V.
Na zulk een behandeling was het nu juist geen wonder, dat de proost een beetje in de war raakte, en dat het tot den avond duurde eer hij den weg naar het dorp vond. En ook was het geen wonder, dat hij niet uit het bosch kwam, op den weg naar Olsby, die de beste en de kortste was; maar dat hij te ver naar ’t zuiden gereden was, zoodat hij dadelijk bij Hedeby uitkwam.
Terwijl hij diep in ’t bosch rondreed, had hij er over gedacht, dat het eerste wat hij moest doen, zoodra hij goed en wel thuis was gekomen, bericht naar den leensman te zenden om hem te verzoeken naar het bosch te gaan en den ring van Ingilbert terug te nemen. Maar nu hij toch voorbij Hedeby kwam, overlegde hij in zich zelf, of hij daar niet binnen moest gaan en er met Ritmeester Löwensköld over te spreken wie het was, die in het graf had durven gaan en den Koningsring te stelen.
Men zou zoo denken, dat hij niet zoolang over iets zoo natuurlijks had hoeven denken; maar de proost aarzelde, omdat hij wist, dat er niet zoo’n heel goede verhouding tusschen den Ritmeester en zijn vader was geweest. De Ritmeester was een man van den vrede, even sterk als zijn vader een strijder geweest was. Hij was zoo gauw mogelijk uit den krijgsdienst gegaan, zoodra de Zweden en de Russen vrede hadden gesloten en sinds dien tijd had hij al zijn krachten gewijd aan het bevorderen van de welvaart in ’t land, die in de oorlogsjaren sterk ondermijnd was geworden. Hij was tegen de alleenheerschappij en de krijgseer, ja, hij placht afkeurend te spreken over Karel XII en over veel andere dingen, die de oude man op hoogen prijs stelde. En ten overvloede had de zoon vurig deelgenomen aan den strijd in den rijksdag; maar altijd als aanhanger van de vredespartij. Ja, zijn vader en hij hadden voldoende punten om over te twisten.
Toen de ring van den Generaal gestolen was, hadden de proost en velen met hem, gevonden, dat de Ritmeester zich niet voldoende had ingespannen om hem terug te krijgen. En dat alles maakte, dat hij nu dacht: „Het is nergens goed voor, dat ik de moeite neem van mijn paard te stijgen op Hedeby. De Ritmeester geeft er niet om of zijn vader of Ingilbert den koningsring aan zijn vinger heeft. Het is beter, dat ik dadelijk den diefstal aangeef bij den leensman Carelius.”
Maar juist toen de proost zoo in zich zelf overlegde, zag hij, dat het hek, dat de oprijlaan naar Hedeby afsloot, heel langzaam draaide en wijd open bleef staan.
Dat leek al héél opmerkelijk; maar er zijn immers zooveel hekken, die zoo van zelf opengaan, als ze niet behoorlijk gesloten zijn, en de proost dacht er niet verder over na. Hij nam het intusschen op als een teeken, dat hij naar Hedeby moest rijden.
De Ritmeester ontving hem goed, bijna beter dan gewoonlijk.
„Dat is goed van U, eens hier te komen,” zei hij. „Ik heb juist verlangd U te zien en ik was meer dan eens van plan vandaag naar U toe te komen om U over een heel bizonder geval te spreken.”
„Dan zoudt U een vergeefsche reis hebben gemaakt,” zei de proost. „Al vroeg in den morgen ben ik in de gemeente Olsby Säter geroepen en eerst juist nu terug gekomen. Het is een avontuurlijke dag geweest voor mij, oude man.”
„Ik kan hetzelfde zeggen, hoewel ik nauwelijks uit mijn stoel ben opgestaan. Ik kan U verzekeren, dat al ben ik bijna vijftig jaar, en al heb ik van alles meegemaakt, zoowel in de harde oorlogsjaren als later, me nooit zooiets wonderlijks overkomen is, als wat ik vandaag heb beleefd.”
„Als ’t zoo is,” zei de proost, „zal ik U het eerst aan ’t woord laten. Ook ik heb U iets te vertellen. Maar ik wil niet beweren dat het ’t merkwaardigste is van alles, wat me is weervaren.”
„Nu ja,” zei de Ritmeester, „het kan ook wel zijn, dat U in mijn verhaal heelemaal niets wonderlijks vindt. Dat wilde ik U juist vragen. Hebt U wel eens van Gathenhjelm gehoord?”
„Van dien afschuwelijken zeeroover en dollen kaper, die door Koning Karel tot Admiraal is benoemd?
„Wie zou niet van hem hebben gehoord!”
„Van middag,” ging de Ritmeester voort, „kwam aan tafel het gesprek op den vroegeren oorlogstijd. Mijn zoons en hun gouverneur begonnen er mij over uit te vragen hoe alles toen was, want van zooiets willen de jongeren altijd graag hooren. Let nu eens op: ze vragen nooit naar de zware en harde jaren, die wij hebben moeten doormaken na den dood van Koning Karel, toen wij door den oorlog en het geldgebrek met alles ten achter waren.... maar alleen naar die ellendige oorlogsjaren. Bij God, je zoudt bijna denken, dat ze ’t heelemaal niet tellen, als verwoeste steden worden opgebouwd, als er bergwerken worden aangelegd en fabrieken gesticht, als er bosschen worden gerooid en velden ontgonnen. Ik geloof, dat mijn zonen zich over mij en mijn tijdgenooten schamen, omdat we ophielden met in den oorlog te gaan en vreemde landen te verwoesten. ’t Schijnt, dat ze vinden, dat wij minder waard zijn dan onze vaderen en dat wij de oude Zweedsche kracht hebben verloren.”
„U hebt volkomen gelijk,” antwoordde de proost. „Die liefde van de jongeren voor den oorlog is diep betreurenswaardig.”
„Welnu, ik vervulde hun wensch,” zei de Ritmeester, „en omdat ze van een groot oorlogsheld wilden hooren, vertelde ik hun van Gathenhjelm en zijn wreede handelingen tegen kooplieden en vreedzame reizigers, denkende, dat ik daarmee hun schrik en afschuw zou wekken. En toen dat ook lukte, verzocht ik hun er aan te denken, dat die Gathenhjelm een echt kind van zijn tijd, den oorlogstijd was, en vroeg hun of zij graag de aarde bevolkt zouden zien met zulke monsters.
„Maar eer mijn zonen hierop konden antwoorden, nam hun gouverneur het woord en vroeg mij hem toe te staan nog een geschiedenis van Gathenhjelm te vertellen. En toen hij zeide, dat dit verhaal alleen maar bevestigde wat ik al van zijn vreeselijke woestheid en razernij had verteld, gaf ik mijn toestemming.
„Hij begon met te zeggen dat sinds Gathenhjelm jong gestorven was en men zijn lijk in de kerk van Onsala had bijgezet in een marmeren sarkophaag, die hij van den Deenschen Koning had geroofd, er in de kerk een zóó vreeselijk gespook was ontstaan, dat de gemeentenaren van Onsala het niet hadden kunnen uithouden. Zij wisten er geen andere raad op dan het lijk uit de kist te nemen en het te begraven op een verlaten eilandje ver in zee. Toen kwam er rust in de kerk, maar de visschers, die op hun tochten in de buurt van de nieuwe rustplaats van Gathenhjelm waren gekomen, vertelden, dat zij van daar altijd gedruisch en spektakel hoorden en dat ieder oogenblik het schuim hoog over dat arme eilandje spoot. De visschers meenden te begrijpen, dat het alle zeelieden en kooplieden waren, die Gathenhjelm over boord had laten gooien, van door hem genomen schepen, en die nu uit hun nat graf opstegen om hem te pijnigen en te mishandelen, en zij wachtten er zich wel voor dien kant uit te varen. Maar op een donkeren nacht was toch een van hen te dicht bij de gevaarlijke plek geraakt. Hij voelde zich in een wervelwind gerukt, het schuim spoot hem in ’t gezicht en een donderende stem riep hem toe: „Ga naar Gatha in Onsala, en zeg mijn vrouw, dat ze mij zeven bossen hazelaarroeden en twee knuppels zendt.””
De proost had tot dat oogenblik stil en geduldig naar het verhaal zitten luisteren, maar toen hij nu merkte, dat zijn buurman niet anders dan een gewone spookhistorie te vertellen had, kon hij nauwelijks een beweging van ongeduld onderdrukken; maar de Ritmeester lette er niet op.
„U begrijpt wel, dat er niet anders te doen was, dan het bevel te gehoorzamen. En dat deed de vrouw van Gathenhjelm ook. De taaiste hazelaarroeden en twee knuppels werden in orde gemaakt en een knecht uit Onsala roeide daarmeê in zee.”
Nu deed de proost werkelijk een zóó duidelijke poging om hem in de rede te vallen, dat de Ritmeester zijn ongeduld opmerkte.
„Ik weet wat U denkt,” zei hij; „ik heb ’t zelfde gedacht, toen ik van middag dat verhaal hoorde; maar nu verzoek ik U toch mij tot het einde aan te hooren. Ik wil maar zeggen, dat die knecht uit Onsala een dapper man, en zijn heer bizonder trouw moet zijn geweest, anders had hij die opdracht zeker niet durven uitvoeren. Toen hij in de buurt van de begraafplaats kwam, sloegen de golven er over heen, alsof er een hevige storm was, en oorlogsgedruisch en spektakel werden ver in ’t rond gehoord. Toch roeide de jongen zoo dichtbij als hij kon en het gelukte hem de knuppels en de bossen hazelaarroeden op de klippen te gooien. Toen verwijderde hij zich met snelle riemslagen van die verschrikkelijke plaats.
„Waarde Ritmeester” .... begon de proost; maar zijn gastheer was onverzettelijk.
„Heel ver roeide hij toch niet weg, vóór hij op de riemen bleef rusten om te zien of er iets bizonders zou gebeuren. En hij hoefde niet te vergeefs te wachten. Want opeens steeg het schuim hemelhoog over de klippen, het spektakel klonk als het donderen van een veldslag, en gruwelijke jammerkreten klonken over de zee. Dat ging een poosje zoo door, maar met afnemende heftigheid en eindelijk hielden de golven op met storm te loopen tegen het graf van Gathenhjelm. Dat lag daar al spoedig even stil en rustig als ieder andere klip. De knecht hief de riemen op om naar huis terug te keeren, maar op ’t zelfde oogenblik werd er met een donderende en triomfeerende stem geroepen: „Ga naar Gata in Onsala, en groet mijn vrouw en zeg haar, dat Lasse Gathenhjelm zoowel dood als levend zijn vijanden overwint.””
De proost had stil zitten luisteren met gebogen hoofd. Nu het verhaal uit was, hief hij het aangezicht op en zag den Ritmeester vragend aan.
„Toen de gouverneur dit laatste vertelde,” zei de Ritmeester, „kon ik wel merken, dat mijn zonen meêlijden hadden met dien schurk van een Gathenhjelm, en graag van zijn overmoed hoorden vertellen. Daarom merkte ik op, dat deze historie mij voorkwam goed in elkaar gezet te zijn, maar dat die hoogstwaarschijnlijk niet anders dan een leugen kon wezen. „Want,” zei ik, „als een ruwe zeeroover als Gathenhjelm zulk een kracht had gehad om zich te verdedigen, ook na zijn dood, hoe is het dan te verklaren, dat mijn vader, die een even groote ijzervreter was als Gathenhjelm, maar daarbij een goed en eerlijk mensch, een dief kon laten binnendringen in zijn graf en hem van ’t liefste berooven, wat hij had, zonder dat hij macht had dit te verhinderen of later den schuldige ook maar in ’t minste te molesteeren.””
De proost richtte zich bij deze woorden met ongewone levendigheid op.
„Dat is juist ook mijn meening,” zei hij.
„Ja, maar hoor nu, wat er gebeurde!” ging de Ritmeester voort. „Nauwelijks had ik dit gezegd, of ik hoorde achter mijn stoel een luid gesteun. En dat klonk zóó precies als het moede zuchten, dat mijn vader zaliger deed hooren, als de krampen van den ouderdom hem plaagden, dat ik een gevoel kreeg, alsof hij achter mij stond; en ik vloog op. Ik zag wel niets; maar ik was er zóó zeker van, dat ik hem gehoord had, dat ik niet meer aan tafel wou blijven zitten, maar nu in mijn eenzaamheid hierover ben blijven nadenken. En ik heb zeer verlangd te hooren wat U over dit alles denkt. Was het mijn vader, die klagend zuchtte over den verloren schat? Als ik kon gelooven, dat hij daar aldoor verlangen naar had, dan zou ik liever huis aan huis gaan doorzoeken, dan dat hij nog een oogenblik dat bitter verdriet zou voelen, waarvan dit steunen getuigde.”
„Dat is nu vandaag de tweede keer, dat ik moet antwoorden op de vraag, of de doode Generaal nog treurt over zijn verloren ring, en dien weer terug wil winnen,” zei de proost. „Ik zal nu eerst met uw toestemming mijn geschiedenis vertellen, en later zullen wij daar samen over spreken.”
Toen deed de proost zijn verhaal, en hij merkte nu, dat hij er niet bang voor hoefde te wezen, dat de Ritmeester zich de zaak van zijn vader niet genoeg zou aantrekken. De proost had er niet aan gedacht, dat er iets van de natuur van de zonen van Lodbrok zelfs bij de vreedzaamste menschen te vinden is. Want het is zoo, dat de meeste varkens knorren als ze hooren wat de oude beer geleden heeft. Nu zag hij hoe de aderen op ’t voorhoofd van den Ritmeester zwollen, en hoe hij de vuisten balde, zoodat de knokkels wit werden. Een vreeselijke woede was over hem gekomen.
Natuurlijk stelde de proost de zaak naar zijn inzicht voor. Hij vertelde hoe de toorn Gods den misdadiger had getroffen, en wilde in geen enkel opzicht toegeven, dat de doode zou hebben ingegrepen.
Maar de Ritmeester legde alles wat hij hoorde, anders uit. Hij begreep nu, dat zijn vader geen rust had gehad in zijn graf, omdat de ring van zijn wijsvinger was afgenomen. Hij voelde angst en berouw, omdat hij tot nu toe de zaak al te licht had opgenomen. Hij voelde dat als een stekende, pijnlijke wond in zijn hart.
De proost, die zag hoe heftig bewogen hij was, durfde bijna niet te vertellen, dat hem de ring weer was afgenomen, maar dat werd met een soort bittere voldoening aangehoord.
„Het is maar goed, dat er nog een van dat dievenpak over is en dat hij een even groote ellendeling is als de anderen,” zei Ritmeester Löwensköld. „De Generaal heeft de ouders geslagen en hard geslagen. Nu is het mijn beurt.”
De proost voelde een onbarmhartige hardheid in zijn stem. Hij werd steeds ongeruster. Hij vreesde, dat de Ritmeester Ingilbert met eigen hand zou wurgen, of hem met zijn zweep doodslaan.
„Ik vond, dat het mijn plicht was, U de boodschap van den doode over te brengen,” zei de proost, „maar ik hoop, dat U geen overhaaste maatregelen zult nemen. Ik ben voornemens nu bij den leensman den aan mij gepleegden diefstal aan te geven.”
„Daarin kunt U handelen, zooals U wilt,” zei de Ritmeester. „Ik wil U alleen maar zeggen, dat dit vergeefsche moeite is, want deze zaak zal ik zelf ter hand nemen.”
Na deze woorden zag de proost in, dat er op Hedeby niets meer te bereiken was. Hij reed zoo spoedig mogelijk van daar weg om nog vóór den avond den leensman bericht te kunnen zenden.
Maar Ritmeester Löwensköld riep al zijn mannen bij elkaar, vertelde hun wat er gebeurd was, en vroeg hun, of zij met hem mee wilden gaan, den volgenden morgen, om den dief te vangen.
Er was niemand, die weigerde hem en den Generaal dien dienst te bewijzen, en het overige gedeelte van den avond werd besteed om alle mogelijke wapens bijeen te zoeken: oude buksen, korte berenspietsen, lange degens, knuppels en zeisen.