Chapter 2 of 9 · 3902 words · ~20 min read

Part 2

Er was iets niet in den haak met mijn antwoord; de vogels hadden achterdocht gevat, omdat ze niet begrepen welk gevaar hun makkers zoo lang deed zwijgen en hèn nu uit de donkere elzen bedreigde. Een oogenblik van aandachtig luisteren—toen kwam de aanvoerder langzaam van zijn boomstam af, voorzichtig naar mij toe; nu stilstaand, dan wegschuilend, nu luisterend, dan voortglijdend, zich ver naar een kant uitrekkend en weer terugtrekkend, zoo sloop hij vooruit; tot hij opeens bleef staan, toen hij mijn gezicht uit het kreupelhout zag kijken. Wel twee minuten lang verroerde hij zich niet. Toen gleed hij haastig met een zwak, verward, vragend, kwit kwit? naar de plek terug waar zijn koppel zat te wachten. Een zacht teeken, dat ik amper kon hooren, een snel bewegen... en het heele troepje vloog verspreid en met veel gerucht naar het zwijgende, gastvrije woud.

Een minuut of tien later zat ik in dicht kreupelhout gehurkt naar boven te kijken in een grooten spar, waar net nog even de aanvoerder voor mij zichtbaar was, die scherp tegen het gloeiende westen afgeteekend naast een opstekenden tak stond. Ik was zijn haastige vlucht gevolgd, en lag nu weer te luisteren naar zijn zoekend geroep, dat door de schemering uitging om zijn kleine kudde naar den boom te roepen waar ze slapen zouden. Zij antwoordden uit het moeras, van de helling en ver weg van het rustige meer; eerst zwak, dan helderder hun roep en sterker ’t ruischen van vlugge vleugels, als zij aankwamen.

Maar ik had al genoeg gezien en gehoord; al te veel voor mijn gemoedsrust. Ik kroop weg door ’t moeras, terwijl het gretige roepen mij tot in mijn kano achtervolgde; eerst een klacht, alsof er iets ontbrak aan het vreedzame meer, het rustige woud, de teere schoonheid van den schemeravond; en toen zacht een vraag, die altijd doorklinkt in het kwit van een patrijs, alsof ik de eenige was die zou kunnen vertellen waarom twee levendige bekjes nooit meer zouden antwoorden, als er in de lengende schaduwen appèl gehouden werd.

ONTMOETINGEN MET EEN BEER.

Er zijn er altijd twee verbaasd, bij een ontmoeting met een beer. Gij zijt de een, en hij is de ander. Op uw zwerftochten en bij ’t kampeeren in de uitgestrekte bosschen zijt ge op den uitkijk naar Mooween; ge zoudt hem zoo graag, zoo dolgraag eens ontmoeten: ja, alles goed en wel, maar wanneer ge een landtong om komt varen, of tot de plek doordringt waar de boschbessen groeien, en hij daar plotseling voor u staat en den weg verspert, terwijl hij u strak in de oogen staart, om met één blik uw bedoelingen te doorgronden, dan moet ge, dunkt me, dezelfde gewaarwording hebben als sommige voorzichtige menschen, die de gewoonte hebben ’s avonds onder hun bed te kijken of er ook een dief onder ligt, en hem eindelijk, net waar ze hem altijd verwacht hadden, ineengedoken verscholen vinden.

Wat Mooween betreft, die kijkt altijd naar u uit, wanneer hij eenmaal weet dat ge in zijn bosschen zijt doorgedrongen. Niet echter omdat hij zoo verlangt u te zien, want hij is net als de luiaard, die bidt om werk en den hemel dankt dat hij het niet krijgt. Een beer is niet zoo nieuwsgierig—veel minder dan elke andere boschbewoner. Hij houdt er van alleen te zijn; dus als hij u tracht op te sporen, is ’t er hem slechts om te doen te weten waar ge zijt, en de goeierd wil niets liever dan u zooveel plaats gunnen als ’t maar kan, terwijl hijzelf kalmpjes nog dieper de eenzaamheid intrekt. En omdat deze neiging bij hem veel sterker is dan uw luie nieuwsgierigheid, die er slechts op uit is om weer eens wat anders te zien, krijgt ge Mooween maar zelden onder de oogen, zelfs daar waar hij heelemaal thuis is. Alweer een staaltje van de „poëtische gerechtigheid”, die ge overal in de bosschen aantreft waar ge ’t niet verwacht.

Het blijkt dunkt mij hoe langer hoe duidelijker dat de natuur haar gaven niet alleen naar de behoefte afmeet, maar veeleer naar de wenschen van haar schepselen. De kracht en den invloed van dat hevige verlangen—te heviger omdat elk dier er gewoonlijk maar één heeft—hebben we nog niet leeren peilen. „Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?” [4] Hierin zouden we het geheim van dat vrije leven kunnen zoeken van hen „wien de wildernis tot een huis besteld is”, als we de Schrift zouden aanhalen om iets onbewijsbaars te bewijzen, zooals we graag in godsdienstige gesprekken doen en daardoor antwoorden onmogelijk maken. De uil heeft een geruischlooze vlucht, niet eenvoudig omdat hij niet zonder deze kan—want hij heeft het niet meer noodig dan een valk, die geen stillen vleugelslag heeft—maar veeleer om zijn innige behoefte aan rust, wanneer hij door de stille schemering vliegt. Zoo is ’t ook met de pooten van den panter [5], met het oog van het hert en met den neus van den wolf, wiens grootste zaligheid in een goeden reuk bestaat; zoo met al die sterk in ’t oog loopende gaven, die de dieren in de wildernis van de natuur hoofdzakelijk gekregen hebben, omdat ze er in de lange jaren van hun ontwikkeling behoefte aan hebben gehad.

Uit deze opvatting zouden sommige van Mooweens eigenaardigheden misschien te verklaren zijn. De natuur, die haar gaven naar de begeerte van haar schepselen afmeet, herinnert zich hoe hij van rust en eenzaamheid houdt en begiftigt hem daarnaar. Het kan hem weinig schelen u of iemand anders te zien; daarom zijn zijn oogen zoo zwak—ze zijn inderdaad zijn zwakke punt. Hij wil niets liever dan uw gezelschap vermijden—en alle gezelschap, behalve dat van zichzelf; daarom zijn zijn neus en ooren zoo wonderlijk gescherpt, om uw komst te merken. ’t Gebeurt vaak dat ge u zelf heelemaal alleen in de bosschen waant, en dan is Mooween er ook. De wind heeft het nieuwtje aan zijn neus verteld; al een poos geleden bereikte ’t geluid van uw onbezorgde schreden zijn scherpe ooren, en bij uw nadering verdwijnt hij en laat u alleen met uw luidruchtigheid en nieuwsgierigheid en waar ge al meer van houd. Zijn gave zich onzichtbaar te maken is zooveel grooter dan uw speurzin, dat de gedachte aan een ontmoeting met u niet eens bij hem opkomt. Vandaar dat zijn verbazing, wanneer ge elkaar onverwachts tegenkomt, naar verhouding ook grooter dan de uwe is.

Wat hij onder zulke omstandigheden doen zal hangt niet van hem, maar grootendeels van u zelf af. Behoudens een enkel geval, zijn zijn gewaarwordingen waarschijnlijk juist andersom dan de uwe. Wanneer gij durft, is hij zoo bang als een wezel; wanneer gij onthutst staat, weet hij precies wat hij wil; als gij angst toont, kent hij geen vrees; zijt gij nieuwsgierig, dan wordt hij oogenblikkelijk schuw; en hij heeft, als alle andere wilde dieren, een onverklaarbare, bijna griezelige gave om uw gedachten te raden. Het is alsof hij met dien strakken, doordringenden blik van hem uw ziel het binnenste-buiten gekeerd voor zich zag, om ze te onderzoeken. Dit gaat alleen niet op wanneer ge hem zonder vrees of nieuwsgierigheid tegemoet treedt, gewoon uw gang wenscht te gaan, als was hij een vreemdeling en uwsgelijke. Die zeldzame geestesgesteldheid begrijpt hij volkomen—want is het bij hem niet net zoo?—en hij gaat kalm zijn eigen gang, alsof hij u niet gezien had.

Het lijkt wel of Mooween bij elke toevallige ontmoeting vooruit al een plan klaar had hoe hij doen zou, en dit dadelijk zonder overleg of een oogenblik aarzelens ten uitvoer brengt. Maak eens een onbekend geluid achter hem, als hij langs den oever sjokt, dan zal hij zich halsoverkop in het kreupelhout storten om zich te verschuilen, alsof uw stem op een knopje had gedrukt, dat onder hem een veer deed springen. Het kan wel zijn dat hij later terugkomt, om te onderzoeken waar hij eigenlijk van geschrokken was. Zit doodstil, dan zal hij op zijn achterpooten gaan staan, en uitkijken en lang snuiven, om er achter te komen wie ge zijt. Spring zoodra hij te voorschijn komt met een kreet en veel lawaai op hem los—dan zal hij zich omkeeren, dat u ’t zand en de steenen om de ooren vliegen, als hij zijn pooten in de helling klauwt om beter houvast te krijgen, en er jammerend als een verschrikt hondje van doorgaan.

’t Gebeurt ook wel, wanneer ge door de herfstbosschen sluipt of haastig een spoor volgt, dat ge plotseling een hevig geruisch en geschud in het beukenbosch op de helling boven u hoort, alsof een kleine wervelstorm zich daar een poosje tusschen de bladeren zat te vermaken, voordat hij verder waait. Als ge dan naar ’t geluid toesluipt, zult ge op een dikken tak van een beukeboom Mooween vinden, die den stam vóor zich met zijn krachtige voorpooten te pakken heeft en uit alle macht trekt en rukt om de rijpe beukenootjes naar beneden te schudden. ’t Geruisch en geratel van de vallende nootjes klinkt Mooween zoo prachtig in de ooren, dat hij ’t geritsel van uw nadering, noch het takje dat onder uw onachtzame voeten kraakt zal hooren. Geeft ge nu een luiden schreeuw, in den vroolijken waan dat ge hem eindelijk gevangen hebt, dan wacht u weer een verrassing; en dat brengt me op een raad die u best te pas kan komen. Wanneer ge schreeuwt, zorg dan dat ge niet onder den beer staat, want als ’t een kleintje is, zal hij wel een—twee—drie maken dat hij den boom inkomt en zich in het dichte gebladerte verbergen, zoo hoog als hij slechts klimmen kan; maar is ’t een groote, dan is hij boven op u geploft, eer ge weet wat er gebeurt. Van langzaam klimmen moet hij niets hebben; hij laat zich eenvoudig los en komt naar beneden volgens de wetten der zwaartekracht. De oude Remus, die toont drommels goed op de hoogte te zijn van ’t doen en laten der dieren, als hij op dreef is met zijn verhalen, zou zeggen: „Bruin krabbelt den bijenboom uit, tot hij halverwege is, dan laat hij zich los en komt pof op den grond neer, en dan kijkt hij, alsof het zoo maar niets is halfdood geschokt te worden.”

Hoe ’t ook zij, die schok heeft ondanks zijn groote gewicht geen kwade gevolgen, en evenmin eenigen invloed op de snelheid zijner bewegingen, zoodra hij den grond bereikt heeft, want hij is zoo vlug als de wind. Mooween komt op zichzelf, zoo soepel als op een groot kussen, neer, net als de waschbeer, die van een ongelooflijke hoogte kan vallen zonder zich te bezeeren, maar zoodra heeft hij niet den grond geraakt, of ’t is of al zijn spieren zich plotseling samentrekken, en hij veert weg als een elastieken bal en verdwijnt in de dichtste dekking die zoo gauw maar bij de hand is. Ik heb hem op die manier tweemaal neer zien komen. Den eersten keer zaten er twee bijna volwassen jonge beren in een boom. De een vloog naar boven toen we schreeuwden, de ander kwam met zoo’n verrassende haast naar beneden vallen, dat de man die met zijn geweer klaar stond om den beer te schieten uit den weg sprong om zijn leven te redden, en voordat hij goed en wel van zijn verbazing bekomen was, had Mooween ’em gepoetst, terwijl slechts een heftige beweging in de lage sparretjes zichtbaar bleef, die verried waar hij heen was.

Dit heele overleg, dat Mooween in zijn kop heeft, om onmiddellijk te handelen, die zeldzame keeren als hij u onverwachts ontmoet, is een gevolg van de zorgvuldige opvoeding, die zijn moeder hem heeft gegeven. Wanneer ge ooit het buitenkansje mocht hebben een berenmoeder met haar jongen te kunnen gadeslaan, terwijl ze heelemaal niet vermoeden dat ge in de buurt zijt, zult ge twee eigenaardige dingen opmerken. Ten eerste zult ge zien dat de jongen, als ze mee rondwaren—en zoo’n rusteloos zwerver als Mooween bestaat er geen tweede in de bosschen—vlak achter de moeder aangaan en haar met koddige nauwkeurigheid elke beweging nadoen: snuiven als zij snuift, springen als zij springt, op hun achterpooten staan met de voorpooten losjes neerhangend en den spitsen snuit onderzoekend in den wind, zoodra zij zoo doet; om zich stilletjes binnen de beschutting der vriendelijke elzen terug te trekken, wanneer de neus der moeder een bijna onmerkbare waarschuwing heeft gekregen, dat de kust stroomop niet heelemaal vrij van onraad is. Op die manier leeren ze de geluiden en geuren der wildernis onderscheiden en hun handelingen daarnaar richten. En ten tweede zult ge wanneer de jongen aan ’t spelen zijn zien, dat de moeder elk hunner bewegingen even nauwkeurig gadeslaat, als zij een uur geleden de hare. Daarbij zit ze dan plat op den grond, met de voorpooten tusschen haar uitgestoken achterpooten geplant, en met den kop op zij merkt ze elke kleinigheid op, terwijl ze aan ’t boksen en worstelen en klimmen zijn, alsof zij hun eens gewezen had hoe ’t hoorde, en nu oplet in hoeverre zij hun lessen nog kennen. Af en toe krijgt een van beide eens een paar flinke meppen, die ik me alleen verklaren kan, als ik van de veronderstelling uitga dat hij anders deed dan hem kort en goed geleerd was.

Slechts dan wanneer Mooween iets vreemds ontmoet, of in omstandigheden komt waar zijn opvoeding hem nooit mee in aanraking bracht, zoodat zijn instinct en zijn aangeboren scherpzinnigheid gaan spreken, ontdekt ge voor ’t eerst een spoor van aarzeling bij dien onverstoorbaren zwerver der groote bosschen. Eens heb ik hem op den oever verschrikt gemaakt, waar hij de voorpooten van een hert was komen halen, die daar achtergelaten waren. Op ’t eerste gerucht sprong hij weg om zich te bergen, zonder zijn kop om te wenden, evenals hij zijn moeder ontelbare malen had zien doen, in zijn jonge jaren; toen stond hij stil en overwoog het gevaar, drie, vier seconden, zoo, heelemaal zichtbaar—iets, wat ik hem nog nooit door een anderen beer heb zien nadoen—daarna aarzelde hij nog even, weifelend of mijn kano vlugger zou wezen dan hij, hem aan zou kunnen; en toen hij overtuigd was dat hij tenminste een goede kans had, sprong hij terug, greep het hert beet en sleepte het ’t bosch in.

Een andermaal kwam ik hem op een nauw paadje tegen, waar hij me niet voorbijkon; zin om terug te keeren had hij ook niet, want daar ginds voor hem uit was iets waar hij bepaald naar toe moest. En nog nooit had ik zoo’n mooie gelegenheid aard en instinct van den beer te bestudeeren als bij die korte ontmoeting. Maar ik verlang er niet erg naar de proef van zoo nabij te herhalen. ’t Gebeurde aan de kleine Zuidwester-Miramichi, een heel onstuimige rivier, in ’t hartje van de wildernis. Vlakbij, nog geen halve mijl stroomop van mijn tent, zat zalm, en voor zoover ik weet had daar nog nooit iemand gevischt. De eene oever der rivier werd gevormd door een bijna loodrechte klip, waar de krachtige, schuimende stroom met een dof bruisen langs schuurde naar de versnellingen en een groote, stille watervlakte, daar in de verte, beneden. Onder die rots zat het vol zalm, die zich tegen den pijlsnellen stroom in evenwicht hield, maar voor zoover mijn vliegen er bij betrokken waren, hadden ze net zoo goed in de Yukon kunnen zitten. Aan den overkant kon ik onmogelijk visschen, want er was geen ruimte om op te slaan en de stroom was er te diep en te hevig om te waden—maar aan den kant van de zalm bood de oever geen plaats om te staan. Had ik een paar flinke Indianen gehad, dan had ik me tot boven de stroomversnellingen kunnen laten afdrijven, waar ze de kano met de boomen vast aan den grond konden houden, zoodat ik kon visschen; maar ik had geen twee flinke Indianen, en de eene dien ik wel had dankte er voor zijn hachje te wagen. We leden dus maar honger, ofschoon we de zware visschen bijna konden zien plonzen, die kersversch uit zee kwamen.

Op een goeden dag dat ik een stekelvarken achterna ging, om eens te kijken waar dat heen moest, ontdekte ik een smal paadje, dat een paar honderd meter langs den rotswand liep, vlak tegenover de plaats waar de zalm zoo graag lag en niet meer dan een voet of dertig boven het snel voortruischende water. Daar toog ik met mijn hengel heen, en zonder dat ik moeite deed om te mikken, liet ik mijn vlieg in den stroom vallen en wond de lijn van mijn klos. Toen ze strak stond, lichtte ik het topje van mijn hengel op en liet mijn vlieg naar een draaikolk achter een groot rotsblok dansen en schitteren. Bliksemsnel haalde ik op en had een visch van wel vijf-en-twintig pond te pakken; maar bijna op ’t zelfde oogenblik schoot hij stroomaf, waar ik hem van mijn gevaarlijke zitplaats geen baas kon. Daar ging hij heen, in zegevierende vaart, wild hoog uit het water springend, tot mijn heele snoer ten slotte tot den eindknoop toe gonzend was afgewonden en het onderlijntje afknapte, of ’t spinrag was.

Teleurgesteld wond ik weer op, mezelf afvragend hoe ik ooit, had ik mijn zalm eindelijk stilgekregen, dertig voet diep zou hebben kunnen reiken, om hem met den haak naar mij toe te halen; maar daar vond ik natuurlijk geen antwoord op. En omdat de mensch nu eenmaal zwak van nature is, nam ik een dubbel onderlijntje, dat sterker zou zijn, en wierp weer een vlieg in den stroom. Mijn zalm zou ik wel niet krijgen, maar ’t was wel een onderlijntje waard, als ik hem alleen maar even uit de diepte mocht optillen en de geweldige vaart zien, waarmee hij stroomaf zou schieten: spring je niet, zoo heb je niet! alsof de heks van Endor hem schrijlings op den staart zat, bij wijze van bezemsteel. Een levendige, jonge zalm van een jaar of twee duikelde halsoverkop op mijn vlieg los, en dank zij mijn sterke onderlijntje kon ik hem in den stroom laten uitrazen. Toen ’k hem eindelijk onder aan de rots haalde, was hij lusteloos, waren alle springlust en strijdvaardigheid uit hem geweken. Ik zag geen kans naar beneden te komen en nam mijn snoer dus maar beet, om hem in zijn volle gewicht op te halen. ’t Ging al heel gemakkelijk, totdat zijn staart boven water kwam; toen werd hem dat gekronkel en geruk te machtig, de vlieg werd naar buiten getrokken, en daar verdween hij—na een laatste zwenking, na een klets met zijn breeden staart om me te toonen hoe groot hij wel was.

Vlak onder me stak een rondgeslepen rotsblok uit den wielenden stroom. Met het stuurtouw uit mijn kano zou ’k me vrij gemakkelijk op die rots kunnen laten neerzakken en me verzekeren van mijn vangst. Terugkeeren zou weliswaar lastiger gaan, maar zalm is wel de moeite waard; dus liet ik mijn hengel achter en toog weer naar mijn tent.

’t Was laat in den middag en ik haastte mij langs het pad, met al mijn aandacht bij mijn voeten, onzeker als het loopen ging, met de rots boven en de rivier beneden me, toen een luid hoewuf! me met een schok deed opschrikken. Daar, geen tien meter van me af, bij een bocht van het pad, stond een reusachtige beer. Dat beteekende halt, daar hoefde ik niet aan te twijfelen, en als de rots voorover getuimeld was dwars over ’t pad, zou mij de weg niet meer versperd zijn geweest. Er was geen tijd om na te denken; daarvoor waren de verrassing en de schrik te groot. Ik kon niets anders dan een instinctmatig hoewuf! snakken, zooals de beer daarnet uit zijn diepe longen had gestooten, en stokstijf blijven staan—net als hij. Hij was even hard geschrokken als ik. Dat was ’t eenige waar ik zeker van was. Ik veronderstel dat ons beiden eerst slechts deze gedachte door ’t hoofd ging: „Ik ben er leelijk ingeloopen; hoe zal ik me daar weer uitredden?” En er was niets in zijn ondervinding, noch in de mijne, dat dadelijk een antwoord aan de hand kon doen. ’t Was duidelijk dat hij graag verder wilde. Daar ginds, de rivier op, moest iets zijn dat hem riep; een wijfje misschien, anders zou hij zich op ’t eerste gerucht snel hebben omgedraaid en verdwenen zijn. Maar, in hoeverre zou hij zich kunnen verlaten op de bangheid van dat groote dier, dat den weg daar voor hem versperde, en dat hij met zijn hoewuf! tot staan had gebracht, eer het te dicht naderde? ’t Bleek heel duidelijk hoe zij zich dat afvroeg. Geen grauwen, geen gegrom, geen wreede uitdrukking, slechts een innige verbazing, een verwonderd vragen in den blik, dien hij op mijn gelaat gericht hield, alsof hij me door en door wilde kijken, om nauwkeurig na te gaan wat ik wel dacht.

Ik keek hem vierkant in de oogen en bedwong zijn blik—misschien ’t verstandigste wat ik had kunnen doen, ofschoon ’t geheel onbewust geschiedde. In ’t volgende korte tijdsverloop vlogen me allerlei gedachten door het hoofd. Noch naar boven, noch naar beneden was ’t mogelijk te ontsnappen: ik moest of verder gaan, of terugkeeren. Sprong ik met een kreet vooruit, zooals ik onder andere omstandigheden wel eens gedaan had, zou hij dan niet woest op me losstormen, naar de gewoonte van alle in ’t nauw gedreven wilde dieren? Neen, daar was het tijd voor geweest op het oogenblik dat wij elkaar ontmoetten—nu zou het te veel in ’t oog loopen dat het bluf was. Het moet zonder aarzeling of in ’t geheel niet gebeuren. Als ik terugging, zou hij me ’t heele rotspad volgen en steeds moediger worden. Behalve dat was ’t gevaarlijk loopen, en wat terrein betreft was hij geheel in ’t voordeel, want hij kende het daar door en door. Daarbij kwam dat het al laat was en ik moest een zalm voor mijn avondeten hebben.

Naderhand heb ik me nog dikwijls afgevraagd hoeveel hij van die aarzeling gesnapt zou hebben, en hoe hij de gevolgtrekking maakte (want die maakte hij stellig ten leste), dat ik heelemaal geen kwaad met hem voorhad, alleen verder wilde en niet van zins was hem het pad te laten. Nog steeds fixeerde ik hem, tot zijn oogen hun strakken blik verloren. Stilletjes trok mijn hand achteruit en sloot zich om ’t heft van mijn jachtmes. Die beweging bemoedigde me wat, ofschoon ik stellig liever van de rots zou zijn gesprongen en een kans gewaagd hebben in den stroom, dan het op dit smalle paadje met hem aan den stok te krijgen, geweldig sterk als hij was. Plotseling begonnen zijn oogen te dwalen onder mijn blik, hij zwaaide zijn kop, om naar boven, dan naar beneden te kijken, en ik begreep dat ik den eersten zet gewonnen had—en ’t pad ook, als ik me nu maar in bedwang hield.

Doodbedaard deed ik twee stappen voorwaarts, hem nog steeds pal aanziend. Onder de ruige plooien van zijn muil schitterden even zijn witte tanden, maar hij draaide zijn kop weer, om den weg te overzien dien hij had afgelegd, en daarna verdween hij. ’t Was maar een ommezien, want daar stak hij voorzichtig neus en oogen om den hoek van de rots; hij gluurde of ik er nog was. Toen zijn neus weer verdween, sloop ik naar de bocht toe en zag hoe hij een eind voor me uit langs de rots naar beneden stond te kijken, of daar nog een andere weg zou zijn.