Part 4
Op dien zesden middag kreeg ik het best gelegenheid om zijn wonderlijke manier van visschen eens gade te slaan. Ik zat achter mijn scherm aan het bevermeer op een hert te wachten, toen Quoskh langs den oever kwam stappen. Zijn weerhaan zwaaide, tot hij een kikker voor zich zag, dien hij dan langzaam, omzichtig, uiterst behoedzaam besloop, alsof hij evengoed als ik wist hoe de kikkers voor hem op hun hoede zijn en hoe snel ze halsoverkop naar een schuilplaats duiken, zoodra ze zijn lange steltbeenen maar zien glimmen. Nader en nader gleed hij, om roerloos als een grijze boomstronk te blijven staan, wanneer hij meende dat zijn slachtoffer op hem lette; en dan weer met nog grooter voorzichtigheid verder, diep voorovergebogen, met teruggetrokken hals, zoo, dat hij zijn slag zoo snel en krachtig mogelijk kon slaan—een toeschieten, een bliksemsnel neerkomen, en ik zag hem dan nijdig zijn kikker schudden, dien tegen den eersten den besten steen of boomwortel kwakken en er langzaam mee naar een graspol gaan, waar zijn vangst listiglijk verstopt werd. Dat zaakje was afgedaan. Met zijn weerhaan draaiend en wendend in zijn onafgebroken zoeken naar kikkers of mogelijke vijanden, stapte hij er weer op los.
Wanneer zijn scherpe blik getroffen werd door een vischje dat door de waterplanten schoot, veranderde hij van taktiek en liet zijn slachtoffer naar zich toekomen, in plaats van er achteraan te stappen, zooals hij met kikkers deed. In wat voor houding hij ook stond, op beide pooten, of met éen poot opgeheven om een pas te doen—wanneer er een visch verscheen, bleef hij pal zoo staan, want hij wist drommels goed dat de minste beweging alleen zou dienen om zijn prooi haastig naar het diepe water te verjagen. Soms stond hij daar wel een halfuur op éen poot, liet zijn kop langzaam tusschen zijn schouders zinken, met teruggekromden hals, en zijn langen, scherpen snavel steeds recht op de trillende lijn gericht, die den spelenden visch verried; de oogen half geloken, tot het oogenblik gekomen was en zijn lange hals neerschoot. Geplas, ’t kwakken van zijn vangst tegen den eersten den besten boomwortel om ze te dooden—en met een eigenaardig medegevoel zag je toe hoe hij haar in het gras verborg en bedekte, omdat Hawahak haar anders eens zien mocht, of Cheokhes haar ruiken en haar stelen, terwijl hij stond te visschen.
Als hij gauw aan zijn laatste vangst toe was, stapte hij achteruit en verstopte haar bij de vorige; zoo niet, dan bedekte hij haar op het eerste het beste plekje en ging verder. Geen nood dat hij de plek vergeten zou, hoe groot zijn vangst ook was! Of hij zijn kikkers en visschen telt, of zich eenvoudig de plaatsen waar hij ze begroef herinnert, zou ik niet kunnen zeggen.
Ik volgde zijn spoor wel eens terug, als ik hem op een moerassigen oever verraste en hij wegvloog zonder iets van zijn versnaperingen mee te nemen, om zijn bergholen te ontdekken en eens te kijken wat hij gevangen had. Kikkers, visschen, donderpadden, mossels, een muskusratje—daar lagen ze allemaal slim onder wat dor gras of modder verborgen. En eenmaal ben ’k me op den tegenovergestelden oever gaan verschuilen, om eens te kijken of hij terug zou komen. Na een goed uur verscheen hij. Eerst bekeek hij nog nauwkeuriger dan anders mijn voetspoor, vervolgens den heelen oever, en toen ging hij regelrecht naar de verschillende plekjes die ik gevonden had, en nog naar twee die ’k niet had gezien, en vloog daarna naar zijn nest, met een franje van kikkers en visch, die hem onder ’t vliegen aan weerskanten uit zijn langen snavel hing. Die had hij op den grond als de spaken van een wiel gerangschikt, zooals een vos ook doet: de koppen naar buiten en de staarten of pooten boven op elkaar middenin, zoodat hij de gekruiste pootjes in zijn snavel kon pakken, en zooveel visch en kikkers als ’t maar mogelijk was kon dragen, zonder het minste gevaar te loopen er onder het vliegen te verliezen.
De mossels die hij vond at hij altijd allemaal op, geloof ik, als een lekkernij voor zich persoonlijk, want nooit heb ik hem zien probeeren ze mee te dragen, ofschoon ’k er eens een paar verborgen vond. Gewoonlijk kreeg hij de schaal makkelijk met een slag van zijn sterken bek of door ze tegen een boomwortel te slaan stuk, zoodat hij het kunstje, aan elke meeuw bekend, niet noodig had, het waarschijnlijk niet eens wist—van met een bikkelharde schaal naar boven te vliegen en ze op een steen te laten vallen om haar te breken.
Als Quoskh voor zijn eigen middagmaal aan ’t visschen was, in plaats van voor zijn hongerige broed, ging hij op een andere wijze te werk. Was hij voor hen een sluwe, geslepen, stille jager, die zijn buit besloop volgens een beproefde sluipjachttaktiek, voor zichzelf was hij een echt visscher—rustig spiedend, met eindeloos geduld. Hij scheen te begrijpen dat hij zich den tijd kon gunnen en ’t er eens van kon nemen, omdat hij wel wist: de aanhouder wint, vooral wanneer het om visch gaat; terwijl hij zich voor zijn jongen haasten moet, omdat, als ze te lang gevast hadden, hun gekras stellig hongerige, onwelkome sluipdieren naar het groote nest in den spar zou lokken.
Eens zag ik hem op een eigenaardige manier aan den gang, die me dadelijk aan de vischwijze deed denken bij elken makreelvisscher aan de kust bekend. Hij ving een donderpad als lokaas en waadde er mee naar een koele, diepe plek onder een lommerrijken oever. Daar trok hij zijn donderpad aan stukjes, die hij in ’t water gooide, waar het aas weldra een heele school kleine vischjes lokte om er van te eten. Quoskh stond ondertusschen in de schaduw, waar hem niemand zien zou, diep met zijn pooten in ’t water, den kop tusschen zijn schouders teruggetrokken, terwijl een bebladerde tak welwillend over hem heenboog, om hem voor onderzoekende blikken te beschermen. Zoodra er een vischje naar zijn lokaas toezwom, spietste hij het met een bliksemsnelle beweging, wierp zijn kop achterover en werkte het in zijn langen hals naar beneden. Daarna ging hij weer rustig staan om op een volgend te loeren. En daar bleef hij spieden en smullen om beurten, tot hij genoeg had. Dan trok hij zijn kop nog dieper in de schouders, sloot zijn oogen en viel vast in slaap, midden in de koele schaduw—een toonbeeld van den onbezorgden visscher, voldaan en in zalige rust.
Terwijl ik daar zoo dagen aaneen naar dat nest ging kijken en mij in het kreupelhout verschool om het te bespieden, kwam ik er beter van op de hoogte hoe Quoskh vischt en jaagt. Het nest bevond zich op een grooten spar, in een somber moeras—een kwaad oord, vol poelen en verraderlijke plekken, met hier en daar een eilandje van hooge boomen. Op een van die eilandjes nestelde een kleine reigerkolonie. Overdag zwierven ze het land in en verspreidden zich ver in ’t rond, elke koppel naar zijn eigen vischwater; maar wanneer de schaduwen lengden en nachtelijke sluipers gingen rondwaren, kwamen de reigers op hun spoor terug in eigenaardige, sierlijke, golvende lijnen tegen den gloeienden zonsondergang, om in alle gezelligheid samen te krassen en elkaar te helpen waken den lieven, langen nacht. Quoskh „de waakzame”—ik kon het wijfje van mijn grooten reiger zoodra ’k haar hoorde en op ’t eerste gezicht van alle andere onderscheiden, door haar grootte en den eigenaardigen tweeklank in haar gekras—had haar nest in den top van een grooten, groenen spar verborgen. Dichtbij, hoog in de vork van een dooden boom, was nog een nest, dat ze klaarblijkelijk jaren te voren gemaakt had, waar ze elk voorjaar wat had bijgebouwd om het ten leste toch te verlaten voor den sparreboom. Beide vogels gingen vaak naar het oude nest toe; en ik heb me wel eens afgevraagd of het niet een list van hen was, dat ze het zoo in ’t volle gezicht lieten, waar elk roofdier het in ’t oog kon krijgen en er heen klimmen, terwijl de jongen ondertusschen veilig verscholen zaten in den top van den anderen spar, waar ze konden uitkijken zonder zelf gezien te worden. Pas van een afstand was ’t nest te ontdekken. Onder den spar werd het heelemaal beschermd door een warrelnet van takken, en het andere nest, dat zich daar brutaalweg op den dooden boomtop afteekende, trok alle aandacht tot zich. Die wijsheid—als het wijsheid en geen toeval is—wordt slechts door ondervinding verworven. Eén broedsel van jonge reigers tenminste moest aan den honger van lynx of vischmarter zijn opgeofferd, om Quoskh te leeren dat hij partij kon trekken van dat misleidende nest, om hongerige roofdieren op den naakten stam te lokken, waar het terrein geschikt was om ze met den krachtigen snavel te spietsen en met de groote vlerken naar beneden te slaan, voordat ze hun vergissing konden bemerken.
Gewoonlijk kon ik door mijn kijker wel onderscheiden op wat voor gedierte de vogels gejaagd hadden, als ze er mee bij hun jongen kwamen. Eens hing er een slang uit den bek van de moeder, eens een vogel, tweemaal bracht ze kleine dieren mee, die ik niet goed kon thuisbrengen in ’t korte oogenblik dat zij neerdaalde op den nestrand—en behalve deze beesten nog den gewonen voorraad visschen en kikkers waar ik geen aandacht aan gaf. En eens toen ik in mijn schuilplaats zat zag ik de reigermoeder snel uit het nest naar beneden zeilen, plotseling een kring beschrijven boven het meer en zich in de ruigte van frambrozestruiken storten die den oever omzoomden, om het een of andere dier te vervolgen dat haar scherpe oogen er hadden zien bewegen. Een haastig geritsel in de boschjes, klappen met een vleugel, om den vluchteling den pas af te snijden, twee of drie bliksemsnelle houwen met haar vlijmscherpen bek, en daar steeg ze zwaar naar boven, met een haas beladen; ik kon zien hoe ze hem op het nest onhandig aan stukken trok om haar hongerige jongen te voeren.
Het duurde heel lang eer ik er eindelijk toe kwam de moeilijke klimpartij naar het reusachtige nest te ondernemen, om de jonge reigers eens te zien—een plan, dat me al bekoord had sinds ik Quoskh iets naar zijn nest had zien dragen, wat me op het eerste gezicht een lappenpop voor ze had geleken, om mee te spelen; maar ook om nog meer van Quoskhs jachtmanieren te leeren kennen. Eens, toen de moeder een onbekend dier had meegebracht,—een mink leek het mij—kwam ik plotseling uit mijn schuilhoek te voorschijn en stak over naar het nest. Het had altijd een zekere bekoring voor me gehad. Als ik er in de schemering onder stond, had ik de moeder zachtjes tegen de jongen hooren krassen—een schor wiegeliedje, maar dat zij stellig prachtig vonden—en als ik daarna wegpagaaide, zag ik het nest donker tegen de ondergaande zon afgeteekend, moeder Quoskh er boven op—een groot, sierlijk schaduwbeeld tegen de heerlijkheid van den stervenden dag—die de wacht hield over haar jongen. Nu zou ik het geheim van dat hooge nest ontsluieren er er inkijken.
De moeder, verschrikt door mijn plotselinge verschijning—ze had er geen oogenblik aan gedacht dat ze bespied werd—schoot stilletjes weg, in de hoop dat ik haar nest niet zien zou door het dichte takkenscherm. Met moeite klom ik naar boven, maar niet voordat ik tot op een voet of tien genaderd was kon ik iets maken van al die takken boven mij. De omgeving begon nu vuil te worden en verspreidde een hoogst onaangenamen stank, want Quoskh leert de jonge reigers het nest kraakzindelijk houden, door al het overtollige over den rand van hun ruime woonplaats naar beneden te gooien. Wel tien keer had ik gezien hoe de moeders van de kolonie haar jongen naar den rand van het nest duwden, om hun het besef van netheid bij te brengen, zoo heel anders dan de meeste andere vogels.
Terwijl ik aarzelde me verder door die met vuil beladen takken heen te werken, werd mijn aandacht getrokken door iets glimmends op den rand van het nest. Het was een oog van een jongen reiger, die over zijn langen snavel op mij neerkeek en mijn nadering gadesloeg met een ingespannen aandacht, die maar amper verborgen werd door de halfgeloken oogleden. Ik was op een punt gekomen dat ik om den boom heen moest klimmen om vasten voet te krijgen op een dikken tak, en toen ik opzag keek er nog een oog naar beneden, ook over een langen snavel, zoodat ze me, hoe ik mij ook keerde, nauwkeurig in ’t oog hielden, terwijl ik nader en nader kwam, totdat ik mijn hand uitstak om ’t nest aan te raken. Toen klonk er een schor gekras, drie lange halzen schoten plotseling aan mijn kant over den rand, drie lange snavels sperden zich wijd open vlak boven mijn hoofd, en drie reigerjongen werden plotseling zeeziek, alsof ze een braakmiddeltje hadden geslikt.
Het inwendige van dat nest heb ik nooit gezien, want toen had ik te veel haast om naar beneden te komen en me af te wasschen in het meer, en daarna waren de jonge vogels zoo groot geworden, hun bekken zoo vlug en krachtig, dat het mensch noch dier zou lukken over den rand van het nest heen te kijken, als hij, met zijn beide handen in de weer om zich vast te houden, nog in ’t bezit van zijn oogen wil blijven ook. ’t Is nog gevaarlijker naar jonge reigers toe te klimmen dan naar jonge arenden, want een reiger hakt altijd naar de oogen, en als hij raakt, is blindheid of dood het gevolg—of de slag moest met een katachtige tegenwoordigheid van geest worden afgeweerd.
Toen ik de jongen weer zag, kregen ze hun eerste les. Een droevig gekras in de boomtoppen trok mijn aandacht en ik stak voorzichtig over, om eens te kijken wat mijn reigers uitvoerden. De jongen stonden reikhalzend op het groote nest met uitgespreide vlerken hongerig te krassen, terwijl de moeder een eindje verder op een boomtop stond en hun iets te eten voorhield, dat ze duidelijk in reigertaal beduidde te komen halen. Na veel aanmoedigend gekras probeerden ze het, maar hun lange, onhandige nagels misten houvast op den ranken tak, waarop zij zich luchtig in evenwicht hield—geheel volgens haar verwachting, en toen ze met hevig gefladder neervielen, schoot zij voor hen uit naar beneden en leidde ze met een lange bocht in glijvlucht naar een open plek op den oever. Daar voerde zij hen met het lekkers dat zij in den bek droeg, haalde nog meer te eten uit een graspol in de buurt, waar ze ’t verstopt had, prees hen met gorgelend gekras, tot ze een beetje op hun gemak raakten op die lastige pooten en de heele familie den oever op trok voor haar eerste kikkerjacht.
Dat was geweldig belangwekkend voor een man die als kleine jongen zelf dikwijls op de kikkerjacht was geweest—op groote, om ze landelijk te braden, of op kleine, om snoek mee te vangen—daar nu op een eilandje te zitten kijken hoe de reigerjongen hun geluk beproefden. Moeder Quoskh ging voorzichtig vooruit om de leliebladen te doorzoeken en de jongen volgden haar onhandig op den voet. Ze beurden hun pooten op als kalkoensche hanen en zetten ze met een plons, die elken kikker in de buurt wel op de vlucht moest drijven, weer neer, juist waar de poot van de moeder een oogenblik geleden had gestaan. Zoo ging ’t verder; moeders kop draaide als een weerhaan om goed uit te kijken, terwijl de jongen hun halzen uitrekten, alsof ze aan weerskanten langs haar heen wilden gluren, uiterst verbaasd over die onbekende wereld, hongerig naar de dingen die daar groeiden, tot een verschrikte jonge kikker k’tung! zei van achter een lelieblad waar ze hem niet zagen, en halsoverkop de modder indook. Een lang, kronkelend spoor liet hij achter, dat nauwkeurig verried hoe ver hij gegaan was. Een kikker is net een struisvogel: als hij niets ziet, omdat zijn kop verborgen is, denkt hij dat ook niemand hem kan zien. Bij dien plotselingen noodkreet rekte moeder Quoskh haar hals uit om den kikker na te kijken; daarop keerde ze haar kop zoo, dat haar lange snavel op den bobbel in den gladden modderbodem gericht was, die de schuilplaats van Chigwooltz verried, en deed een zacht gekras hooren. Dadelijk kwam een der jongen bij dat geluid gretig naar voren, volgde zijn moeders snavel, die al dien tijd onbeweeglijk gericht bleef, draaide zijn kop, tot hij den rug van den kikker in de modder in ’t oog kreeg, om er dan bliksemsnel op aan te vallen. Gewoonlijk kreeg hij zijn kikker, en door mijn kijker kon ik ’t ongelukkige beest kronkelend en draaiend in Quoskh’s gelen bek zien verdwijnen. Mislukte de aanval, dan volgde de scherpe blik van de moeder den wanhopig vluchtenden kikker in de modder, nu met een langer spoor achter zich aan, tot hij zich weer verstopte, waarop zij hetzelfde jong krassend weer aanspoorde het nog eens te probeeren, en dan toog de heele familie als een rij steltloopende jongens, met horten en stooten weer verder naar een volgend eilandje van leliebladen.
Toen de jongen ouder werden en vaster op de pooten stonden, ontdekte ik een eigenaardige gewoonte, die de meeste van onze langbeenige waadvogels er op na schijnen te houden; de laatste overblijfselen van een soort dans. Want als ik rustig in mijn kano zat, zag ik de jongen soms in lange glijvlucht naar het strand zeilen, en zoodra ze er neerkwamen, nog eer ze aan kikkers of visch of honger dachten, begonnen ze op-en-neer te huppelen, terwijl ze zich zwaaiend, met uitgespreide vleugels in evenwicht hielden, en dan weer om elkaar heen sprongen alsof ze behekst waren. Die onzinnige vertooning duurde maar heel kort, en dan stapten ze weer bezadigd langs den oever, alsof ze zich schaamden over hun onbeholpen lichtzinnigheid. Elk oogenblik kon ’t echter gebeuren dat die geestvervoering hen weer te pakken kreeg en dan begon ’t gehuppel weer, alsof ze ’t eenvoudig niet laten konden. ’t Gebeurde gewoonlijk tegen den avond, als ze volop te eten hadden gehad en klaar stonden om te spelen of hun breede wieken uit te slaan, om zich vast te oefenen voor den langen, langen najaarstrek.
Terwijl ik zoo eens op een avond naar hen zat te kijken, schoot me plotseling weer een grappig tooneeltje te binnen, waar ik als jongen toevallig getuige van was. Ik had een grooten blauwen reiger onder hevig gekras neer zien zeilen in een boezem van het groote meer, waar ik aan ’t hengelen was, en sloop er door dicht struikgewas naar toe, om te onderzoeken waarom hij zoo kraste. In plaats van éen, vond ik er een stuk of tien van die groote vogels op den open oever, die in vervoering al huppelend een soort van dollen dans uitvoerden. Er knapte een takje toen ik nader kroop, en in een oogwenk waren ze links en rechts uit elkaar gevlogen. Het was September, en het instinct, dat hen samendreef om op den trek te gaan, was over hen vaardig geworden. Toen ze voor ’t eerst bij elkaar kwamen, had een vage herinnering aan lang vergane geslachten—overblijfsel van een vroeger instinct, naar welks beteekenis we nog slechts raden kunnen—hen zoo wild aan het dansen gebracht, ofschoon ik er toen aan twijfelde of ze veel begrepen van wat ze uitvoerden.
Misschien vergiste ik mij, want als ik de jonge vogels bespiedde bij hun onhandig gehuppel, leek het wel dat die drang tot dansen onbedwingbaar was, en toch deden ze af en toe heel deftig; ook schenen ze ’t wel eens prettig te vinden—misschien net als wij soms genieten van onze eigenaardige dansen, waar een Chinees, dien wij op bezoek hadden, eens onschuldig van vroeg: „Waarom laat ge uw bedienden dat niet voor u doen?”
In den paartijd heb ik het kleine, groene reigers in het bosch ook zien doen, en eens, in den dierentuin in Antwerpen, zag ik een prachtige huppelvertooning van een paar Afrikaansche reuzenkraanvogels. Onze Amerikaansche kranen, de gewone en de zandheuvelkraan, zijn bekende dansers; en stellig al de reigersoorten, van de kleinste tot de grootste, doen het, min of meer instinctmatig. Maar wat er achter dat instinct schuilt—behalve dat het net als ons dansen zuiver uit plezier zou gebeuren, zooals kraaien spelletjes doen en duikeenden zwemwedstrijden houden—weet niemand.
Voordat de jongen heelemaal volwassen waren, en terwijl ze nog achter de moeder aan trokken om kikkers en visch te leeren vangen, gebeurde er iets verschrikkelijks, dat maakte dat ik sedert dien tijd steeds met oprechte bewondering naar Quoskh opzie. Ik was eens, laat op een middag, midden in het groote meer aan ’t visschen, toen Quoskh en haar jongen over de boomen van het bevermeer kwamen aanzeilen en op een grazigen oever neerdaalden, waar een ondiep beekje het meer ingleed; en moeder Quoskh liet haar jongen daar alleen om kikkers te vangen, terwijl zij een eind de beek op onder de elzen ging visschen. Ik was bezig de jonge reigers door mijn verrekijker te bespieden, toen ik plotseling een snelle beweging in ’t hooge gras naast hen bemerkte. Op reigersmanier doken ze dadelijk alle drie ineen. Twee ontkwamen er veilig, maar de derde had nauwelijks zijn wieken uitgeslagen, of een zwart beest sprong hem uit het gras naar de keel en trok hem klapwiekend en wanhopig krassend naar beneden.
Onmiddellijk haalde ik mijn ankertje in en pagaaide naar den oever, om te zien wat er gebeurde en wat voor beest er uit het gras was gesprongen. Voordat ik met mijn pagaai een twaalf slagen gedaan had, zag ik de elzen aan de beek snel uiteenwijken en moeder Quoskh zeilde te voorschijn, als een pijl uit den boog regelrecht op de spartelende vleugeltoppen toe, die nog krampachtig boven ’t gras flapperden. Nog voordat haar pooten goed en wel op den grond stonden, sloeg ze twee keer verblindend snel en krachtig met haar groote wieken naar beneden; haar hals kromde zich achterover en schoot met den sterken, zes duim langen snavel recht naar voren, sneller zelfs dan de arm van een Romein zijn speer wierp. Boven het lap-lap van mijn kano hoorde ik een wilden smartkreet; hetzelfde zwarte beest schoot uit het ruige gras en hapte haar naar de keel. Toen begon er een wanhopig gevecht, met kort, hortend gekras en gegrauw, waardoor voorzichtigheid van mijn kant niet noodig was, terwijl ik er mij heen haastte, om te zien wie de roover was en hoe Quoskh het maakte in haar nobelen strijd.