Part 3
„Gij zijt nu een persoon van aanzien en kunt gemakkelijk nog twintig jaar dienst doen. Reken eens na, welk een verlies het voor u zou zijn, als gij de verdere jaren van uw leven uw salaris als inspecteur van politie der stad Londen niet meer zoudt ontvangen.”
Baxter begreep, dat de mooie Guido gelijk had.
Hij verzamelde al zijn kracht en antwoordde:
„Laat mij tot morgen tijd. Ik kan hieromtrent niet zoo snel een besluit nemen.”
„Goed,” antwoordde de kleine redacteur, „wij zullen dan terugkomen, gij kunt intusschen nadenken of gij onze voorwaarden inwilligt.
„Waar zullen wij elkaar ontmoeten?”
Na eenig nadenken antwoordde Baxter:
„In hotel Granmercy.”
Mr. Röttger knikte en de bezoekers gingen heen.
Baxter zonk met een zucht van verlichting in den stoel bij zijn schrijftafel en wenschte vurig, geen inspecteur van Scotland Yard te zijn.
Intusschen kwam Marholm binnen en, terwijl hij het parfum uit den zakdoek van den mooien Guido opsnoof, sprak hij:
„Ik geloof, dat het heel goed zou zijn, als wij hier eens een beetje frissche lucht binnenlieten. Het ruikt hier, alsof men in een chambre séparée kwam. Damesbezoek gehad?”
„Neen,” zuchtte Baxter met een blik vol angst naar de deur. „Kent gij de beide heeren, die mij zooeven bezochten?”
„Natuurlijk,” glimlachte de vloo, „de een, die kleine, magere, moest eigenlijk, voordat men hem ontvangt, flink ingespoten worden met insectenpoeder, men moet anders bang zijn—” hij maakte een krabbende beweging—„iets over te erven van zijn bezoekers.
„Bovendien zou het voor allebei goed zijn, als men ze aan een flinken hennepstrop ophing!”
„Is de kerel gevaarlijk?” vroeg Baxter.
„Gevaarlijk?” herhaalde de vloo. „Zulk een afperser is veel gevaarlijker dan Jack, de moordenaar. Die doodt zijn slachtoffers door een enkelen steek. Maar deze schurk kwelt hen weken- en maandenlang, voordat hij ze zoodanig tot wanhoop brengt, dat zij de hand aan zichzelf slaan.
„Hij is een der gevaarlijkste sujetten, die hier in Londen rondloopen. Hij heeft moorden op zijn geweten en toch staat hij buiten het bereik van eenigen aardschen rechter.
„Jammer. Ik ken maar één mensch, die hem zou kunnen straffen—Raffles!”
„Gij hebt gelijk,” knikte Baxter.
De naam Raffles, dien hij anders niet wilde hooren, klonk hem op dit oogenblik als hemelsche muziek.
„Zeg eens, Marholm, zou het niet mogelijk zijn—natuurlijk mag niemand, behalve wij het weten—dat gij u met Raffles in verbinding steldet en hem het een en ander omtrent deze schurken meedeeldet?”
Een verbaasd glimlachje vloog over de trekken van Marholm.
Het was geen slecht idee—politie-inspecteur Baxter en hij medeplichtigen van Raffles!!!
Drommels—dat was een prachtige geschiedenis!
„Jawel,” antwoordde hij, „dat kan ik wel doen. Dat wil zeggen, gij moet mij zwart op wit geven, dat gij als gij dezen keer Raffles weer niet in handen krijgt, mij niet gevangen neemt. Daarvoor bedank ik!”
„Ik verzeker u,” sprak Baxter, „dat gij mij een onschatbaren dienst bewijst, als gij er voor zorgt, dat Raffles deze beide sujetten van de Alarmkreet op het spoor komt en ze onschadelijk maakt.”
„Nu, nu,” lachte de vloo, „gij weet immers wel, dat Raffles niemand vermoordt! Maar gij schijnt tamelijk gebeten te zijn op dat tweetal. De opdracht, die gij mij geeft, is bijna een bevel aan Raffles om het stel schurken in de Theems te gooien met een kanon uit den Tower aan hun voeten als ballast.
„Wat wenschten de beide heeren van u?”
Baxter aarzelde eenige oogenblikken of hij Marholm de waarheid zou zeggen.
Hij besloot het te doen en sprak:
„De kerels beweren, dat zij een brief in hun bezit hebben, dien Raffles aan mij heeft geschreven. Als zij hem publiceerden, zou mij dat mijn betrekking kosten!”
„Dat kan ik niet gelooven,” antwoordde Marholm hoofdschuddend, „Raffles is immers uw intieme vriend. Hij doet alles behalve u in uw betrekking te benadeelen. Een beter inspecteur van politie dan gij zijt, zou hij moeilijk kunnen vinden—dat weet gij zelf het best.”
Baxter hoorde nauwelijks, wat Marholm zei en mompelde:
„Ja, ja, gij hebt gelijk!”
Een hartelijk lachen van de vloo weerklonk, waarvan de inspecteur de reden niet begreep.
„Dat doet mij genoegen,” riep Marholm uit, „dat gij dat inziet!”
„Ja, ja,” herhaalde de inspecteur, „ik zie alles in, maar de hoofdzaak voor mij is, dat gij zoo spoedig mogelijk Raffles op het spoor brengt van die twee, liefst nog vandaag.”
„Dat zal ik wel in orde brengen,” antwoordde Marholm, „dan verzoek ik u onmiddellijk om verlof.”
„Weet gij dan, waar Raffles zich ophoudt?”
„Natuurlijk weet ik dat. Maar daar ik nu geen dienstdoende detective ben, doch eenvoudig uw secretaris, gaat mij dat verder niets aan. Dat is geheel en al mijn particuliere zaak.”
„Gij zijt een eigenaardig mensch,” vond de inspecteur hoofdschuddend, „vijfduizend pond sterling zijn uitgeloofd voor dengeen, die hem te pakken kan krijgen!”
„Weet gij,” lachte Marholm, „voor vijfduizend pond sterling kan ik mij niet zooveel plezier koopen als Raffles mij dagelijks bereidt—al was het ook tienduizend pond sterling, dan nog zou ik graag afstand doen van het geld, als Raffles mij belooft, voorloopig nog niet op zijn lauweren te gaan rusten.
„Kan ik nu gaan?”
„Luister eens, mijn beste Marholm. Bij deze aangelegenheid staat ook uw eigen eer op het spel, want indien hier werkelijk een brief verduisterd is, dan zoudt gij de schuldige zijn. Indirect maken die twee menschen u zelfs verdacht.”
„Ik zal gehakt van hen maken voor hun onbeschaamdheid,” bromde Marholm. „Wees nu maar onbezorgd, binnen een paar uur zal ik uw wensch hebben uitgevoerd.
„Raffles zal zich wel met die twee schurken belasten. Hij doet het wel uit eigenbelang, om u als politieinspecteur te behouden.”
Marholm maakte zich gereed om te gaan en Baxter keek zijn secretaris na met gewaarwordingen van verschillenden aard.
Marholm echter mompelde:
„Een gekke zaak! Anders kan ik Baxter het lekkerste maal bederven door den naam van Raffles te noemen en nu is Raffles op eens de persoon geworden, dien hij noodig heeft.
„Een eigenaardige wereld!”—
DERDE HOOFDSTUK.
DE MOEDERMOORDENAAR.
De mooie Guido en mr. Röttger begaven zich, nadat zij den inspecteur van politie hadden verlaten, naar de woning van den vermeenden detective Marholm.
„De zaak is gewonnen,” riep de kleine redacteur tot Raffles, toen hij bij hem in de kamer trad. „Tot morgenmiddag denkt de politie-inspecteur er over na, wat hij ons denkt te betalen.”
„Dat is prachtig!” antwoordde de groote onbekende lachend. Hij had gedacht, dat Baxter het geval zou omdraaien en zoowel den eigenaar als den redacteur der Alarmkreet gevangen zou nemen.
En in plaats daarvan— —
Raffles dacht na.
De zaak was anders geloopen dan hij gedacht had.
Hij kon niet begrijpen om welke reden Baxter zich bereid had verklaard, den beiden bedriegers geld te betalen. Misschien wilde de inspecteur op deze wijze tijd winnen, om ze den volgenden dag des te zekerder in handen te hebben.
„Ik heb een mooi zaakje,” sprak Raffles na eenig stilzwijgen.
„Onlangs is een beschuldiging ingekomen, van een bediende jegens zijn heer, een zekeren Lord Melbourne. Dit stuk werd door den politieinspecteur ter zijde gelegd, omdat— —”
Raffles maakte de beweging van geld tellen.
„Is die Lord Melbourne rijk?” vroeg de kleine redacteur.
„Zeer rijk,” antwoordde Raffles. „Die betaalt u gemakkelijk zooveel, dat gij het niet weg kunt dragen.”
De oogen der beide journalisten glinsterden vol hebzucht.
„Wat heeft hij uitgehaald?” informeerde de kleine magere.
„Een gekke geschiedenis,” vertelde Raffles. „De bediende beweerde zeker te weten, dat de Lord zijn stiefmoeder had vergiftigd, die de erfgename was van het vaderlijke vermogen, na wier dood hij eerst in het bezit van het geld zou komen.
„Als gij den bediende wenscht te spreken, ben ik gaarne bereid, den man bij u te zenden. Ik ken hem.
„Het is mijn vaste overtuiging, dat alles, wat de bediende heeft beweerd, een feit is.”
„Maar gij zijt goud waard!” riep de mooie Guido, die op een stoel had plaats genomen en zijn nagels polijstte.
„Waar woont de Lord?” vroeg de kleine Röttger.
„Regentpark no. 16,” antwoordde Raffles, „ik sprak den bediende vanmorgen; hij deelde mij mede, dat de Lord van plan is, op reis te gaan. Gij moet dus, als gij iets wilt bereiken, snel handelen.”
„Kan ik den bediende spreken?” vroeg de redacteur.
„Dat kan ik u niet zeggen,” sprak de groote onbekende schouderophalend, „Maar Lord Melbourne is, zoover ik weet, altijd van drie tot vijf voor het diner te huis. Gij kunt hem bepaald in dien tijd treffen.
„Ga hem eens opzoeken. Ik denk, dat wij reeds hedenavond een paar duizend pond sterling rijker zullen zijn.”
„Ik heb dringend geld noodig,” vertelde de mooie Guido lachend, „ik heb gisteren tamelijk groote verliezen geleden bij het spel in de club.
„Laten wij eens zien, wat wij van den man los kunnen krijgen.”
„Maar eerst moeten wij iets eten,” stelde de redacteur voor, „mijn maag bromt bedenkelijk en als ik honger heb, kan ik dergelijk werk niet doen.
„Sluit gij u bij ons aan, Mr. Marholm?”
„Het spijt mij,” antwoordde Raffles, „maar ik durf mij niet met u samen in het publiek vertoonen, dat is te gevaarlijk.”
Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.
De groote onbekende, die niemand had verwacht, keek verbaasd op en riep:
„Come in!”
De deur ging open en met het gemoedelijke glimlachje, dat hem eigen was, trad de vloo het vertrek binnen.
Nu bevond Marholm zich bij Marholm.
Een oogenblik schrikte Raffles.
Hij dacht aan een overval van de politie.
Onmiddellijk echter had hij zijn zelfbeheersching herwonnen en, zich tot Mr. Röttger wendend, die den detective had herkend, maar zijn naam niet wist, sprak hij:
„De heeren moeten mij verontschuldigen, ik ben nu verhinderd.”
„Wij zullen u bericht doen toekomen betreffende den Lord,” sprak Mr. Kroyzer en hij verliet met zijn compagnon Raffles.
Toen zij de trap afliepen, waren zij er nog zekerder van, met detective Marholm te doen te hebben, omdat een collega uit het hoofdbureau van politie hem bezocht.
Nauwelijks hadden de beide afpersers de deur gesloten, of de vloo legde zijn wijsvinger op den mond en fluisterde, met een blik op de deur: „Sst!”
Daarop luisterde hij, totdat hun schreden niet meer hoorbaar waren, en zich tot den grooten onbekende wendend, sprak hij:
„Goeden dag, Mr. Raffles.
„Ik kom in opdracht van den inspecteur van politie, maar niet om u gevangen te nemen, doch om uw hulp in te roepen tegen de beide sujetten, die zooeven bij waren!”
„Ik houd mij reeds met hen bezig,” antwoordde Raffles, „neem plaats, Mr. Marholm. Als ik u een sigaar of een sigarette mag aanbieder dan als ’t u belieft.”
Marholm nam plaats naast de schrijftafel, waaraan de groote onbekende zat en sprak, terwijl hij een sigarette aanstak:
„Tot dusverre heb ik slechts van den rook uwer sigaretten kunnen genieten en dat was het eenige, wat gij achterliet, als wij u wilden hebben, gij zelf waart helaas altijd als rook vervlogen.”
Raffles glimlachte vroolijk.
Hij was nu gerustgesteld en begreep, dat Marholm inderdaad slechts voor particuliere zaken bij hem was gekomen.
„Het doet mij genoegen, dat mijn sigarette u smaakt, als het u aangenaam is, dan zal ik ze u voortaan doen toekomen.
„Maar vertel mij nu vóór alles, hoe gij den weg naar hier hebt gevonden?”
„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „ik ben achter de twee heeren, die bij u waren, aangeloopen.”
„Hoe bedoelt gij dat?”
„Dat is waar,” lachte Marholm, „gij kunt niet weten, dat die beide gentlemen zich een uur geleden bij inspecteur Baxter bevonden en ik hen, toen ik uit het bureau kwam, nog op straat vond en hoorde, hoe Mr. Röttger juist zei:
„Nu gaan wij naar detective Marholm.”
„Gij kunt u voorstellen, Mr. Raffles, dat ik er heel veel belang in stelde om te weten, waar de tweede detective Marholm in Londen woonde.
„Daarom volgde ik het tweetal, klopte op de deur, en vond u, mijn dubbelganger, Mr. Marholm!”
„Wel,” lachte Raffles, „ik heb de eer, mij aan u voor te stellen. Ik heet tijdelijk Marholm.”
„Groote eer voor mij,” antwoordde zijn bezoeker, „dat gij u zoo voor mijn persoon interesseert. Ik had nooit kunnen denken, waartoe mijn naam al niet moest dienen.
„Maar nu wil ik u eerst zeggen, waarvoor ik hier bij u ben. Ik heb een boodschap voor u, die geld waard is!”
Raffles blies den rook van zijn sigarette in mooie ringen omhoog en antwoordde:
„Ik ben zeer nieuwsgierig, het doel van uw komst te vernemen.”
„Uit naam van uw hooggewaardeerden vriend, mijn chef, den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, moet ik u verzoeken, u bezig te houden met die beide kerels, den redacteur en den eigenaar der Alarmkreet, en deze beide heeren ergens in de Theems te gooien met een kanon uit den Tower aan de voeten om hun te beletten, ooit weer boven te komen.
„Zoo ongeveer luidt de opdracht, die inspecteur Baxter mij voor u gaf.”
„Uitstekend,” riep Raffles lachend uit, „dan is alles gegaan, zooals ik het wenschte. Ik was al bang, dat de beide boeven den inspecteur hadden bepraat en dat ik mijn spel tegenover hen had verloren.
„Ik houd mij reeds met de kerels bezig.”
„Dat begreep ik dadelijk, toen ik hen beiden bij u ontmoette.
„Dus was het bezoek bij den inspecteur slechts een gevolg van hetgeen gij met de schurken voor hebt?”
„Ja,”, lachte Raffles, „ik dacht, dat Mr. Baxter hen misschien gevangen zou nemen. Ik heb ze namelijk door middel van een brief op uw chef afgezonden.”
„Klopt!” riep de vloo uit, „dat is de brief, dien ik onderschept moet hebben.”
„Juist,” antwoordde de groote onbekende, „ik moest het geloofwaardig voorstellen, daarom nam ik uw naam aan en stelde mij aan hen voor als secretaris van het hoofdbureau van politie.”
„Maar de spitsboeven hebben mij nu gezien,” sprak Marholm op bedenkelijken toon.
„Kennen zij uw naam?” vroeg Raffles in gespannen aandacht.
„No, Sir!”
„Wel! Dan hebben wij niets te vreezen. De beide heeren weten nog niet, dat gij de werkelijke Marholm zijt en ik de valsche ben.
„Kent gij den inhoud van den brief, Mr?”
Marholm schudde het hoofd en sprak:
„Dien ken ik noch inspecteur Baxter. Na het gesprek in de kamer van mijn chef, dat ik afluisterde, zei de kleine Röttger alleen, dat zij een brief van Raffles aan den inspecteur van politie in handen hadden, die hem zoodanig compromitteerde, dat hij zijn betrekking kon verliezen.”
„Verder zei hij niets?”
„No, Sir, verder niets.”
„Fameus,” lachte Raffles, „dan is de inspecteur van politie waarschijnlijk bang, dat ik hen beiden mededeeling heb gedaan over zijn liefdesavonturen. Maar dat is niet waar.
„Ik heb hun een brief gegeven, waarin ik hun het bewijs leverde, dat ik, Lord Lister, genaamd Raffles, de groote onbekende, met den inspecteur van politie samen werk en elken buit met hem deel.”
Marholm sloeg zich op de dijen, dat het klapte.
„Prachtig!” riep hij schaterlachend uit. „Als gij dat eens aan Baxter had meegedeeld. Hij zou u zoo zeker als tweemaal twee vier is, in een cel hebben opgesloten en u daarenboven een flink pak slaag laten geven.”
„Ik heb den beiden heeren nog meer verteld. Ik heb hun gezegd, dat Baxter van beruchte huizen, speelholen en eenige misdadigersbenden elke maand bepaalde bedragen ontvangt en daardoor millionnair is geworden.”
„Die arme Baxter,” lachte Marholm, „als hij eens wist, wat gij hem ten laste legt! Ik denk dat hij werkelijk krankzinnig zou worden.
„Maar als die pennelikkers dat, wat gij hun hebt wijsgemaakt, aan den inspecteur hadden verteld, om hem geld af te persen, dan denk ik, dat de duivel in Baxter was gevaren en dat hij aan de beide kerels een ongeluk had begaan.”
„Ik heb nu een beter plan,” sprak Raffles. „Ga nu naar inspecteur Baxter en deel hem mede, wat ik van plan ben en vertel hem ook den inhoud van den brief.
„Zeg hem, dat hij zich morgenmiddag den inhoud van den brief door mr. Röttger moet laten vertellen. Dan kan hij hem gemakkelijk wegens afpersing en lasterlijke aantijging gevangen nemen.”
„Een goed idee,” knikte Marholm, „en als gij mij nog een paar van uw cigaretten wilt meegeven, dan ga ik zeer voldaan heen om den inspecteur mee te deelen, dat gij de zaak in handen hebt genomen.”
Hij nam afscheid en verliet Raffles.
Eenige minuten later nam Lord Lister een rijtuig en reed weg.
Onderweg haalde hij in de Albanstraat, waar hij een klein huis van twee verdiepingen bewoonde, Charly Brand af en gaf dezen de volgende inlichtingen:
„Charly, we hebben een uitstekende grap! Jij moet nu mijn bediende voorstellen. Binnen een paar uur zullen de redacteur en de eigenaar van de Alarmkreet mij in mijn oude villa bezoeken en denken, dat zij zich bij een zekeren Lord Melbourne bevinden.
„Dat ben ik.
„Ik zal mij zoodanig vermommen, dat zij mij onmogelijk herkennen.
„Ik denk, dat ik een grap met die kerels zal uithalen, zooals ik nog zelden heb beleefd.”
In de villa werd Charly Brand in de kleedkamer, waar zich ontelbare kostuums, pruiken en baarden bevonden, in een kamerdienaar veranderd, terwijl hij zelf zijn gelaat totaal onkenbaar maakte.
Daarop opende hij de ramen in zijn studeerkamer en wachtte op de dingen, die komen zouden.
Uit zijn sportartikelen zocht hij een goede rijzweep uit, zooals men die op de vossenjacht gebruikt.
Die legde hij blijkbaar achteloos op den schoorsteenrand, maar zoodanig onder zijn bereik, dat hij slechts zijn hand behoefde uit te strekken om haar op te nemen.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN HEILZAME LES.
Het was kort na het diner, toen Charly Brand, die er als een deftige, oude kamerdienaar uitzag, bij Raffles, alias Lord Melbourne, twee heeren aanmeldde, die hem wenschten te spreken.
„Mijn naam is Röttger,” zoo stelde de redacteur zich voor, „ik ben de leider van de Alarmkreet.
„Ik strijd voor recht, vrijheid en waarheid. Ik offer mij op voor mijn principes, voor de onbeschermde deugd en vernietig alles wat slecht en gemeen is!”
„Foei duivel!” De groote onbekende spuwde met een grooten boog in de naast zijn schrijftafel staande spuwbak.
„Neem mij niet kwalijk,” sprak hij tot de heeren, „ik lijd aan te grooten toevoer van speeksel.”
Beide bezoekers maten Lord Melbourne met vijandige blikken.
Zij konden niet bewijzen, dat het spuwen op hen betrekking had.
„Dus gij zijt de redacteur van de Alarmkreet?” vroeg Raffles na eenig zwijgen. „Is dat een nieuwe courant?”
Mr. Kroyzer zette een verontwaardigd gelaat, hij wilde reeds een scherp antwoord geven, maar de mooie Guido was hem voor:
„Hebt gij werkelijk nog nooit over ons blad hooren spreken, Lord Melbourne?”
Raffles haalde de schouders op.
„Het spijt mij zeer, ik lees behalve de „Times” en de Parijsche „Figaro”, en nog het „Berliner Tageblatt” en de „New-York Herald”, geen andere couranten.
„Men kan natuurlijk niet alles lezen wat ter perse komt.
„Ik geloof dat de uren van den dag nauwelijks toereikend zouden zijn om de alleen al in Londen verschijnende couranten en tijdschriften te lezen. Men heeft toch ook nog andere bezigheden. Dat zult ge mij moeten toegeven”.
De kleine redacteur knikte bevestigend en zei:
„U heeft gelijk, Lord Melbourne, maar onze courant, de Alarmkreet, is iets wat ieder moet leeren kennen.
„Het is een orgaan, dat strijdt voor de hoogste moraal; het is de bezem, die de modderpoelen van het moderne leven moet reinigen van hun stinkend vuil.”
Weer spuwde Raffles.
Daarop lachte hij.
„Eene aangename taak is dat. Vertel mij eens, hoe houdt gij dat op den duur toch uit? Het is geen aanbevelenswaardige arbeid. Daar heb je gauw genoeg van!”
Mr. Röttger sloeg zich trotsch op de borst.
„Slechts mannen als ik, die een onzelfzuchtig, sterk en groot karakter hebben, zijn in staat, om evenals Herkules Augiasstallen te reinigen.”
„Prachtig”, sprak Raffles, „ik wil u daar niet van terughouden, en daar uw tijd voor het groote werk zeer kostbaar is, moet gij dien niet bij mij verzuimen. Keer naar uw eigen omgeving terug!”
De kleine journalist wierp Raffles een woedenden blik toe.
Hij hield er niet van om op een dergelijke manier met woorden de deur uit te worden gegooid.
„Pardon”, antwoordde hij, „de tijd, dien ik bij u doorbreng, is voor mij geen verlorene.”
„Zoo, zoo”, lachte Raffles, „wilt gij daarmee zeggen, dat wij ons hier bij mij in een Augiasstal bevinden?”
„Ja”, bevestigde de redacteur, „ik zou u anders niet hebben opgezocht, Lord Melbourne. Hier is een der smerigste plaatsen in den grooten modderpoel van het moderne leven, die ik ooit heb ontdekt.”
Lord Melbourne lachte hartelijk.
Daarop keek hij met vroolijken blik de kostbaar ingerichte kamer rond en sprak:
„Wel, als het nergens smeriger is dan bij mij, moeten zelfs varkens zeer netjes wonen.”
„Gij begrijpt wel”, siste Mr. Röttger, „ik bedoel daarmede, dat niet uw kamers, maar gijzelf smerig en vuil zijt!”
„Ho, ho!” viel Raffles hem lachend in de rede, „ik heb vanmorgen gebaad, evenals elken dag.”
Nu werd de kleine redacteur venijnig:
„Het lichaam kan misschien zuiver zijn, maar de ziel is onrein als het vuilste riool.”
„All right”, knikte de Lord, „dan zal ik u als puttenschepper aanstellen. Hoeveel verlangt gij per maand?”
„Laat ons niet schertsen, Lord Melbourne, ik moet u over ernstige dingen spreken. Het is voor u een levenskwestie!”
John Raffles stak een sigaret aan en blies zijn bezoeker den rook in het gelaat.
„Ik geloof, dat gij u vergist. Over mijn bestaan had alleen mijn vader eenmaal te beschikken.”
„Of de wet.”
„Hoe bedoelt gij dat?”
Raffles nam den redacteur van het hoofd tot de voeten op en Mr. Röttger voelde zich door den blik der zwarte oogen verontrust.
Een onbehaaglijk gevoel, alsof hij hem reeds hier of daar had ontmoet, maakte hem zenuwachtig.
Maar tevergeefs dacht hij na; hij herkende in de spotachtig lachende oogen van Lord Melbourne niet die, welke detective Marholm, d. w. z. de onechte Marholm, in zijn hoofd had.
„Hoor mij een paar seconden aan”, sprak hij tot Raffles. „Gij zult thans voldoende op de hoogte zijn van mijn persoon en mijn courant.”
„Ongetwijfeld”, antwoordde de groote Onbekende, „ik ken u zoo nauwkeurig, alsof gij jarenlang mijn kamerdienaar waart geweest.”
Opnieuw trof hem een vijandige blik.
Met een verachtelijk gebaar deed de kleine redacteur stilzwijgend afstand van het baantje van kamerdienaar en zei:
„Gij overschat uzelf, Lord Melbourne, zelfs Zijne Majesteit zou er zich niet op kunnen beroemen, mij in Zijnen dienst te hebben gehad.”
„Nu, nu,” lachte Lord Lister, „spreekt gij Spaansch?”
„Neen, hoezoo?”
„Russisch?”
„Neen?”
„Italiaansch, Fransch?”
„Neen?”
„Kunt gij friseeren, masseeren, enz.?”
„Verduiveld, neen!”
„Een costuum beugelen? Of een das binden?”
Een toornig luid „Neen”, deed zich opnieuw hooren.
„Ziet ge,” sprak Raffles, „dan zijt gij in ’t geheel niet bekwaam om kamerdienaar te worden”.
„Maar schrijven kan ik”, herhaalde de kleine redacteur op scherpen toon.
„Neem mij niet kwalijk”, lachte zijn overbuur, „schrijven kan mijn kamerdienaar ook. Dat is toch een schoolvak, dat iederen straatjongen wordt aangeleerd”.
„Ik bedoel letterkundig!”
Een lang gerekt „Zoo-oo...!” was het eenige antwoord, weer blies Lord Lister met spottend gekrulde lippen den rook van zijn sigaret in het gelaat van den journalist en sprak:
„Misschien kan mijn kamerdienaar dat ook.
„Hij zou b.v. een werk kunnen uitgeven: „Onthullingen uit het slaapvertrek van mijn meester”, of „De liefdesavonturen van mijn meester”, of „De schuldeischers”— —of „Verhalen van een kamerdienaar”. Ik denk, dat dit alles in den tegenwoordigen tijd veel bijval zou verwerven. Men leest in de zoogenaamd letterkundig-ontwikkelde kringen dergelijke zaken graag”.
„Maar,” verdedigde zich de kleine redacteur, „dat wat ik schrijf, zal uw kamerdienaar niet kunnen schrijven. Daartoe ontbreken hem de gegevens.
„Ik heb bijvoorbeeld een artikel in de pen met het opschrift:
„„Sensationeele onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood der oude Lady Melbourne”.”
„Klopt niet”, glimlachte de Lord.
„In hoeverre niet?”
„Wel, omdat de Lady nog niet zoo oud was, ik kan het weten. Mijn stiefmoeder was dertig jaar toen zij stierf. Zij was jonger dan ik”.
De redacteur zette verbaasde oogen op.
Maar hij beheerschte zich en antwoordde:
„De leeftijd heeft er ook niets mee te maken. De hoofdzaak zijn de onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood”.