Chapter 3 of 11 · 904 words · ~5 min read

III.

Ik denk aan Koning Karel XII en ik probeer te begrijpen hoe men hem liefhad en vereerde.

Want ik weet, dat het eens gebeurde in de laatste jaren van zijn leven, dat hij in de kerk van Karlstad kwam, midden onder de godsdienstoefening.

Hij was naar de stad komen rijden, alleen en onverwacht; en omdat hij wist, dat er godsdienstoefening was, liet hij het paard buiten de kerkdeur staan en ging naar binnen langs het groote pad door het wapenhuis, zooals ieder ander.

Zoodra hij de deur was binnen gekomen, zag hij intusschen, dat de predikant al op den preekstoel stond, en om hem niet te storen bleef hij staan, waar hij was. Hij zocht niet eens een plaats in een bank, maar bleef met den rug tegen den deurpost geleund, staan luisteren.

Maar hoewel hij zoo ongemerkt gekomen was, en zich stil in het donker onder de lantaren hield, was er iemand in de achterste bank, die hem herkende. ’t Was misschien een oude soldaat, die een arm of been had verloren op den veldtocht en die vóór den slag bij Pultawa naar huis was gestuurd, en die meende, dat die man met het opgekamde haar en den krommen neus, de koning moest wezen. En op hetzelfde oogenblik, dat hij hem herkende, stond hij op.

De buren in de bank vroegen zich zeker verbaasd af, waarom hij dat deed, en toen fluisterde hij hun toe, dat de Koning in de kerk was. En onwillekeurig stonden allen in de bank op, zooals men gewoon was te doen als Gods woord werd voorgelezen van het altaar of den preekstoel.

Daarop liep het gerucht van bank tot bank, en alle menschen, ouden en jongen, rijken en armen, de zwakken, zoowel als de gezonden, allen stonden op.

Dat was, zooals ik zei, in een van de laatste jaren van het leven van Koning Karel, toen kommer en tegenspoed begonnen waren, en er was misschien geen mensch in de kerk, die niet van lieve verwanten was beroofd, of zijn vermogen had verloren onder het bestuur van den Koning. Als toevallig iemand zelf niets te betreuren had, dan hoefde hij er maar aan te denken hoe ’t land verarmd was, hoe provinciën verloren waren gegaan en hoe het heele rijk door vijanden was omringd.

Maar toch.... maar toch: er was maar een gefluister noodig, dat die man, dien men zoo dikwijls had vervloekt, daar in Gods huis stond, of allen stonden op.

En ze bleven staan. Er was niemand, die er aan dacht te gaan zitten. Dat konden ze niet. De Koning stond bij de kerkdeur en zoolang hij stond, moesten ze blijven staan. Als iemand was gaan zitten, zou hij tegenover den Koning te kort zijn gekomen in eerbied.

’t Zou misschien een lange preek worden; maar dat moesten zij verdragen. Niemand wilde hem daar bij de kerkdeur ontrouw worden.

Hij was anders een soldatenkoning en hij was gewend, dat zijn soldaten gaarne voor hem den dood tegemoet gingen. Maar hier in de kerk was hij omringd door eenvoudige burgers en handwerkers, van gewone zweedsche mannen en vrouwen, die nooit een commando hadden gehoorzaamd. Maar alleen al dat hij zich vertoonde was genoeg om hen onder zijn invloed te brengen. Zij zouden hem gevolgd hebben, waarheen hij wilde, ze zouden hem alles hebben gegeven, wat hij vroeg, ze geloofden in hem, ze aanbaden hem. In de heele kerk dankten allen God voor dien wonderbare, die de Koning van Zweden was.

En zoo als ik zei, ik probeer mij daarin te denken om te begrijpen, dat de liefde voor Koning Karel een menschenziel zóó geheel kon vullen, dat die zóó vast kon groeien in een ruw en barsch oud hart, dat alle menschen verwachtten, dat die zou voortduren tot na den dood.

Waarlijk, toen het ontdekt werd, dat de ring van den Generaal gestolen was, verbaasde men er zich in Bro het meest over, dat iemand den moed tot die daad had kunnen hebben.

Men vond, dat liefhebbende vrouwen, die begraven waren met haar verlovingsring aan den vinger, die hadden de dieven zonder gevaar kunnen plunderen. Of als een moeder in den doodsslaap gelegen had met een lok haar van haar kind in de handen, dan had men zonder vrees die van haar weg kunnen rukken; of als een priester in de kist was gelegd met den bijbel als hoofdkussen, dan had die geroofd kunnen worden zonder schade voor den misdadiger. Maar de ring van Karel XII, van den vinger van den dooden Generaal van Hedeby te stelen, dat was een onderneming, waarvan men niet begreep, dat iemand uit een vrouw geboren, zich daaraan had gewaagd!

Natuurlijk werd er onderzocht, maar dat leidde niet tot de ontdekking van den misdadiger. De dief was gekomen en gegaan in ’t duister van den nacht, zonder eenig spoor achter te laten, dat de zoekenden op weg kon helpen.

Weer verwonderden de menschen zich. Ze hadden immers gehoord, hoe er nacht aan nacht gespookt was om den dader aan te wijzen bij veel geringer misdrijven.

Maar toen men later hoorde hoe de Generaal den ring volstrekt niet aan zijn lot had overgelaten, maar er voor had gestreden om hem terug te krijgen met dezelfde barsche onbarmhartigheid, die hij betoond zou hebben, wanneer hem bij levenden lijve de ring was afgestolen, was niemand ook maar in ’t minst verwonderd.

Niemand twijfelde er ook maar een oogenblik aan. Dat was juist wat men had verwacht.