers kende, door de Italiaansche politie in hechtenis nemen.

Raffles wist maar al te goed uit eigen ervaring, hoe voorzichtig men moest zijn met het gevangen nemen van rijke en voorname lieden.

Zulk een maatregel zou groot opzien verwekken en hemzelf een onafzienbare reeks onaangenaamheden bezorgen. Intusschen zouden dan alle sporen der misdaad volkomen zijn uitgewischt.

Verdiept in deze overpeinzingen, liep hij plotseling op het smalle trottoir tegen een voorbijganger aan. Hij mompelde een verontschuldiging, sprong terug en keek onwillekeurig op. Maar onmiddellijk keek hij weer voor zich en verdween tusschen de menschen.

De voorbijganger herkende hem niet, maar met scherpen blik keek Raffles den man na. Waar had hij dien eigenaardigen gang gezien, dit uiterlijk van vervallen grootheid, die puntige knevels en dat gladgestreken zwarte haar.......

Zijn geheugen was hem nimmer ontrouw—hij wist het al—het was de jonge elegante heer, wiens gesprek met den Amerikaanschen millionnair hij in hotel Bellevue te Florence had afgeluisterd. Talbott had hem toen Dent genoemd.

John Raffles overtuigde er zich eerst van, dat de man hem niet had herkend, daarop volgde hij hem onopgemerkt.

Een tijdlang liepen zij achter elkaar.

Plotseling vloog een gedachte door het brein van den Grooten Onbekende, die hem in het eerste oogenblik dwaas scheen. Maar er was geen tijd om lang na te denken. Zij waren nu bij een drukke hoofdstraat gekomen.

Raffles liep met vlugge stappen langs Dent en begon:

„Pardon, mijnheer”,.......

„Gij wenscht?” vroeg deze op verbaasden toon.

„Ziet gij niet een spook?” vroeg Raffles met de onschuldigste stem van de wereld.

„Een spook?—Zijt gij krankzinnig, mijnheer?—Wat voor een spook?” vroeg Dent verbaasd.

„Het spook van...... Carlo Pasini”, sprak Raffles kalm en langzaam.

Een woeste uitdrukking verscheen in de oogen van den man, maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet.

Zij bevonden zich op een der drukste punten van de Romeinsche hoofdstraat. Rondom hen bewoog zich een talrijke menigte.

Plotseling sprong Dent terzijde en schreeuwde:

„Een dief, een dief! Men heeft mijn beurs gestolen! Houdt den dief!”

Dadelijk was alles in beroering, iedereen liep achter den man aan. Allen schreeuwden en de verwarring werd hoe langer hoe grooter. In een oogenblik waren Raffles en Dent door een groote volksmenigte van elkaar gescheiden.— —

Toen Lister, die bedaard was blijven staan, om zich heen keek, was Dent niet meer te zien.

„Je truc is je gelukt”, sprak Raffles tot zichzelf, terwijl hij spijtig glimlachte, „maar het zal je niet baten. Ik weet, wat ik wenschte te weten!”

Hij snelde naar het café, waar hij Alberto zou ontmoeten. Het was er vol bezoekers.

John Raffles nam in een hoekje plaats en wachtte geduldig.

Opeens zag hij, hoe een straatjongen zich vooruitwerkte door het gewoel der gasten en naar hem toekwam.

Juist, het was Alberto, de slimme, Romeinsche straatjongen.

Maar hij bleef bij geen enkel tafeltje staan en kondigde zijn koopwaar ook niet aan; hij naderde Raffles onmiddellijk en fluisterde dezen toe:

„Zij gaat vanavond naar Parijs!”

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DEN D-TREIN.

De expresse Rome-Parijs zou binnen een uur vertrekken.

Lord Lister had nog juist tijd, om afscheid te nemen van Rome en de noodige maatregelen te nemen.

Het was twee minuten voor het vertrek van den trein. De courantenverkoopers en buffetjongens liepen op het perron heen en weer en boden met luider stemme het reizend publiek ververschingen en lectuur aan.

De reizigers hadden reeds plaats genomen in de coupé’s en wachtten op het teeken tot vertrek, terwijl zij zich nog door de openstaande raampjes en waggondeuren onderhielden met de personen, die hen wegbrachten.

De locomotief dampte en snoof als een vurig paard, dat zich op een langen rit voorbereidt.

De spoorwegbeambten holden heen en weer en deelden hun laatste bevelen uit.

Plotseling verscheen in de laatste minuut voor het vertrek van den trein nog een late passagier op het perron. Het was een slanke dame met zeer voornaam uiterlijk.

Een vrouw, waarschijnlijk haar kamenier, volgde met talrijke doozen en pakjes.

Aller oogen vestigden zich op de slanke vrouwengestalte. De conducteur opende het portier van een coupé eerste klasse en hielp haar instappen. De kamervrouw stapte mede in.

De conducteur wilde reeds de deur van den waggon weer dichtslaan, toen nog een reiziger naderde.

Het was een corpulente katholieke geestelijke, die hijgend met zijn handkoffertje kwam aanhollen en in Romeinsch dialect vroeg:

„Eerste klasse, niet rooken?”

De conducteur liet hem in dezelfde coupé plaats nemen, waar de dame reeds zat. Op het volgende oogenblik gaf de stationschef het teeken tot vertrek en zette de trein zich in beweging.— — —

Reeds eenige uren lang zat de dame in haar hoekje tegen het roode pluche geleund, schijnbaar te sluimeren. Ook de geestelijke zat onbeweeglijk en toonde geen belangstelling voor de streek, waardoor zij reisden, hoewel het landschap, badend in het zachte maanlicht, een tooverachtigen aanblik bood.

Alles was stil; men hoorde alleen het geratel der wielen en het stampen van de locomotief.

Eindelijk sliep de geestelijke in.

Zijn zware ademhaling en zacht gesnurk schenen de dame te hinderen, want plotseling stond zij op.

Met een vluchtigen blik overtuigde zij zich ervan, dat de geestelijke sliep. Daarop begaf zij zich naar de lange zijgang en liep naar den kant, waar zich de rookcoupé’s bevonden.

Voor een der afdeelingen bleef zij staan. Slechts een heer zat daar, een man van middelbaren leeftijd, in wien men dadelijk den Amerikaan herkende.

Zij aarzelde een oogenblik; toen klonk het op zachten toon van haar lippen:

„Charly!”

De heer sprong op, maar op hetzelfde oogenblik klonken achter de dame zware voetstappen. Het tweetal keerde zich om en zag den geestelijke, die met langzame stappen naderkwam.

Met groote tegenwoordigheid van geest kwam de dame naar hem toe en vroeg met een betooverend glimlachje:

„Pardon, kunt u mij ook zeggen, waar de restauratiewagen is?”

„Ik geloof, aan het eind van den trein, dame”, antwoordde de geestelijke.

Met een vriendelijk „dank u” ruischte de dame in de aangeduide richting.

De geestelijke bleef in den zijgang bij het raampje staan. Hij scheen naar buiten te kijken, maar het ontging zijn scherpen blik niet, hoe zij, op het oogenblik, dat zij de coupé van den Amerikaan passeerde, als per ongeluk een klein stukje wit papier ter grootte van een visitekaartje liet vallen. Onmiddellijk zette de Amerikaan er zijn voet op.

Nauwelijks was de dame verdwenen of hij keek om zich heen, bukte en bracht het stukje papier bij zijn oogen. Tegelijkertijd schoof de geestelijke den blauwen bril, welken hij droeg, terug en wierp een haastigen, maar scherpen blik over den schouder van zijn medereiziger en las tegelijk met den Amerikaan de volgende woorden:

„Dent ontmoette heden Raffles in Rome.”

Het geheele voorval duurde niet meer dan een halve seconde; reeds stond de geestelijke weer uit het raampje te kijken en vlak bij hem rekte de Amerikaan zich geeuwend uit.

Toen de geestelijke zijn eigen afdeeling weer had bereikt, was de dame daarin reeds weer uit den restauratiewagen teruggekeerd. Zij leunde met gesloten oogen in de kussens en scheen den binnenkomenden reiziger niet eens op te merken.

Deze nam kalm zijn plaats weer in.

Na een poosje stond hij echter weer op en sprak op beleefden toon tot de dame, die juist de oogen even opende:

„Gij wilt zeker slapen, dame, ik wil u niet storen. De trein is bijna leeg, want er vertrekken in dit heerlijke seizoen weinig menschen uit ons schoone Italië.

„Het is een kleine moeite voor mij om een plaatsje te vinden in een andere afdeeling. Gij zijt dan ongestoord.......”

„Ik dank u zeer, gij zijt zeer vriendelijk”, antwoordde de dame.

De geestelijke nam zijn handtaschje op en verliet met een eerbiedigen groet de afdeeling. Daarop zocht hij de coupé op, waar de Amerikaan zat en nam tegenover dezen plaats.

Zonder met den man een gesprek aan te knoopen bleef de geestelijke zwijgend zitten. Als uit verveling keek hij met onverschillige blikken naar zijn vis-à-vis.

Deze had een Engelsch romannetje in de hand en scheen aandachtig te lezen. Maar zijn oogen dwaalden af en de geestelijke zag, dat de bladen van het boek onopengesneden waren.