Chapter 1 of 5 · 3972 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 33 DE ALARMKREET.

DE ALARMKREET

EERSTE HOOFDSTUK.

DE REDACTIE.

Een reusachtig schild met gouden letters trok in de Regentstraat de aandacht van alle voorbijgangers.

„De Alarmkreet”.

Onafhankelijk orgaan voor recht en waarheid.

las ieder, die daar passeerde.

Des avonds prijkte een enorm groote trompet, gevormd door helder brandende electrische lampjes, boven aan den gevel van het gebouw.

Te oordeelen naar de reclame, die er werd gemaakt, moest het een wereldberoemd blad zijn en het grootste gedeelte van het gebouw scheen gebruikt te worden voor de exploitatie van het blad.

Maar al die reclame was niets als bluf en diende alleen om het publiek zand in de oogen te strooien.

Dat op deze manier reeds werd gehandeld in strijd met de waarheid, scheen niet te hinderen.

Wanneer men in het reuzengebouw informeerde naar de redactie van de Alarmkreet, kreeg men een ontwijkend antwoord.

Alleen de portier, die echter meestal niet te vinden was, wees den belangstellenden vrager den weg langs drie binnenplaatsen; dan moest men vijf trappen hoog klimmen, totdat men bijna onder het dak boven een lage, vervelooze deur een schild ontdekt, waarop te lezen stond:

Redactie van de „Alarmkreet”

Ging de vreemdeling naar binnen, dan vond hij in het vertrek, dat slechts gemeubeld was met een wankel tafeltje en twee stoelen, een armoedig gekleeden jongeling van 15 of 16-jarigen leeftijd, die den bezoeker met verbaasde blikken aanstaarde, alsof hij niet wist, wat iemand ter wereld daar te zoeken kon hebben.

Vroeg men naar de redactie of den directeur van de courant, dan luidde het antwoord, dat de jongen gaf, altijd:

„Mr. Röttger, de redacteur, en mr. Kroyzer zijn allebei uit de stad en het is niet te zeggen, wanneer zij terug zullen komen.”

Men werd dan verzocht zijn aangelegenheden schriftelijk te behandelen.

Niemand probeerde het ooit, de vijf trappen nogmaals, en misschien tevergeefs, te beklimmen en men deed zijn zaken dan maar per brief af.

De redacteur en de eigenaar van de courant moesten geldige redenen hebben om een ontmoeting met het publiek te vermijden.

Ook had nog nooit iemand van den goed afgerichten jongen de particuliere adressen der beide heeren vernomen.

Zelfs tegen een groote fooi verried hij zijn meesters niet.

Eenmaal per week kwam de Alarmkreet uit en niemand wist hoe groot de oplaag was.

Slechts enkele Londenaars kochten het blad.

Het was, alsof men bang was om er de hand naar uit te steken.

Zij, die het kochten, deden het alleen omdat zij belust waren op schandaaltjes, die zij in de Alarmkreet rijkelijk konden vinden, of wel het waren lieden, die zelf in het schimpblad aan de kaak werden gesteld.

Onder den schijn, voor recht en waarheid te strijden, maakte het weekblad er zijn werk van, de zwarte zielen der Londenaren nog donkerder af te schilderen dan zij inderdaad reeds waren.

Slechts zij, die een flink bedrag betaalden of abonné’s waren, konden er zeker van zijn, niet door het slijk te worden gesleurd.

Het laatste nummer der Alarmkreet bevatte een artikel over John Raffles, den grooten onbekende.

Mijnheer de redacteur meende te kunnen bewijzen, dat de edele karaktereigenschappen, welke Raffles in al zijn daden aan den dag had gelegd, niets anders dan schijnheiligheid waren.

Inderdaad moest hij een gewetenlooze avonturier zijn, een misdadiger, die zijn ongelukkigen slachtoffers hun laatsten cent ontnam om het geld in gezelschap van lichtzinnige losbollen of met dames der demi-monde te verbrassen.

Charly Brand, de vriend en helper van Raffles, had de courant gekocht, toen die op straat met luid geschreeuw werd aangeboden en legde ze op diens schrijftafel nadat hij het artikel, dat als opschrift droeg: „De waarheid omtrent Raffles!” met blauw potlood had aangestreept.

Lord Lister was juist uit de sportclub Hellas in zijn voorname, deftige woning teruggekeerd en had dadelijk de courant even ingekeken.

De secretaris lette nauwkeurig op de gelaatsuitdrukking van zijn vriend.

Raffles liet, nadat hij het artikel gelezen had, zijn monocle uit de oogholte vallen en ving het in de hand.

Met een schalkschen blik en een vroolijk glimlachje sprak hij tot Charly Brand:

„Nu weet ik tenminste de waarheid omtrent mijzelf. Het is opvallend, hoe weinig wij, menschen, ons eigen karakter soms kennen. Ik heb inderdaad tot dusverre nog niet geweten, dat ik een vreeselijke Don Juan, een speler en drinker ben. Alle eer aan de Alarmkreet! Zij heeft mij de oogen geopend. Ik voel, dat ik zoo slecht ben, dat ik nauwelijks meer in den spiegel durf kijken.”

Charly Brand begreep deze ironie niet.

Mismoedig fronste hij de wenkbrauwen en antwoordde:

„Ik snap je niet. Wil je het artikel, zonder er notitie van te nemen, in de prullemand werpen?

„Moet men jou, die elken penning, welken je met je sport verdient, besteedt om den nood van ongelukkigen te lenigen, moet men jou werkelijk voor een speler en een drinker houden?”

John Raffles stond op en klopte zijn secretaris geruststellend op den schouder.

„Mijn lieve, beste jongen! De enkele lezers van dit artikel mogen er, wat mij betreft, gelukkig mee zijn. De andere menschen zullen zeker wel weten, wat men van een stuk in de Alarmkreet kan gelooven.

„Het zou zeer beleedigend voor mij zijn, wanneer het schimpblad had geschreven, dat ik een eerlijk, vroom mensch was, dat ik een even volmaakt gentleman was als de heeren van de Alarmkreet dat zelf zijn.

„Kijk eens, mijn beste Charly, zulk een artikel zou ik niet onverschillig ter zijde hebben gelegd, want dat zou een beleediging zijn geweest.

„Ik dacht er juist vanmorgen over na, waar ik een nieuw terrein zou kunnen vinden voor het verdere uitoefenen van mijn sport.

„Ik zal mij nu eens in het belang van het menschdom met dit alom verspreide blad bezighouden.

„Doe eens je best om er achter te komen waar de eigenaar en de hoofdredacteur van het blad wonen en op welke uren zij te spreken zijn. Dan kan ik mijn plan in elkaar zetten.”

Charly Brand stond op, en daar het zijn gewoonte was, de bevelen van zijn meester dadelijk ten uitvoer te brengen, nam hij zijn hoed en wandelstok om zich op weg te begeven.

„Mocht je den hoofdredacteur persoonlijk te spreken krijgen,” sprak lord Lister, toen Charly de kamer wilde verlaten, „stel je dan aan hem voor als schrijver, wat je immers ook bent.”

Charly Brand bloosde.

„Hoezoo?” vroeg hij. „Hoe weet jij, dat ik schrijf?”

„Ik weet het,” antwoordde Raffles lachend, „ik vond namelijk, toen je uit waart, in je kamer een lijvig werk, waarin je de meeste mijner uitgehaalde streken op verbazend kunstige wijze hebt weergegeven.

„Daarom heb ik het recht te zeggen, dat jij een auteur bent.”

„Ik schreef dit alleen voor mijn eigen genoegen,” antwoordde de secretaris.

„Maar met grooten aanleg,” antwoordde John Raffles. „Ik was reeds gisteren van plan je te verzoeken, voortaan al mijn avonturen, als mijn trouw biograaf, op te schrijven. Misschien wordt je daardoor eenmaal een beroemd man.

„Ga nu. Stel je op de redactie voor als schrijver en zeg, dat je werk zoekt. Vertel ook, dat je van allerlei hooggeplaatste en beroemde personen de intiemste schandaaltjes weet.”

Charly ging heen.

Hij moest bijna een uur zoeken, voordat de portier van het groote gebouw, hem met een geheimzinnig glimlachje den weg wees naar het redactiebureau van de Alarmkreet.

Toen hij de armoedig ingerichte kamer binnentrad, was daar ook een bejaarde man aanwezig, die naar zijn kleeding te oordeelen, tot den gegoeden stand behoorde.

Charly Brand bleef bij de deur staan en was getuige van een gesprek tusschen den man en den jongen.

„Het is dus onmogelijk,” sprak de vreemdeling, „om een van de heeren te spreken te krijgen?”

„Onmogelijk,” antwoordde de jongeling, met een grijns op zijn leelijk gelaat. „Mr. Röttger en Mr. Kroyzer zijn voor zaken afwezig en als gij iets wenscht, dan moet gij dat schriftelijk vragen.”

„Ik kan dat niet per brief doen,” sprak de onbekende. „Gij weet zeker wel van welke zaak hier sprake is. De som, die ik moet betalen, kan ik niet bij elkaar brengen.”

De jongen haalde de schouders op.

„Ik weet niet, waarom het hier gaat, Sir, gij moet dat met den chef zelf behandelen.”

„Als ik hem maar te spreken kan krijgen,” vervolgde de vreemdeling op zenuwachtigen toon, „reeds vier keer heb ik den weg hierheen afgelegd.”

„Ik zei u reeds eenige keeren, dat gij de zaak alleen per brief in orde kunt maken.”

„En ik herhaal u voor de vierde maal, dat ik daartoe niet in staat ben. Ik geef u een flinke fooi, als gij mij het adres van een der heeren opgeeft.”

„Ik ken hun adressen zelf niet,” antwoordde de jongen, „het helpt niets of gij mij een fooi geeft. Mr. Röttger en Mr. Kroyzer komen hier op kantoor en behandelen met mij, wat er te behandelen is”.

„Ik heb gisteren en vandaag al urenlang gewacht, zonder een der heeren te spreken—niemand komt. Kunt gij mij niet vertellen, „wanneer zij ongeveer verschijnen?”

„Wel Sir,” sprak de jongen, „ik kan u geen inlichtingen daaromtrent geven, ik zie de heeren dikwijls, dagenlang niet. Soms komen zij eerst des nachts om hier te werken.”

„Maar de heeren moeten u uw loon toch uitbetalen.”

„Yes Sir,” antwoordde de kantoorbediende, „dat zenden de heeren per post aan mijn moeder.”

Zonder zich verder om Charly Brand of den vreemdeling te bekommeren, stak de jongen een slechte centssigaar aan, nam plaats op een stoel en blies dikke rookwolken voor zich uit.

Nu kwam Charly Brand naderbij en sprak tot den waardigen vertegenwoordiger der Alarmkreet:

„Ik wenschte ook een der heeren te spreken, maar na al hetgeen ik zooeven hoorde, bestaat daartoe weinig kans.”

„Ja mijnheer,” antwoordde de jongen, in een hoek van de kamer spuwende, „dat moet gij schriftelijk doen.”

De secretaris zette zijn hoed op en ging heen.

Met een diepen zucht volgde de vreemdeling hem.

Toen zij buiten waren gekomen, sprak de onbekende heer:

„Een schurkenbende is het! Bedriegers van het ergste kaliber en niemand durft het wagen, hen aan te vallen. Het is meer dan treurig, dat onze politie aan dergelijke dingen niet een eind maakt! Maar met werkelijke misdadigers, zooals die daar, bemoeit de politie zich niet.”

„Met wien heb ik de eer?” vroeg Charly Brand, terwijl hij zijn hoed afnam.

De vreemdeling groette eveneens zeer beleefd en sprak toen:

„Pardon, ik vergat de gewone beleefdheid in acht te nemen. Mijn naam is Thomas Spancer. Ik ben de eigenaar van een zaak in pelterijen aan het Strand, gij zult mijn winkel waarschijnlijk wel kennen.”

„Zeker,” antwoordde de secretaris van Raffles, „ik ken die zaak als een der oudste van Londen.”

„Zoo is het,” knikte de vreemdeling, „mijn grootvader richtte de firma op. De zaak is reeds honderdvijftig jaar in handen van onze familie en onze naam staat in Londen uitstekend bekend.

„En nu willen die schurken door middel van hun lastercourant onzen goeden, eerlijken naam bezoedelen en mij met mijn familie te gronde richten.

„Dat wil zeggen”—hij lachte bitter—„indien ik de vijfduizend pond sterling niet betaal.”

Charly Brand floot zachtjes.

„Daar is het hun dus om te doen. Mijn naam is Charly Brand,” sprak hij, „het zou mij genoegen doen, wanneer ik u kon helpen.”

De pelshandelaar keek den jongen man met onderzoekende blikken aan.

„Ik zou gaarne hulp willen aanvaarden,” sprak hij langzaam.

„Mag ik weten, hoe de zaak in elkaar zit?”

„Uw uiterlijk boezemt mij vertrouwen in,” antwoordde de koopman, „laten wij samen een restaurant binnengaan, dan zal ik er u meer van vertellen.”

Beide heeren gingen een restaurant binnen, waar op dat uur weinig bezoekers waren.

Nadat zij iets hadden besteld, begon de koopman op zachten toon, te vertellen:

„Ik heb een zoon, die nu 22 jaar oud is en in mijn zaak werkt een jonge bontwerkster van opvallende schoonheid.

„Zij en mijn zoon werden verliefd op elkaar en hiervan bemerkte ik pas iets, toen het reeds te laat was.

„Tevergeefs wees ik mijn zoon op de treurige gevolgen van zijn lichtzinnig gedrag en zei hem, dat hij onmogelijk met het jonge meisje kon trouwen, daar elk mannelijk lid onzer familie een geldhuwelijk moet sluiten.

„Misschien vindt gij een dergelijk principe niet goed, maar ik verzeker u, mr. Brand, dat in drie geslachten, bij mijn grootvader, mijn vader en mij zelf, waar de huwelijken allemaal uit berekening werden gesloten, een gelukkig en kalm familieleven heeft geheerscht.

„Bij veel van mijn vrienden daarentegen, die huwelijken uit liefde sloten, zijn ongeluk, zorg en vernietiging der eens gekoesterde idealen de treurige gevolgen geweest.

„Mijn zoon dacht er ook niet over, het jonge meisje te huwen en maakte daardoor den toestand nog erger.”

„Dat begrijp ik niet,” sprak Charly Brand hoofdschuddend, „gij hadt dit juist prettig moeten vinden.”

„Volstrekt niet,” antwoordde de ander, „want hierdoor kreeg ik een slechten dunk omtrent het karakter van mijn zoon.

„Hoe is het mogelijk, dat een jonge man een verhouding aanknoopt met een meisje, zonder te bedenken dat hij daardoor de verplichting op zich laadt om met haar te trouwen?”

„Ja, gij hebt gelijk,” sprak de secretaris.

„Om kort te zijn,” vervolgde de oude heer, „de naaister geloofde stellig, dat mijn zoon Charly—mijn zoon draagt denzelfden naam als gij—haar zou huwen.

„Toen ik haar verklaarde, dat zij misrekende en dat mijn zoon op reis zou gaan—hij bevindt zich tijdelijk in Amerika om pelswaren in te koopen—haalde het arme meisje een domme streek uit en sprong, om een eind aan haar leven te maken, in de Theems.

„Zij werd gered.

„Op mijn kosten liet ik haar in een onzer beste ziekenhuizen verplegen, waar ik haar dagelijks bezocht.

„Het gelukte mij, haar vaderlijke vriend te worden.

„Nadat zij hersteld was bezorgde ik haar een kleine zaak in pelswaren in de Victoriastraat en alles zou in orde zijn geweest, wanneer niet naar aanleiding van het politierapport omtrent de poging tot zelfmoord een verslaggever van de Alarmkreet het geval had nageplozen.

„In de Alarmkreet zal nu een artikel verschijnen dat de zaak zoo voorstelt, alsof mijn zoon met mijn voorkennis, misschien ik zelf, het jonge meisje zou hebben onteerd en wij haar als afkoopsom die zaak hadden verschaft.

„Daar mijn reputatie steeds goed is geweest, zal dit courantenbericht groot opzien verwekken en mij ten zeerste benadeelen.”

„Hoe weet gij, dat een dergelijk sensatiebericht in de courant zal komen?” vroeg Charly Brand. „Is het reeds verschenen?”

„Neen,” antwoordde mr. Spancer, „maar de redactie van de Alarmkreet zond mij een schrijven en als bijlage” de copie van het artikel ter inzage.

„Mijn vrienden, aan wie ik de zaak meedeelde, rieden mij aan, mij in verbinding te stellen met de redactie der Alarmkreet en te trachten door het betalen van een zeker bedrag te verhinderen, dat het artikel het licht zal zien;

„Ik zou ook bereid zijn, een vrij groot bedrag voor dat doel op te offeren, maar de eisch is helaas te hoog. Ik kan op het oogenblik niet over het gevraagde bedrag beschikken.

„Als het winter was, zou dat beter kunnen, maar nu in den zomer gaat er zoo goed als niets in mijn zaak om en ik heb mijn geld door het inkoopen van pelswaren voor den volgenden winter reeds vastgezet.”

„Hoeveel vroegen de kerels?”

„Vijfduizend pond sterling. Een flink bedrag.”

„Schandelijk!” riep Charly Brand uit, „voor den duivel, ja, hier moet worden gehandeld! Ik heb een vriend, dien ik onmiddellijk van deze zaak op de hoogte zal stellen.

„Ik denk wel, dat hij de man is, die u kan helpen.”

„Dat zou al heel spoedig moeten gebeuren,” sprak mr. Spancer, „ik heb slechts drie dagen tijd, dan moet ik betalen, of de schurken publiceeren het artikel.”

„Mijn vriend heeft in vierentwintig uur dikwijls meer klaar gespeeld dan dit. Maat laat ons nu heengaan. Ik hoop u over een paar uur met mijn vriend te komen bezoeken.”

Zij betaalden hun vertering en namen afscheid van elkaar als een paar oude vrienden.

Mr. Spancer zag en hoorde nog, hoe Charly Brand in een rijtuig plaats nam en den koetsier toeriep, zoo snel mogelijk te rijden.

Het was in het late avonduur van den volgenden dag, toen mr. Charles Röttger, de redacteur van de Alarmkreet, zacht, als een misdadiger, de trap naar de redactie opging. Er bevond zich op dat uur niemand meer in het gebouw, dat slechts voor kantoorlokalen was ingericht.

Mr. Röttger, een klein, mager mannetje, ontsloot de deur naar de redactie en grendelde ze, nadat hij was binnengetreden, zorgvuldig.

Hierop streek hij een lucifer aan en ging naar het tafeltje, waarop verschillende brieven lagen.

Nu nam de journalist plaats op een wankelen stoel die voor de schrijftafel stond en begon de aangekomen post te openen.

Zijn roofdierachtig gelaat werd af en toe verwrongen tot een duivelsch lachje, wanneer hij in een brief iets las, dat hem bijzonder beviel.

Zoodra hij een brief had gelezen, beantwoordde hij dezen.

Ten slotte nam hij een blauwe enveloppe op, die hij opende en waaruit hij een schrijven haalde van den volgenden inhoud:

Waarde heer!

Ik ben beambte van het hoofdbureau van politie en werk in de naaste omgeving van den politie-inspecteur Baxter.

Ik geloof niet, dat gij tot dusverre hebt geweten, dat deze beambte vele huizen bezit en zeer vermogend is.

Het zal u duidelijk zijn, dat hij deze eigendommen niet van zijn salaris heeft overgespaard.

Hoe komt hij aan dat geld?

Welnu, ik ken de bronnen, waaruit dat vermogen is gevloeid. Stelt gij er belang in, van mij inlichtingen te bekomen voor het opstellen van een opzienbarend artikel, dan verzoek ik u, mij in mijn particuliere woning op te zoeken. Ik ben tusschen 5 en 7 uur des avonds altijd thuis:

Op uw redactie zou ik liever niet willen komen, omdat ik een te bekende persoonlijkheid in Londen ben en de een of andere collega mij zou kunnen zien.

Met de meeste hoogachting TOM MARHOLM, Essexstraat 16.

„Een prachtig zaakje,” fluisterde Charles Röttger, den brief nog eens lezende.

Daarop stak hij hem zorgvuldig in zijn portefeuille, blies de kaars op de schrijftafel uit en verliet het redactiebureau even geheimzinnig als hij er gekomen was.

Hij vermoedde niet, welke valstrik John Raffles hem had gespannen.

In een restaurant kwam hij samen met zijn compagnon, die bekend stond in de Londensche wereld als „de mooie Guido”. Hij was een bekende persoonlijkheid en verborg achter een masker van onbeduidendheid zijn uiterst geslepen, slecht karakter.

Hij en zijn vriend pasten bijzonder goed bij elkaar.

Ook de mooie Guido grijnslachte, toen hij den brief van den vermeenden detective Marholm las.

„Een goed zaakje,” sprak hij tot zijn medeplichtige, „minstens 1000 pond sterling waard.”

„Mijnheer de inspecteur van politie zal er zijn geheele vermogen voor over hebben om te voorkomen, dat dit artikel verschijnt.”

„Gij denkt dus niet, dat deze brief een valstrik is?”

„Onmogelijk,” antwoordde de mooie Guido, „ik heb den naam Marholm ontelbare keeren bij de Raffles-geschiedenissen in de couranten gelezen.

„Wij behoeven ons deswege niet ongerust te maken. Hij is van plan, zijn chef een poets te bakken.

„Bovendien ziet gij uit den brief, hoe bang de man is, om bij een eventueel bezoek aan onze redactie gezien te worden.

„Wij behoeven niet te vreezen voor een man, die angst heeft voor zijn eigen persoon.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde Mr. Röttger, „ik zal den man morgen bezoeken en hem het bloed uit de nagels persen.

„Dan zal ik een kranig artikel naar den beroemden inspecteur van politie zenden.”

„Het zal een mooi zaakje worden,” meesmuilde de mooie Guido, „en als de inspecteur niet betaalt, een schitterend sensatiebericht voor ons blad.”

„Maak maar een artikel gereed naar aanleiding waarvan geheel Londen op zijn kop zal staan!”

„Maak u daaromtrent niet ongerust,” antwoordde Charles Röttger, „gij kent mijn pen.”

Den volgenden dag, precies om 5 uur, werd er op de deur geklopt van een kamer in de Essexstraat no. 16, in welk huis volgens opgaaf in den brief Mr. Marholm moest wonen.

Het was een pension en de redacteur van de Alarmkreet kon onmogelijk weten, dat Raffles daar onder den naam van Marholm een kamer had gehuurd om, zooals hij het noemde, de rattenval op te stellen, waarin hij den redacteur en den eigenaar van het schendblad wenschte te vangen.

Hij had zich niet vergist.

De val met het vette schandaalbericht beantwoordde uitstekend aan het doel.

Dit bemerkte hij, toen de kleine, magere redacteur de kamer binnentrad met de woorden:

„Heb ik de eer Mr. Marholm te spreken?”

„Yes,” antwoordde Raffles, die de beide kerels voor zoo dom hield, dat hij het niet eens de moeite waard had gevonden om de vermomming van detective Marholm aan te nemen.

„Mijn naam is Marholm, met wien heb ik de eer?”

De kleine Mr. Röttger naderde Raffles zoo dicht mogelijk en fluisterde:

„Ik kom van de Alarmkreet.”

„Dat is uitstekend,” antwoordde Raffles.

Daarop ging hij naar de deur en de journalist zag, hoe hij die grendelde, blijkbaar uit angst, dat iemand zou kunnen binnenkomen.

„Niemand heeft u toch gezien?” vroeg Marholm op angstigen toon.

„Wees onbezorgd,” lachte de journalist, „ik zorg er altijd voor, dat niemand mij ziet. Ik weet, dat het voor u in uw betrekking van detective gevaarlijk zou zijn, als iemand mij hier had zien binnengaan.”

„Ik heb een prachtige geschiedenis voor uw blad,” sprak Raffles, toen zij plaats hadden genomen, „en ik hoop, dat gij, die voor recht en waarheid strijdt, dezen man, die de Londensche politie tot schande is, den inspecteur Baxter, door uw artikel zijn ontslag zult bezorgen.”

„Nu, wij zullen zien,” antwoordde de bezoeker, „voor alles moet gij uwe beweringen met bewijzen kunnen staven. Ik hoop, dat gij daartoe in staat zijt!”

„En gros,” sprak de groote onbekende, „ik kan alles bewijzen.

„Ziet gij, deze inspecteur van politie, die een rijksinkomen heeft van 1000 pond sterling, heeft een tegoed op de Bank van 15,000 pond en hij bezit verscheiden huizen, zoodat hij millionnair is.”

Mr. Röttger wreef zich de handen.

„Uitstekend,” mompelde hij vergenoegd, „een inspecteur van politie, die millionnair is, dat geeft een magnifique artikel voor de Alarmkreet.”

„Gij zult zelf wel begrijpen, dat men bij een jaarlijksch inkomen van duizend pond sterling geen millionnair kan worden, maar ik zal u allerhande bijzonderheden meedeelen. Ik heb hier de geheime lijsten, waarop gij kunt zien, van welke zijden de heer Baxter zijn inkomsten betrekt.

„Allereerst moet gij dit zien.”

Hij nam een brief, die voorzien was van het wapen, van Lord Lister en toonde dien den redacteur.

„Wees zoo goed, mij dien brief te geven,” sprak Mr. Röttger.

„Ik zal hem voorlezen, dat zal u voorloopig voldoende zijn. Het is een brief van den beruchten John Raffles aan den inspecteur van politie. Daaruit zult gij zien, hoe het komt, dat Mr. Baxter tot dusverre den man nog niet heeft gepakt.”

„Hoogst interessant! Hoogst interessant!” fluisterde de redacteur.

„Neen!” schreeuwde Raffles, „een schandaal is het! Het grootste schandaal der geheele wereld. Deze politieinspecteur is de medeplichtige van den grooten onbekende. Hij speelt met hem onder één hoedje, dat staat zwart op wit in dezen brief.”

Deze openbaring werkte zoo electriseerend op Mr. Röttger, hoewel deze aan sterke staaltjes gewend was, dat hij den vermeenden Marholm met open mond aanstaarde.

„Maar dat is niet te gelooven,” mompelde hij.

„Wees zoo vriendelijk, mij den brief voor te lezen.”

Hij zag het fijne glimlachje niet, dat bij die woorden om den mond van Raffles speelde.

Deze las:

Mijn waarde Baxter!

Ik heb gisteren den ouden Simpson, den diamanthandelaar, van wien gij mij mededeeldet, dat hij allerlei vuile zaken doet, opgezocht en hem drieduizend pond sterling armer gemaakt.

Hierbij zend ik u een cheque van 1500 pond, de helft van den buit.

Hedenavond ben ik in het Piccadilly Restaurant onder de bekende vermomming. Vraag den ober-kellner naar Mr. Thonet.

Wij zullen een paar flesschen champagne op het welslagen drinken.

Met vriendelijke groeten JOHN C. RAFFLES.”

De kleine journalist snakte een oogenblik naar adem.

Dat was meer dan hij had verwacht.

Van zijn stoel opspringend, riep hij uit:

„Geef mij dien brief!”