Part 5
Een paar minuten later reeds kwam de jongen terug en Raffles zag, dat hij het pakket in de hand hield, snel de straat overstak, op een tram sprong en wegreed.
Intusschen zaten Mr. Röttger en Mr. Kroyzer in een klein restaurant in de buurt, waar zij, nu zij eenigszins bekomen waren van de zweepslagen, iets gebruikten.
Beide heeren waren reeds weer in opgewekte stemming.
Zij hadden bijzondere zorg aan hun toilet besteed en bespraken nogmaals, wat zij tegen den inspecteur van politie zouden zeggen.
„Ik ben van meening”, sprak de kleine redacteur, „dat de Lord zijn stiefmoeder werkelijk heeft vergiftigd. Dergelijke dingen komen immers dagelijks voor.”
„Zeker”, knikte de mooie Guido, „en ik denk, dat gij, als gij een stiefmoeder hadt, die zoo rijk was als die van Lord Melbourne, dat gij dan hetzelfde zoudt doen.”
„Natuurlijk”, antwoordde de redacteur, „ik ken allerlei onschuldige middelen, om dergelijke zaakjes op te knappen, zonder dat een dokter iets kan constateeren.”
„Gij zijt eigenlijk een gevaarlijk mensch”, meende de sluwe Guido, „en als gij mijn redacteur niet waart, zou ik niets met u te maken willen hebben.”
„Zeg geen nonsens”, riep de ander uit, zijn chef als een giftige pad aankijkend.
„Wanneer gij mij wilt beleedigen, dan hebt gij met een verkeerden te doen.
„Wel neen,” weerde Kroyzer af, „met mijn redacteur en besten vriend wil ik geen ruzie hebben!”
„Ik zou het u ook niet raden, bovendien —” de kleine redacteur blies zijn chef den rook zijner slechte sigaar in de oogen, „ik weet precies wie gij zijt, Mr. Kroyzer. Gij herinnert u wel, hoe gij een jaar geleden het huis uwer ouders zijt ontvlucht en uit de schrijftafel van uw vader het noodige geld meenaamt om naar Monte Carlo te kunnen gaan.
„Verder weet gij nog wel, dat de briljanten uwer moeder u flink wat geld hebben opgebracht.
„En weet gij soms niet meer, dat gij bij iedereen hebt geleend, en wel op schandelijk brutale manier? Daar hebben wij bijvoorbeeld een kellner in een wijnkroeg, die nog heden om het verlies van een groote som treurt, evenals een paar hotelhouders en andere personen, maar de lust ontbreekt mij nu, om u nog aan meer te herinneren.
„Eigenlijk zijt gij dus de geschikte persoon wel om uw Londensche medeburgers preeken te houden over moraliteit. Maar, het is waar, het brengt u geld op — —”
Mr. Kroyzer riep met een hatelijken grijns op zijn gelaat den kellner en betaalde de vertering.
Daarop sprak hij: „Ik geloof, dat het beter is om nu heen te gaan, gij schijnt te veel gedronken te hebben!”
Bleek van ergernis keek hij zijn redacteur aan en zou hem, als hij de gelegenheid had gehad, misschien hebben gewurgd.
Maar in machtelooze woede moest hij met zijn medeplichtige denzelfden weg gaan.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE VAL.
John Raffles had zich intusschen weer als detective Marholm naar zijn kamer in de Oxfordstraat begeven.
Hij berekende—en terecht—dat de redacteur der Alarmkreet en diens compagnon hem zouden opzoeken.
Hij behoefde niet lang te wachten.
De beide schurken hadden zich van het hoofdbureau van politie naar de Oxfordstraat begeven, om den vermeenden Marholm den uitslag van hun bezoek aan Lord Melbourne mede te deelen.
Vloekend kwam de redacteur de kamer binnen en bezwoer, dat hij in het volgende nummer der Alarmkreet Lord Melbourne zou vernietigen.
Daarop vertelde hij Marholm van het vergeefsche bezoek bij inspecteur Baxter en zei, dat hij hem nogmaals wilde opzoeken.
„Ik moet ook op het hoofdbureau van politie zijn”, sprak Raffles-Marholm, „als gij het goedvindt, gaan wij samen.”
Hoewel de Groote Onbekende het vermeed, zijn bezoekers in de oogen te kijken, viel het Mr. Röttger toch op, dat de oogen van den detective veel geleken op die van Lord Melbourne.
Maar hij wierp die gedachte ver van zich.
Lord Lister verliet het tweetal in het hoofdbureau van politie, dicht bij de kamer van Baxter en zei, dat hij over een kwartier ook binnen zou komen.
Hij bleef staan, totdat zij de deur achter zich hadden gesloten.
Toen gleed een vroolijk lachje over zijn gelaat en hij dacht:
„Zoo, mijne heeren—de val is dicht—de ratten zitten er in— —”
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Met groot leedvermaak keek Baxter naar de opgezwollen gezichten der beide revolverjournalisten.
„Wat is er met u gebeurd, mijne heeren?” vroeg hij met een ironischen klank in zijn stem.
„Wij moesten op onderzoek uit voor onze courant”, antwoordde Röttger, „de een of andere deugniet durfde ons met zijn rijzweep af te ranselen. Maar wij zullen ons op hem wreken. Wij waren reeds een uur geleden hier om een aanklacht in te dienen. Helaas troffen wij u niet.”
„Wie is de betrokken persoon?”
„De jonge Lord Melbourne,” sprak de redacteur, „wij klagen hem aan wegens moord!”
„Zoo, zoo—wegens moord?”
„Jawel, wegens moord!”
„De Lord wordt er van verdacht, zijn stiefmoeder vermoord te hebben!”
„Dat is laster!” riep de vloo uit.
„Waarmee bemoeit gij u?” beet de kleine redacteur hem toe.
Marholm nam hem op met een blik vol minachting en blies dikke rookwolken uit. Daarop keerde hij Mr. Röttger den rug toe en schreef verder.
„Ik herhaal mijn aanklacht”, sprak de redacteur, „en beschuldig Lord Melbourne, wonende Regentpark 16, van moord op zijn stiefmoeder.”
Weer keerde Marholm zich om en riep:
„Ik verklaar nogmaals, dat het nonsens is!”
„Waarom?” vroeg inspecteur Baxter.
„Omdat iemand, die al acht jaar dood is, niet meer wegens moord kan worden vervolgd.”
„Hij is niet dood!” riep de redacteur uit, „hij leeft.—Die beambte verwisselt den zoon met den vader.”
Marholm lachte zachtjes.
„Verwissel gij zelf maar niets.”
„Wij waren twee uur geleden nog bij hem.—Hij leeft dus!”
„Het is maar de vraag, waar gij zijt geweest”, sprak de vloo.
„Bij Lord Melbourne, zooals ik u reeds zei.”
„En ik herhaal u, dat gij, als de doode Lord Melbourne u zoo heeft afgeranseld, gij een geestverschijning hebt gehad, die elke spiritist u zou benijden.”
„Ik zie wel”, sprak Mr. Röttger, „dat wij u niet anders kunnen overtuigen dan door u te verzoeken, ons naar Lord Melbourne te vergezellen.”
„All right”, sprak Baxter. „Wij zullen met eenige detectives dien heer opzoeken.”
Op dit oogenblik sloeg de klok zes.
„Wij hadden afgesproken, u morgen weer te bezoeken”, herinnerde de redacteur der Alarmkreet Baxter.
„Ja”, antwoordde deze, „maar wij kunnen de zaak nu evengoed afdoen.”
„Zeker”, bevestigde Röttger, terwijl hij een blik wierp in de richting van Marholm, als om te beduiden, dat diens tegenwoordigheid hinderlijk was.
Maar Baxter deed, alsof hij dit niet bemerkte en sprak:
„Wij kunnen kort zijn. Deel mij den inhoud van den brief mee en dan zal ik u zeggen, wat ik denk te doen.”
„Ik heb u reeds gezegd, heer inspecteur, dat het mij onmogelijk is, uw verzoek in te willigen.”
Nu stond Marholm op en sprak:
„Dan zal ik den inhoud van den brief voorlezen.”
Stom van verbazing keken de beide schurken den detective aan, toen deze een schrijven uit zijn zak haalde en tot den politie-inspecteur sprak:
„De heeren schijnen te vergeten, dat wij detectives zijn. Ik kan u den inhoud wel even mededeelen, chef!”
„Dat is onmogelijk!” riep Kroyzer uit.
„Praat toch geen nonsens!” riep de vloo. „Ik ben een leerling van Sherlock Holmes. Kent gij dien heer? Ik zal u den brief voorlezen, inspecteur. Het is een schrijven van Raffles aan u, dat onderschept is.”
Met open mond en uitpuilende oogen staarden de beide journalisten den detective aan.
„Dus, heeren, luister!
Mijn waarde Baxter!
Ik heb gisteren den ouden Simpson, den diamanthandelaar, van wien gij mij mededeeldet, dat hij allerlei vuile zaken doet, opgezocht en hem drieduizend pond sterling armer gemaakt.
Hierbij zend ik u een cheque van 1500 pond, de helft van den buit.
Hedenavond ben ik in het Piccadilly Restaurant onder de bekende vermomming. Vraag den oberkellner naar Mr. Thonet.
Wij zullen een paar flesschen champagne op het welslagen drinken.
Met vriendelijke groeten JOHN C. RAFFLES.
„Hoe komt gij aan dien brief?” schreeuwde Mr. Röttger.
„Dien kunt gij alleen gestolen hebben, of—”
„Houdt uw mond!” de man maakte bij die woorden een beweging, alsof hij den redacteur een oorvijg wilde geven.
„Een mooie brief”, sprak Baxter, „daar heeft Raffles u op onbetaalbare manier bij den neus genomen!”
„Daarvan geloof ik niets”, riep de redacteur uit, met zijn oude brutaliteit.
„Wat? Bestaat er grooter onbeschaamdheid!” schreeuwde Baxter woedend, „dan geloof te schenken aan een dergelijken brief—dan hierheen te komen ten einde mij geld af te persen, voor welk feit gij een paar jaar gevangenisstraf zult hebben”.
„Gij tracht u te redden, heer inspecteur,” sprak Mr. Kroyzer, „maar dat geeft u niets.
„Wij hebben den brief gekregen van iemand uit uw naaste omgeving. De betrokken persoon is bereid om mondeling alles wat hier staat onder eed te herhalen”.
„Dien beambte zou ik weleens willen leeren kennen”, riep Marholm uit. „Hoe heet hij?”
„Dat blijft ons geheim tot aan het proces”, antwoordde mr. Röttger, „wanneer mijnheer de inspecteur het tenminste tot een proces wil laten komen”.
„Daartoe laat ik het komen”, antwoordde Baxter met koele onverschilligheid en, zich tot den detective wendend, sprak hij:
„Roep eenige beambten binnen, Marholm!”
Een aardbeving, een dynamietbom had geen grooter uitwerking kunnen hebben, dan het uitspreken van dezen naam.
Vol ontzetting staarden de beide bedriegers den inspecteur aan.
Marholm was al bij de deur, toen de redacteur stamelde:
„Heet—heet—heet die beambte daar—Mar—holm?”
„Om u te dienen”, antwoordde de vloo, „zoo heet ik”.
„Onmogelijk!” krijschte de redacteur, „wij hebben u zelf bij Mr. Marholm ontmoet”.
„Dat klopt”, antwoordde de vloo, „maar dat was Mr. Marholm niet. Ik heb geen enkelen naamgenoot in Londen”.
„Maar gij moest hem toch kennen. Hij beweerde, dat hij beambte van Scotland Yard was”.
„Dan heeft hij u iets wijsgemaakt.”
„Dat kan niet,” riep Mr. Röttger uit, „hij heeft ons tot aan de deur van dit vertrek gebracht”.
„Juist iets voor hem! Ik denk dat hij graag wilde zien, of gij veilig hier binnen kwaamt!”
Marholm stopte zijn pijp en de inspecteur sprak nu op barschen toon:
„Wij zullen nu een eind maken aan de comedie. Roep eenige beambten, Marholm. Ik verklaar deze twee als mijn gevangenen.”
De beide journalisten gingen ontsteld een stap achteruit.
Maar op hetzelfde oogenblik had Marholm eenige detectives binnen geroepen en deze posteerden zich aan weerszijden van de gevangenen.
„Laat nu onze auto voorkomen!” beval Baxter. „Wij gaan met de heeren samen even naar den moedermoordenaar Lord Melbourne.”
Ontdaan en bleek werden de beide afpersers onder voldoende politiegeleide en vergezeld door Baxter en Marholm naar de politie-auto gebracht.
Na een korten rit hadden zij no. 16 Regentpark bereikt.
Stil en eenzaam, met gesloten vensterluiken, lag het huis vóór hen.
„Dit huis kennen wij,” sprak Marholm tot Baxter, toen zij den kleinen voortuin doorliepen. Hij sprak zoo luid, dat de gevangenen elk woord konden verstaan.
„Zeker,” antwoordde de inspecteur, „als ik mij niet vergis, is dit de vroegere woning van Raffles!”
Hoewel zij belden en klopten, werd de huisdeur niet geopend, want niemand was in het huis aanwezig.
Baxter liet de deur door een smid opensteken en zij traden binnen.
„Is dit het huis,” vroeg Baxter den redacteur, „waar Lord Melbourne u ontving?”
„Ja,” luidde het antwoord, „dit is het huis van Lord Melbourne. Gaat mee naar boven, naar de studeerkamer, dan zal ik u bewijzen, dat de lord hier woont.”
Zij traden de studeerkamer binnen. Het eerste, wat Baxter zag, was een rijzweep, die in het midden van de kamer aan de gaskroon was opgehangen.
Hieraan was een groot stuk papier bevestigd. Marholm nam het eraf en las:
„Aan inspecteur Baxter, Scotland Yard.
„Als gij hier mocht komen om naar Lord Melbourne te zoeken, dan deel ik u mede, dat ik zelf voor Lord Melbourne speelde.
„Ik deed dit om twee bedriegers van de ergste soort een flink pak slaag te geven.
„Daar ik heb vernomen, dat ook gij reden hebt om de kerels eens af te straffen, hang ik voor dat doel de rijzweep hier op.
„Zeg verder tegen de schurken, dat zij zich voortaan moeten wachten om met Raffles te beginnen. Voor een volgenden keer beloof ik hun nog een betere afstraffing.
„Groet Mr. Marholm, onder wiens naam ik de schelmen op glad ijs bracht.
Met de meeste hoogachting, JOHN C. RAFFLES”
Mr. Röttger boorde zich de lange, spitse nagels in het vleesch, hij had zichzelf wel kunnen slaan voor zijn domheid.
„Voorwaarts!” riep Baxter tot zijn beambten, „brengt de gevangenen terug!”
Toen de detectives het vertrek hadden verlaten, sprak Baxter tot vloo, terwijl hij hem vertrouwelijk op den schouder klopte.
„Dat hebt gij best gedaan, Marholm. Ik moet mijzelf gelukwenschen, dat ik Raffles nog niet gevangen heb, want anders hadden die beide jongens mij uitgezogen.
„Ik zal er voortaan zorg voor dragen, dat Raffles mij niet in handen valt.”
„Om Gods wil,” sprak Marholm, „doe dat niet, want dan krijgt gij hem stellig!”
„De Alarmkreet” verscheen den volgenden dag met de gewijzigde artikels, tot groot vermaak van geheel Londen, welks bewoners reeds uit de couranten hadden gelezen van het laatste sensatie-nieuws.
Het was het laatste nummer geweest van „De Alarmkreet”.