Chapter 4 of 5 · 3979 words · ~20 min read

Part 4

„Dat is mogelijk”, stemde Raffles toe, „maar omdat deze onthullingen op even onvoldoende informaties berusten als die omtrent den leeftijd der Lady, ziet het er slecht mee uit”.

„Maak u niet ongerust,” mengde zich Mr. Kroyzer in het gesprek, „mijn redacteur heeft niet naar den leeftijd geïnformeerd. Maar omtrent den dood van uw stiefmoeder weet hij alles.”

„Dat vind ik interessant”, riep de Lord uit, „wanneer is de Lady dan gestorven?”

„Dat weet gij evengoed als ik”, antwoordde Mr. Röttger, terwijl hij het inderdaad niet wist.

„Oho”, lachte Raffles, „gij vergist u. Mij is de datum van het overlijden van mijn stiefmoeder tot op heden nog niet bekend”.

Nu richtte de kleine redacteur zich in zijn volle lengte op, wierp den Lord een verachtelijken blik toe en sprak:

„Ik ben niet hier gekomen, om met u verstoppertje te spelen, gij weet evengoed, als ik, wat ik bedoel.”

Raffles haalde de schouders op.

„Ik weet inderdaad niet, wat gij wenscht”.

„Sir”, antwoordde Röttger nu op bruusken toon, „er is slechts één artikel in de Alarmkreet noodig, om u in een smadelijk proces te wikkelen”.

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak de Lord op kalmen toon, „het is alleen de vraag, voor wien het proces smadelijk zou zijn, voor u of voor mij”.

„Alleen voor u!”

Nauwelijks was dit woord gesproken, of de Lord sprong plotseling van zijn stoel op en mat den redacteur met een doordringenden blik.

„Als gij er de persoon naar waart, zoudt gij mij op een andere plaats rekenschap van uw woorden moeten geven!”

„Ik zal u rekenschap geven”, siste Röttger, „maar met mijn wapenen: met pen en inkt. En nu wil ik u nog iets zeggen, Lord Melbourne:

„Er zijn sterke bewijzen voorhanden, dat gij de schuld draagt van den dood uwer stiefmoeder. Ja, dat gij zelfs haar dood opzettelijk hebt veroorzaakt.”

Raffles kruiste de armen.

„En al ware dat het geval, wat gaat het u dan nog aan? Zijt gij rechter of inspecteur van politie?”

„Dat niet, maar ik ben de redacteur, der Alarmkreet en als zoodanig maak ik dergelijke dingen, als zij mij ter oore komen, bekend en deel ze aan de autoriteiten mee”.

„Dat wil zeggen”, sprak Raffles, „dat gij u eerst riemen snijdt uit de huid van uw slachtoffers, om daarna de ongelukkigen achter slot en grendel te helpen”.

„Gij kunt beide dingen vermijden”, viel nu Mr. Kroyzer in, „er zal een artikel gepubliceerd worden, noch een aanklacht jegens u worden gedaan, als gij het met ons eens wordt”.

„Ja, als gij het met ons eens wordt”, voegde Mr. Röttger er aan toe.

Raffles deed, alsof hij niet dadelijk de beteekenis dier woorden begreep.

„Hoe meent gij dat, heeren?” vroeg hij.

De journalist naderde hem vertrouwelijk, legde de hand op zijn schouder en sprak:

„Laat ons verstandig zijn, Lord, het zal u niet moeilijk vallen, een overeenkomst met ons te sluiten. Voor iemand van uw vermogen zullen een paar duizend pond geen groote rol spelen.”

Nauwelijks had de groote onbekende deze woorden gehoord, of hij floot zoo luid en doordringend, dat de redacteur verschrikt achteruit sprong.

„Denkt gij, dat ik uw zwijgen zal koopen?”

„Gij gebruikt daar een leelijke uitdrukking,” sprak Mr. Kroyzer, „gij hebt niet noodig, ons stilzwijgen te koopen, maar wij willen goede zaken met elkaar doen.”

„Goede zaken?” vroeg Raffles. „Voor u ongetwijfeld. Want als ik u goed versta, dan betaal ik u eenige duizenden pond sterling, stop u de zakken vol geld en krijg daarvoor niets terug.”

„Natuurlijk, Lord Melbourne, want wij bewaren een onherroepelijk stilzwijgen omtrent alles wat wij hebben vernomen.”

„Maar wat hebt gij dan toch eigenlijk vernomen, mijne heeren? Gij zijt nu reeds een uur lang bij mij en spreekt nog geheel in raadselen.”

„Zullen wij ons duidelijker verklaren?” vroeg Mr. Kroyzer.

„Ja”, antwoordde Raffles, „dan zal ik ook duidelijker spreken.”

Met een snellen blik keek hij plotseling naar de rijzweep, die op den schoorsteenmantel lag.

Noch Mr. Röttger, noch Mr. Kroyzer begrepen dien blik.

„Goed”, sprak de kleine, redacteur, „wij hebben van een volkomen betrouwbaar persoon de bewijzen gekregen, dat gij den dood van uw stiefmoeder op uw geweten hebt.”

„Is dat alles?” vroeg Raffles op volkomen onverschilligen toon, zoodat zoowel de kleine redacteur als de eigenaar der Alarmkreet stom van verbazing waren.

„Ik denk, dat dat meer dan voldoende is”, antwoordde Mr. Röttger na eenige oogenblikken, „begrijp wel, het betreft hier een aanklacht wegens moord.”

„Gij beweert dus”, sprak Raffles, „dat ik mijn stiefmoeder heb vermoord.”

„Ik beweer het niet alleen, maar ik wil het ook bewijzen!”

Een oogenblik keek de groote onbekende zijn tegenstander met ijskouden blik aan, daarop deed hij, alsof hij overlegde, wat hij wel te antwoorden had.

„Laat ons eens aannemen, mijne heeren,” sprak hij, „dat datgene, wat gij beweert, een feit was en ik mijn stiefmoeder had vermoord, om in het bezit te komen van het vermogen van mijn vader.

„Op welke wijze zoudt gij er mij voor instaan, dat gij u in de zaak, die gij met mij denkt te behandelen, als eerlijke menschen zult gedragen?”

„Mijn betrekking als redacteur der Alarmkreet verplicht mij tot eerlijk handelen.”

„Pardon”, antwoordde Raffles, „ik begrijp uw woorden niet.”

„Ik bedoel”, antwoordde Mr. Röttger, „dat ik als redacteur der Alarmkreet wel verplicht ben, mij als een eerlijk mensch te gedragen.”

„Mooi!” sprak Lord Lister, „hoeveel verlangt gij daarvoor?”

„Zeggen wij voorloopig tienduizend pond sterling.”

„Een net zaakje”, lachte de groote onbekende. „Gij zeidet immers zooeven, dat gij als redacteur der Alarmkreet tot eerlijk handelen verplicht waart. Ik herhaal: tot eerlijk handelen.

„Weet gij, heer redacteur, ik heb strengere opvattingen omtrent eerlijkheid dan gij.

„Gij schijnt uw eerlijkheid ergens in de modder te hebben laten liggen.

„Eerlijk zoudt gij zijn, als gij dat, wat gij beweert omtrent mijn persoon vernomen te hebben, aan de justitie meedeeldet, in plaats van uw zwijgen aan mij te willen verkoopen voor tienduizend pond sterling.”

„Genoeg!” schreeuwde nu de kleine redacteur, de vuisten ballend, „ik ga van hier naar den inspecteur van politie Baxter. Gij zult ondervinden, welke gevolgen deze zaak voor u heeft.”

„Stellig!” lachte Raffles, „en opdat gij den weg niet tevergeefs af zult leggen, zal ik u iets meegeven, dat gij den inspecteur als bewijs kunt toonen. Let eens op!”

Voordat Mr. Röttger of Mr. Kroyzer iets vermoeden of een poging konden doen om te vluchten, had Raffles de rijzweep van den schoorsteen genomen en als hagelsteenen vielen in het volgende oogenblik de slagen op den redacteur en den eigenaar der Alarmkreet neer.

(Zie het titelblad.)

De klappen volgden elkaar zoo snel op en werden op zoo elegante manier uitgedeeld, dat de beide schurken zich niet konden verdedigen.

Schreeuwend en vloekend holden zij de kamer uit, stieten Charly Brand, die op den drempel was verschenen, omver en snelden de straat langs als twee achtervolgde beesten.

Zij liepen door totdat zij voor de deur van het hoofdbureau van politie stonden, want zij meenden nog steeds, dat Lord Melbourne hen met de rijzweep op de hielen zat.

Toen zij ademloos door het snelle loopen de kamer van inspecteur Baxter waren binnengekomen, troffen zij dezen niet, doch in zijn plaats detective Marholm, die hen met onvriendelijke blikken ontving.

„Wat wenscht gij?” snauwde hij, „de inspecteur is niet hier.”

„Er is ons iets vreeselijks overkomen”, hijgde de redacteur.

„Iets ontzettends!” voegde de eigenaar van het schimpblad er aan toe.

„Wat dan?” vroeg Marholm, en op hetzelfde oogenblik ontdekte hij op beider gelaat de dik opgeloopen striemen van de rijzweep.

„Ah zoo!” sprak hij, „hebt gij slaag gehad?”

„Ja!” riepen beiden tegelijk uit.

„Nu,” lachte de vloo, „zoo iets moet gij gewend zijn. Gij zijt, als ik mij goed herinner, immers de redacteur der Alarmkreet?”

„Ja,” zuchtte de kleine Röttger, terwijl hij den zakdoek voor het gelaat hield, „dat ben ik. Maar ik begrijp niet hoe gij ertoe komt om te zeggen, dat ik aan een pak slaag gewend moet zijn.”

„Kom”, sprak Marholm lachend, „gij kent immers het woord uit den Bijbel:

„Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard omkomen!”

Daarvoor kan men evengoed zeggen:

„Wie klappen uitdeelt, zal klappen terugkrijgen!”

„Wij zijn hier niet om bijbelteksten met u te behandelen”, antwoordde Mr. Röttger met woedenden blik.

„Wat wilt gij dan?” vroeg de vloo op kalmen toon.

„Een aanklacht wegens moord indienen tegen Lord Melbourne.”

„Jegens wien?” vroeg Marholm. „Tegen Lord Melbourne? Dat is jammer. Waar woont de Lord?”

„Regentpark 16.”

„Regentpark 16? Voor zoover ik mij herinner, is Lord Melbourne reeds acht jaar dood. Hoe kan hij dus in het Regentpark No. 16 wonen?”

„En toch is het zoo”, sprak de kleine redacteur. „Gij verwisselt zeker den zoon met den vader. Onze aanklacht is gericht tegen den zoon. Roep dadelijk eenige detectives bijeen en spoed u naar den Lord, voordat hij de vlucht heeft kunnen nemen.”

„Zoo snel gaat dat niet”, sprak Marholm, „eerst moet ik een protocol opmaken van uw beschuldiging, en dat is niet zoo gemakkelijk.

„Het gaat bij ons alles volgens voorschrift. Daar buiten om gebeurt er niets.

„Daarop zullen wij Lord Melbourne uitnoodigen om hier te komen en hem een verhoor afnemen.

„Daarmee gaat minstens een week heen. Zoolang moet gij geduld hebben.”

„Dat is ongeloofelijk”, sprak de redacteur, „op die manier heeft elke moordenaar de tijd om te ontvluchten.”

„Zeker”, antwoordde Marholm op doodkalmen toon, „wij houden ons bij voorkeur bezig met voortvluchtige moordenaars.

„Het aangenaamst zijn ons zelfs de onbekende moordenaars.

„Dergelijke gevallen behandelen wij zeer eenvoudig. Wij loven een belooning uit en laten het publiek naar hem zoeken. Wordt hij dan niet gevonden, dan dragen wij de schuld niet alleen, maar het publiek met ons.”

„Wilt gij ons voor den gek houden?” vroeg Mr. Kroyzer.

Nu stond Marholm op en riep uit:

„Houd uw domme aanmerkingen voor u, want als iemand voor den gek wordt gehouden, dan zijn wij het, maar niet het publiek.

„Ik hoop, dat gij mij begrepen hebt.

„En als gij nu een aanklacht wilt indienen, ga dan naar huis, neem een vel van het daartoe gebruikelijke formaat papier, vouw het in het midden langs de lengte in tweeën en schrijf op de rechterhelft met openlating van een blanco rand ter breedte van twee vingers.

„Indien gij u niet aan dit voorschrift houdt, kunnen wij de aanklacht niet accepteeren. Zij gaat dan onherroepelijk in de papiermand.

„En gaat nu heen, want ik heb te werken.”

Hij draaide het tweetal den rug toe en ging met zijn schrijfwerk door.

Toen zij nog niet heengingen, draaide hij zich nog eens om en vroeg:

„Wat verlangt gij nog meer?”

„Wij zouden gaarne weten”, antwoordde Mr. Röttger, „wanneer inspecteur Baxter te spreken is.”

„Over een uur”, antwoordde Marholm en hij voegde er aan toe:

„Als ik u een goeden raad mag geven, leg dan thuis ijscompressen op uw gezicht, want iedereen ziet al op een afstand aan u, dat gij een flink pak rammel hebt opgeloopen.”

„Wij zullen tijdig terug zijn”, sprak de redacteur, en met zijn medeplichtige verliet hij het bureau.

Marholm echter sloeg zich van pret op de knieën en riep:

„Drommels, dat is de mooiste streek, dien ik ooit van Raffles heb gehoord. Elke klap schijnt een van de beste soort te zijn geweest.”

Hij had misschien een half uur geschreven, toen Baxter als een brieschende leeuw het bureau binnen stormde.

Hij wierp zijn dienstpet op de schrijftafel, zoodat een inktkoker omviel en de inhoud als een zwarte stroom over de tafel en den witgeschuurden vloer liep.

Daarop ging hij voor Marholm staan, en schreeuwde met gebalde vuisten:

„Ik sla je dood, Marholm, ik sla je dood!”

Hij zag er werkelijk uit, alsof hij van plan was zijn vuisten op het hoofd van den secretaris te doen neerdalen.

Maar Marholm kende zijn chef.

Onbevreesd keek hij den inspecteur aan en sprak:

„Waarom wilt gij mij doodslaan?”

Baxter’s oogen rolden in hun kassen.

„Gij hebt mij geblameerd—gij hebt mij voor altijd onmogelijk gemaakt!”

Marholm glimlachte.

„Is dat mogelijk, inspecteur?”

„Ja, dat is mogelijk!” raasde Baxter.

„Gij weet, dat ik hedenmorgen een brief kreeg van den president van de rechtbank met de opdracht, hem om drie uur in den middag te bezoeken.

„Kunt gij denken, wat er nu gebeurd is?”

„Een grap geweest?”

„Een grap?—Een uitbrander heb ik gehad als nog nooit in mijn leven! Een eindeloozen uitbrander! Hij noemde mij niet alleen een ezel, maar verklaarde mij voor den grootsten idioot, die er ooit op de wereld heeft rondgeloopen”.

„Laat u dat zwart op wit geven, dan kunt gij een flinke som verdienen in onze variété’s en in het Panopticum. Den grootsten idioot zal iedereen willen zien”.

De inspecteur greep Marholm bij de keel, alsof hij hem wilde wurgen.

„Zwijg, Marholm, of ik ransel u af! Jij bent de grootste idioot!”

„Het is mogelijk”, antwoordde Marholm, „anders was ik misschien uw secretaris niet!”

„Ja, gij!” riep Baxter uit, „want om uwentwege kreeg ik den uitbrander—door uw schuld ben ik voor den grootsten idioot uitgemaakt”.

„Ik ben zeer nieuwsgierig!”

„De duivel moge je halen met je nieuwsgierigheid. De zaak is eenvoudig genoeg. Belachelijk eenvoudig, gij stommerik!

„Ik zei je gisteren, dat het voorschrift was, een rand open te laten ter breedte van twee vingers”.

„Klopt!” antwoordde Marholm, „was de rand niet zoo breed?”

„Ja, de rand was zoo breed, maar geen enkel woord, dat dichtbij den rand staat, is te lezen. Gij hebt eenvoudig, inplaats van verder te schrijven op den volgenden regel, de letters weggelaten en daardoor onbegrijpelijke rapporten geschreven. Geen mensch kan er uit wijs worden, noch de rechters, noch de president!”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak Marholm, terwijl hij zijn tabakspijp ging stoppen.

„Als gij de rapporten hadt gelezen, zoudt gij het weglaten der letters hebben opgemerkt.

„Het was onmogelijk, de woorden af te breken, daar ik steeds een paar letters over had in de laatste lettergreep, die ik niet op den rand mocht schrijven, welke tot elken prijs twee vingers breed moest zijn.

„Om mij aan het voorschrift te houden en allen eerbied te toonen jegens de wetten, liet ik de letters eenvoudig weg”.

Hij nam een lucifer en stak zijn pijp aan.

„Het had niet veel gescheeld”, vervolgde Baxter, „of gij hadt mij den nek gebroken. Ik had bijna mijn ontslag gekregen”.

„Dat zou meer jammer zijn geweest voor John Raffles dan voor u!”

Het woord Raffles oefende dezen keer een kalmeerende werking uit op Baxter.

Zijn opgewonden gelaat werd kalmer, zijn toornige stem nam een vriendelijker klank aan en hij vroeg:

„Hebt gij met Raffles gesproken?”

„Ja,” antwoordde Marholm lachend, „en gij zult het resultaat van mijn bezoek binnen een uur in duidelijk leesbaar schrift voor u zien! Ik wed, dat er geen letter is weggelaten”.

„Zal Raffles mij schrijven?” vroeg Baxter, die deze woorden niet begreep.

„Hij heeft u reeds geschreven”, sprak Marholm, „heb maar geduld”.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN BEZOEK AAN DE ALARMKREET.

De redactiejongen had juist, om vijf uur, het bureau verlaten. Hij stak juist een zijner cents-sigaretten aan, toen hij op de trap Raffles ontmoette, die, nadat hij met de beide afpersers een samenkomst, vermomd als Lord Melbourne, had gehad, nu een bezoek kwam brengen op de redactie der Alarmkreet, om in het bezit te komen van bewijzen tegen den redacteur en den bezitter van de courant.

Nauwelijks was de jongen Raffles gepasseerd, of de groote onbekende snelde geruischloos als een kat de trappen op en bevond zich in een paar seconden voor den ingang van de redactie.

De deur gaf hem weinig moeite, het was een ouderwetsche, in Engelsche woningen gebruikelijke houten deur, die bijna met elken sleutel te openen was.

Deze geringe veiligheidsmaatregel verbaasde Raffles eerst. Hij meende na eenig nadenken, dat de eigenaren van dit kantoorlokaal misschien niets te verbergen hadden. Maar toch wilde hij zich overtuigen, of niet het een of ander geheim, vooral wat betrof het geval Spancer, in de schrijftafel van den redacteur te vinden zou zijn.

Daar de luiken gesloten waren, was het er volkomen donker.

Hij stak daarom een lamp aan, die op tafel stond en zag in den hoek een cylinderbureau, dat hij met geringe moeite opende.

Hij opende alle kastjes en laden, maar vond niet het minste, dat hem van dienst had kunnen zijn.

„Het is precies zooals ik dacht”, sprak hij tot zichzelf, „de schurken weten heel goed, dat het voor hen het veiligste is om geen enkelen brief of geschreven stuk te bewaren”.

Hij sloot het meubel weer en wilde zich naar huis terug begeven, toen hij op de tafel middenin het vertrek een pakket zag liggen, dat met een touw was dichtgebonden.

Met groote letters stond, in blauw potlood op den omslag van het pakket geschreven:

„Laatste correctie”.

Een oogenblik keek Raffles nadenkend naar het pakket, dat ter verzending gereed lag en dat de jongen waarschijnlijk vergeten had, daar het nog dien avond ter perse moest, omdat de courant den volgenden morgen zou verschijnen.

Plotseling vloog het bekende lachje over Raffles’ gelaat.

„Ja”, fluisterde hij, „als ik hierin vind, wat mij nu toevallig bezighoudt, zou het een kolossale grap geven!

„Juist, morgenochtend verschijnt het wekelijksche nummer der Alarmkreet en dit is de laatste correctie voor de drukkers.

„Prachtig!”

Hij maakte voorzichtig het pakket open en haalde de gedrukte correctievellen der gereedgemaakte courant te voorschijn.

Artikel na artikel las hij met de grootste belangstelling en hij amuseerde zich al lezende, hoe langer hoe meer.

Daarna nam hij aan de schrijftafel plaats, opende den inktkoker en nam de pen, waarmee een paar uur geleden de redacteur der Alarmkreet de correctie had aangebracht.

Raffles doopte de pen in den inkt, stak een sigaret aan en lachte zachtjes.

„Nu zal ik de Alarmkreet eens redigeeren. Londen zal verbaasd zijn, wat voor een geestig blad de Alarmkreet is. Mr. Röttger kan niets hebben in te brengen tegen de veranderingen, die ik aanbreng, omdat hij het niet meer zal kunnen.

„Ik ontvang hem over een paar uur bij mij en zal ervoor zorgen, dat hij zich niet meer in verbinding kan stellen met zijn drukkerij”.

Raffles rookte zijn sigaret op, stak een nieuwe aan, en las het eerste artikel:

Nieuws omtrent John Raffles, den Grooten Onbekende.

„Wij hadden verwacht, dat de door ons als gewetenloos avonturier en misdadiger beschreven Londensche bedrieger zich zou verdedigen tegen onze beschuldigingen en ons een bericht toezenden, zooals hij dat gewend is te doen.

„Maar die man is niet alleen een avonturier en misdadiger van de gemeenste soort, maar hij is ook lafhartig.

„Het wordt meer dan tijd, dat de Londensche pers zich niet meer met dien kerel bezighoudt, maar hem eenvoudig doodzwijgt, opdat de lauwerkrans, dien men hem ten onrechte omhangt, eindelijk door iets anders kan worden vervangen.”

„Heel aardig,” lachte Raffles, „dat artikel zal ik corrigeeren.”

Hij nam de pen op en schreef:

„John Raffles, dien wij in het laatste nummer van ons blad uitschilderden als een gewetenloos avonturier en misdadiger, heeft ons bewezen, dat hij werkelijk den lauwerkrans, dien de Londensche pers hem omhangt, vol bewondering als zij is voor zijn daden, ten volle verdient.

„John Raffles heeft ons niet alleen door woorden overtuigd, maar zelfs door een onomstootelijk bewijs.

„Wij bevelen John Raffles aan bij alle bewoners van Londen, die door gewetenlooze schurken worden uitgezogen, gedreigd of misleid. Tot deze laatste soort behoort ook de Alarmkreet.

„Wij moeten dit ter kennis brengen van alle lezers onzer courant en hen dringend aanraden zich bij voorkomende gelegenheden tot John Raffles te wenden.”

„Ziezoo,” sprak Raffles, „dat is de eerste correctie, nu volgt de tweede in de zaak-Spancer.”

Hij las:

De poging tot zelfmoord door de jonge bontwerkster, die, zooals wij onzen lezers hebben medegedeeld, het slachtoffer is geworden van den zoon van den bekenden pelshandelaar Spancer, is tot heden niet opgehelderd.

„Wij veronderstellen nog steeds, dat het jonge meisje door den jongen Spancer tot zelfmoord is gebracht.

„Het is meer dan tijd, dat de politie zich met deze zaak bezighoudt.”

„Aha,” sprak Raffles, „daar zullen wij iets aan toevoegen.”

En hij schreef verder:

„Wij zouden gaarne bereid zijn geweest, over deze zaak het stilzwijgen te bewaren, indien de vader van den jongen Spancer de door ons verlangde 5000 pond sterling had betaald, maar die man is, helaas, zoo ongenaakbaar, dat hij er niet aan wil denken, de dupe te worden van onze afpersing. Het jonge meisje wordt door hem, naar wij vernomen hebben, op milde wijze ondersteund en heeft van hem een kleine zaak in pelswaren gekregen in de Victoriastraat.”

„Zie zoo,” mompelde Raffles, „nu is ook dit artikel gecorrigeerd.”

Nu nam de groote onbekende een blanco stuk papier en begon daarop een geheel nieuw artikel te schrijven.

Het luidde:

Oplichterij op groote schaal!

„Naar wij zooeven uit goede bron hebben vernomen, heeft zich onder den naam „De Alarmkreet” een courant in Londen gevestigd, die, evenals de Apachen in Parijs, de schrik is geworden van de fatsoenlijke Engelsche burgerij.

„De courant houdt zich ermee bezig, om uit kleine gebeurtenissen of ongelukkige omstandigheden, waardoor solide menschen worden getroffen, sensatie-artikelen in elkaar te flansen, doordat zij namelijk van een mug een olifant maakt.

„Wij weten zeer stellig, dat deze courant niets anders is dan een gemeene bedriegerij; zij is, evenals de Amerikaansche „Arizona Kicker”, ten allen tijde bereid om tegen betaling van een zeker bedrag afstand te doen van het laten drukken dier sensatieberichten.

„Het is niets anders dan een zoogenaamde „revolverpers”, die zich niet ontziet de eer en het vermogen der staatsburgers aan te randen.

„Het zou hoog noodig zijn, dat de inspecteur van politie Baxter zich ernstig bezig hield met den redacteur en den eigenaar van dit weekblad, om Engelsche burgers tegen dergelijke gevaarlijke schurken te beschermen.

„Naar alle waarschijnlijkheid zal het echter bovengenoemden inspecteur niet gelukken, deze menschen onschadelijk te maken.

„Wij vernemen gelukkig, dat om die reden John Raffles zich deze zaak heeft aangetrokken en nu van plan is, den eigenaar en den redacteur van „De Alarmkreet” een welverdiende straf te doen toekomen.

„Het verdere verloop dezer zaak zullen de lezers van dit blad morgen in de Londensche couranten kunnen vinden.

„P. S. Wij verzoeken den verslaggevers van alle Engelsche couranten, zich hedenavond om 9 uur, voor het vernemen der laatste gebeurtenissen, te vervoegen bij den heer inspecteur van politie.”

„Klaar!” sprak Raffles, „nu zal de courant eindelijk eens een fatsoenlijk bericht bevatten. De Alarmkreet zal morgenochtend voor den laatsten keer verschijnen; ik heb deze giftplant der Engelsche pers met wortel en al uitgeroeid.”

Hij stond op en sloot het pakket weer in hetzelfde papier, zoodat er niet aan te zien was, dat het geopend was geweest.

Daarop ontdeed hij met zijn zakdoek de schrijftafel van de sigarettenasch, die hij erop had laten vallen, sloot het meubel, draaide het licht uit en verliet het redactielokaal.

In de aangrenzende restauratie wachtte Charly Brand op hem.

„Zoo”, sprak deze, „ben je klaar? Het heeft vrij lang geduurd.”

„Ja”, antwoordde Raffles, „ik had ook tamelijk veel te doen, ik heb voor hoofdredacteur der Alarmkreet gefungeerd en de courant geredigeerd. Ik verzeker je, dat Londen zich morgenochtend amuseeren zal!”

„Hoe?” lachte Charly Brand, „ben je in de journalistiek gegaan, hoe heb je dat klaargespeeld?”

„Heel eenvoudig”, vertelde Raffles, „het is mij reeds herhaaldelijk zoo gegaan in mijn leven, de hemel heeft mij altijd noodig om schurken hun welverdiende straf te doen toekomen.

„Het toeval, of laten wij het het noodlot noemen, maakte, dat de correctie van de courant gereed op tafel lag en de jongen had vergeten het pakket mee te nemen.

„De courant komt morgenochtend uit en niets is meer in staat, het onheil van de heeren Röttger en Kroyzer af te wenden.

„En laat ons nu gaan.”

Toen zij het restaurant verlieten, kwam juist de redactiejongen ademloos aangerend.

„Zie je”, sprak Raffles, „ik heb mij niet vergist, de bengel heeft tot ons geluk de correctie op tafel laten liggen en haast zich nu, zijn verzuim weer goed te maken. Wij zullen hier wachten en even zien of mijn veronderstelling juist is.”

Zij gingen voor een sigarenwinkel staan en keken schijnbaar vol aandacht naar de uitstalling.