IX.
Weer gingen eenige jaren voorbij zonder dat de ring ook maar in ’t minst over zich liet spreken. Maar toen gebeurde het, dat Juffrouw Malwine Spaak op Hedeby kwam als huishoudster, in ’t jaar 1788. Ze was een arme predikantsdochter uit Sörmland, en had nooit te voren een voet binnen de grenzen van Wermeland gezet. Ze had geen flauwe voorstelling van de toestanden in ’t huis, waar zij dienst genomen had.
Reeds den eersten dag, dat ze gekomen was, werd ze bij de baronesse Löwensköld binnengeroepen.
„Het komt mij ’t beste voor,” zei de huismoeder, „U maar dadelijk te zeggen, dat het niet ontkend kan worden, dat het hier op Hedeby spookt. ’t Gebeurt niet zoo zelden, dat men op trappen en in gangen, ja zelfs nu en dan in de kamers een grooten groven man ontmoet, die hooge kaplaarzen aan heeft en een blauwe uniformjas, ongeveer als een van de oude Karoliners. Hij staat heel plotseling voor je, als je een deur open doet, of op een portaal bij de trap komt, en eer je nog den tijd hebt verwonderd te zijn en te zien wie het is, is hij verdwenen. Hij doet niemand wat. Ja, wij gelooven eigenlijk, dat hij ons welgezind is, en ik wou U vragen, Juffrouw, niet bang te zijn als U hem ziet.”
Juffrouw Spaak was een en twintig jaar, vlug en opgewekt, onbeschrijfelijk bekwaam in allerlei werk, flink en vast besloten, zoodat zij het huishouden kon laten loopen als een klok, waar ze ook kwam. Maar ze was gruwelijk bang voor spoken, en ze zou de betrekking op Hedeby nooit hebben aangenomen, als ze dat van te voren had geweten. Maar nu was ze daar eenmaal, en een arm meisje moest zich zoowaar in acht nemen om een goede betrekking te verliezen. Daarom maakte ze een kniks voor de baronesse, bedankte haar voor de waarschuwing en verzekerde, dat ze niet van plan was zich bang te laten maken.
„Ja, wij begrijpen heelemaal niet waarom hij hier komt,” ging de huismoeder voort. „Mijn dochters vinden, dat hij op Generaal Löwensköld, de grootvader van mijn man lijkt, die U daar op de schilderij kunt zien, en zij noemen hem gewoonlijk: „de Generaal”. Maar U begrijpt wel, dat niemand daarmee bedoelt, dat het de Generaal zelf is, (hij moet een heel voortreffelijk mensch zijn geweest) die hier spookt. De waarheid is, dat wij niets van dit alles begrijpen. En als nu de dienstboden met verklaringen komen, hoop ik, dat U verstandig genoeg zult zijn daar niet naar te luisteren.”
Juffrouw Spaak maakte weer een kniks en verzekerde, dat zij nooit toeliet dat de dienstboden ook maar in ’t minst over de familie babbelden, en daarmee was de audiëntie voorbij.
Wel was Juffrouw Spaak maar een arme huishoudster, maar daar ze van goede familie was, mocht zij aan tafel met de familie eten, zooals ook de inspecteur en de gouvernante. Ze was netjes en aardig, klein en tenger, had lichtblond haar en roode wangen en was niet storend om te zien aan de tafel van de familie. Allen vonden haar een recht lief mensch, die zich op velerlei manier nuttig wist te maken, en al spoedig hielden allen veel van haar.
Ze merkte al gauw, dat de spokerij, waarvan de barones haar had verteld, een veel voorkomend onderwerp van gesprek aan tafel was. Nu was het een van de jonge freules, dan weer de gouvernante, die verklaarde: „Vandaag heb ik den Generaal gezien,” alsof dit iets was om prijs op te stellen en zich op te beroemen.
Er ging geen dag voorbij zonder dat iemand haar vroeg, of zij het spook nog niet had gezien, en toen zij dat nog steeds moest ontkennen, voelde zij, dat dit een zekere minachting deed ontstaan. Het was, alsof zij niet zoo goed was als de gouvernante en de inspecteur, die beide al ontelbare malen den Generaal hadden gezien.
Eigenlijk had Juffrouw Spaak nog nooit een zóó ongegeneerde houding tegenover een spook bijgewoond, en ze had al van den beginne af het gevoel, dat dit op ellende zou uitloopen. Ze zei in zich zelf, dat als het werkelijk een wezen uit de andere wereld was, dat zich vertoonde, dan was dat zeker een ongelukkige, die hulp noodig had van de levenden, om rust te vinden in zijn graf. Zij hoorde tot de doortastende naturen en als zij de macht in handen had gehad, zouden er ernstige nasporingen zijn gedaan om tot in het hart van deze zaak door te dringen, in plaats van die te maken tot een dagelijksch onderwerp van gesprek aan tafel.
Maar Juffrouw Spaak wist waar zij staan moest, en een woord van berisping over het doen en laten van de familie waar zij werkte, zou nooit over haar lippen kunnen komen. Maar zij wachtte zich wel om aan de scherts over het spook deel te nemen, en zij hield haar sombere voorgevoelens voor zich.
Juffrouw Spaak was al een heele maand op Hedeby geweest, vóór zij het spook te zien kreeg. Maar op een morgen toen zij op den zolder was geweest om de wasch te tellen, kwam ze onverwacht op de trap een man tegen, die snel op zij ging om haar voorbij te laten. ’t Was midden op den dag en ze dacht in ’t geheel niet aan spokerij. Ze vroeg zich alleen verbaasd af, wat een vreemde man op den zolder te maken kon hebben, en ze keerde zich om, om hem dat te vragen. Maar op de geheele trap was geen mensch te zien. Juffrouw Spaak liep snel de trap weer op, keek op den zolder, zocht in alle donkere hoeken en zolderkamertjes, klaar om een dief bij den kraag te pakken. Maar toen er nergens een menschelijk wezen verscheen, begreep ze opeens, wat het was.
„Wat ben ik toch een stoffel!” barstte ze uit. „’t Was natuurlijk niemand anders dan de Generaal!”
Ja zeker, zeker! De man had immers een blauwen uniformrok aan, precies als de oude Generaal op het portret, en precies zulke geweldig groote kaplaarzen. ’t Gezicht kon ze niet voldoende herkennen; er was iets grauws, iets neveligs over geweest.
Juffrouw Spaak bleef vrij lang op den zolder om weer tot bedaren te komen. Haar tanden klapperden, haar knieën knikten. Als ze niet voor het middagmaal had moeten zorgen, zou ze nooit meer de zoldertrap af zijn gekomen. Ze besloot dadelijk te zwijgen over wat ze had gezien en de anderen niet met haar te laten schertsen.
Intusschen moest zij aanhoudend aan den Generaal denken, en er moest iets bizonders aan haar te zien zijn geweest, want nauwelijks was men aan tafel gegaan, of de zoon des huizes, negentien jaar oud, die juist van de universiteit in Uppsala was thuis gekomen voor het kerstfeest, wendde zich tot haar.
„Vandaag heeft Juffrouw Spaak den Generaal gezien,” zei hij en bij dien onverwachten aanval kwam zij er niet toe het te ontkennen.
Opeens was Juffrouw Spaak de hoofdpersoon aan tafel. Allen richtten zich tot haar met vragen, die ze toch zoo kort mogelijk beantwoordde. Ongelukkig genoeg kon ze niet ontkennen, dat ze een beetje bang was geworden en toen hadden allen onbeschrijfelijk veel pret. Stel je voor! Bang voor den Generaal! Neen, dat zou niemand in den zin komen.
Juffrouw Spaak had al vroeger opgemerkt, dat de baron en zijn vrouw nooit deel namen aan den scherts over den Generaal. Zij lieten alleen de anderen begaan zonder hen te storen. Nu viel het haar op, dat de jonge student de zaak veel ernstiger opnam dan de andere jongelui.
„Wat mij betreft,” zei hij, „ik benijd iedereen, die den Generaal te zien krijgt. Ik zou hem willen helpen, maar aan mij heeft hij zich nooit vertoond.”
Hij zei dat op een toon van echte spijt en met zóó’n mooie uitdrukking op zijn gezicht, dat Juffrouw Spaak in stilte tot God bad, dat hij zijn wensch spoedig vervuld zou zien. De jonge baron zou zich zeker over den armen geest ontfermen en hem zijn graf en de eeuwige rust teruggeven.
In de volgende dagen was het alsof Juffrouw Spaak meer dan iemand anders het voorwerp van de opmerkzaamheid van den Generaal was. Ze zag hem zoo vaak, dat ze bijna aan hem wende. Het was een plotseling, oogenblikkelijk te voorschijn komen, dan op den trap, dan in de gang, dan in een donkeren hoek van de keuken.
Nooit kon men de minste aanleiding vinden voor de spokerij. Juffrouw Spaak dacht er soms even over, of er ook iets in huis kon zijn, dat het spook zocht. Maar daar hij op hetzelfde oogenblik verdween, dat een menschenoog hem zag, kon ze niet tot klaarheid komen over zijn bedoelingen.
Niettegenstaande de woorden van de barones merkte Juffrouw Spaak, dat alle jonge menschen op Hedeby er volkomen van overtuigd waren, dat het de oude Generaal Löwensköld was, die spookte. „Hij heeft het niet goed in zijn graf,” zeiden de jonge freules, „en het interesseert hem na te gaan wat wij hier op Hedeby doen. Men kan hem dat kleine genoegen wel gunnen.”
Juffrouw Spaak, die telkens in de provisiekamer moest gaan om daar te bibberen en te tandenklapperen, telkens als zij den Generaal had gezien, om niet door de meisjes bespot te worden, had zeker veel liever gewild, dat hij niet zooveel belang in Hedeby had gesteld. Maar zij begreep, dat de overige familie hem werkelijk zou hebben gemist.
Men zat b.v. een langen avond bij het handwerk. Er werd gesponnen of genaaid. Het lezen hield soms op en de onderwerpen van gesprek waren uitgeput. Dan in eens gaf een van de freules een gil. Ze had een gezicht gezien, neen, eigenlijk alleen maar twee rijen blinkende tanden, dicht voor het venster. Haastig werd er een lantaarn aangestoken, men deed de huisdeur open; alle vrouwen, met de barones voorop, snelden naar buiten om den vredesverstoorder te vinden. Maar natuurlijk kon men niets ontdekken. Allen gingen weer naar binnen; de luiken werden gesloten en men haalde de schouders op en zei, dat het zeker niemand anders dan de Generaal was geweest. Maar onder de hand waren allen wakker geworden. Men had iets gekregen om over te denken; de spinnewielen draaiden met nieuwe vaart; het gesprek kwam weer op gang.
De heele familie was overtuigd, dat zoodra men ’s avonds de eetzaal had verlaten, de Generaal de kamer in bezit nam, en dat men hem daar zou vinden, als men zich in de kamer had gewaagd. En zij hadden er niets tegen, dat hij zich daar ophield. Juffrouw Spaak geloofde, dat zij behagen schepten in de gedachte, dat de rustelooze stamvader in een goede warme kamer kon binnenkomen.
Het hoorde tot de eigenaardigheden van den Generaal, dat hij de zaal opgeruimd en in orde wilde vinden als hij binnenkwam. Elken avond zag Juffrouw Spaak hoe de barones en de freules hun werk bijeenlegden en het meenamen; spinnewielen en borduurramen werden ook naar een andere kamer gebracht, zelfs geen draadje werd op den grond gelaten.
Juffrouw Spaak, die in de kleine kamer naast de eetzaal sliep, werd op een nacht wakker, doordat een of ander voorwerp met een harden bons tegen den wand sloeg, waar het bed stond en toen over den vloer rolde. Ze was nauwelijks van den schrik bekomen of een nieuwe bons volgde en een nieuw rollen, en dat werd nog tweemaal herhaald.
„Lieve hemel, wat voert hij nu uit daar binnen?” zuchtte zij, want zij begreep immers wel waar dat lawaai vandaan kwam. ’t Was werkelijk geen gezellige buurman. Ze lag den heelen nacht in ’t koude zweet te baden uit angst, dat de Generaal zou binnenkomen en haar plagen.
Ze nam het keukenmeisje en het kamermeisje mee, den volgenden morgen, toen zij de zaal binnen moest gaan om te zien wat er gebeurd was. Maar niets was gebroken, geen wanorde was er te zien, behalve dat vier appels midden op den vloer lagen.
Ach ja, ze hadden immers appels bij het vuur gegeten den vorigen avond en vier waren er blijven liggen op den rand van den haard. Maar dat had den Generaal niet behaagd. Juffrouw Spaak had haar slordigheid met een slapeloozen nacht moeten boeten.
Aan den anderen kant kon Juffrouw Spaak nooit vergeten, dat ze eens van hem een werkelijk bewijs van vriendschap had gekregen.
Er was feest geweest op Hedeby, een groot diner met veel gasten. Juffrouw Spaak had het overdruk gehad met gebraad aan alle spitten van ’t fornuis, soesen en pasteien in den oven, bouillonketels en sauspannen op ’t vuur op den haard. En dat was nog niet alles. Zij moest ook in de zaal wezen en op het dekken letten, het zilver in ontvangst nemen, dat de barones haar zelf voortelde, er aan denken, dat de wijn en ’t bier uit den kelder werden gehaald, en de kaarsen recht in de kronen gezet. Als men daarbij bedenkt, dat de keuken van Hedeby naar een van de vleugels van ’t gebouw was overgebracht, zoodat men over de plaats moest loopen om er te komen, en dat het er bij deze gewichtige gelegenheid propvol van gasten was en de dienstboden daar niet aan gewend waren, dan begrijpt men wel, dat het een bekwaam mensch moest wezen, die dit alles leidde.
Maar alles ging zooals het behoorde. Er waren geen vingers op de glazen, geen muf vulsel in de pasteien; het bier schuimde, de bouillon was goed gekruid, en de koffie sterk genoeg. Juffrouw Spaak had kunnen toonen waar ze toe in staat was, en de barones zelf had haar een compliment gemaakt en gezegd, dat het niet beter had kunnen wezen.
Maar toen kwam de verschrikkelijke slag. Toen Juffrouw Spaak het zilver aan de barones weer inleveren zou, werden er twee lepels vermist: een eetlepel en een theelepel.
Dat gaf een beweging! Er kon in dien tijd niets ergers gebeuren in een huis, dan dat iets van het zilver vermist werd. Er kwam een koortsachtige onrust over Hedeby. Men deed niet anders dan zoeken. Men herinnerde zich, dat een bedelvrouw in de keuken was geweest op den dag van het diner, en men was bereid om heel naar Finmarken te reizen om haar te vinden. De menschen werden wantrouwend en onredelijk. De huismoeder verdacht de huishoudster, de huishoudster de dienstmeisjes, de dienstmeisjes elkaar en de heele wereld. Nu vertoonde zich de een, dan de andere met roodbeschreide oogen, omdat zij dacht, dat de anderen dachten, dat zij de twee lepels had weggenomen.
Dit was een paar dagen zoo doorgegaan en Juffrouw Spaak was de wanhoop nabij. Ze was in het varkenshok geweest en had den trog van de varkens onderzocht om te zien of de lepels daar beland konden zijn. Ze was naar den kleerenzolder van de dienstmeisjes geslopen en had in alle stilte hun kistjes nagezocht. Alles was te vergeefs geweest en nu begreep zij niet waar ze nog verder kon zoeken. Ze merkte, dat de barones en de heele huishouding haar verdachten omdat ze een vreemde was. Ze zou worden weggezonden, dat voelde ze wel, als ze zelf haar betrekking niet opzei.
Juffrouw Spaak stond over het fornuis gebogen en schreide, zoodat haar tranen op de heete plaat vielen en sisten, toen ze een gevoel kreeg dat ze zich omkeeren moest. Ze deed het, en zie, daar stond de Generaal bij den keukenmuur en wees op een plank, die hoog aan den wand zat, zóó onhandig hoog, dat men er nooit aan dacht daar iets neer te leggen.
De Generaal verdween zooals gewoonlijk op hetzelfde oogenblik dat hij verscheen, maar Juffrouw Spaak gehoorzaamde zijn wenk. Ze haalde de trap uit de provisiekast, bracht die bij de plank, stak de hand naar boven en kreeg een oude vuile vaatdoek tusschen de vingers. Maar daarin lagen de beide zilveren lepels gerold.
Hoe waren ze daar gekomen? Zeker had niemand dat expres of bewust gedaan. In de grenzenlooze drukte voor een groot diner kon alles gebeuren. De doek was daar neer gegooid, omdat hij in den weg lag en de zilveren lepels waren ongemerkt meegekomen.
Maar nu waren ze teruggevonden en Juffrouw Spaak bracht ze stralend van vreugd aan de barones en werd weer de rechterhand en de hulp van alle menschen.
Er is geen kwaad, dat niet wat goeds meebrengt. Toen de jonge baron Adriaan in ’t voorjaar thuiskwam, hoorde hij, dat de Generaal Juffrouw Spaak een buitengewone gunst had bewezen en hij begon haar dadelijk op zeer bizondere wijze opmerkzaamheid te wijden. Zoo vaak hij kon, zocht hij haar op in de zaal of in de keuken. Hij kwam òf onder voorwendsel, dat hij een nieuwe snoer voor zijn hengel noodig had, òf hij zei dat de geur van de verschgebakken broodjes hem had gelokt. Bij die gelegenheden bracht hij altijd het gesprek op het gebied van het bovennatuurlijke. Hij liet Juffrouw Spaak vertellen van de spokerijen op de groote hoeven in Sörmland, zooals Julita en Eriksberg en wilde weten wat zij daarvan dacht.
Maar meestal wilde hij over den Generaal spreken. Hij zei dat hij dat niet met de anderen kon doen, omdat zij het als scherts opvatten. Hij zelf voelde medelijden met dien armen geest en wilde hem tot rust brengen. Als hij maar wist hoe hij dat doen moest.
Toen zei Juffrouw Spaak, dat het haar bescheiden meening was, dat er iets in huis was, wat hij zocht.
De jonge baron werd wat bleek. Hij zag Juffrouw Spaak onderzoekend aan.
„Ma foi! Juffrouw,” zei hij, „dat is ook een idee. Maar ik verzeker U, dat, als wij hier op Hedeby iets bezaten, wat de Generaal begeerde, dan zouden we geen oogenblik aarzelen het hem te geven.”
Juffrouw Spaak begreep natuurlijk heel goed, dat de jonge baron haar enkel en alleen om de spokerij bezocht, maar hij was zoo’n beminlijk jong mensch, en zoo mooi. Ja, als zij haar oordeel moest zeggen, meer dan mooi. Hij droeg het hoofd wat voorover gebogen, er was iets nadenkends over hem. Veel menschen vonden hem al te ernstig. Maar dat was alleen, omdat ze hem niet kenden. Soms kon hij ’t hoofd achterover gooien en schertsen en erger schelmstukken bedenken dan iemand anders. Maar wat hij ook deed, er was iets onbeschrijfelijk bekoorlijks in zijn manier van doen, in zijn stem en zijn lach.
Juffrouw Spaak was in de kerk geweest op een zomerzondag en ging naar huis langs een kleinen dwarsweg, die schuin over de pastorie liep.
Een paar van de kerkgangers waren denzelfden weg ingeslagen, en Juffrouw Spaak, die haast had, moest voorbij een vrouw, die haar te langzaam liep. Kort daarop kwam ze aan een plaats, die heel moeilijk te begaan was, en gedienstig als zij altijd was, dacht ze aan die langzame wandelaarster en wachtte om haar over de heining te helpen. Ze reikte haar de hand en merkte toen, dat de vrouw niet zoo oud was, als ze eerst had gedacht. Ze was buitengewoon eenvoudig en bleek, zoodat Juffrouw Spaak meende, dat het best kon zijn, dat zij niet ouder dan vijftig jaar was. Hoewel het duidelijk te zien was, dat ze niet anders dan een gewone boerenvrouw was, had ze een eigenaardige waardigheid over zich, alsof ze iets had beleefd, wat haar boven haar stand had verheven.
Toen de vrouw over de heining geholpen was, liepen zij beide naast elkaar over het smalle pad.
„U is zeker het meisje, dat aan ’t hoofd van de huishouding op Hedeby staat!” zei de boerin.
„Ja, die ben ik,” antwoordde Juffrouw Spaak.
„Ik zou wel eens willen weten of U ’t daar prettig vindt.”
„Waarom zou men het niet prettig vinden in zoo’n goede betrekking,” antwoordde Juffrouw Spaak voorzichtig.
„De menschen zeggen immers, dat het daar spookt.”
„Men moet niet alles gelooven, wat de menschen zeggen,” zei Juffrouw Spaak op terechtwijzenden toon.
„Neen, dat moet men ook niet, neen, dat weet ik wel,” zei de andere.
Het bleef zoo een poos stil. ’t Was duidelijk, dat die vrouw iets wist en eigenlijk brandde Juffrouw Spaak van verlangen haar uit te hooren. Maar dat was niet goed, niet gepast.
’t Was de vrouw, die ’t gesprek weer aanknoopte.
„Ik vind, dat U er zoo lief uitziet,” zei ze, „en daarom wil ik U een goeden raad geven. Blijf niet te lang op Hedeby, want hij, die daar spookt, is niet gemakkelijk om mee te doen te hebben. Hij houdt niet op, vóór hij gekregen heeft wat hij hebben wil.”
Juffrouw Spaak was eerst van plan een beetje uit de hoogte voor die waarschuwing te bedanken; maar de laatste woorden maakten haar nieuwsgierig.
„Wat wil hij dan hebben? Weet U, wat hij hebben wil?”
„Weet U dat niet?” zei de boerenvrouw. „Ja, dan zal ik niets meer zeggen. ’t Is misschien ’t beste voor U niets te weten.”
Daarna reikte zij Juffrouw Spaak de hand, sloeg een ander pad in en was spoedig uit het gezicht.
Juffrouw Spaak wachtte er zich wel voor dit gesprek aan de heele familie aan tafel te vertellen, maar ’s middags, toen Baron Adriaan haar in de melkkamer had opgezocht, vertelde zij hem, wat de vreemde vrouw tegen haar had gezegd.
„Dat moet Marit Eriksdochter van Olsby geweest zijn,” zei hij. „Weet U wel, dat het dertig jaar geleden is, dat zij een vriendelijk woord heeft gezegd tegen iemand van Hedeby? Voor mij heeft ze eens een muts gestopt, die een jongen van Olsby had gescheurd; maar zij zag er uit, alsof ze mij de oogen wilde uitkrabben.”
„Maar weet zij wat de Generaal zoekt?”
„Zij weet het beter dan iemand anders. En ik weet het ook. Mijn vader heeft mij de geschiedenis verteld. Maar mijn ouders willen niet, dat er met mijn zusters over gesproken zal worden. Zij zouden misschien bang voor het spook kunnen worden en hier niet kunnen blijven wonen. Ik mag het U ook niet vertellen.”
„De hemel beware ons!” zei Juffrouw Spaak. „Als de baron het verboden heeft....”
„Het spijt me,” zei baron Adriaan, „ik geloof, dat U mij zou kunnen helpen.”
„Ach, kon ik dat maar....!”
„Want, ik zeg het nog eens,” zei baron Adriaan, „ik wil dien armen geest zijn rust teruggeven. Ik ben niet bang voor hem. Ik zal met hem meegaan, zoodra hij mij roept. Waarom vertoont hij zich aan alle anderen, en nooit aan mij?”