Chapter 2 of 5 · 3999 words · ~20 min read

Part 2

„Het spijt mij,” sprak Raffles, „dit Schrijven zal ik zelf behouden. Maar indien gij het wenscht, ben ik bereid, het bij een notaris te deponeeren, voor het geval, dat men u een proces zou aandoen.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde Röttger, „dat is de juiste manier. Gij moet bedenken, welke gevolgen het zou kunnen hebben, als ik er een artikel over schrijf.

„Het is enorm—Raffles als compagnon van den politie-inspecteur Baxter!”

„O,” lachte de pseudo Marholm, „ik kan u nog veel mooiere dingen vertellen. Verscheiden geheime opiumholen in Londen, kroeghouders zonder vergunning, een dievenbende in Eastend, geheime speelhuizen, om kort te gaan, ik kan u een lijst van ongeveer 80 personen verschaffen, welke allen den inspecteur van politie vast salarieeren.”

„Gij zijt gek,” sprak Röttger. „Als ik in uw plaats was, dan had ik reeds langen tijd geld geslagen uit de omstandigheid, dat gij dat alles weet en op die wijze mijn schaapjes op het droge gebracht.”

„Bravo!” riep Raffles uit, „gij begrijpt mij, het doet mij genoegen, dat ik mij tot u heb gewend.

„Ik wil, als ambtenaar, niet zelf in het openbaar tegen mijn chef optreden.

„Maar gij, een vreemdeling, een journalist, de redacteur van de beroemde Alarmkreet, gij kunt hem de duimschroeven aanleggen en tot hem zeggen:

„„Of gij betaalt ons een flinke afkoopsom, of—”” Raffles maakte een beweging, alsof hij iemand de keel afsneed.

„Fameus! Uitstekend!” riep de redacteur en wreef zich opnieuw in de handen, „dat is een prachtige zaak.

„Hoe hoog is het tegoed, dat die heer op de Bank heeft?”

„Voor zoover ik weet, bedraagt het 15,000 pond sterling.”

„De man zal wel meer bezitten. Bedenk eens, wat dergelijke zaken voor een winst opleveren! Reeds alleen zijn relatie met Raffles!”

„Zeker, zeker,” lachte de groote onbekende, „dat alleen moet den inspecteur dit jaar minstens een kwart millioen hebben opgebracht.”

„Veel meer,” antwoordde Mr. Röttger, „de man heeft meer gestolen dan een half millioen. Wat een prachtige zaak! Op deze wijze kunnen wij indirect de winst deelen, die Raffles behaalt.”

„Dat wil ik juist,” riep Lord Lister uit, „en nu laat ik het aan u over, om de zaak te regelen.”

De kleine journalist stond op en sprak:

„Laat ons dadelijk naar een notaris gaan, een afschrift maken van den brief en het origineel daar deponeeren. Maar gij kent den inspecteur van politie toch wel nauwkeurig?”

„Zeer zeker,” antwoordde Raffles, „ik werk reeds verscheiden jaren met hem.”

„All right,” sprak de redacteur, „is hij buitengewoon dapper?”

„Volstrekt niet,” klonk het uit den mond van Raffles.

„Gij denkt dus,” vervolgde de redacteur, „dat een brief reeds voldoende zou zijn om hem te doen betalen?”

„Hij betaalt,” lachte Raffles.

„Hoeveel denkt gij, dat wij kunnen vorderen?”

John Raffles haalde de schouders op.

„Ik denk, dat wij voorloopig drieduizend pond sterling kunnen vragen, later meer! Zijn geldbronnen zijn onuitputtelijk, zoolang hij samenwerkt met John Raffles.”

„Gij hebt gelijk!” stemde de groote onbekende lachend toe, „wanneer Raffles niet sterft, kunt gij jaren lang alleen van hem leven op een vorstelijke manier!”

Met een duivelschen glimlach wreef de redacteur der Alarmkreet zich opnieuw de magere handen, daarop nam hij zijn viezen hoed op en sprak:

„Ga nu met mij mee naar een notaris. Ik zal al het verdere in orde maken!”

Toen Raffles de trap afging, sprak hij tot zichzelf:

„Ziezoo, de val is dicht! Een van de heeren heb ik, de andere zal wel volgen!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN SCOTLAND YARD.

Detective Marholm, de secretaris en rechterhand van inspecteur Baxter, had zich, zooals reeds herhaaldelijk was geschied, over zijn chef geërgerd.

Zijn chef, die zeer accuraat was, had hem een standje gegeven, omdat Marholm bij het schrijven van de processen-verbaal geen zorg had gedragen voor het vrij laten van een tweevingers breeden witten rand. Hij had de vellen papier geheel beschreven en zoodoende den noodigen eerbied uit het oog verloren.

„Het is om je dood te ergeren,” bulderde Marholm, „alsof het niet precies hetzelfde is, of een rechter een volgeschreven blad krijgt dan wel een met witten rand. Het komt immers op hetzelfde neer, de hoofdzaak is dat, wat er op geschreven staat.

„Al die beuzelarijen hangen mij eigenlijk de keel uit!”

Verontwaardigd kauwde hij op zijn pennehouder en deed zijn best om nu aan den voorgeschreven witten rand te denken.

En dat was, hoe belachelijk het ook moge schijnen, niet zoo gemakkelijk.

Zoodra Marholm aan het eind van een regel kwam, bevatte het woord, dat hij juist schreef, eenige letters meer of hij was midden in een lettergreep en met den besten wil van de wereld wist hij niet, waar hij met die overtollige letters zou blijven, om een witten kant vrij te laten.

„Mooi,” mompelde hij tot zichzelf, „verder dan tot hier mag ik niet komen, afkorten gaat niet, dus ik laat de rest van de letters eenvoudig weg.

„Laat anderen zich gek praktiseeren; als zij zoo op die tweevingers breeden rand gesteld zijn, moeten zij ook maar trachten te begrijpen wat hier staat. Mij laat het verder koud.”

Zonder er verder over na te denken, schreef hij maar door en zoodra hij den blanco rand genaderd was, eindigde hij het woord, dat hij bezig was te schrijven, al mankeerden er ook nog tien letters aan.

Toen het koffieuurtje was genaderd, haalde hij zijn eenvoudige boterhammen te voorschijn en begon te eten, terwijl de inspecteur zich uit een naburige restauratie een warme lunch liet komen.

„Wacht,” dacht de vloo, zooals Marholm door zijn collega’s werd genoemd, „ik zal je je biefstuk met een flinke dosis Raffles kruiden. Dan zal ze je zoo zwaar in den maag liggen, dat je ze even moeilijk kunt verdragen dan je den grooten onbekenden doet.”

De inspecteur van politie vermoedde niets van de booze plannen van zijn secretaris en toen deze het laatste hapje van zijn boterham had gegeten, terwijl Baxter aan zijn biefstuk begon, sprak hij:

„Het is toch eigenlijk onbegrijpelijk, dat wij gedurende de laatste weken niets van Raffles hebben gehoord!”

Een woedende blik van den inspecteur trof Marholm.

Deze deed, alsof hij dit niet bemerkte en vervolgde:

„Waarschijnlijk zet hij een nieuw meesterstuk in elkaar, dat ons heele bureau eerstdaags op den kop zet.

„Een geniale kerel die Raffles!”

Een kauwend gebrom van den politieinspecteur was het antwoord en deze sprak:

„Gij ziet, Marholm, dat ik eet. Kunt jij met uw gezanik over Raffles niet wachten totdat ik klaar ben? Gij weet immers, dat die naam voldoende is om mij allen eetlust te benemen!”

„Jawel,” knikte de vloo, „dat weet ik.”

„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „gij bekent dus, dat gij mij mijn eten wilt bederven?”

„Ja,” antwoordde de vloo op onverschilligen toon.

De politieinspecteur hijgde naar lucht.

Deze brutaliteit was toch wel wat heel erg.

„Wat bezielt u? Ik zal dit onthouden! Ik zal u aanklagen wegens insubordinatie in den dienst!”

„Wij hebben nu geen dienst,” antwoordde Marholm, „nu eten wij. Op het oogenblik zijn wij alle twee particuliere personen en gij weet, dat ik dan volgens de Engelsche wet mag zeggen wat ik wil. Dat kan mij zelfs de Koning van Engeland niet beletten, want ik ben Engelsch Staatsburger. En voor de rest wreek ik mij een beetje op u. Gij hebt mij met uw tweevingersbreeden witten rand eveneens den eetlust bedorven.”

Inspecteur Baxter zette een gezicht als een onderwijzer van een volksschool, die de kinderen de zondenval van Adam en Eva gaat vertellen.

Vol geleerdheid begon hij:

„Het is een voorschrift van den Lord Major van Londen, dat elk officieel stuk een tweevingers breeden witten rand aan de rechterzijde moet hebben. Deze wet stamt uit het jaar 1680 en is tot dusverre steeds gerespecteerd. Gij hebt niet het recht, gij, detective Marholm, om deze oude wet op anarchistische wijze met voeten te trappen.

„Maar het vervloekte moderne socialisme schijnt zich ook in uw hersens te hebben genesteld, gij wenscht u niet meer te storen aan dergelijke oude voorschriften.

„Ik merk ook uit uw gedrag jegens mijn persoon, dat gij allen eerbied, dien gij mij als uw chef verschuldigd zijt, opzettelijk uit het oog verliest.”

Marholm glimlachte ironisch.

„Heer inspecteur,” antwoordde hij op denzelfden zalvenden toon, dien Baxter had aangeslagen, „het komt niet in mij op, mij te vergrijpen aan de eeuwenoude wetten van ons koninkrijk en ik zie in, dat ik een afschuwelijk mensch ben, om den rand van twee vingers breed te willen weglaten.

„Voortaan zal ik dergelijke abnormale afwijkingen niet meer hebben, dat beloof ik u. Gij zult u nooit meer behoeven te beklagen, dat ik u beleedig.

„Maar dit alles verandert niets aan het feit, dat Raffles sinds vier weken niets van zich heeft laten hooren, dat Raffles— — —”

„Houd op, houd op!” schreeuwde de inspecteur van politie, „ik wil niets meer hooren! Ik wil er niets meer van weten! De duivel moge Raffles halen.

„Ik wensch nu mijn biefstuk rustig op te eten en daarvoor heb ik noch u, noch Raffles noodig, die kauw ik liever zelf.”

Marholm, die zag, dat hij zich voldoende gewroken had, stak zijn neus weer in de papieren en zweeg.

Nadat hij een poosje geschreven had, sprak hij op half luiden toon, zoodat Baxter het moest hooren:

„De onbekende misdadiger is tot dusverre nog niet door Scotland Yard ontdekt.”

Baxter keek van terzijde naar hem.

„Wat mompelt gij daar?”

„O, mompelde ik iets!” vroeg de vloo. „Ik meende dat ik schreef en wel iets, waarvan ik ’s nachts in mijn slaap droom.

„Ik zou willen voorstellen, om die woorden te laten hectografeeren, dat zou mij veel tijd besparen, daar ik hem geregeld elken dag aan den Lord Major moet schrijven.”

„Welken zin?” vroeg Baxter, hoewel hij vist wat Marholm bedoelde.

„De onbekende misdadiger is ondanks de ijverigste nasporing van den politieinspecteur Baxter en diens detectives tot op heden nog niet ontdekt.”

„Laat mijn naam er buiten,” schreeuwde Baxter en zijn gelaat werd purperrood.

„Waarom,” meesmuilde de vloo, „dacht gij, dat de Lord Mayor niet weet, dat gij de inspecteur van politie van Scotland Yard zijt?”

„Dat wel,” bromde Baxter, „maar het is niet noodig, dat het neergeschreven wordt.”

„Och, kom,” sprak Marholm, „geneert gij u? Zal ik u eens wat zeggen? Op den dag, waarop ik eindelijk zal moeten schrijven, dat wij den grooten onbekende in handen hebben, neem ik een pen van vijf karaats goud, gouden inkt en dan laat ik het stuk in een lijst zetten.”

„Gij schijnt vandaag bijzonder geestig te zijn,” sprak Baxter. „Wij hebben in den loop der laatste maand 380 personen gevangen genomen.”

„Dat is waar!” klonk het op spottenden toon uit Marholm’s mond.

„Nu dan!”

„Ja, dat is waar,” herhaalde de vloo, „maar dat waren bekende misdadigers. Ik zeg maar: De onbekende misdadigers, de groote onbekenden, zooals bijvoorbeeld Raffles— —”

Baxter schoof onrustig op zijn stoel heen en weer en voelde zich niets op zijn gemak.

„Kijk eens,” vervolgde de vloo, „daar hebben wij dien schurk, die in Eastend een dozijn vrouwen een messteek heeft gegeven, wij hebben inbrekers-moordenaars, wier misdaden ten hemel schreien en waarvoor onze galgen bestemd zijn—maar de kroon op alles wordt ten slotte toch gezet door den wereldberoemden grooten onbekende, onzen langgezochten vriend Raffles— —”

Bom!

Een vuistslag van Baxter kwam donderend op de schrijftafel neer, zoodat de inkt omhoog spatte.

„Houd op, vervloekte kerel, houd uw mond! Gij schijnt uw best te doen om verslaggever te worden. Ik zal u laten verplaatsen.”

„Hoe eer hoe liever,” zuchtte de vloo, „dat is mijn vurigste wensch.

„De duivel moge den onderwijzer halen, die mij heeft leeren schrijven. Aan hem heb ik dit ellendige baantje van secretaris te danken.

„En dat ik geen detective kan zijn, is uw schuld. Maar ik heb mijzelf plechtig beloofd, alles in het werk te stellen om hier vandaan te komen en weer in de buitenlucht te werken.

„Ik ken helaas onder mijn collega’s geen enkelen, die behalve zijn naam en een rapport vol fouten, in staat zou zijn om een acte leesbaar en duidelijk op papier te brengen.

„Maar dit zeg ik u: Zoodra ik een Ier of voor mijn part een Schot vind, die in staat is om een Engelschen zin zonder fouten te schrijven, dan komt hij zoo stellig en zeker hier in mijn plaats, als twee maal twee vier is.

„Als gij mij met verplaatsing dreigt, dan doet gij mij het grootst mogelijk genoegen.

„Ik smeek elken avond den hemel, dat hij u uw plan mag laten volvoeren om mij de deur uit te gooien. De pers maakt ons elk oogenblik belachelijk. Want omdat ik uw rechterhand ben, ben ik er mede verantwoordelijk voor, dat Raffles—”

„Kerel, zwijg!” bulderde Baxter met een nieuwen vuistslag.

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.

Met een zucht van verlichting riep Baxter:

„Binnen!”

De dienstdoende beambte, die bezoekers aan moest dienen, trad binnen, bleef in eerbiedige houding bij de deur staan en meldde:

„Twee heeren, een zekere Mr. Kroyzer en een Mr. Röttger wenschen u te spreken.”

„Laat de heeren binnenkomen,” sprak Baxter. Hij nam aan zijn schrijftafel plaats en deed, alsof hij druk bezig was. Hij doopte de pen in en zette zijn naam onder de opgestapelde acten en papieren.

Terwijl Baxter onder het eerste stuk met stijlschrift zijn naam plaatste, kwamen de heeren vertegenwoordigers van de Alarmkreet de kamer binnen.

Baxter keek de heeren met scherpen blik aan.

„Pardon, heer inspecteur,” sprak de redacteur der courant, terwijl hij langzaam Baxter naderde, „wij hebben een zeer kiesche aangelegenheid met u te bespreken.”

„Ik ben tot uw dienst,” antwoordde Baxter, „als gij mij maar wilt zeggen, wat gij wenscht. Maar weest kort, want mijn tijd is beperkt.”

„Dat mocht zoo zijn!” dacht Marholm. „Hij moet zijn biefstuk verteren.”

„Wij zouden u gaarne onder vier oogen spreken, heer inspecteur,” sprak Mr. Röttger, „wat wij u hebben te zeggen betreft u persoonlijk.”

Baxter werd onrustig.

Deze woorden maakten hem zenuwachtig. Wat wilde deze man van hem?

Het was alsof de vreemde bezoeker zijn superieur was, die hem ter verantwoording kwam roepen.

„Het spijt mij,” antwoordde hij schouderophalend, „mijn persoonlijke aangelegenheden kan ik hier gedurende mijn diensttijd niet behandelen. Dan moet gij mij in mijn woning bezoeken.

„Met wien heb ik de eer?”

De kleine redacteur stak de borst vooruit als een haan op een mesthoop en kraaide:

„Mijn naam is Röttger. Ik ben de redacteur van de Alarmkreet.”

Als antwoord weerklonk een luide kuch van Marholm en dat klonk zoo spottend, dat de kleine, magere redacteur den detective woedend aankeek en hem met een minachtenden blik opnam.

Baxter daarentegen kreeg, toen hij vernam wie Röttger was, een panischen schrik.

Zijn particuliere leven was ten gevolge van de vele Don Juan-streken, die hij steeds uithaalde, niet vrij van smet of blaam, zoodat hij vroeg of laat een schandaal vreesde.

Ongetwijfeld betrof het bezoek van deze gevaarlijke heeren zijn galante avonturen.

„Laat mij eenige oogenblikken met de heeren alleen,” sprak hij tot Marholm.

De vloo kon niet snel genoeg de kamer verlaten.

Hij was altijd blij van zijn bundels acten weg te komen.

Toen hij in de voorkamer was, stopte hij op zijn gemak een pijpje, stak dat aan en daar hij er belang in stelde om te weten, wat de beide journalisten bij zijn chef kwamen doen, luisterde hij met zijn oor tegen een dunne plek, waarop hij, om ze gemakkelijk terug te kunnen vinden, een kruisje had geteekend.

Dichtbij hem bevond zich het kijkgaatje, bedekt door een metalen klepje, dat hem in staat stelde om in de kamer te kunnen kijken. Baxter had deze spionnage-opening laten aanbrengen, om Marholm bij den arbeid ongezien te kunnen gadeslaan.

Hij dacht er niet aan, dat zijn beambten het wederkeerig tegenover hem zelf konden gebruiken.

Duidelijk hoorde Marholm het volgende gesprek:

„Gij weet,” sprak Mr. Röttger, „dat ik redacteur ben van de Alarmkreet, de onpartijdige, bekende courant, die strijdt voor recht en waarheid.

„Het is het doel van ons blad om alle mistoestanden, die wij ontdekken, zonder aanzien des persoons, aan de openbaarheid prijs te geven, ten einde ze te verbeteren.

„Wij zijn strijders voor recht en billijkheid, wij wenschen de modderpoelen der moderne maatschappij met harde bezems te reinigen, wij strijden tegen al het onrechtvaardige, dat om ons heen geschiedt!”

„Mooi,” antwoordde Baxter, „dat heb ik begrepen, maar nu zou ik wel eens willen weten, wat gij van mij wenscht. Ik was in het geheel niet nieuwsgierig naar een lofzang op uw courant.”

„Hoe?” piepte de kleine redacteur, „denkt gij soms, dat ik zonder doel tegen u sta te redeneeren? Mijnheer, mijn woorden zijn voor mij de tolken van mijn gedachten.

„Elke letter is goed doordacht, er is geen overbodig woord bij, kortom, ik herhaal u, dat ik strijd voor recht en waarheid!”

„Een kolossale kerel!” mompelde de vloo aan de andere zijde van de deur, „de vingers jeuken mij om hem eens flink op een zeker lichaamsdeel te ranselen.

„Hij ziet eruit als iemand, die aan de galg is ontsnapt en hij spreekt als een officier van het heilsleger. Een nette jongen!”

„Laat mij ook eens even aan het woord,” sprak nu de mooie Guido terwijl hij zijn zakdoek te voorschijn haalde en zich op kokette wijze frissche lucht toewuifde.

De tabaksrook scheen hem te hinderen. Hij was in dit opzicht zeer fijngevoelig.

„Wij hebben gisteren,” zoo begon hij, „een opzienwekkende mededeeling gekregen. Het betreft Raffles.”

„Oef!” zuchtte de inspecteur van politie, zijn bezoekers aankijkend, alsof hij hen de deur uit wilde gooien.

Raffles scheen vandaag onophoudelijk zijn nachtmerrie te moeten zijn.

„Waar is Raffles?” vroeg Baxter eindelijk. „Hebt gij hem ontdekt?”

De redacteur en de mooie Guido zetten een gezicht als een Engelsche Lady, wanneer iemand in haar nabijheid sterk naar alcohol riekt.

„Neen,” sprak de mooie Guido, „het ontdekken van Raffles kunnen wij gerust aan u overlaten.

„Wij zijn geen detectives, wij zijn courantenmenschen!

„Maar wij hebben een andere ontdekking gedaan, die u en het publiek zeker sterk zullen interesseeren.”

„En dat is?”

De mooie Guido wachtte even, zooals een krokodil doet, die zijn slachtoffer reeds in den muil heeft en het in het volgend oogenblik naar binnen wil slikken.

Een duivelsche grijns misvormde zijn gelaat, hij haalde zijn monocle uit zijn vestzakje te voorschijn, beademde dat, poetste het op aan zijn linkermouw en klemde het daarop in zijn oog.

Hij keek den politie-inspecteur scherp aan in de houding van Lord Chamberlain en sprak:

„Hebt gij inderdaad geen vermoeden, welke ontdekking wij in het algemeen belang hebben gedaan?”

„Sir!” stoof Baxter op, „ik ben niet van plan, mij raadsels door u te laten opgeven. Vertel mij duidelijk, wat gij van mij wenscht en spreekt niet zoo onbegrijpelijk.”

„Mooi!” kraaide de magere redacteur, „dan zal ik het u vertellen.

„Wij hebben een brief ontvangen en in ons bezit gekregen, die aan u is geschreven door Raffles.”

Baxter zette verbaasde oogen op.

Hij ontving meermalen brieven van Raffles en aangenaam waren ze hem nooit.

Hij had ze allemaal genummerd in een lade van zijn schrijftafel weggesloten en kon niet begrijpen, hoe een dezer brieven in handen van die twee heeren geraakt kon zijn.

Als dat werkelijk het geval was, dan was het zeer onaangenaam voor hem.

Hij dacht even na en kwam tot het resultaat, dat het in elk geval goed voor hem zou zijn, het met het tweetal op een accoordje te gooien want wanneer een dezer brieven werd gepubliceerd, zou geheel Londen zich ten zijnen koste amuseeren en de spotbladen opnieuw werk krijgen.

Hij haatte deze tijdschriften, die, dank zij Raffles, reeds maandenlang den spot dreven met den inspecteur van Scotland Yard.

Raffles had hem op die manier zoo populair gemaakt, alsof hij de koning in eigen persoon ware.

Hij trok de la van zijn schrijftafel open, om er zich voor alles van te overtuigen, of alle brieven van Raffles nog in zijn bezit waren.

Mr. Röttger, die de bewegingen van Baxter volgde, zag dadelijk, wat deze van plan was.

Hij lachte hoonend en sprak:

„Gij zult tevergeefs naar den brief zoeken, die in onze handen is. Het schrijven is toevallig niet aan zijn adres gekomen, door iemand, die u niet genegen is, onderschept en bij ons gebracht.”

Baxter vroeg op zenuwachtigen toon:

„Is dat een feit? Men heeft den brief onderschept? Duivels—zou detective Marholm—”

Bij het hooren van dezen naam trapte de redacteur den mooien Guido op de teenen.

De zaak was in orde.

Hij had nu vasten grond onder de voeten.

Tot nu toe was hij er nog niet geheel zeker van geweest, of de beambte inderdaad in staat was, zich brieven, geadresseerd aan den politie-inspecteur, toe te eigenen.

Nu hoorde hij het van Baxter zelf, dat dit wel mogelijk was.

Hij besloot nu, geen medelijden te hebben en eischen te gaan stellen.

„Ja, mijn waarde heer inspecteur, daarom sprak ik zooeven over recht en waarheid.

„De brief behelsde zeer compromitteerende dingen voor u en gij hebt het alleen te danken aan onze fatsoenlijke manier van handelen, dat wij u komen opzoeken en den inhoud van den brief niet eenvoudig openbaar maken.

„Uit uw verhouding tot Raffles, die wij tot in de kleinste bijzonderheden kennen, ik herhaal het—” hij drukte den klemtoon op elken lettergreep—„tot in de kleinste bijzonderheden! zult gij kunnen besluiten, hoeveel een dergelijke wetenschap ons waard is?!

„Dat kost u minstens, als wij den brief, publiceeren, uw betrekking.”

Nu brak het angstzweet den inspecteur uit.

De kleine redacteur wreef zich innig voldaan de handen.

De visch zat aan den hengel.

Hij wist niet, dat achter de coulissen Raffles stond, die hen alle drie als marionetten aan een touwtje hield.

„Is de brief werkelijk zoo compromitteerend?” vroeg Baxter en hij dacht aan den dag, waarop Raffles hem door middel van Charly Brand zijn portefeuille had ontstolen en zoodoende inzage had verkregen in zijn Don Juan-avonturen.

„Kan ik den brief inzien?”

„Neen mijnheer,” antwoordde de kleine redacteur, „wij hebben het schrijven gedeponeerd bij een notaris voor geval van een proces. Het moet u voldoende zijn, als ik u zeg, dat de openbaarmaking van dezen brief u voor eeuwig zou ruïneeren.”

Baxter zuchtte en hield zijn hoofd met beide handen vast.

„Ik word krankzinnig! Ik word gek!—Die Raffles rooft mij mijn verstand!” kermde hij.

„Dat is niet noodig,” sprak Mr. Röttger, „ik neem aan, dat gij verstandig genoeg zijt om niet gek te worden, maar om liever met ons te overleggen, hoe gij uw eigen ondergang kunt voorkomen.”

Met onzekeren blik keek Baxter den spreker aan.

Plotseling kwam het vermoeden in hem op, dat hij zich met geld uit deze netelige zaak kon redden.

„Ik ben bereid,” sprak hij, „indien uwe eischen eenigszins aannemelijk zijn, zal ik er mij aan onderwerpen.”

„Dat dacht ik wel,” antwoordde Röttger, „wij zullen het wel eens worden.

„Denk eens na over het bedrag, dat u hoog genoeg voorkomt, om ons de schade te vergoeden, die wij lijden door het niet openbaar maken van een dergelijk schrijven.”

„Schade?” vroeg Baxter, „in hoeverre schade?”

Nu mengde de mooie Guido zich weer in het gesprek.

„Dat kan ik u precies voorrekenen. Denk eens aan een artikel, dat het opschrift droeg: „Onthullingen omtrent Raffles en inspecteur Baxter—” wij zouden er in Londen minstens een millioen exemplaren van verkoopen.”

Baxter hijgde als een visch, die uit het water wordt gehaald.

„Gij—gij—meent, dat ik een millioen exemplaren zou moeten betalen?”

„Niet alleen dat,” antwoordde de mooie Guido met een onverschillig glimlachje, „het materiaal, dat wij hebben verkregen, is niet alleen genoeg voor één nummer, maar voor minstens tien.

„Dat maakt dus, zuinig berekend, een oplage, van week tot week stijgend met 25 procent, van ongeveer 20 millioen exemplaren.”

Alles draaide voor Baxters oogen in het rond.

Getallen van eindelooze lengte dwarrelden voor zijn oogen.

Hij zag in, dat zijn beide bezoekers hem het bloed uit de aderen wilden zuigen.

Tevergeefs dacht hij na, hoe hij een uitweg zou kunnen vinden.

Zijn kwaad geweten, in zake de Don Juan-avonturen, hield hem er van terug, de beide kerels op straat te gooien. Hij was inderdaad bang voor zijn naam en betrekking.

„Bedenk bovendien,” sprak de mooie Guido, „dat de artikelen zeer veel opzien zouden verwekken en u uw betrekking waarschijnlijk kosten.