Chapter 8 of 11 · 2788 words · ~14 min read

VIII.

Op een herfstdag, ongeveer dertig jaar na dit merkwaardige dobbelspel bij het gerechtshof van Broby, zat Marit Eriksdochter op de stoep voor het kleine huisje op de Groote Hoeve in Olsby, waar zij woonde, en borduurde een paar kinderwanten. Zij wilde ze volgens een mooi patroon borduren met randen en ruiten, opdat het kind, waar zij ze voor bestemde, er blij mee zou zijn, maar ze kon geen patroon bedenken. Nadat ze lang op de trap had zitten teekenen met een houtje, ging ze naar binnen en deed haar kleerenkist open om er een of ander kleedingstuk uit te halen, dat ze nawerken kon. Heel beneden op den bodem vond zij een muts met een kwast, die kunstig geborduurd was, met veel verschillende steken en randen en na eerst een paar oogenblikken geaarzeld te hebben nam ze die mee naar buiten op de stoep.

Terwijl Marit nu de muts keerde en draaide om het borduursel na te zien, merkte zij dat er mot in gekomen was en dat die er gaatjes in gebeten had. „Ja, goeie hemel, dat is toch geen wonder,” dacht ze. „’t Is nu zeker minstens dertig jaar geleden, dat die alle dagen gebruikt werd. ’t Is goed, dat ik die uit de kleerenkist nam, zoodat ik zag hoe het er mee gesteld was.”

De muts was versierd met een grooten mooien kwast, en daar hadden de motten bizonder krachtig in huisgehouden, want toen Marit de muts schudde, vlogen de draden naar alle kanten. Ja, de kwast vloog er zelfs af, en viel op haar knie. Ze nam die op om te zien of die zooveel geleden had, dat hij niet meer vast te zetten was, en toen meende zij iets te zien blinken tusschen de draden. Ze trok die gauw uit elkaar en vond toen een grooten zegelring van goud met een rooden steen, met grof linnen garen binnen in den kwast vastgenaaid.

De kwast en de muts vielen haar uit de handen. Ze had den ring nog nooit gezien; maar ze hoefde niet naar het koninklijke naamcijfer op den steen te kijken of naar de inscriptie aan den binnenkant, om te weten wat het voor een ring was, en aan wien die behoorde. Ze leunde tegen ’t hek van de stoep, sloot de oogen en zat daar stil en bleek, als een stervende. Ze meende, dat haar hart zou breken.

Ter wille van dien ring hadden haar vader, Erik Ivarsson, haar oom, Ivar Ivarsson en haar verloofde, Paul Eliasson, het leven moeten laten en nu moest zij dien vastgenaaid vinden in den kwast op Paul’s muts.

Hoe was die daar gekomen? Wanneer was die daar gekomen? Had Paul geweten, dat hij daar was?

Neen; ze zeide dadelijk tot zich zelf, dat hij het onmogelijk had kunnen weten.

Ze herinnerde zich hoe hij met die muts had gewuifd en hem hoog in de lucht had gegooid, toen hij meende, dat hij en de oude Ivarssons vrijgesproken waren.

Ze zag alles voor zich, alsof het gisteren gebeurd was. Die groote menschenmassa, die in ’t begin vol haat en vijandschap was geweest tegenover haar en haar naasten kring; maar die ten slotte aan hun onschuld geloofde. Ze herinnerde zich den heerlijken, diep blauwen herfsthemel, de trekvogels, die verdwaald waren en over de gerechtsplaats fladderden. Paul had ze gezien en in dat oogenblik, dat ze tegen hem aangeleund had gestaan, had hij haar toegefluisterd dat zijn ziel weldra daar boven zou rond zwerven in den hoogen, als een kleine verdwaalde vogel. En hij had haar gevraagd of hij dan op Olsbyhoeve komen mocht en onder aan de goot wonen.

Neen, Paul kon niet geweten hebben, dat er gestolen goed verborgen was in die muts, die hij omhoog had gegooid naar dien heerlijken herfsthemel.

En toen die andere dag. Haar hart kromp ineen, zoo vaak ze daaraan dacht; maar nu moest ze het toch doen. Er was bericht gekomen uit Stockholm, dat het Godsoordeel zoo moest worden opgevat, dat alle drie de beklaagden even schuldig waren en dat zij gehangen moesten worden.

Zij was er bij geweest, toen het vonnis werd uitgevoerd, opdat de mannen, die zij liefhad, zouden weten, dat er een mensch was, dat in hen geloofde en over hen treurde. Maar daarom had ze niet naar den galgenheuvel behoeven te gaan. Alle menschen waren van gedachten veranderd sedert dien laatsten keer. Allen die om den kring soldaten stonden, die de gerechtsplaats afzetten, waren goed voor haar geweest. De menschen hadden overlegd en onder elkaar alles nagegaan, en zij waren tot de overtuiging gekomen, dat het Godsoordeel zoo moest verstaan worden: dat alle drie beklaagden onschuldig waren. De Generaal had ze alle drie den hoogsten worp laten doen. Dat kon niets anders beteekenen. Geen van hen had den ring genomen.

Er was een algemeen weeklagen, toen de drie mannen naar buiten werden gebracht. Vrouwen hadden geschreid, de mannen hadden met gebalde vuisten gestaan, en de tanden op elkaar gebeten. Men zei, dat de gemeente Bro verwoest zou worden, zooals Jeruzalem, omdat men het leven aan onschuldige mannen had ontnomen. De menschen hadden den veroordeelden troostwoorden toegeroepen en de beulen gehoond. En vele vervloekingen waren over het hoofd van Ritmeester Löwensköld neergekomen. Er werd gezegd, dat hij in Stockholm geweest was en dat het zijn schuld was, dat het Godsoordeel in het nadeel van de aangeklaagden was uitgelegd.

In ieder geval was het dit, dat alle menschen haar vertrouwen en geloof deelden, wat haar over dien dag had heen geholpen. En niet alleen over dien dag: maar over al dien tijd, tot op dezen dag toe. Wanneer de menschen, die zij ontmoette, haar voor de dochter van een moordenaar hadden gehouden, had zij het leven niet kunnen verdragen.

Paul Eliasson was de eerste geweest, die op ’t kleine vloertje onder de galg gestapt was. Hij was eerst op de knieën gevallen en had tot God gebeden; toen had hij zich tot den predikant gewend, die naast hem stond en had hem iets gevraagd. Toen had Marit gezien hoe de predikant hem de muts van ’t hoofd had genomen. En toen alles voorbij was had de predikant de muts aan Marit gegeven met de groeten van Paul. Hij zond haar die als een teeken, dat hij in zijn laatste ure aan haar had gedacht.

Zou zij nu ooit kunnen gelooven, dat Paul haar die muts als een gedachtenis zou hebben gestuurd, als hij had geweten, dat het gestolen goed daarin verborgen was? Neen, als er iets zeker was in deze wereld, dan was het dit, dat hij niet wist, dat de ring, die aan den vinger van den doode had moeten zitten, in de muts verborgen was.

Marit Eriksdochter boog zich haastig voorover, hield de muts op voor haar oogen en onderzocht die. „Waar kan Paul die muts vandaan hebben gekregen?” Ik heb die niet voor hem gemaakt, en ook niemand anders op de hoeve. Hij moet die op de markt hebben gekocht of misschien tegen die van een ander hebben geruild.

Ze keerde de muts nog eens om en bekeek het patroon. „Die is zeker eens mooi en sierlijk geweest,” dacht zij. „Paul hield van sierlijke dingen. Hij was nooit blij, als we grijze kleeren voor hem weefden. Hij wilde een of andere kleur aan de stof hebben. Zijn mutsen moesten ’t liefste rood zijn, met een grooten kwast. Deze hier heeft hij zeker mooi gevonden.”

Ze legde de muts neer, en leunde weer tegen ’t hek van de stoep om zich in het verleden te verdiepen.

Zij was in ’t bosch dien morgen, toen Ingilbert van schrik was gestorven. Zij zag hoe Paul met haar vader en haar oom over het lijk gebogen stonden. De beide ouden hadden besloten, dat Ingilbert naar het dorp gedragen zou worden, en ze waren heengegaan om takken voor de baar af te hakken. Maar Paul was een oogenblik achtergebleven om Ingilbert’s muts te bekijken. Hij had zoo’n zin in die muts gekregen, omdat hij met rood, blauw en wit garen was geborduurd in allerlei figuren en hij had hem ongemerkt voor de zijne verruild. Hij had er geen kwaad mee bedoeld. Hij was misschien niet anders van plan geweest dan hem een oogenblik te behouden. Zijn eigen muts, die hij Ingilbert gegeven had, was zeker even goed geweest, maar niet uit zooveel kleuren en niet zoo kunstig geborduurd.

Maar Ingilbert had den ring in zijn muts genaaid, vóór hij van huis ging. Hij had misschien gedacht, dat hij vervolgd zou worden, en daarom had hij het kleinood willen verbergen. En toen hij gevallen was, had niemand er aan gedacht den ring in de muts te zoeken, Paul Eliasson zeker wel het allerminste.

Zoo was het alles gegaan. Zij zou er een eed op hebben kunnen doen, maar men kan nooit zeker genoeg zijn.

Zij legde den ring weer in haar kist, en met de muts in de hand ging zij naar den stal om met het melkmeisje te spreken.

„Kom eens buiten, Märta,” riep zij in den donkeren stal, „en help mij even met een patroon, waaruit ik niet wijs kan worden.”

Toen het meisje voor den dag kwam, reikte ze haar de muts toe.

„Ik weet, dat je zoo ver in ’t borduren bent, Märta,” zei ze. „Ik zou een van deze patronen na willen werken, maar ik kan ’t niet uittellen. Toe, zie jij er even naar. Je verstaat die kunst beter dan ik.”

’t Meisje nam de muts en zag er even naar. Ze keek verwonderd. Toen ging ze weg uit den schaduw van den schuurmuur en bekeek haar weer.

„Waar heb je die muts vandaan?” vroeg zij.

„Die heeft jaren lang in mijn kist gelegen,” antwoordde Marit. „Waarom vraag je dat zoo?”

„Omdat ik die muts hier voor mijn broer Ingilbert heb geborduurd, den laatsten zomer, dat hij leefde,” zei het melkmeisje. „Ik heb haar niet meer gezien sinds dien morgen, dat Ingilbert van huis ging. Hoe kan die nu hier komen?”

„Die is misschien van hem afgegleden, toen hij viel,” zei Marit. „Misschien heeft een van onze knechts haar in ’t bosch gevonden en haar hierheen gebracht.

„Maar als je zulke treurige herinneringen aan die muts hebt, wil je misschien liever ’t patroon niet voor me nawerken?”

„Geef hem mij maar, dan zal ik je morgen ’t patroon brengen,” zei het meisje.

Zij nam de muts en keerde naar den stal terug; maar Marit hoorde dat zij tranen in haar stem had.

„Neen, je moet het niet doen, als het je zoo’n verdriet doet,” zei ze.

„Niets doet me verdriet, als ik het voor jou doe, Marit.”

’t Was Marit, die aan Märta Baardsdochter had gedacht, toen ze alleen in ’t bosch zat na den dood van haar broeder en vader en haar had aangeboden melkmeisje op de Groote Hoeve in Olsby te worden. Märta vergat nooit haar dankbaarheid te toonen, omdat zij beneden bij de menschen had mogen komen.

Marit ging weer terug naar de stoep voor haar huisje en nam haar borduurwerk op; maar ze was niet rustig genoeg om te werken; ze leunde met haar hoofd tegen het hek, zooals tevoren. Zij probeerde er zich in te denken, wat haar nu te doen stond.

Als iemand op Olsbyhoeve geweten had, hoe vrouwen er uitzien, die het leven achter zich gelaten hebben om in een klooster te gaan wonen, zou hij hebben gelegd, dat Marit op een van haar leek. Haar gezicht was geelbleek en zonder rimpels. Voor een vreemde zou het bijna onmogelijk zijn te zeggen of zij oud of jong was. Er was iets vredigs en stils over haar, als over iemand, die de gewoonte had afgelegd iets voor zich zelf te wenschen. Men zag haar nooit heel blij, maar ook nooit heel bedroefd.

Na dien zwaren slag had Marit wel gevoeld, dat het leven voor haar voorbij was. Zij had de Groote Hoeve geërfd van haar vader; maar ze begreep immers wel, dat zij, als ze die behouden wou, moest trouwen, zoodat de hoeve een bestuurder kreeg. Om daaraan te ontkomen had ze de geheele plaats afgestaan aan een van haar neven zonder andere betaling, dan dat zij kost en inwoning op de hoeve zou hebben, zoolang zij leefde.

Zij was daar tevreden mee en had er nooit spijt van gehad. Er was geen gevaar voor, dat de tijd haar lang zou vallen bij gebrek aan arbeid. De menschen hadden groot vertrouwen in haar wijsheid en goedheid en zoodra iemand ziek was, stuurde men gewoonlijk een verzoek aan haar om te komen. Kinderen kwamen ook graag bij haar. Zij had gewoonlijk haar huisje vol kleine kinders. Zij wisten, dat zij altijd tijd had om hen bij hun kleine bekommeringen en zorgen te helpen.

Terwijl Marit daar zoo zat na te denken wat zij nu met den ring moest doen, kwam er een sterke toorn in haar op. Ze dacht er over hoe gemakkelijk de ring gevonden had kunnen worden.

Waarom had de Generaal het niet zoo geschikt, dat hij ontdekt werd? Hij had aldoor geweten waar hij was, dat begreep ze nu. Maar waarom had hij het niet zoo geschikt, dat Ingilbert’s muts was onderzocht? In plaats daarvan liet hij drie onschuldigen ter dood brengen ter wille van den ring. Daar had hij macht voor; maar niet om den ring voor den dag te laten komen!

Marit had zich in ’t eerste oogenblik voorgesteld, dat zij naar den proost zou gaan met een of ander verhaal en hem den ring geven. Maar neen, dat wilde ze niet.

Want het was zóó, dat Marit, waar zij zich ook vertoonde, in de kerk en op feesten met groote achting werd begroet. De verachting, die op de dochter van een misdadiger schijnt te rusten, drukte haar nooit. De menschen hadden de vaste overtuiging, dat er een onrecht was begaan en dat wilden zij goed maken. Zelfs de notabelen waren gewoon naar Marit toe te gaan, als ze haar op het kerkplein zagen, om een paar woorden met haar te wisselen. Tot zelfs de familie op Hedeby toe, ja, niet de Ritmeester zelf, maar zijn vrouw en schoondochter hadden een paar pogingen gedaan om Marit te naderen. Maar tegenover hen had zij altijd een afwijzende houding aangenomen. Ze had tegen niemand van die hoeve een woord gesproken sinds de terechtstelling.

Zou ze nu heengaan en bekennen dat tot zekere hoogte de menschen van Hedeby gelijk hadden gehad? Het was gebleken dat de ring in ’t bezit van de menschen op Olsby was. Misschien zou men er wel toe komen te zeggen, dat ze wel geweten hadden, waar hij was, en dat ze de gevangenschap en het verhoor hadden verdragen in de hoop vrijgesproken te worden en in staat te zijn hem te verkoopen.

In ieder geval begreep Marit, dat het zou beschouwd worden als een rechtvaardiging van den Ritmeester en zelfs van zijn vader, als zij den ring afgaf en vertelde waar ze dien had gevonden.

Ritmeester Löwensköld was nu een man van tachtig jaar, rijk en machtig, geacht en geëerd. De Koning had hem tot baron verheven, en geen ongeluk had hem ooit getroffen. Hij had voortreffelijke zonen, ook zij waren welgesteld en gelukkig getrouwd.

Die man had Marit alles, alles, alles, afgenomen! Ze zat daar alleen zonder eigendom, zonder man, zonder kind, door zijn toedoen. Ze had jaren lang verwacht, dat een of ander straf hem zou treffen; maar die was niet gekomen.

Marit schrikte op uit haar diepe gedachten. Ze had gehoord, dat kindervoeten aan kwamen loopen op de hoeve, en dan kon ze wel begrijpen dat het om haar te doen was.

’t Waren twee jongens van tien à elf jaar. De eene was de zoon des huizes, Niels, den andere kende ze niet. ’t Was, zooals ze dacht: ze kwamen haar wat vragen.

„Marit,” zei Niels, „dit is Adriaan van Hedeby. We waren daar op den weg aan ’t spelen; maar toen werden we boos op elkaar, en ik rukte de muts van Adriaan stuk.”

Marit keek Adriaan aan. Een mooie jongen met iets zachts en vriendelijks over zich.

Ze bracht de hand aan haar hart. Ze voelde altijd pijn en angst, als ze een Löwensköld zag.

„Nu zijn we weer goed op elkaar,” zei Niels, „en ik bedacht je te vragen of je Adriaan zijn muts wilt maken vóór hij naar huis gaat.”

„Ja,” zei Marit, „dat wil ik wel.”

Ze nam de gescheurde muts aan en stond op om in het huisje te gaan.

„Dat moet een teeken van God zijn,” mompelde zij.

„Speel jelui nu maar even buiten op de plaats!” zei ze tegen de jongens. „’t Zal gauw klaar zijn.”

Ze sloot de deur van het huisje achter zich af, en zat daar alleen, terwijl ze het gat in de muts van Adriaan Löwensköld stopte.