IV.
Verscheiden jaren, nadat de ring van den Generaal verdwenen was, gebeurde het op een schoonen dag, dat de proost in Bro bij Baard Baardson in Olsby Säter werd geroepen, een armen boer, die op zijn sterfbed lag, en noodzakelijk den proost moest spreken vóór hij stierf. De proost was een man op leeftijd, en toen hij hoorde, dat er een zieke moest worden bezocht, die mijlen ver ’t bosch in woonde, waar geen gebaande wegen waren, stelde hij voor, dat zijn hulpprediker in zijn plaats zou gaan, maar de dochter van den stervende, die de boodschap was komen brengen, zeide toen zeer beslist, dat het de proost moest zijn en niemand anders. Vader had gezegd, dat hij iets te zeggen had, wat alleen de proost en niemand anders in de wereld mocht weten. Toen de proost dat hoorde, begon hij in zijn herinneringen te zoeken. Baard Baardson was een goed man geweest. Wel was hij een beetje onnoozel, maar daarom hoefde hij toch geen onrust op zijn sterfbed te voelen. Ja, menschelijkerwijs gesproken, zou de proost willen zeggen, dat hij iets van onzen Lieven Heer te goed had. In de laatste zeven jaar was hij door alle mogelijke verdriet en ongelukken vervolgd geworden. Zijn hoeve was verbrand, zijn vee was gestorven aan ziekte of door wilde dieren verscheurd; de vorst had zijn akkers geteisterd, zoodat hij zoo arm als Job geworden was. Eindelijk was zijn vrouw zóó wanhopend geworden over al die ongelukken, dat ze in ’t meer was geloopen en Baard zelf was naar een zomerweihut verhuisd, het eenige plekje wat hij nog bezat. Sinds dien tijd hadden noch hij, noch zijn kinderen zich in de kerk vertoond. Daar had men vaak over gesproken in de pastorie en zich afgevraagd of ze nog in de gemeente zouden wonen.
„Als ik je vader goed ken, heeft hij geen grooter kwaad gedaan, dan dat hij het den hulpprediker wel kan vertellen,” zei de proost, en zag de dochter van Baard Baardson met een welwillenden glimlach aan.
Ze was een meisje van veertien jaar, maar groot en sterk voor haar leeftijd. Haar gezicht was breed en haar trekken waren grof. Ze zag er een beetje onnoozel uit, als haar vader, maar kinderlijke onschuld en oprechtheid spraken uit haar gezicht.
„Mijnheer de proost is toch niet bang voor sterke Bengt, zoodat U daarom niet bij ons durft komen?” vroeg zij.
„Wat zeg je toch, kind?” antwoordde de proost. „Wat is dat voor een sterke Bengt waar je van praat?”
„Och, dat is hij immers, die maakt, dat het ons zoo slecht gaat.”
„O zoo!” zei de proost. „O Zoo! Is er iemand, die sterke Bengt heet?”
„Weet Mijnheer de proost dan niet, dat hij ’t was die Mellomstuga in brand stak?”
„Neen, daar heb ik nooit van gehoord,” zei de proost.
Maar op ’t zelfde oogenblik stond hij op uit zijn stoel en begon zijn handboek en een kleine houten avondmaalskelk te voorschijn te halen, die hij gewoonlijk mee nam, als hij de gemeente in ging.
„Hij was het, die mijn moeder in het meer joeg,” ging het meisje voort.
„Dat was wel het allerergste,” zei de proost. „Leeft die sterke Bengt nog? Heb je hem ooit gezien?”
„Neen, ik heb hem niet gezien,” zei het kind, „maar hij leeft vast nog. ’t Is om hem, dat we verhuisd zijn naar het bosch en de wilde rotsen. Daar heeft hij ons met rust gelaten tot de vorige week, toen Vader zich in zijn voet hakte.”
„En je meent, dat dit de schuld van sterke Bengt was?” vroeg de proost met zijn rustige stem, maar hij deed toch meteen de deur open en riep zijn staljongen toe, dat hij het paard moest zadelen.
„Vader zei dat sterke Bengt de bijl betooverd had; anders zou hij zich nooit gehakt hebben. ’t Was ook geen gevaarlijke wond, maar vandaag zag Vader, dat er koud vuur in den voet gekomen was. Hij zei, dat hij nu sterven moest; sterke Bengt had er een eind aan gemaakt, en hij stuurde mij hier naar de pastorie. Ik moest vragen of de proost zelf zoo gauw mogelijk komen wilde.”
„Ik zal ook komen,” zei de proost. Hij had, terwijl het meisje sprak, zijn rijmantel al aangetrokken en zijn hoed opgezet. „Maar ik kan niet begrijpen, waarom die sterke Bengt zoo leelijk tegen je vader zou doen. Baard moet hem zeker eens kwaad gedaan hebben.”
„Ja, dat zegt Vader ook,” zei het kind. „Maar hij heeft nooit verteld wat dat was, aan mij niet en ook niet aan mijn broer. Maar ik denk, dat het dat is, wat hij nu aan Mijnheer de proost wil vertellen.”
„Ja, als het zoo is, dan kunnen we niet gauw genoeg naar hem toe gaan.”
Hij had nu zijn rijhandschoenen aangetrokken en ging met het meisje de kamer uit om zijn paard te bestijgen.
Op dien heelen rit naar de zomerweihut sprak de proost nauwelijks een woord. Hij zat maar te peinzen over al het wonderlijke wat het kind had verteld. Hij zelf had in zijn leven maar één man ontmoet, die ’t volk „Sterke Bengt” noemde. Maar ’t was immers ook mogelijk, dat het meisje niet over hem, maar over heel iemand anders had gesproken.
Toen hij de zomerwei opreed, kwam hem een jonge man te gemoet. Het was Ingilbert, de zoon van Baard Baardson. Hij was een paar jaar ouder dan zijn zuster, groot van gestalte als zij, en leek op haar; maar zijn oogen lagen dieper en hij zag er niet zoo vrijmoedig en welgezind uit als zij.
„Dat was een lange reis voor Mijnheer de proost,” zei hij, terwijl hij hem van het paard hielp.
„Och ja,” zei de oude man, „maar het ging gauwer dan ik dacht.”
„Eigenlijk had ik U moeten halen,” zei Ingilbert, „maar ik ben uit visschen geweest tot gisteravond. Ik hoorde pas nu ik juist thuis kwam, dat Vader koud vuur in den voet had, en dat hij om U gestuurd had.”
„Märta heeft zich als een man gedragen,” zei de proost. „Alles is goed gegaan. Maar hoe gaat het nu met Baard?”
„Hij is wel héél ziek, maar hij is helder. Hij was blij, toen ik hem zei, dat ik U zag aan den rand van ’t bosch.”
De proost ging nu naar binnen naar Baard; en de kinderen gingen op een paar breede steenen voor het huis zitten wachten. Zij waren plechtig gestemd en spraken over hun vader, die nu sterven ging. Ze zeiden, dat hij altijd goed voor hen was geweest. Maar hij was nooit gelukkig geweest van af den dag, dat Mellomstuga afbrandde, zoodat het zeker wel ’t beste voor hem zou zijn, dat hij niet langer hoefde te leven.
Toen kwam het meisje er toe te zeggen, dat hun vader iets moest hebben gehad, dat zijn geweten bezwaarde.
„Hij?” zei haar broer. „Wat zou hij gedaan kunnen hebben? Ik heb hem nooit een vinger naar mensch of dier zien uitsteken.”
„Maar er was toch iets, waarover hij met den proost spreken wou en met hem alleen.”
„Heeft hij dat gezegd?” vroeg Ingilbert. „Zei hij, dat er iets was, waarover hij met den proost wou spreken vóór hij stierf? Ik dacht, dat hij hem hier wou hebben voor het laatste avondmaal.”
„Toen hij mij vandaag wegstuurde, zei hij, dat ik den proost moest vragen om hier te komen. De proost was de eenigste mensch in de wereld, aan wien hij zijn groote en zware zonde kon toevertrouwen.”
Ingilbert zat een oogenblik na te denken. „Dat klinkt al héél wonderlijk,” zei hij. „’t Zou me niet verwonderen, als het iets was wat hij zich hier in de eenzaamheid is gaan verbeelden. ’t Is hiermee zeker als met alles, wat hij gewoonlijk van sterke Bengt vertelde. Ik geloof, dat dat ook alles maar verbeelding is.”
„Hij wou juist met den proost over sterke Bengt spreken,” zei het meisje.
„Dan kun je er vast van op aan, dat er geen woord van waar is,” zei Ingilbert.
Hij stond op en ging naar een klein luikje in den muur van de hut, dat open stond om wat lucht en licht in het huisje zonder vensters binnen te laten. Het bed van den zieke stond er zoo dicht bij, dat Ingilbert daar alles wat er gezegd werd kon hooren, en de zoon luisterde naar de woorden van zijn vader, zonder eenige gewetenswroeging. Misschien had hij nooit gehoord, dat het verkeerd was naar een biecht te luisteren. En hij was er ook zeker van, dat zijn vader geen gevaarlijke geheimen te vertellen had.
Toen hij een poosje bij dat luikje had gestaan, kwam hij weer bij zijn zuster terug.
„Zei ik het je niet?” begon hij. „Vader is bezig den proost te vertellen, dat Moeder en hij den koningsring van den ouden Generaal Löwensköld gestolen hebben.”
„Och, de hemel beware ons,” riep zijn zuster uit. „Moeten we den proost niet vertellen, dat het niet waar is; dat het maar iets is, wat hij zich verbeeldt?”
„Nu kunnen we niets doen,” zei Ingilbert. „Nu mag hij zeggen wat hij wil; wij moeten later met den proost spreken.”
Hij sloop weer terug naar het luikje om te luisteren. Het duurde niet lang voor hij weer bij zijn zuster kwam.
„Nu zegt hij, dat in dienzelfden nacht, dat Moeder en hij in het graf geweest waren en den ring weggenomen hadden, Mellomstuga afbrandde. Hij zegt, dat hij denkt dat de Generaal de hut in brand gestoken heeft.”
„Nu kun je toch wel weten, dat dit maar een bedenksel is,” zei zijn zuster. „Tegen ons heeft hij immers honderdmaal gezegd, dat het sterke Bengt was, die Mellomstuga in brand gestoken heeft.”
Ingilbert was alweer op zijn post bij het luikje vóór zij uitgesproken had. Hij stond daar lang te luisteren en toen hij opnieuw bij zijn zuster kwam, was hij vaalbleek.
„Hij zegt, dat het de Generaal was, die al zijn ongelukken over hem deed komen om hem te dwingen den ring terug te geven. Hij zegt, dat Moeder bang werd en wilde, dat zij naar den Ritmeester op Hedeby zouden gaan en hem den ring teruggeven. En Vader zou niets liever gedaan hebben dan haar gehoorzamen; maar hij durfde niet, omdat hij dacht, dat zij allebei zouden worden opgehangen, als zij bekenden, dat zij een doode bestolen hadden. Maar toen kon Moeder het niet langer verdragen en zij ging heen en verdronk zich.”
Nu werd ook het gezicht van zijn zuster vaal bleek.
„Maar,” zei ze, „Vader heeft altijd gezegd, dat....”
„Ja zeker. Hij legde juist nu den proost uit, dat hij nooit met iemand er over had durven spreken, wie het was, die alle ongelukken over hem bracht. Alleen tegen ons, kinderen, die niets begrepen, had hij gezegd, dat er iemand was, die hem vervolgde. Hij zei, dat de boeren altijd gewoon waren den Generaal „Sterke Bengt” te noemen.”
Märta Baardsdochter zonk ineen, waar ze zat.
„Maar dan is ’t immers waar,” fluisterde zij zóó zacht, alsof het haar laatste ademtocht was.
Ze zag om zich heen naar alle kanten. De zomerwei lag aan den oever van een boschvijver, en daaromheen verhieven zich donkere, met mos begroeide bergwanden. Er was geen menschenwoning te zien; er was niemand, naar wie ze vluchten kon. Ze werd bang voor die groote eenzaamheid, waar geen hulp te vinden was.
En het was haar, alsof in het donker onder de boomen de doode op den loer stond, om ongeluk over hen uit te storten.
Ze was nog zoo’n kind, dat ze niet recht begreep welk een schande haar ouders over zich hadden gebracht, maar wat ze wel begreep was, dat een onverzoenlijk almachtig wezen uit het land der dooden hen allen vervolgde. Ze verwachtte hem ieder oogenblik te zullen zien en ze werd zóó bang, dat ze klappertandde.
Ze dacht er aan, dat haar vader nu zeven jaar met dienzelfden angst in het hart had rondgeloopen. Ze was nu veertien pas, en ze wist, dat ze zeven was, toen Mellomstuga afbrandde. Maar Vader had al dien tijd geweten, dat de doode hem nazat! ’t Was goed voor hem, dat hij sterven ging.
Ingilbert was weer weg geweest om te luisteren en kwam nu bij haar terug.
„Je gelooft het toch niet, wel Ingilbert,” zei ze, als laatste poging om van haar angst af te komen.
Maar toen zag ze, dat Ingilbert’s handen beefden en de schrik uit zijn oogen staarde. Hij was even bang als zij.
„Wat moet ik er van denken?” fluisterde Ingilbert. „Vader zegt, dat hij meer dan eens geprobeerd heeft naar Noorwegen te gaan om den ring te verkoopen, maar hij kon nooit wegkomen. Eens werd hij ziek, en een andere keer brak het paard een poot, juist toen hij van de hoeve weg wilde rijden.”
„Wat zegt de proost?” vroeg het meisje.
„Hij vroeg Vader, waarom hij den ring al die jaren bewaard had, nu er zoo’n groot gevaar aan dat bezit was verbonden. En Vader antwoordde, dat hij gemeend had, dat de Ritmeester hem zou laten ophangen, als hij zijn daad bekend had. Hij had geen keus, hij moest hem wel houden. Maar nu wist hij, dat hij sterven moest en nu wilde hij den ring aan den proost geven, opdat die weer in ’t graf bij den Generaal zou worden gelegd en wij, kinderen van den vloek verlost, naar het dorp konden terugkomen.
„Ik ben blij, dat de proost hier is,” zei het meisje. „Ik weet niet wat ik beginnen moet, als hij weg is. Ik ben zoo bang. Ik heb een gevoel, alsof de Generaal daar onder de dennen staat. Stel je voor, dat hij hier elken dag op ons heeft loopen loeren! En Vader heeft hem misschien gezien.”
„Ik geloof wel, dat Vader hem heeft gezien,” zei Ingilbert.
Hij ging weer terug naar het luikje om te luisteren. Toen hij terugkwam, had hij een andere uitdrukking in zijn oogen.
„Ik heb den ring gezien,” zei hij. „Vader gaf hem aan den proost. Hij lichtte als een vlam. Die was rood en goud. Hij straalde! De proost bekeek hem en zei, dat hij hem herkende, en dat het de ring van den Generaal was. Ga naar het luikje, dan kun je hem ook zien.”
„’k Zou nog liever een adder in mijn hand nemen, dan dien ring zien,” zei het meisje. „Je kunt toch niet meenen, dat die mooi is om te zien.”
Ingilbert zag een anderen kant uit. „Ik weet wel, dat hij ons ongelukkig heeft gemaakt,” zei hij, „maar ik vond hem toch mooi.”
Juist toen hij dat zei, klonk de stem van den proost sterk en luid naar buiten, zoodat broeder en zuster het hoorden. Tot nu toe had hij den zieke laten praten. Nu was het zijn beurt.
’t Was duidelijk, dat de proost niet kon instemmen met dat onzinnig gepraat over een doode, die menschen vervolgt. Hij probeerde den boer aan te toonen, dat het de straf van God was, die hem had getroffen, omdat hij iets zóó afschuwelijks had gedaan, als een lijk te bestelen. De proost wilde in ’t geheel niet toegeven, dat de Generaal macht zou hebben, brand te stichten of ziekte over vee of menschen te zenden.
Neen, de ongelukken, die Baard hadden getroffen, kwamen van God om hem tot berouw te brengen en tot het teruggeven van het gestolene, terwijl hij nog leefde, zoodat zijn zonde hem vergeven kon worden en hij een zalig uiteinde zou kunnen hebben.
De oude Baard Baardson lag stil naar de woorden van den proost te luisteren en sprak hem niet tegen. Maar zij overtuigden hem waarschijnlijk niet. Hij had te veel vreeselijke dingen beleefd om te kunnen gelooven, dat dit alles van God kwam.
Maar de jonge menschen, die daar zaten te beven en te rillen van vrees en schrik voor spoken, zij herleefden.
„Hoor je wel?” zei Ingilbert en greep zijn zuster hard bij den arm. „Hoor je wel? De proost zegt, dat het niet de Generaal was!”
„Ja,” antwoordde zijn zuster. Zij zat met gevouwen handen, en ieder woord dat de proost sprak, ging haar diep in de ziel.
Ingilbert stond op. Hij haalde heftig adem en richtte zich op. Hij was van zijn angst bevrijd. Hij zag er uit als een ander mensch. Hij ging naar de deur van de kamer en trad binnen.
„Wat is er?” vroeg de proost.
„Ik wil even met Vader spreken.”
„Ga heen. Nu spreek ik met je vader,” zei de proost streng.
Hij wendde zich weer tot Baard Baardson, en sprak nu eens op een toon van gezag, dan weer zacht en vol barmhartigheid.
Ingilbert was op den stoepsteen gaan zitten met de handen voor ’t gezicht. Maar een hevige onrust was over hem gekomen. Hij ging weer de kamer binnen; maar werd weer weggezonden.
Toen alles voorbij was, zou Ingilbert den proost den weg door ’t bosch naar zijn huis wijzen. In ’t begin ging alles goed; maar na een poos moesten zij over een moeras, waarover een smal brugje lag. De proost kon zich niet herinneren, dat hij daarover was gekomen op den heenweg, en vroeg of Ingilbert hem niet op een verkeerden weg had gebracht. Maar Ingilbert antwoordde, dat het een veel nadere weg was, als ze over het moeras gingen.
De proost zag hem onderzoekend aan. Hij had meenen op te merken, dat hij, evenals zijn vader, door den gouddorst was bezeten. Hij was immers telkens de kamer in gekomen, als om zijn vader te beletten den ring weg te geven.
„Dat is een smalle en gevaarlijke weg, Ingilbert,” zei hij. „Ik ben bang, dat mijn paard uitglijdt op die gladde paden.”
„Ik zal het paard leiden, dan hoeft Mijnheer de proost niet bang te wezen,” zei Ingilbert en greep op hetzelfde oogenblik den teugel.
Toen ze midden op ’t moeras waren, met niets dan weeken drijfgrond aan alle kanten, begon hij intusschen het paard achteruit te drijven. ’t Scheen, alsof hij het van het smalle houten brugje naar beneden wilde dringen.
’t Paard steigerde, en de proost, die zich met moeite in het zadel hield, riep zijn metgezel toe in Godsnaam den teugel los te laten.
Maar Ingilbert scheen niets te hooren en de proost zag hoe hij met een somber gezicht en de tanden stijf op elkaar gedrukt met het paard worstelde om het naar beneden in ’t moeras te krijgen. Dat zou voor het dier en zijn berijder den zekeren dood zijn!
Toen stak de proost de hand in den zak en trok er een beursje van geitenvel uit. Dat slingerde hij Ingilbert vlak in ’t gezicht.
Die liet den teugel los om de beurs op te vangen en het paard was vrij. Het draafde verschrikt vooruit over ’t brugje. Ingilbert bleef staan en deed geen poging verder mee te gaan.