Chapter 9 of 9 · 1461 words · ~7 min read

Part 9

Ik pagaaide voorzichtig en zorgde dat ’k hem voor was, maar bleef toch zoo vlak bij, dat ik als ’k over mijn schouder keek het glinsteren van zijn oogen kon zien en de golfjes die wegkringelden voor zijn grooten, duwenden snuit. Na een poosje gezwommen te hebben begon hij argwaan te krijgen voor dat gekke ding dat hem altijd maar even ver voorbleef, of hij gauw of langzaam zwom, en zwenkte hij af naar het strand toe, terwijl hij klaagde van teleurgesteld verlangen. Ik ging hem langzaam achterna en liet hem een eindje vóorkomen, maar net toen zijn pooten weer grond kregen, vroeg ik Simmo fluisterend zoo verleidelijk te gorgelen als hij maar kon. Op dat lokken keerde de eland zich bliksemsnel om en plonsde ons weer roekeloos achterna. Ik leidde hem naar den overkant, waar het jonge mannetje nog aan den oever heen en weer zwierf en smeekend om zijn geheimzinnig wijfje riep.

Ik verwachtte een gevecht als de medeminnaars elkaar ontmoetten, maar ze schonken weinig aandacht aan elkaar. Hen felle, natuurlijke jaloezie, van wier uitbarstingen ik meer dan eens getuige was geweest, scheen geweken te zijn voor hun gemeenschappelijken tegenspoed, voor hun gemeenschappelijke ellende. Geen zweem nu meer van angst—maar ze zwierven langs den oever heen en weer, of stormden roekeloos door het moeras, als de bedrieglijke geuren en echo’s hen her en der dreven in hun waanzinnig zoeken.

In een van de rustpoozen van ons opwindende spel schalde plotseling heel in de verte op de berghelling de uitdagingskreet van een koningseland uit de opgeschrikte bosschen. Simmo hoorde het, keerde zich om in den boeg en fluisterde opgewonden: „Weer een! Nu ouwen rakker stellig lokken!” en zijn toeter opheffend gaf hij het lange, rollende loeien van een wijfje. Een luider trompetgeschal antwoordde van de helling; toen ging ’t geluid verloren in het gekraak, waarmee de eerste beide elanden aan weerskanten van de kano den oever opstormden. Maar nu letten we nauwelijks op het tooneel in de nabijheid: onze geheele aandacht was gevestigd op een schor, brullend geloei—Ioe-ioe-ioe! errioe! r-r-r-runh-unh! begeleid door een ratelend, knappend kraken van ’t kreupelhout. Het jongste mannetje hoorde het, stond een oogenblik als een groot, zwart standbeeld in het maanlicht te luisteren, en glipte toen weg in de schaduwen langs den oever stroomaf. Toen het grootere mannetje het hoorde, kwam hij langs de kust aanzwaaien en loeide bij elken tred een wilde uitdaging terug naar het weergalmende bosch.

Er ontstond een onheilspellende stilte ginds op den bergrug, waar alles een oogenblik tevoren in wilde beroering geweest was. Simmo zweeg ook, want het rumoer was angstwekkend geweest, met het slapende meer onder ons, en het wijde woud, waar de stilte woont, omhoog langs den heelen gezichteinder zich uitstrekkend tegen de lucht. Maar de lust om te plagen tintelde mij door ’t heele lichaam, toen ik den toeter greep en het zachte, smeekende geluid liet hooren dat een wijfjeseland in dergelijke omstandigheden zou gemaakt hebben. Als een schot werd het antwoord teruggekaatst, en daar kwam de reusachtige eland naar beneden—boms, krak, r-r-runh! tot hij als een wervelwind den open oever opstormde, waar het andere mannetje hem met een uitdagend gebrul tegemoetsprong.

Simmo smeekte mij toch maar te schieten, schieten, en duwde me opgewonden toe dat die „ouwe rakker”, zooals hij hem noemde, nu gevaarlijker zou zijn dan ooit, wanneer ik hem liet ontsnappen; maar ik stuurde de kano slechts nog nader bij het plassende, brullende gedruisch in de schaduwen stroomaf.

Toen ik ze een oogenblik later met een zwaai langs den oever legde, was er een vreeselijk tweegevecht gaande. De mannetjes stootten krakend op elkaar, met een schok alsof ze hun kop te pletter zouden loopen. Modder en water vlogen over hen heen, hun groote geweien klapperden en ratelden als metalen platen onder het rukken en duwen, terwijl ze als duivels grauwden in hun geweldige worsteling. Maar de strijd was te ongelijk om lang te duren. De „ouwe rakker” was van den berg komen neerdaveren, in zoo’n vreeselijke woede ontstoken en met zoo’n kracht, dat alles er voor moest wijken. Met een snellen uitval haakte hij het gewei goed vast, zooals hij ’t hebben wilde, wrong met een draai van zijn stevigen nek en schouders den kop van zijn tegenstander op zij, en een forsche sprong van zijn doorgebogen achterlijf voltooide het werk. De andere eland sloeg met een smak neer, als een pijnboom door den bliksem getroffen, en toen hij zich weer op de been wentelde, sprong het oude, woeste mannetje op hem af en stiet hem de onderste takken van zijn gewei in de flank. Nog een oogenblik—en beide elanden waren krakend in het bosch verdwenen, de een met reusachtige schreden om het veege lijf te bergen, de ander door het knapperende kreupelhout vlak achter hem aan, herhaaldelijk als een stormram uitvallend, grommend als een kolossale, wilde beer in zijn zegepralende woede. Zoo verdween de wilde jacht den heuvelrug over in het daarachter gelegen dal en de Stilte sloop geheimzinnig als een Chineesche keizerin terug in haar verontrust gebied.

Op een landtong stroomop, van achter een zwaren, door den storm gevelden boom, kwam de andere jonge eland behoedzaam voor den dag en ging, telkens stilstaand om te luisteren, langs het strand naar het tooneel van den strijd toe. Uit elken schroomvalligen stap, uit elke stille beweging was te lezen dat er in hem omging: wie het laatst lacht, lacht het best!... Een zacht geluid uit mijn toeter stelde hem gerust, zijn vertrouwen kwam terug; nu zou hij dat raadselachtige wijfje wel vinden, dat zooveel drukte veroorzaakt had, en er met haar van doorgaan, voordat de overwinnaar van zijn achtervolging terug zou zijn gekeerd. Hij liep snel in zwaaienden gang en in zijn keel gorgelde den zachten lokroep. Toen weerklonk op den heuvelrug plotseling weer een brullende uitdagingskreet en kraken in ’t kreupelhout. Daar kwam de „ouwe rakker” weer aan om zijn belooning; onmiddellijk verloor de jonge eland al het vertrouwen uit zijn houding en hij gleed het bosch in—zonder geluid, zonder beweging bijna—het was alsof een schaduw zich oploste in nog dieper schaduw. Geruischloos sloot het kreupelhout zich achter hem en hij was verdwenen.

Den volgenden dag bij het ochtendkrieken vond ik mijn ouden eland een mijl stroomaf aan den oever, en in zijn gezelschap het groote wijfje, met het jong waar ze mij eens van weggejaagd had nog steeds gehoorzaam achter zich aan. Ik liet ze ongemoeid en dacht aan de machtige nakomelingschap, die eens van den berg zal komen neerdaveren, om het hart van jager of zwerver in verrukking te brengen en hun een schok van ontroering te geven, als zij aan het meer terugkeeren en het loeien van den bastroeper weer over het slapende water en de opgeschrikte bosschen zal schallen. Wie ze dooden wil, laat hij zijn gang gaan; ik heb Umquenawis, den Machtige, gezien, zooals hij was voordat hij vrees leerde kennen, en dat is mij genoeg.

DE INDIAANSCHE NAMEN.

Cheokhes, kie-ok-ez’ de Amerikaansche „mink”, een ottersoort.

Cheplahgan, tsjep-la’-guan, de Canadeesche arend.

Ch’geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie’-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.

Chigwooltz, tsjigg-woelts’, de stierkikvorsch.

Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.

Commoossie, kom-moe-sie’ een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.

Deedeeaskh, die-die’-ask, de blauwe gaai.

Eleemos, el-ie’mos, de vos.

Hawahak, ha-wa-hek, de havik.

Hukweem, huk-wiem’, de groote noordelijke duiker of ijsduiker.

Ismaques, is-ma-kwez’, de vischarend.

Kagax, ke’-guaks, de wezel.

Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.

K’dunk, k’dunk’, de pad.

Keeokuskh, kie-o-kusk’, de muskusrat.

Keeonekh, kie’-o-nek, de otter.

Killoleet, kil’loe-liet, de witkeel-musch.

Kookooskoos, koe-koes-koes’, de groote oehoe.

Koskomenos, kos’-kom-ie-nos’, de ijsvogel.

Kupkawis, kup-kee’-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.

Kwaseekho, kwa-ziek’o, de zaagbek.

Lhoks, loks, de panter.

Malsun, mel’-sun, de wolf.

Meeko, mie’-ko, de roode eekhoorn.

Megaleep, meg’-a-liep, de caribou of ’t N.-Amerikaansche rendier.

Milicete, mil’-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.

Mitches, mit’-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort „grouse”: bonasia umbellis of Amerikaansche „patrijs”.

Moktaques, mok-ta’-kwes, de haas.

Mooween, moe-wien’, de zwarte beer.

Musquash, mus’kwosj, de muskusrat.

Nemox, nem’-moks, } } de vischmarter uit N.-Amer. Pekquam, pek-wem, }

Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.

Seksagadagee, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort „grouse”.

Skooktum, skoek’-tum, de forel.

Tookhees, tok’-ies, de boschmuis.

Umquenawis, um-kwie-na’-wiz, de eland.

Unk-Wunk, unk’-wunk, het stekelvarken.

Upweekis, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx.

Whitooweek, wit’-oe-wiek, de houtsnip.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie blz. 158, onder Mitches. In Long’s boeken is steeds sprake van den boschvogel, niet van onzen patrijs der vlakte.

[2] I Kon. 21 : 4.

[3] Een soort Centrarchidae.

[4] Job 39 : 12.

[5] Felis Concolor.

[6] Canadeesche gaai; Perisoreus Canadensis.

[7] Een der Noordamerikaansche Staten.

[8] Een vischje, dat een en al stekels is en gromt bij ’t aanpakken.

[9] Mannen, die er in Amerika een beroep van maken, dieren in vallen en strikken te vangen, om hun pelzen te verkoopen.