Part 3
Hij was niet meer op zijn gemak; een zacht, klagend gebrom klonk langs het pad naar me toe. Toen ging ik op een rotsblok zitten, dat midden op mijn weg lag en voor ’t eerst drong het grappige van den toestand eenigszins tot me door, en dat troostte me een beetje. Ik begon tegen hem te praten, zonder grapjes, maar alsof ik het tegen een Schot had, die alleen vatbaar is voor redeneering. „Je bent er ingeloopen, Mooween, je bent er leelijk ingeloopen,” herhaalde ik maar zachtjes tegen hem; „maar als je stilletjes tot de schemering thuis was gebleven, zooals ’t een beer betaamt, dan was er nu niets aan de hand. Je hebt er mij ook in laten loopen, zie je; en nu blijft je niets over dan er mij weer uit te helpen. Ik ga niet terug. Ik ken den weg niet zoo goed als jij. Daarenboven zal ’t gauw donker zijn en ik zou waarschijnlijk mijn hals breken. ’t Is schande, Mooween, om een fatsoenlijk man zoo in moeilijkheden te brengen als mij nu, en dat eenig en alleen door die stomme zorgeloosheid van je. Waarom heb je me niet op de een of andere manier geroken, zooals elke beer, als hij geen ezel is, gedaan zou hebben, en een ander pad over den berg genomen? Waarom klim je niet in dien spar en maak je uit de voeten?”
Ik heb wel opgemerkt dat alle wilde dieren onrustig worden op ’t geluid van een menschelijke stem, hoe kalm je ook spreekt. Er is iets onbekends, iets geheimzinnigs, iets onverklaarbaars in, dat hun begrip te boven gaat; en als ze kunnen vluchten ze er haastig voor. Ik veronderstel dat de dieren, tamme en wilde, meer van onze geestesgesteldheid begrijpen dan waartoe wij ze in staat achten, en deze veronderstelling wint eer aan kracht dan dat ze zou verliezen, telkens als ik aan Mooween op dat smalle pad denk. Ik zie hem nog voor me, hoe hij onrustig keert en wendt: de half verlegen uitdrukking in zijn oogen, wanneer ze de mijne vluchtig ontmoeten, alsof hij zich schaamt; en dan klinkt dat zachte, verontruste, klagende geluid weer langs het pad en mengt zich in ’t murmelen en ruischen van ’t diepe water beneden.
Een beer heeft net zoo zeer het land als een vos, wanneer iemand hem te slim af is. Vangt ge hem in een val, dan zal hij nooit grommen, nooit vechten, nooit tegenstand bieden, zooals een lynx of een otter, of bijna elk ander wild dier. Hij is u zoo dikwijls te leep af geweest, en heeft u zoo vaak zijn meerderheid getoond, dat hij geheel overweldigd is als ge hem eindelijk hulpeloos en overwonnen aantreft. Het is of hij zijn buitengewone sterkte, de vreeselijke kracht van zijn tanden en klauwen heelemaal vergeten is. Zijn kop legt hij eenvoudig tusschen zijn pooten, zijn oogen wendt hij af en hij weigert u aan te zien, of te toonen hoe hij zich schaamt. Negen van de tien keer dat ge een beer of een vos in een val gevangen aantreft, zult ge voelen dat het dit voornamelijk is, en iets daarvan sprak nu uit Mooweens handelwijze, uit zijn blik, terwijl ik hem daar in den weg zat en van zijn verwarring genoot.
Vlak bij hem sprong een spar uit de rotsen, die hoog in de lucht tot aan een richel reikte. Daar ging hij langzaam tegenaan staan, maar keerde zich toen weer om, om naar mij te kijken, zooals ik daar rustig op zijn eigen weggetje—dat hij niet langer als het zijne kon beschouwen—over zijn nederlaag zat te glimlachen, terwijl ik er over dacht hoe hij zich schaamt wanneer hij het af moet leggen. Daar was ’t of een electrische kracht hem plotseling van het pad ophief—hij klom vliegensvlug met zenuwachtige schokken en sprongen den boom in. Merkwaardig gauw schoot hij op voor zoo’n reusachtig dier. De kleine takjes vermorzelde hij, met zijn groote klauwen ritste hij den ruwen bast af, en achter zich liet hij een regen van stof en takken neerkletteren, tot hij daarboven den rand van de rots bereikt had en er op sprong. Daar hield hij stil om naar beneden te kijken, wat ik nu zou doen. En zoo bleef hij met zijn grooten kop over den rand van de rots oplettend naar mij staan kijken, tot ik opstond en kalm het pad vervolgde. Het was morgen toen ik naar de zalmen terugkeerde. Maar in tegenstelling met den mossigen boschgrond droeg de harde rots geen sporen, die me konden verraden—waar ik zoo nieuwsgierig naar was: of hij langs den boom weer naar beneden was gekomen, of een anderen weg over den berg had gevonden. Op de plaats, waar ik gestaan had toen zijn zwaar hoewuf! mij opschrikte, liet ik een dikken zalm achter, want iedere beer zal er een grooten omweg voor overhebben, als hij daarvan smullen kan. Den volgenden dag was deze verdwenen; dus Mooween vond misschien op zijn volgenden tocht wel een andere en aangenamer verrassing op hem wachten bij ’t omslaan van de bocht.
QUOSKH, DE ALZIENDE.
Wanneer ge ’s avonds in uw kano langs de kust drijft en de nachtelijke geluiden en geuren van de wildernis tracht te onderscheiden, wanneer alle luide kreten verstomd zijn en de stilte zoo’n spanning bereikt dat ze welluidend wordt als een groote, strakke snaar, waar de wind zachte, droomerige wijzen op tokkelt, gebeurt het soms dat een geritsel en geflapper in het gras naast u plotseling luidruchtig het voorspel dier nauw te onderscheiden toonreeksen, dier rijzende, wegstervende harmonieën verstoort. Dan, wanneer ge nog staat te luisteren, nog voordat de Stilte de snaren van haar Eolusharp weer strak genoeg gespannen heeft voor de vingeren van den Wind, komt er een ander geluid aandrijven, een kreet boven uit de lucht—Quoskh? quoskh-quoskh?—een wilde, vragende roep, alsof de opgeschrikte avond vroeg wie ge zijt. Het is de blauwe reiger maar, door uw luide komst, die gij zoo geruischloos waandet als den avond zelf, op het strand uit zijn slaap gewekt. Een poosje vliegt hij in kringen boven uw hoofd. Hij ziet u best, ofschoon gij nog geen schim van zijn breede wieken onderscheiden kunt; dan verdwijnt hij in de wijde, donkere stilte, met zijn kreet van Quoskh? Quoskh? En die roep, met zijn vreemde, wilde vraag, waarmee hij in het diepste duister wegglijdt, heeft hem den bekoorlijken Indiaanschen naam verschaft van Quoskh, het Raadsel van den Nacht.
Hij bezit werkelijk voor velen, zelfs voor sommige Indianen, geen anderen naam; geen eigenlijk bestaan ook, want zijn kreet uit hij zelden overdag—dan is zijn geluid hard en krassend—, en ge ziet hem nooit, als hij daarboven uit het diepst dier plechtige duisternis roept, zoodat er dikwijls iets raadselachtigs om die nachtelijke stem waart. We denken er geen oogenblik aan haar in verband te brengen met den kalmen, geduldigen, langbeenigen visscher, dien ge elken zomerdag aan de oevers van eenzame rivieren of meren kunt aantreffen. Mannen van ervaring in de wildernis hebben mij al herhaaldelijk gevraagd: „Wat is dat?”—wanneer het was of er een schel, vragend Quoskh-quoskh? in ’t slapende meer duikelde; en toch kenden ze den grooten, blauwen reiger heel goed—meenden ten minste dat ze hem kenden.
Quoskh heeft echter nog andere namen, die zijn doen en laten te kennen geven. Het overkwam me wel eens, als ik langs de kust aan ’t visschen was en mijn Indiaan pagaaide, dat ik met de punt van de kano geruischloos om een hoek kwam zetten en daar plotseling den reiger op trage wieken weg zag vliegen, schuin de hoogte in, al halverwege de boomtoppen, terwijl het waakzame zaagbekmoedertje, of de herten zelfs, die vlakbij tusschen de leliebladen stonden te eten, nog niets van onze komst vermoed hadden. Dan mompelde Simmo, die er nooit in mocht slagen een van die groote vogels te overrompelen, hoe stil hij ook pagaaide, iets dat wel had van Quoskh—K’sobegh; Quoskh de alziende. Weer een anderen keer, als we hem bezig zagen kikkers aan zijn langen snavel te spietsen, sprak Simmo, die het gezicht van een kikkerpoot in mijn braadpan niet verdragen kon, om mij in ’t bijzonder te stichten in zijn zangerige taal minachtend over Quoskh, den kikkervraat, en als ik plotseling het visschen in het diepe forellenwater tegenover een grazigen oever staakte om met mijn oogen een lange, grijsblauwe schaduw te volgen, die als een schim op stelten zich met stappen van zevenmijlslaarzen langs de kust voortbewoog, naar stroomend water een eind verder, waar ’t vol kikkers zat, wees Simmo met zijn pagaai en zei: „Kijk, Vadertje Langbeen; hij nog meer kikkers voor zijn kleintjes vangen. Raar soort kleintjes, eten stierkikkers.”
Van alle benamingen die ik opving (en ’t waren er nog een heeleboel meer) als we hem op onze zomersche tochten zaten te bespieden, leek „Vadertje Langbeen” me altijd de meest geschikte. Die statige steltlooper van onze meren en stroomen heeft zoo iets over zich dat een beeld oproept van een grijs verleden. Van alle vogels staat hij werkelijk nog het dichtst bij die voorwereldlijke, onbehouwen monsters, die de natuur schiep om er onze aarde in haar onbeholpen jonkheid mee te bevolken. Andere reigers en roerdompen zijn kleiner en sierlijker geworden, met korter pooten en korter hals, om zich aan te passen bij ons landschap, dat veranderde, onze rivieren, die inkrompen. Quoskh is stellig veel kleiner dan hij oorspronkelijk was, maar hals en pooten zijn nog buitensporig lang, wanneer ge u het water voor den geest brengt waar hij rondwaadt, en het nest dat hij bouwt; en de prent, die hij in de modder achterlaat, lijkt verrassend veel op die versteende pootafdrukken van reuzenvogels, zooals we diep onder de aarde in gesteente uit het pliocene tijdperk vinden, om ons te toonen wat voor soort schepsels er leefden in die verlaten uitgestrektheden, voordat de mensch kwam om de aarde weer te vervullen en te onderwerpen.
In nauw verband tot de gedachte aan vroeger tijden, die Quoskh’s doen en laten opwekt, staat een andere—dat hij een eeuwige jeugd met zich omdraagt. Het lijkt wel alsof de ouderdom geen vat op hem heeft Hij is even oud en even jong als de aarde zelf; hij is als een Maartsche dag met winter en voorjaar in zijn zonsop- en zijn zonsondergang. Wie zag er ooit het schitterend oog van een blauwen reiger verduisterd, of zijn natuurlijke kracht verminderd? Wie betrapte er ooit éen slapend, of zag hem uitgeput op zijn lange pooten wankelen, zooals wij onze gewone wilde vogels zoo dikwijls aantreffen, als ze zich krachteloos, met hun laatsten greep aan een tak vastklemmen? Een zeeman van kaap Cod vertelde me eens dat zijn schoener ver uit de kust langs een blauwen reiger was gekomen, die met uitgespreide wieken dood op zee dreef. Dat is de eenige reiger, voor zoover ik ooit gehoord heb, die zijn zinnen niet bij elkaar had. Als Quoskh werkelijk sterven kon, zou dit het antwoord kunnen geven op de vraag wat er van hem wordt. Met zijn laatste krachten vliegt hij kloek naar zee, om dat groote geheim van den oceaan te ontraadselen. Daar hebben zijn voorouders ontelbare eeuwen aan de kust geleefd en zijn af en aan, af en aan getrokken op hun eindeloozen, onnoodigen trek, rusteloos, onvoldaan, zwervend, alsof de stem der zee ze riep, daarheen waar ze niet durfden volgen.
Eens op een zomer was er een nauw zichtbaar lommerpaadje vlak achter mijn tent aan het wijde meer, dat in het bosch verdween met eindelooze wendingen en bochten, zonder de minste aanduiding waar het van plan was heen te gaan, voordat ik het einde al bereikt had. In dit paadje wachtten me steeds allerlei merkwaardige verrassingen. Roode eekhoorntjes, die aan weerskanten allerlei kattekwaad uithaalden, gluurden met een drukte van belang over een tak naar beneden, elandsvogels [6] glipten er geruischloos over in bedrijvige haast. Nu eens staat ge plotseling met bonzend hart stil, wanneer ge bezig zijt over een van de vele omgewaaide boomen die u den weg versperren heen te klimmen, als er iets opspringt en krakend door het kreupelhout breekt. Een glimp van een wit vaantje, dat rijst en daalt, en weer rijst en daalt boven de gevelde stammen, door een heel kleintje gevolgd, zegt u dat een hinde en haar kalfje daar achter den stam lagen, zonder iets te merken van uw geruischlooze nadering. Dan weer doemt er bij een bocht van het paadje iets grijs en massiefs voor u op en verspert het nauw zichtbare weggetje, zoodat ge plotseling stilstaat, en terwijl ge achter den eersten den besten boom terugdeinst, draait een kop met een reusachtig gewei zich met een zwaai naar u toe: opengespalkte neusgaten, turende, wijdopengesperde oogen, en ooren die als trompetten recht op uw hoofd gericht zijn—een mannetjeseland, sst!
Twee lange minuten blijft hij daar roerloos staan om dat nieuwe wezen, zooals hij nog nooit eerder gezien heeft, te bekijken, en ge zult goed doen u doodstil te houden en ’t aan hem over te laten of hij zin heeft vrij baan te maken. Een beweging van uw kant zou hem nader kunnen brengen om eens een onderzoek in te stellen, en ge kunt nooit weten welke geringe aanleiding al een uitdaging voor hem beteekent en het onheilspellende, roode licht in zijn oogen ontvonkt. Eindelijk gaat hij heen, eerst bedaard, terwijl hij zich nog herhaaldelijk omkeert om te kijken en met zijn lange trompetooren naar u te wijzen, maar dan legt hij zijn groote gewei achterover op zijn schoften, steekt zijn neus in de lucht en met lange, gelijkmatige stappen gaat het over de gevelde boomen heen en hij is verdwenen.
Zoo had dat paadje elken dag de een of andere nieuwe verrassing—uil, of haas, of prikkelig stekelvarken, dat met zijn pennen ratelde als met een koker vol pijlen en zijn Indiaanschen naam: Unk-wunk, Unk-wunk uitbazuinde, terwijl hij rondscharrelde. Wanneer ge het paadje een heel eind gevolgd waart en zeker dacht dat het treuzelend en talmend verdwaald was, kroop het eindelijk onder een donkeren spar, en daar, in een ovale lijst van ritselend, fluisterend groen, lag het eenzaamste, liefelijkste bevermeertje van de wereld, waar de herten kwamen drinken en Quoskh met vrouw en kinderen woonde.
Den eersten keer dat ik het paadje afkwam en door de ovale bladerlijst keek zag ik hem, en nauwelijks had ik een glimp van hem opgevangen, of ik sprong al op bij de gedachte aan de prachtige ontdekking die ik daar gedaan had: dat jonge reigers evengoed met poppen spelen als kinderen. Maar ik had me vergist. Quoskh was aan ’t kikkers-vangen geweest en was bezig ze een voor een te verstoppen, toen ik aankwam. Hij had mij al vernomen eer ik van zijn aanwezigheid afwist, en met een sprong naar zijn laatsten kikker, een grooten, dikken, was hij op zijn breede wieken zwaar in schuine richting naar boven gevlogen—zijn rug gekromd en zijn hals als een S gebogen, terwijl zijn lange pooten onder hem uitstaken en hem nasleepten—naar zijn nest in den spar aan den anderen kant van het bevermeertje. Toen ik hem goed zag, kwam hij net dwars langs de ovale lijst waardoor ik keek. Hij had den kikvorsch met zijn langen snavel om ’t middel beet, vrijwel zooals iemand dien met een stompe schaar zou vasthouden, dat hij er aan weerskanten uitbolde, als een kussentje waar een touw stijf omheen is gebonden. De kop en de korte armpjes waren den eenen kant uitgeduwd, de slappe pooten bungelden aan den anderen kant naar beneden, en ’t leek warempel wel een opgevulde lappenpop, die Quoskh voor zijn kinderen naar huis bracht om mee te spelen.
Ze zouden stellig veel liever een kikker gehad hebben, maar door den wonderlijken inval dien ik in dat korte romantische oogenblik had was er een belangstelling voor hen in me gewekt, waaraan niet voldaan was, eer ik veel later naar hun nest was geklommen en hen en hun leefwijze had gezien. Toen ik Quoskh ging bestudeeren om hem beter te leeren kennen, merkte ik dat hij een boeiend onderwerp was, niet alleen om zijn wonderlijke manieren, maar ook omdat hij altijd zoo uiterst behoedzaam te werk ging en om de moeilijkheden waarmee ik te kampen had, toen ik hem op heeterdaad wilde betrappen. Eerst leek zijn naam Quoskh K’sobegh me ’t meest geschikt, totdat ik zijn gewoonten had leeren kennen en wist hoe hem de loef af te steken; wat me maar twee- of driemaal in een heelen zomer gebeurde.
Eens op een morgen toog ik al vroeg naar ’t bevermeer, waar ik tegen een grijze boomstomp aan de kust ging zitten met wilde frambozen schouderhoog om me heen. „Nu zal ik me koest houden en alles zien wat er komt,” dacht ik, „en niets zal mij in ’t oog krijgen—geen blauwe gaai zelfs.” Dat lukte bijna. Kleine vogeltjes, die nog nooit te voren een mensch in ’t bosch hadden gezien, kwamen op de frambozen af en pikten er aan, geen zes voet van mijn gezicht, zonder dat ze iets ongewoons merkten. Als ze me zagen, draaiden ze met hun kopjes, om me eerst met het eene, dan met het andere oog te bekijken en eindelijk met een ruischend brrr! van hun wiekjes op te vliegen naar een tak boven mijn hoofd. Daar zaten ze me dan langer of korter, al naar gelang van hun nieuwsgierigheid, op te nemen, kwamen naar beneden vliegen en flapperden mij met hun vlerkjes hard in ’t gezicht, om me door een beweging te laten verraden wie ik was.
Op een steenworp afstand, aan den anderen kant van een kleinen boezem van het meer, kwam een mooie bok naar ’t water, stak er zijn snuit in en begon toen onrustig heen en weer te draaien. Een flauwe, bijna onmerkbare geur was van mij naar den overkant gedreven en maakte hem ongedurig, ofschoon hij niet wist wat ik was. Hij bleef zich maar om zijn neusgaten likken, als een koe dat doet, om ze vochtig te maken en den geur beter op te vangen. Rechts van me was een hinde niets kwaads vermoedend in de leliebladen aan ’t grazen. Langs den oever aan mijn voeten snelde een mink, telkens wegglippend in wortels en rotsblokken, om huppelend en duikend weer voort te gaan. Cheokhes beweegt zich altijd op die manier, want hij weet hoe glimmend zwart zijn huid is, hoe glinsterend hij afsteekt tegen den zandigen oever, als een doelwit voor uil en havik. Daarom glijdt hij nooit verder dan een meter of anderhalf zonder weg te schuilen, en het liefst gaat hij over de donkerste wortels en rotsblokken. Vlak voor me liet een jonge ijsvogel zich met zijn zangerig k’plop in een school voorntjes vallen, die al spelend het water rimpelden. Een eind verder op het meer plofte een vischarend zwaar suizend neer, om met een dikken witvisch weer op te stijgen, en geen scherpzichtige blik van heel dat boschvolkje had mij getroffen—ze wisten niet eens dat ze begluurd werden. Toen kwam er langs den groenen oever aan den overkant een lange, golvende, blauwe lijn glijden, een Cupido-boog in ’t groot, en Quoskh verscheen voor zijn ochtendvangst.
Tegenover me, net op de plek waar de bok gestaan had, vouwde hij zijn groote vlerken samen, zijn nek was gekromd, zijn lange pooten, die hij in zijn snelle vlucht sierlijk uitgestrekt achter zich aan had gesleept, zwaaiden als twee slingers onder hem uit, toen hij luchtig op den modderigen oever landde. Hij kende zijn terrein in de puntjes, kende elke beek, elken inham van ’t meertje, waar ’t vol kikkers zat, zooals wij ons geboortedorp. Maar hoe Quoskh zich ook in zijn omgeving thuis voelt, zijn waakzaamheid laat zich nooit in slaap wiegen. Op ’t eigen oogenblik dat hij neerkwam richtte hij zich bijna manshoog op en liet zijn scherpen blik langs de oevers glijden; ééns maar. Zijn kop met dat heldergele oog en dien langen, gelen bek, die in ’t morgenlicht glinsterde, wendde, draaide op zijn langen hals als een vergulde windvaan op een torenspits. Toen het vaantje, het strand volgend, mijn richting uit kwam draaien, hield ik mijn adem in om toch geen beweging te maken, want ik waande mij zoo mooi verscholen, dat geen blik me op dien afstand zou kunnen ontdekken. Terwijl hij langzaam over mij heengleed, lachte ik in mijn vuistje, want ik meende dat ik Quoskh beet had genomen, maar ik had er heelemaal niet aan gedacht dat een vogel nooit recht voor zich uitkijkt. Zijn snavel was mijn neus nauwelijks een graad of dertig voorbij, net zooveel dat zijn linkeroog op mij rustte, of plotseling bewoog hij niet verder. Zoodra ’k hem onder ’t oog kwam, had hij me gesnapt en begrepen dat ik daar niet hoorde. Geen vin verroerde hij en zijn blik scheen me een poos lang te doorboren. Je had hem makkelijk zoo over ’t hoofd kunnen zien, in de meening dat hij een van die grauwe wortels aan den oever was, waar de golven over spoelden. Toen dook hij op die onbeschrijflijk onhandige manier waarmee alle reigers hun vlucht beginnen ineen, en vloog zwaar schuin naar boven in den hoogsten boom aan den oever, waar hij nog een poos op een dooden tak naar mij bleef zitten kijken. Ik had niet eens geknipoogd, en toch was ik te duidelijk voor hem zichtbaar dan dat hij me vertrouwen kon. Weer dook hij ineen, steeg hoog boven de boomtoppen en zweefde in forsche, rustige, sierlijke vlucht naar een eenzaam meer, waar geen mensch was om hem te begluren of ’t hem lastig te maken.
Die scherpzichtigheid van Quoskh ontmoedigde me niet—integendeel, mijn verlangen om meer van hem te weten te komen werd er maar door versterkt; vooral wou ik hem eens van heel dichtbij aan ’t visschen zien. Op de landtong aan den kleinen inham, waar het vol kikkers zat, vlocht ik een scherm van twijgen, onder de lage, dikke takken van een spar en ging toen heen om andere boschbewoners te bespieden.
Den volgenden morgen keerde hij niet terug en op den oever vond ik ook geen versche prent van hem. Dat was me het eerste teeken dat Quoskh de voorschriften van een ervaren visscher goed kent en hetzelfde terrein, hetzelfde water, niet te dikwijls plundert, hoeveel er ook te vangen is. Den derden morgen kwam hij terug; toen den zesden avond; daarna den negenden morgen en zoo in regelmatige afwisseling, zoolang ik hem bespiedde. ’t Gebeurde ook wel dat ik hem ver het land in aan ’t visschen trof, in andere meren en rivieren, of hem hoog boven de wouden zag wieken, op weg naar huis van wateren die ver buiten mijn gezichtsveld lagen. Maar zulke verschijningen waren te ongeregeld dan dat ik er een theorie op zou kunnen bouwen. Toch twijfel ik er niet aan of hij vischte niet zoo geregeld in de naburige rivieren en vijvers als in het bevermeer, en trok slechts dan het land in, als hij eens naar visschersgewoonte een verzetje of grooter kikkers wilde hebben, of als ’t hem tegenliep en hij den luidruchtigen honger van zijn opgroeiende jongen niet stillen kon.