Part 8
Onmiddellijk liet ik me overboord vallen met een schreeuw om het monster bang te maken, terwijl ik de kano tusschen ons in deed kantelen. Ik hoorde een splinterend gekraak achter me, terwijl ik mijn armen uitsloeg om in ’t diepe water te komen, en toen ik me op een veiligen afstand omdraaide, had de eland met een van zijn scherpe hoeven door den bodem van mijn omgekeerde kano getrapt, en probeerde op een alleronhandigste manier zijn poot tusschen de cederhouten ribben uit te krijgen waarin hij vastzat. Hij scheen bang te zijn voor dat vreemde, zwijgende ding, dat hem bij een poot te pakken had, want hij gromde en sprong terug en zwaaide opgewonden met zijn gewei; maar elk oogenblik werd hij razender.
Het eenige dringende wat mij nu dadelijk te doen stond, was te zorgen dat de kano niet kort en klein getrapt werd; alle andere overwegingen vervlogen bij de gedachte, dat, als het monster nog nijdiger werd en hij boven op mijn kano zou springen, zooals hij doet als hij iemand dooden wil, één sprong dat ranke ding onherstelbaar vernielen zou en wij ginder de gevaarlijke rivier in een vurenhouten bootje van eigen maaksel zouden moeten trotseeren. Vlug zwom ik naar land en spartelde en gilde en draafde toen weg om de aandacht van den eland te trekken. Oogenblikkelijk kwam hij achter mij aan—uuh! uuh! tsjok-tsjokketie—tsjok! tot hij zoo dicht bij me was, dat het me wel wat onplezierig werd en ik ’t water weer inging. Hij volgde, al dieper en dieper, tot het water aan zijn flanken stond. De bodem was modderig en hij zette zijn pooten voorzichtig neer, maar ik hoefde niet bang te zijn dat hij achter mij aan zou zwemmen, want hij weet tot hoe ver hij gaan kan, en als hij er tot zijn schouders in staat, moet hij ophouden.
Toen hij me niet verder na wilde komen, zwom ik naar de kano en sleepte ze naar diep water. Umquenawis stond nu stom van verbazing te staren naar dien wonderlijken vischmensch. Voor ’t eerst doofde de roode gloed in zijn oogen en zijn ooren flapten heen en weer als vlaggetjes op den wind. Hij deed geen poging mij te volgen, maar bleef vol verbazing pal staan staren, tot aan zijn schoften in ’t water, terwijl ik hooger op de landtong aan wal ging, mijn kano omdraaide en ’t water er uit liet loopen.
De pagaai hing nog aan haar touw—waar ze in hachelijke avonturen altijd hoort—en ik gooide ze in de kano. Dat geratel wekte Umquenawis uit zijn verbazing, alsof hij uitdagend geweigeklepper tegen de elzestammen gehoord had. Met machtige sprongen flodderde hij het water uit en kwam langs den oever aanschommelen, vreeselijk grommend en tsjokkend. Hij had den mensch weer gezien en ’t was hem nu klaar dat het geen visch was;—uuh! uuh! ieieuuh—uuh! gromde hij met een schuddende, plotselinge kronkelbeweging van nek en schoften bij den laatsten kreet, alsof hij mij al onder zijn hoeven voelde. Maar voordat hij de landtong bereikte, had ik mijn flanellen overhemd in ’t gat van de kano gestopt en dreef ik al weer veilig. Hij liep langs den oever met me mee, tot hij ’t geluid van stemmen uit het kamp hoorde, waarop hij zich oogenblikkelijk omkeerde en in de bosschen verdween.
Een dag of wat later had ik weer een eigenaardige ontmoeting met dien ouden knorrepot. ’k Was bezig met mijn kijker het meer af te zoeken, toen mijn blik op iets viel dat ik voor een paar zwarte eenden bij een grazigen oever hield. Ik pagaaide er heen zonder een oog van hen af te wenden, totdat het was alsof er tusschen hen in een worteltronk uit het water rees. Voordat ik mijn kijker weer in orde had, waren ze verdwenen. Ik liet mijn kijker hangen en pagaaide gauwer; misschien waren ze wel aan ’t duiken—iets ongewoons voor zwarte eenden—en zou ik ze kunnen snappen. Daar had je ze weer en, floep! daar kwam die oude worteltronk ook weer voor den dag. Vlug als de wind bracht ik mijn kijker aan mijn oogen—en opgelost was het raadsel: de twee eenden waren de tippen van Umquenawis’ groote gewei; de worteltronk, die er tusschen in verrees, zijn kop, die boven kwam om adem te halen.
’t Was een drukkend heete middag; zwermen vliegen en muskieten vlogen er rond en Umquenawis had er heel wijsgeerig iets op bedacht om ze kwijt te raken. Hij lag in ’t diepe water op een modderbed en zijn heele lichaam was onder. Als de vliegenzwerm die hem treiterde bij zijn kop kwam, liet hij dien langzaam zinken, zoodat ze door ’t water verjaagd werden. Toen ik naderbij kwam, kon ik door mijn kijker zien hoe een zwerm er boven de golfjes wolkte of het uitstekende gewei bedekte. Na een poosje ontstond er dan een borrelend gegrom in de modder, als Umquenawis de lucht uit zijn groote longen blies. Daarna kwam zijn kop traag boven water om adem te scheppen tusschen de opstijgende luchtblazen, vielen de vliegen weer als een wolk op hem neer en verdween hij weer, lodderoogend onder het neerzinken, met een uitdrukking van volmaakte tevredenheid.
Het kwam eigenlijk niet te pas die zalige rust te verstoren, maar ik wou graag iets naders weten van den norschen, ouden tiran, die mij zoo weinig wellevend behandeld had; dus ik ging weer voorzichtig op hem af, schoot voort als zijn kop verdween, en bleef stil liggen elken keer dat hij opdook om adem te halen. Ten langen leste kreeg hij mij in ’t oog en stoof doodelijk verschrikt overeind. Ditmaal blonk er angst in zijn oogen. Daar had je dien menschvisch weer, dat wezen dat èn op ’t land èn in ’t water leefde en zoo stilletjes kon naderen, dat zijn zinnen waarop hij altijd zoo vertrouwd had hem niet waarschuwden. Een oogenblik stond hij ingespannen te turen, maar toen de kano zonder aarzelen, snel en onversaagd recht op hem aangleed, waadde hij het water uit, tot hij den woudzoom bereikt had achter de grasstrook, elk oogenblik stilstaand, om zich om te draaien en te kijken en den wind te onderzoeken. Daar gekomen stak hij zijn neus in de lucht, legde zijn groote gewei achterover op zijn schoften en baande zich als een zware locomotief een weg dwars door de ruigte, dat de elzen onder ’t gaan vroolijk om hem heen kraakten en kletterden. De volgende ontmoeting vormde er een merkwaardige tegenstelling mee. Ik was eens ’s nachts met mijn lantaarn aan ’t visschen en kwam dicht langs een plek waar ik dikwijls de prent van den ouden kolos gezien had. Hij was er niet en ik sloot mijn lantaarn en vervolgde mijn weg langs de kust, luisterend of er ook boschbewoners op uit waren. Toen ik een minuut of wat later terugkwam, hoorde ik een verdacht geplons op die plaats. Ik opende de lantaarn weer en daar stond Umquenawis, mijn geweldige eland, grootsch en reusachtig tegen den donkeren achtergrond, met oogen die gloeiden en fonkelden van dreigende verbazing over dat plotselinge licht. Hij was een meter of twintig van mij af langs den oever door de dikke ruigte komen loopen—zooals ik den volgenden morgen uit zijn prent kon nagaan—maar hij was met zijn logge lichaam zoo geruischloos door de boomen gegleden, telkens stilstaand om te luisteren, en bij elken tred op den grond tastend of er ook verraderlijke twijgjes lagen, eer hij met zijn volle gewicht neerkwam, dat ik geen geluid vernomen had, ofschoon ik op hem verdacht was en mijn ooren gespitst hield in de doodelijke stilte die over het meer lag.
Misschien was het uit nieuwsgierigheid, of door de onaangename gewaarwording van begluurd en achtervolgd te worden door den menschvisch, die niet bang voor hem was en hem toch geen kwaad deed, maar ten langen leste werd Umquenawis er toch door naar onze tenten gedreven om eens een onderzoek in te stellen. Op een keer was Noel bezig kleeren van mij in ’t meer uit te spoelen, toen hij als door een ingeving gedrongen zijn hoofd omdraaide, en daar stond de groote eland hem ingespannen te bekijken, half verscholen in de dwergsparretjes. Noel liet oogenblikkelijk zijn spulletjes in den steek en liep wat hij loopen kon onder de struiken langs den oever door, terwijl hij me hard toeriep dadelijk te komen en ’t geweer mee te brengen. Toen we terugkwamen had Umquenawis de kleeren in de modder getrappeld en was even geluidloos weer verdwenen als hij gekomen was.
Maar nu begonnen de Indianen aan te dringen; ze hadden ’t over den jager die omgekomen was, en beweerden dat het geen twijfel leed of dit was diezelfde eland; ze wilden van me dat ik het monster zou dooden en de bosschen verlossen van een werkelijk gevaar. Maar Umquenawis leerde al bang voor me zijn en ik dacht dat ik er den schrik wel in zou hebben voordat de zomer gedaan was. Zoo geschiedde het ook, maar eer ’t zoover was, hadden we bijna een drama beleefd. Op een keer kwam er een houtzoeker—een eenzelvige, stille man, die met bijna dierlijk instinct den weg in de bosschen wist te vinden, wiens werk het was de wildernis door te trekken om het meest geschikte terrein uit te kiezen voor ’t kappen later—aan ’t meer; en omdat hij onkundig was van onze aanwezigheid, kampeerde hij aan een bron, een paar mijl stroomaf. Ik zag den rook van zijn kampvuur van het meer uit, waar ik aan ’t visschen was, en werd nieuwsgierig wie er hier in de groote eenzaamheid was gekomen. Dat was ’s morgens. Tegen de schemering ging ik er heen, om den vreemdeling welkom te heeten en hem uit te noodigen, als hij er zin in had, onze kampplaats te deelen. Ik vond hem stijf en pijnlijk bij zijn vuur, waar hij bezig was brood met rauwe ham te eten, zoo hongerig als een wolf. Met éen oogopslag bijna had ik ook gezien dat de grond bij den boom omgewoeld was en overal in de rondte zag ik de hoefafdrukken van een grooten eland.
„Hallo, kameraad! Wat is er aan de hand?” zoo begroette ik hem.
„Heb je een geweer bij je?” vroeg hij met een echte, gebrouwde Iersche r in zijn uitspraak en geen aandacht schenkend aan mijn vraag. Toen ik van ja knikte, sprong hij op mijn kano toe, greep mijn geweer beet en draafde het bosch in.
„Een rare Chinees; misschien een beetje van de wijs, doordat hij te lang alleen in de bosschen is geweest,” dacht ik en begon den omgewoelden grond en de elandsprent te onderzoeken, om voor mezelf uit te vinden wat er gebeurd was.
Maar er was niets vreemds in het vriendelijke, open gezicht dat me aanzag, toen de vreemdeling een halfuur later weer uit het kreupelhout kwam. „Die leelijke, ouwe rakker heeft me hier in dezen boom de laatste tien uur als een lijster op een tak laten zitten; en geen slok heb ’k door mijn keel gekregen en geen hapje in mijn maag, voor den drommel! Hij verdween net toen u kwam—ik dacht dat ik hem zijn fratsen wel met een kogel betaald kon zetten,” zei hij verontschuldigend, terwijl hij mij mijn geweer teruggaf.
Daarna vertelde hij mij, bij zijn vuur gezeten, het heele verhaal. Hij had dien morgen net zijn vuur aangestoken en was bezig zijn natte kousen uit te trekken om ze te drogen, toen er een hevig gekraak en geknor achter hem ontstond en er een mannetjeseland als een bezetene uit het kreupelhout te voorschijn brak. De houtzoeker was overeind gesprongen en was hem ontweken en had zich, toen de eland weer omzwenkte, in een boom gezwaaid, waar hij schrijlings op een tak was blijven zitten, terwijl de eland steunend en stootend den grond onder zich met zijn scherpe hoeven beukte. Den heelen dag had deze het beleg volgehouden, trok nu eens listig af om zich in het kreupelhout te verstoppen, en kwam dan weer woest aanzetten, als de houtzoeker een poging aanwendde om van zijn ongemakkelijke zitplaats naar beneden te komen.
Een poosje voordat ik kwam was er iets eigenaardigs gebeurd, dat al weer, als zooveel andere dingen in de bosschen, er op schijnt te wijzen hoe sommige dieren—misschien wel allemaal, de mensch niet uitgezonderd—nu en dan een zesden zin bezitten, waar naam en verklaring voor ontbreken. Ik was nog een halve mijl of meer er vandaan, verborgen door een landtong, en pagaaide zwijgend, pal tegen den wind in;—er kon onmogelijk iets van mij te zien zijn, of geur of geluid van me ook maar op eenig bekend zintuig van welk dier ook inwerken—en toch begon de reus zich niet op zijn gemak te voelen. Hij verliet zijn post onder den boom en ging er zenuwachtig in kringen om heenloopen, rondkijkend, luisterend, zijn groote ooren heen en weer bewegend, terwijl hij bij elken stap onderzoekend in den wind snoof en zijn hoeven neerzette alsof hij op heete kolen trad. Plotseling keerde hij zich om en verdween geruischloos in het kreupelhout. McGarven, de houtzoeker, die geen flauw vermoeden had dat er behalve hijzelf nog een mensch aan ’t meer zou wezen, had den eland met stijgende verbazing en wantrouwen gadegeslagen, omdat hij hem van den een of anderen boozen geest bezeten waande. Tijdens zijn langdurig verblijf in de bosschen had hij honderden elanden ontmoet, maar hij was nog nooit tevoren lastig gevallen.
Met den vinger aan den trekker en ziedend van kwaadheid, had hij den voet van het dier opgenomen, dat recht op den berg was aangeslopen, eerst voorzichtig en daarna met groote, wiegende schreden.—„Nou, ’t is een rare snuiter hoor!” zei hij, terwijl hij zijn verhaal eindigde.
ALS DE ROEPER LOKT.
Het liep tegen den bronsttijd en ’s nachts was er iets van opgewonden verwachting in de lucht. Wanneer ik zat te visschen of de beken volgde, of laat in den middag door de bosschen sloop, kwam het plotselinge loeien van een wijfjeseland soms de stilte verstoren, zoo vaag, zoo wonderlijk in de dichte struiken, dat ik het geluid maar zelden beschrijven, laat staan na kon doen, of ook maar de richting bepalen waar ’t vandaan was gekomen. Gedekt door het schemerduister van den oever, betrapte ik aan het meer wel eens een paar van die reusachtige dieren: het wijfje rusteloos, ongeduldig, achterdochtig; het mannetje nu eens geluidloos als een schaduw, dan weer de stukgereten vacht van zijn groote gewei schurend en ritsend tegen de elzen, of vechtlustig elk levend wezen dat hem in den weg kwam, en de onschuldige struiken zelfs, bedreigend in zijn prikkelbare stemming.
Eens ging ik ’s nachts met Simmo naar de landingsplaats stroomaf, vlak bij mijn tent, waar ik voor ’t eerst den langen roep van den wijfjeseland probeerde. Hij en Noel weigerden beslist het te doen, als ik niet beloofde den ouden rakker op ’t eerste gezicht neer te schieten. In den laatsten tijd hadden ze hem herhaaldelijk bij ons kamp gezien, of ze hadden zijn diepe prent ontdekt op de naburige oevers, en ze begonnen bijgeloovig en bang te worden.
Een uur lang kwam er geen antwoord op onzen roep; het was, of de stilte die over het slapende meer en het woud lag uitgebreid leefde en waakte—een stilte, die nog dieper scheen te worden toen de laatste echo’s van den berkebastroeper door den berg in de verte naar ons terug waren gekaatst. Plotseling liet Simmo den toeter zakken, net toen hij hem aan zijn lippen had gebracht om te roepen.
„’n Eland in de buurt!” fluisterde hij.
„Hoe weet je dat?” gaf ik even zacht terug, want ik had niets gehoord.
„Hoe weet ik niet; ik weet het,” zei hij gemelijk. Denzelfden afkeer dien een wild dier heeft van bespied worden toont een Indiaan, wanneer hij wordt ondervraagd. Als om zijn meening te bevestigen, ontstond er plotseling een gekraak en geplas aan den anderen kant van de kleine baai tegenover ons, en een mannetjeseland sprong over den oever het meer in, nog geen vijftig meter van de plek waar wij aan de kust gedoken zaten. „Schieten, gauw, schiet hem!” riep Simmo en de angst voor dien ouden eland klonk uit zijn stem. Het beest gaf een geluid—een belachelijk hoog geluidje, als ’t getoeter van een stuivers-trompetje—terwijl hij in al zijn grootte haastig langs den oever aan kwam zwaaien, onzen kant uit. „Bah! een jong mannetje, stom beest!” fluisterde Simmo en liet zachtjes een vragend Woe-oe-woe door den basttoeter suizen, om hem naderbij te brengen. Hij kwam vlak bij onze schuilplaats, maar ging toen het bosch in en liep zwijgend in kringen om ons kamp, om ons onder den wind te krijgen. Den volgenden morgen toonden zijn sporen, nog geen vijf voet van den verst verwijderden paal van mijn tent af, hoe weinig hij zich om een menschelijk verblijf bekommerde. Maar ofschoon hij wel een uur lang in kringen heen en weer liep en Simmo’s zachten roep met zijn komieke gromgeluidjes beantwoordde, wou hij zich toch niet weer op den open oever vertoonen.
Na een poosje sloop ik voorzichtig naar de plaats waar ik het laatste takje onder zijn hoeven had hooren kraken. Simmo weerhield me en fluisterde iets van gevaar, maar ik had een vraag in mijn hoofd, waarop ik nog nooit een bevredigend antwoord had gekregen. Waarom zal een mannetje altijd op zoo’n lokroep afkomen? Men neemt aan—en terecht, geloof ik—dat hij komt in de meening dat het geluid door een wijfjeseland gemaakt wordt. Maar hoe zijn scherpe ooren zoo’n tastbaar bedrog niet zouden kunnen onderscheiden is het geheimzinnigste dat er in de bosschen bestaat. Ik heb massa’s jagers en Indianen hooren lokken, allen op verschillende wijze, en soms heb ik zelf met een weeklacht uit mijn bastroeper een mannetje uit het bosch te voorschijn doen komen, maar nog nooit klonk mij een lokroep in de ooren, die ook maar de geringste overeenkomst had met het loeien van een wijfjeseland zooals ik ’t vaak in de bosschen beluisterd had. En ik heb ook zelf nooit een wijfjeseland een geluid hooren maken, of iemand ontmoet die het gehoord had, dat iets leek op den „langen roep” der jagers, dien ze met goed gevolg gebruiken om het mannetje uit de verte naderbij te lokken. Anderen nemen aan—en daar is wel wat voor te zeggen—dat het mannetje minder bevreesd, minder bezorgd in dezen tijd van het jaar is en alleen komt om ’t geluid te onderzoeken, zooals hij en de meeste dieren in de natuur doen bij alles wat ze vreemds of onbekends hooren. De Indianen uit Alaska spannen een dierenhuid als een soort tamboerijn en slaan er met een dikken stok op om een mannetje te lokken, maar dit geluid zou wel eens iets kunnen hebben van een dier vele eigenaardige, loeiende kreten, die ik van een wijfjeseland in de wildernis gehoord heb. En van twee gevallen is me bekend dat er mannetjes afkwamen op bijlslagen tegen een houtblok; een klank, die in de verte wel iets heeft van ’t eigenaardige getsjok-tsjok waarmee de mannetjes hun wijfje lokken. Zoo kokkelt de kalkoensche haan en trommelt de patrijs en stampt het rendiermannetje tegen een paal of hollen boom, met dezelfde dwaas-verliefde verwachtingen.
Hoe ook beschouwd, het is iets met zooveel tegenstrijdigheden, dat iemand zich wel wacht voor een te stellige meening. Hier hadden we nu zoo’n „stom beest”, dat geen vrees kende, en me daarom misschien licht zou kunnen brengen in die duistere zaak. Ik zei Simmo dat hij door zou gaan met zachtjes roepen, terwijl ik naar ’t bosch toekroop, om te zien wat het uitwerkte.
Het was overal stikdonker, behalve op den open oever. Je moest je weg op den tast zoeken, en de voeten net zoo neerzetten als de eland zijn pooten. In weerwil van mijn voorzichtigheid zwiepte er plotseling een struik en kraakte er een takje. Dat werd oogenblikkelijk beantwoord met een haastig geritsel stroomop, waar het mannetje op mij afsloop. Hij had de beweging gehoord en kwam nu aan, om te kijken of het zijn tergende wijfje soms was, klaar om er haar ongenadig van langs te geven zooals dat zijn gewoonte is, omdat ze hem zoo’n last bezorgde, en om haar met stompen voor zich uit buiten het bosch te drijven, waar hij haar goed in het oog kon houden en er voor zorgen dat zij geen verstoppertje meer speelde.
Ik bleef onbeweeglijk achter een boom staan, met mijn handen om een tak boven mij geklemd, klaar om me buiten zijn bereik te zwaaien als hij een aanval deed. Een schimachtig, donker gevaarte drong vlak vóór mij uit het duistere bosch en stond stil. Tegen het flauwe licht van het meer, dat door het netwerk van takken scheen, teekende zich de groote kop met het gewei als een omgekeerde boomwortel af; maar ik zou nooit hebben geweten dat er een levend wezen stond, als er dat zachte, klokkende gerommel niet was geweest, dat het mannetje met zijn keel gaande hield, een soort van zware minneklacht, die stellig diende om zijn ontwijkende wijfje te kennen te geven dat hij in de buurt was.
Hij deed nog een stap in mijn richting, waarbij hij even langs de bladeren schuurde, terwijl een zacht, klaaglijk geknor blijk gaf van zijn verlangen. Nog twee passen, en hij zou me ontdekt moeten hebben, toen er gelukkig een smeekend gegorgel en een gelijkmatig plop-plop-plop—een eland, die in ondiep water ging—van den oever stroomaf weerklonk, waar Simmo zich verscholen hield. Onmiddellijk keerde het mannetje zich om en glipte weg als een schaduw tusschen de schaduwen. Een paar minuten later hoorde ik hem wegrennen, den kant uit waar hij het eerst verschenen was.
Na dien avond vond de schemering hem altijd in de buurt van onze kampplaats. Hij was overtuigd dat er een wijfje zich ergens dichtbij verstopt hield, en hij zou haar vinden. We hoefden maar een paar keer uit onze kano of van den oever te lokken, en een oogenblik later hoorden wij hem dan aankomen met zijn geluidje van een stuiverstrompet, tot hij eindelijk met zoo’n sprong op het strand te voorschijn stoof, dat door ’t gekraak en geplons alle echo’s ontwaakten. Toen, eens op een avond dat wij naast een zware rots in de donkere schaduw den jongen eland lagen gade te slaan zooals hij daar langs de kust zwierf in het maanlicht, knorde Simmo zachtjes om hem naderbij te lokken. Op dat geluid schoot er een grooter mannetje, waar wij geen vermoeden van gehad hadden, uit het kreupelhout vlak naast ons en plonsde recht op de kano aan. Onze redding hadden we alleen hieraan te danken, dat we zoo gauw mogelijk handelden. Simmo zwaaide den boeg om, gaf zelf een kreet van schrik, en ik pagaaide er van door, terwijl de eland, die ons in het zwakke licht voor het tergende wijfje hield, dat wel een week had gelokt en zich schuilgehouden, ons in ’t diepe achtervolgde. Wat dezen eland betreft, hier bestond in alle geval niet de minste twijfel dat hij afgekomen was op wat hij voor het lokken van een wijfje hield. Maanlicht is op een paar pas afstand bedrieglijk, en toen ’t zachte knorren uit de schaduw van het zware rotsblok klonk, was hij er zeker van ten langen leste het preutsche schepsel gevonden te hebben en had hij zich uit zijn schuilplaats te voorschijn gestort, vastbesloten haar in ’t oog te houden en niet weer te laten ontsnappen. Daarom zwom hij achter ons aan. Als hij er op uit was geweest om het een of andere onbekende geluid of een mogelijk gevaar te onderzoeken, dan zou hij nooit van land zijn gestoken, want daar alleen hebben zijn groote kracht en zijn wonderlijke zintuigen vrij spel. In ’t water kan hij geen kwaad, evenmin als de meeste andere in ’t wild levende dieren.