II.
In de maand Maart van het jaar 1741 was de Generaal Majoor Bengt Löwensköld overleden en een paar maanden later gebeurde het, dat een dochtertje van den Ritmeester Göran Löwensköld, de oudste zoon van den Generaal, die nu op Hedeby woonde, aan roodvonk stierf. Zij werd op een Zondag dadelijk na de godsdienstoefening begraven en alle kerkgangers volgden den lijkstoet naar het graf van de familie Löwensköld, waar de twee geweldig groote grafsteenen rechtop waren gezet. Het gewelf daaronder was geopend door een metselaar, zoodat het kistje van het kind naast dat van haar grootvader kon worden gezet.
Terwijl de menschen om het graf heen stonden te luisteren naar de begrafenisplechtigheid en de lijkrede, was het niet onmogelijk, dat deze en gene aan den koningsring dacht en het betreurde, dat die in een graf verborgen moest liggen, zonder iemand tot nut of vreugd te zijn. Een of ander vond dit misschien ook en fluisterde zijn buurman in, dat het nu niet zoo onmogelijk zou zijn, aan den ring te komen, omdat het graf waarschijnlijk niet voor den volgenden dag weer zou worden dichtgemetseld.
Onder de velen, die daar stonden en zich met deze gedachten bezig hielden, was ook een boer van Mellomstuga in Olsby, die Baard Baardson heette. Hij hoorde heelemaal niet tot hen, die grijze haren hadden gekregen ter wille van dien ring. Integendeel! Toen iemand hem over dien ring had gesproken was zijn antwoord geweest, dat hij zoo’n beste hoeve had, dat hij den Generaal niet hoefde te benijden, al had hij ook een schepel goud mee in de kist genomen.
Toen hij nu op het kerkhof stond, kwam hem als zooveel anderen in de gedachte hoe wonderlijk het was, dat het graf was geopend. Maar hij was er niet blij om. Het maakte hem ongerust. „De Ritmeester moest het wel al van middag weer in orde laten maken,” dacht hij. „Er zijn velen, die dien ring begeeren.”
Dit was immers iets wat hem heelemaal niet aanging; maar hoe het nu ook kwam, hij leefde zich meer en meer in de gedachte in, dat het gevaarlijk zou kunnen zijn het graf den nacht over open te laten staan. Het was nu Augustus geworden, de nachten waren donker en als het graf niet dien zelfden dag werd gesloten, kon een dief er in sluipen en zich den schat toeeigenen.
Zijn angst werd zoo groot, dat hij er over dacht naar den Ritmeester te gaan en hem te waarschuwen, maar hij wist immers wel, dat de menschen hem voor onnoozel hielden en hij wilde niet uitgelachen worden.
„Natuurlijk heb je hierin gelijk,” dacht hij, „maar als je je hier al te druk over maakt, word je uitgelachen. De Ritmeester, die zoo’n verstandig man is, heeft er zeker al voor gezorgd, dat het graf weer wordt dichtgemetseld.”
Hij was zoo in die gedachten verdiept, dat hij niet merkte, dat de begrafenisplechtigheid was afgeloopen, maar bij het graf bleef, en er zeker lang zou zijn blijven staan, als niet zijn vrouw was gekomen en hem aan den mouw van zijn jas had getrokken.
„Wat heb je toch?” zei ze. „Je staat hier op dezelfde plek te staren als een kat naar een muizengat.”
Een schok ging door hem heen; hij keek op en zag, dat hij en zijn vrouw alleen op het kerkhof waren.
„’t Is niets,” zei hij. „Ik stond er over te denken....”
Hij had zijn vrouw wel graag willen vertellen waar hij over dacht, maar hij wist wel dat zij veel scherpzinniger was dan hij. Ze zou zeggen, dat of het graf al of niet gesloten zou worden, iets was wat Ritmeester Löwensköld aanging en niemand anders.
Ze gingen op weg naar huis, en toen Baard Baardson het kerkhof den rug toe had gekeerd, had hij immers de gedachte aan het graf kwijt moeten raken, maar dat was niet het geval. Zijn vrouw sprak over de begrafenis, over de kist en de dragers, over den stoet en de lijkrede, en hij voegde er nu en dan een woordje bij, om niet te laten merken, dat hij er niets van wist en er niets van had gehoord. Al gauw was ’t alsof de stem van zijn vrouw heel uit de verte klonk. Zijn hersens begonnen de vroegere gedachten weer over te malen.
„Zie nu eens, het is vandaag Zondag,” dacht hij, „en misschien wil de metselaar ’t gewelf niet weer in orde brengen op een rustdag. Maar dan kon de Ritmeester immers den doodgraver een daalder geven en hem zeggen, dat hij van nacht bij het graf moest waken. Als hij nu maar op die gedachte komt!”
En op eens begon hij hardop in zich zelf te praten. „Ik had toch naar den Ritmeester moeten gaan. Ik had er mij niet aan moeten storen of de menschen me uit zouden lachen.”
Hij had heelemaal vergeten, dat zijn vrouw naast hem liep; maar hij kwam weer tot bezinning, doordat ze op eens bleef staan en hem aanstaarde.
„’t Is niets,” zei hij. „’t Was maar hetzelfde, waar ik over liep te denken.”
Toen zetten ze hun wandeling voort en ze waren kort daarna thuis.
Hier hoopte hij, dat die onrustige gedachten hem zouden verlaten, en dat zouden ze ook wel gedaan hebben, als hij maar aan het werk had kunnen gaan. Maar nu was ’t immers Zondag. Als de menschen in Mellomstuga hun middagmaal hadden gehouden, ging ieder zijn eigen weg. Hij bleef alleen in de kamer, en dadelijk kwam die verwondering weer over hem.
Hij stond na een poosje op van de bank en ging naar buiten. Daar zadelde hij het paard met de bedoeling naar Hedeby te rijden en met den Ritmeester te spreken. „Anders wordt de ring zeker vannacht gestolen,” dacht hij.
Toch zette hij dit niet door. Hij was te verlegen. In plaats daarvan ging hij naar de naburige hoeve, om over zijn bekommering met den boer daar te spreken, maar hij trof hem niet alleen, en weer was hij te verlegen om te spreken. Hij kwam thuis zonder dat hij iets had gezegd.
Hij ging naar bed, zoodra de zon onder was en nam zich voor, tot den morgen te slapen. Maar hij kon den slaap niet vatten. De onrust kwam terug. Hij lag zich maar heen en weer te draaien in bed.
Natuurlijk kon zijn vrouw ook niet slapen, en na een poosje wilde ze weten waarom hij zoo onrustig was.
„Het is niets,” zei hij op de gewone manier. „’t Is maar iets, waarover ik me verbaas.”
„Ja, dat heb je nu al meer dan eens gezegd vandaag,” antwoordde zijn vrouw, „maar nu vind ik, dat je me moest vertellen waarover je je zoo verbaast. Je hebt toch zeker geen dingen in je hoofd, die zoo gevaarlijk zijn, dat je er met mij niet over spreken kunt.”
Toen Baard zijn vrouw dit hoorde zeggen, verbeeldde hij zich, dat hij zou kunnen slapen, als hij deed wat zij zeide.
„Ik lig er maar aan te denken of het graf van den Generaal weer dichtgemetseld zou zijn,” zei hij, „of dat het den heelen nacht open zal blijven staan.”
Zijn vrouw lachte. „Daar heb ik ook aan gedacht,” zei ze, „en ik geloof, dat iedereen, die vandaag bij de kerk was, dat ook heeft gedaan. Maar je zult toch om zooiets niet wakker blijven liggen!”
Baard was er blij om, dat zijn vrouw de zaak zoo licht opnam. Hij voelde zich kalmer en meende, dat hij nu zou kunnen slapen.
Maar nauwelijks was hij weer gaan liggen, of de onrust kwam terug. Van alle kanten, uit alle kamers zag hij schaduwen aan komen sluipen; allen gingen uit met dezelfde bedoeling. Allen richtten hun schreden naar het kerkhof met het open graf.
Hij probeerde stil te liggen, opdat zijn vrouw zou kunnen slapen; maar zijn hoofd deed pijn en ’t zweet brak hem uit. Hij kon niet anders dan onophoudelijk heen en weer draaien.
Zijn vrouw verloor haar geduld en ze opperde, half in scherts:
„Lieve man, ik geloof gerust, dat ’t beter was, dat je naar het kerkhof ging om te zien hoe het met het graf stond, dan dat je je hier heen en weer ligt te gooien en geen oog toedoet.”
Ze had het nauwelijks gezegd of de man sprong uit het bed en begon zich aan te kleeden. Hij vond, dat zijn vrouw groot gelijk had. ’t Was niet meer dan een half uur loopen van Olsby naar de kerk van Bro. Over een uur kon hij terug zijn en dan kon hij den heelen nacht slapen.
Maar nauwelijks was hij de deur uit of zijn vrouw kwam op de gedachte, dat het akelig voor haar man was heelemaal alleen naar het kerkhof te gaan, en ze sprong snel op en kleedde zich ook aan.
Ze haalde haar man in bij den heuvel ten zuiden van Olsby. Baard begon te lachen, toen hij haar hoorde aankomen.
„Kom je om op te passen, dat ik den ring van den Generaal niet steel?” vroeg hij.
„Lieve schat!” zei zijn vrouw, „dat weet ik toch wel, dat je aan zulke dingen niet denkt. Ik ging alleen om je te helpen, als je soms het grafzwijn of ’t hellepaard [1] eens mocht tegenkomen.”
Ze liepen flink door. De nacht was al gekomen, en alles was pikdonker, behalve een kleine, smalle lichtrand in ’t westen; maar ze kenden den weg. Zij liepen samen te praten en waren welgemoed. Ze gingen immers alleen maar naar het kerkhof om te zien of het graf nog open was, zoodat Baard daarover niet langer hoefde liggen denken.
„Ik vind, dat het toch ongeloofelijk is, dat ze daar in Hedeby zoo roekeloos zouden zijn, dat ze dien ring niet weer ingemetseld zouden hebben,” zei Baard.
„Ja, dat zullen we nu gauw weten,” zei zijn vrouw. „Ik geloof, dat het de muur van het kerkhof is, dien we hier naast ons hebben.”
De man bleef staan. Hij was er verwonderd over, dat zijn vrouw dit zoo opgewekt zei. ’t Zou toch niet mogelijk zijn, dat zij iets anders bedoelde met deze tocht, dan hij?
„Voor we ’t kerkhof opgaan,” zei Baard, „moeten we wel even afspreken wat we zullen doen, als het graf openstaat.”
„Of het graf nu open staat of niet, mij dunkt we hebben niet anders te doen dan naar huis en naar bed te gaan.”
„Neen, natuurlijk,” zei Baard en liep weer door.
„’t Is niet waarschijnlijk, dat de poort van ’t kerkhof open zal staan, zooals vandaag,” zei hij dadelijk daarna.
„Neen, dat zal wel niet,” antwoordde zijn vrouw. „We zullen wel over den muur moeten klauteren, als we den Generaal een bezoek willen brengen en zien hoe ’t hem gaat.”
Weer verwonderde de man zich. Hij hoorde een zacht geritsel van vallende steentjes en zag dadelijk daarop de gestalte van zijn vrouw zich tegen den lichten westerhemel afteekenen. Ze was al boven op den muur, en dat was ook geen kunststuk, omdat die maar een paar voet hoog was; maar ’t was opvallend, dat ze zoo vol vuur was, dat ze al voor hem naar boven was geklommen.
„Ziehier, pak mijn hand, dan zal ik je naar boven helpen,” zei ze.
Nu hadden ze den muur achter zich en liepen zwijgend en voorzichtig voort tusschen de graven.
Baard struikelde over een hoogtetje en was bijna gevallen. Het was hem, alsof iemand hem beentje had willen lichten. Hij werd zoo bang, dat hij beefde, en hij zei hardop, opdat alle dooden zouden kunnen begrijpen hoe goed zijn bedoeling was:
„Ik zou hier niet graag willen loopen, als ik iets verkeerds in den zin had.”
„Neen, zeg dat wel,” zei zijn vrouw. „Daar heb je groot gelijk aan. Maar kijk eens, daar ginds ligt het graf al.”
Hij kon de omhoog gezette grafsteenen tegen den donkeren nachthemel onderscheiden.
Kort daarna waren ze bij het graf en vonden het open. ’t Gat in het gewelf was niet dichtgemetseld.
„Dat lijkt me toch vrij roekeloos,” zei de man. „Dat is toch niet anders dan alle menschen, die weten wat een schat hier verborgen ligt, in de zwaarste verzoeking brengen.”
„Ze vertrouwen er zeker op, dat niemand een doode iets durft doen.”
„’t Is ook geen pretje in zulk een grafkelder te kruipen als deze,” zei de man. „’t Is niet zoo moeilijk er in te springen, maar als je er eenmaal in was, bleef je er zeker zitten als een vos in een vossenkuil.”
„Ik zag, dat ze van morgen een laddertje in ’t graf gezet hadden,” zei de vrouw, „maar dat hebben ze toch zeker wel weggenomen.”
„Daar zal ik toch warempel even naar kijken,” zei de man en voelde voor zich uit in het gat. „Nee, stel je voor!” barstte hij uit. „Dat gaat toch over alle grenzen. De ladder staat er nog!”
„Ja, ’t is wel héél erg, dat ze die vergaten!” gaf de vrouw toe. „Maar weet je, ik vind, dat het er niet zooveel toe doet, dat die hier staat. Want hij, die daar beneden woont, is mans genoeg om zijn eigendom te verdedigen.”
„Als ik dat maar zeker wist,” zei de man. „Misschien moest ik ten minste die ladder wegnemen.”
„Ik vind niet, dat we hier bij het graf ergens aan moeten komen,” zei de vrouw. „’t Is het beste, dat de doodgraver morgen het graf precies zoo vindt, als hij het heeft achtergelaten.”
Ze stonden in dat zwarte gat te kijken, besluiteloos en radeloos. Nu hadden ze immers naar huis moeten gaan, maar er was iets griezeligs, iets, dat ze geen van beiden durfden uitspreken, wat hen terughield.
„Ja, ik kon die ladder daar wel laten staan,” zei Baard eindelijk, „als ik maar wist of de Generaal de macht had de dieven op een afstand te houden.”
„Je kunt immers in het graf gaan; dan kun je zien hoeveel macht hij heeft”, zei de vrouw.
Het was alsof Baard maar op die woorden had gewacht. Hij was op ’t zelfde oogenblik bij de ladder en in ’t donkere gat; maar nauwelijks stond hij op den steenen vloer in den grafkelder, of hij hoorde de ladder kraken en merkte, dat zijn vrouw achter hem aan kwam.
„Zoo, kom je hier ook?” zei hij.
„Ik durfde je niet met den doode alleen te laten.”
„Och, ik geloof niet, dat hij zoo gevaarlijk is,” zei de man. „Ik voel geen koude hand, die me doodknijpen wil.”
„Ja, zie je, hij zal ons wel niets doen,” zei de vrouw. „Hij weet immers wel, dat we er niet aan denken den ring te stelen. Maar iets anders was ’t natuurlijk als we voor de grap de kist eens openschroefden.”
Dadelijk tastte de man voor zich uit tot hij bij de kist van den Generaal was en voelde langs de deksel. Hij vond een schroef, met een kruisje op den kop.
„Het is alsof alles als in orde is gebracht voor een dief,” zei hij, terwijl hij voorzichtig en behendig de schroeven van de kist los begon te draaien.
„Voel je niets?” vroeg zijn vrouw. „Merk je niet, dat er iets onder de deksel beweegt?”
„’t Is hier zoo stil als in een graf,” antwoordde de man.
„Hij gelooft zeker niet, dat wij van plan zijn hem dat, wat hij ’t meest op prijs stelt, af te nemen,” zei de vrouw. „Iets anders was ’t, als we de deksel van de kist aflichtten.”
„Ja, maar daar moet je me dan mee helpen,” zei de man.
Zij namen de deksel van de kist; en nu was het niet meer mogelijk het verlangen naar den schat te bedwingen. Zij maakten den ring los van de vergane hand, legden de deksel weer op de kist, en zonder een woord te spreken slopen zij naar boven uit het graf. Zij namen elkaar bij de hand, toen zij terug gingen over het kerkhof, en niet voor zij over den lagen grauwen steenen muur waren geklauterd en op den weg gekomen, waagden zij iets te zeggen.
„Nu begin ik te gelooven,” zei de vrouw, „dat hij het zoo gewild heeft. Hij heeft begrepen dat het niet goed is van een doode zulk een kostbaar sieraad te behouden, en daarom gaf hij het ons gewillig.”
De man lachte luid.
„Ja, jij bent een mooie!” zei hij. „Neen, dat kun je me niet wijsmaken, dat hij het ons gewillig weg liet nemen. Maar hij had zeker geen macht om het ons te beletten.”
„Weet je wel,” zei de vrouw, „dat je vannacht heel flink bent geweest? Er zijn er niet veel, die zich in het graf van den Generaal zouden hebben gewaagd.”
„Ik heb niet het gevoel, dat ik iets verkeerds heb gedaan,” zei de man. „Van een levende heb ik nooit ook maar één daalder genomen; maar wat zou het beteekenen van een doode iets weg te nemen, wat hij niet noodig heeft?”
Ze voelden zich trotsch en vergenoegd, terwijl ze daar liepen. Zij verbaasden er zich over, dat niemand anders dan zij op die gedachte gekomen was. Baard zei, dat hij zoo gauw mogelijk naar Noorwegen zou reizen om den ring te verkoopen. Ze meenden, dat ze daar zooveel geld voor zouden krijgen, dat ze nooit meer in zorg zouden behoeven te zijn.
„Maar,” zei de vrouw en bleef plotseling staan. „Wat zie ik? Begint het al dag te worden? Het is zoo licht in het oosten.”
„Neen, dat kan de zon nog niet zijn,” zei de boer. „Dat moet brand zijn. Het is alsof het naar den kant van Olsby is. Zou het niet....”
Hij werd in de rede gevallen door een luiden gil van zijn vrouw.
„’t Is bij ons!” schreeuwde ze. „Mellomstuga staat in brand! De Generaal heeft het aangestoken....”
Maandagmorgen kwam de doodgraver in groote haast naar Hedeby, dat vlak bij de kerk ligt, om aan te geven, dat hij en de metselaar die ’t graf weer dicht zou maken, gemeend hadden te merken, dat de deksel scheef op de kist van den Generaal lag en dat de schilden en sterren, die er op lagen, verlegd waren.
Er werd oogenblikkelijk een onderzoek ingesteld. Men merkte dadelijk, dat er groote wanorde in de grafkamer was en dat de schroeven van de kist waren losgemaakt. Toen de deksel er afgelicht was, zag men bij den eersten oogopslag, dat de koningsring niet meer aan den linker wijsvinger van den Generaal zat.