Chapter 5 of 9 · 3976 words · ~20 min read

Part 5

De kano schoot achter een landtong, waar ik het strijdperk zoo voor me had als ik over den lagen oeverrand keek. ’t Beest was een vischmarter—zwarte kat noemen de „trappers” hem—de bloeddorstigste en sterkste vechtersbaas van zijn grootte die er op de heele wereld bestaat, geloof ik. Op het oogenblik dat ik hem het eerst zag had hij zich sneller dan de gedachte voor den tweeden keer op de borst van den reusachtigen vogel geworpen, elastisch als een catapult. Beide keeren was hij met een bliksemsnellen klap in zijn gezicht van Quoskh’s gespannen wiek ontvangen. Zijn tanden vermaalden de groote slagpennen tot pap, zijn nagels trokken ze aan flarden, maar hij kreeg geen houvast in de veerenmassa en hij gleed grauwend, met slaande klauwen weer in ’t gras, om vliegensvlug weer overeind te springen. Nog een slag met de stijve wiek, maar nu was de sprong hooger—een klauw haakte in den schouder, reet door de stuivende veeren tot op het bot, terwijl zijn gewicht den grooten vogel naar beneden haalde. Toen trok Quoskh haar hals terug in een groote bocht, liet hem als een slang over den rand van haar eigen vleugel glijden—twee korte, krachtige stooten van de doodelijke speer—zoo snel dat mijn oog slechts tweemaal een gele flikkering zag—en met een snerpenden kreet liet de marter af en tolde blindelings naar mij toe. Eén oog was weg, en een leelijk rood streepje boven het andere verried hoe weinig het gescheeld had of ook de tweede houw had doel getroffen.—Het was of Quoskh’s gestalte zich oprichtte als een held die den strijd gewonnen heeft.

Er voer mij een rilling door de leden, toen ik er aan dacht hoe weinig het eens gescheeld had dat het mij zelf zoo gegaan was als den marter, en door hetzelfde scherpe wapen. Ik was toen een kleine jongen, en liep met een goedhartigen jager dien ik in ’t bosch was tegengekomen mee, alleen omdat ik ’t in de wildernis zoo heerlijk vond en omdat het zoo prachtig was de weitasch te dragen. Hij schoot een grooten, blauwen reiger, die vleugellam in de zachte modder en ’t moerasgras viel. Zonder erg stuurde hij er mij naar toe, omdat hij geen zin had zelf natte voeten te halen. Terwijl ik mij er heenspoedde, lag de reiger rustig met teruggetrokken hals, en zijn langen, spitsen snavel pal op mijn gezicht gericht. Ik had nog nooit eerder zoo’n grooten vogel gezien en boog me over hem heen, vol verbazing over zijn langen snavel, vol bewondering voor zijn helder schitterend oog. Toen wist ik nog niet—wat ik sedert wel geleerd heb—dat het altijd nauwkeurig te bepalen is wanneer een dier, een mensch ook, indien hij in zoo’n geval verkeert, zal aansnellen of springen, of toeslaan, door nauwkeurig op het oog te letten. Er fonkelt iets in die oogen, voordat de slag komt, nog eer er een spier getrild heeft om te gehoorzamen aan het snelle bevel van de hersenen. Toen ik me bukte, bekoord door dien scherpen, fonkelenden blik van den gewonden vogel, en mijn hand uitstak, kwam er diep in dat oog een flikkering, als een zonneschicht uit een spiegel, en als door instinct gedreven dook ik op zij. En dat was maar goed ook. Bliksemsnel schoot er iets langs mijn gezicht en haalde me een lange, roode snee over mijn linkerslaap, van de wenkbrauw tot het oor. Toen ik opsprong, hoorde ik een zorgeloozen lach.—„Uitkijken jongen, hij kon je eens bijten.—Lieve deugd, dat scheelde ook weinig!”—toen hij de wonde zag; en met een verschrikt, bleek gezicht rukte hij me weg, alsof er een beer in ’t moerasgras gezeten had.

De zwarte kat was nog niet genoeg gestraft. Hij is een van de grootste wezelsoorten en heeft dan ook een dubbele portie van de bloeddorstigheid en taaiheid van de wezel. Met snelle, zenuwachtige sprongen schoot hij in een kring om den reiger heen, om aan den achterkant een punt van aanval te vinden; maar Quoskh hief haar groote, gerafelde vleugels als schilden op en draaide zich in die verdedigende houding langzaam rond, om altijd front te kunnen maken tegen het gevaar. Wel twaalf keer sprong de marter toe en vulde de lucht met veeren. Wel twaalf keer zwiepten de strakke vleugels neer om den sprong op te vangen, en elke slag werd gevolgd door een snellen houw van den scherpen bek. Toen de marter wéér grommend in ’t gras ineendook, zag ik dat moeder Quoskh plotseling een stap voorwaarts deed—haar eerste aanvallende beweging—, zooals ik haar wel twintig keer had zien doen als ze bijna een kikker beethad—en haar snavel schoot neer, door de volle kracht van haar langen hals gedreven. Er klonk een snerpende smartkreet; toen wankelde de marter met onzekere sprongen blindelings weg, om een schuilplaats in het bosch te zoeken.

Nu was Quoskh meester van het terrein. Toen haar vijand wegstrompelde, was het of er een hevige, een ziedende woede in haar oplaaide, die het eerst zoo koele, berekenende van de verdediging verteerde. Ze schoot achter den zwarten marter aan, eerst loopend, daarna met zware vleugelslagen, tot ze hem voor was; toen dreef ze hem met nijdige slagen van wiek en snavel weer terug naar het water. Hij kon niets zien en werd slechts geleid door vrees en door zijn instinct. Nog een minuut of vijf joeg ze hem door het platgetreden gras heen en weer en dreef hem van ’t water naar ’t kreupelhout en van ’t kreupelhout naar het water, terwijl ze bij elken draai naar hem stak, totdat bladgeritsel hem lokte en hij zich blindelings in de dichte boschjes stortte, waar haar breede wieken niet konden volgen. Toen zag ze mij met haar wonderbaarlijke scherpzinnigheid daar in mijn kano staan, en schijnbaar zonder een oogenblik aan den jongen reiger te denken die daar zoo stil in ’t gras naast haar lag, breidde ze haar gehavende vlerken uit en vloog zwaar klapwiekend de jongen achterna die meer geluk hadden gehad.

Ik volgde het spoor van den marter door het bosch en vond hem ineengerold in een holle boomstomp. Hij bood maar weinig tegenstand, toen ik hem te voorschijn haalde. Al zijn kwaadaardigheid was in slaap gesust in die vage, droomerige verdooving, die de natuur altijd aan haar getroffen schepselen zendt. Hij leed niets, ofschoon hij vreeselijk gewond was; hij verlangde slechts alleen gelaten te worden. Zijn beide oogen waren er uit. Ik kon niet anders doen dan barmhartig voltooien wat Quoskh ongedaan had gelaten.

Toen het September werd en de zorgen voor ’t gezin geleden waren, raakte de kolonie aan den overkant van ’t bevermeer wijd en zijd verstrooid; alle reigers keerden terug tot het schuwe, wilde, eenzame leven dat Quoskh het liefst leidt. Bijna overal, in de afgelegenste plaatsen, ontmoette ik een eenzamen reiger, die op de kikvorschenjacht was of vischjes ving, of hoopvol als een schelpenvisscher over de zachte modder wandelde, om met zijn lange teenen te zoeken waar de mossels verscholen zaten, of hij stond daar zoo van den slaperigen zonneschijn te genieten, tot het laat op den middag werd; dan is hij het liefst heelemaál buiten.

Ze sliepen niet meer op het groote nest, waar ze als schildwachten stonden afgeteekend tegen ’t avondrood en den glans van de ondergaande maan; maar elk zocht een geschikt plekje op het strand en sliep zoo goed en kwaad als ’t ging op éen poot, en wachtte tot hij in de vroegte kon gaan visschen. Ik verbaasde er mij over hoe zorgvuldig zelfs de jonge vogels een veilige schuilplaats uitpikten. Overdag stonden ze als beelden in de schaduw van een oeverrand, of te midden van ’t hooge gras, waar ze door hun zachte kleuren bijna onzichtbaar waren, urenlang te wachten tot er visch of kikkers bij hen kwamen. ’s Nachts zocht elk zich een plaatsje op den onbegroeiden oever uit, gewoonlijk een eind van een landtong af, waar hij om zich heen kon kijken, waar geen gras een vijand aan ’t oog kon onttrekken, en het kreupelhout zoo ver weg was dat hij het minste bladergeritsel kon hooren, eer het dier dat het veroorzaakte dicht genoeg bij was om den sprong te wagen. En daar stond hij den heelen nacht veilig te slapen, behalve als mijn kano of iets anders dat nader sloop hem stoorde. Reigers kunnen ’s nachts bijna even goed zien als overdag. Daarom kon ik er nooit, hoe stilletjes ik ook pagaaide, dicht genoeg bij komen om ze te verrassen. Het eenige wat ik hoorde was een verschrikt vleugelgeklepper en daarna een vragenden kreet als ze over mij heenzeilden, voordat ze wegwiekten naar kusten waar ze niet gestoord werden.

Als ik in ’t donker vischte, met een helderschijnend licht voor me in de kano, om eens te probeeren welk nachtelijk volkje ik aan den oever zou kunnen verrassen, was Quoskh de eenige op wien mijn lantaarn geen bekoring uitoefende. Herten en elanden, vossen en wilde eenden, kikkers en visschen—het leek wel of ze zonder uitzondering als met tooverkracht werden aangetrokken door dat groote wonder van een licht, dat rustig in de diepe duisternis scheen. Allemaal zag ik ze, elk uur van den nacht, en ik gleed zoo naar ze toe, eer hun schuwheid ze van dat vreemde lichtwonder terugdreef. Maar Quoskh hoefde je op zoo’n manier niet te bespieden, en met zulke kunstjes was hij ook niet te vangen. Meestal zag ik een vagen omtrek aan het uiterste eind van mijn lichtbundel, ving de heldere flonkering op, eerst van ’t eene, dan van ’t andere oog, wanneer hij zijn kop als een weerhaan zwaaide, en daarna glipte het vage beeld de diepste duisternis in. Een oogenblik later hoorde ik dan boven me, achter me, waar het licht zijn oogen niet verblindde, zijn nachtelijken kreet—waarin meer boosheid dan vraag doorklonk—en als ik mijn lantaarn naar boven richtte, ving ik nog net een glimp op van zijn breede wieken, zeilend over ’t meer. Hij zou ook nooit terugkomen, om nog eens te kijken of ik het wezenlijk wel was, en dat doet een vos aan den oever wel.

Toen de glanzende maannachten kwamen, woelde er een wilde onrust in Quoskh’s binnenste. Overdag riep hem het leven in de eenzaamheid dat hem ’t liefst is, maar ’s nachts trok het oude kudde-instinct hem weer naar zijn kameraden. Terwijl ik eens op het bevermeer dreef in het teedere maanlichtgetoover, hoorde ik een stuk of vijf, zes van die groote vogels opgewonden in de oude kolonie krassen, die ze weken geleden hadden verlaten. Het meer, maar vooral de eenzame kom waar het hertenpad eindigde, was liefelijker dan ooit; in ’t Zuiden was echter iets dat hem wegriep. Ik denk dat Quoskh ook maanziek was, net als zooveel dieren in ’t wild; want in plaats van rustig aan den oever te gaan slapen bracht hij zijn tijd door met doelloos boven het meer en de bosschen rond te kringen, terwijl hij luidkeels zijn naam riep of wild tot zijn makkers kreet.

Tegen middernacht van den dag, voordat ik mijn kampplaats opbrak, pagaaide ik voor het laatst in het maanlicht op het meer. ’t Was een ideale nacht—helder, koel, bladstil. Geen rimpeltje brak het glanzende oppervlak van ’t water, een zilveren baan strekte zich ver, ver uit voor den boeg van mijn voortglijdende kano, en leidde me daarheen waar het groote bosch zwijgend, vol verwachting stond te waken, al die geheimzinnig schemerende bogen overstroomd van wonderbaar licht. De wildernis slaapt nooit. Als ze zwijgt, is het om te luisteren. Dien nacht waren de bosschen in spanning, als een vos die op de loer ligt, om te zien welk ongekend wezen er uit het meer zou komen, of welk vreemd geheim ging geboren worden onder hun eigen zachte schaduwen.

Quoskh was ook op ’t pad, door ’t maanlicht betooverd. Ik hoorde hem roepen en pagaaide er heen. Hij herkende me, lang voordat hij mij nog niet meer was dan een stem in den nacht, en kwam naar me toe zwenken. ’t Was de eerste keer dat ik hem na ’t invallen van de duisternis zag—een vage, grijze schaduw slechts, met zachte zilverglansen aan de omtrekken, die een kring beschreef boven mijn kano en er inkeek. Toen verdween hij; en van ver, ver over den zoom van het wachtende bosch, waar ’t zoo diep geheimzinnig was, kwam een kreet, een uitdaging, een raadsel, de wilde vraag van den nacht, waar geen mensch tot nog toe ooit antwoord op heeft gegeven—Quoskh? quoskh?

UNK-WUNK, HET STEKELVARKEN.

Een geritsel in de varens vlak bij mijn tentje wekte mij uit een lichte sluimering. Daar had je ’t weer. ’t Gerucht van een zwaar dier, dat zich dicht bij me stilletjes door de ruigte trachtte te werken, terwijl uit de richting van het oude houthakkerskamp midden in het open land een zacht, knagend geluid opsteeg in den stillen nacht. In een oogwenk zat ik overeind om te luisteren, maar ’t was weer stil geworden bij die plotselinge beweging. De nachtelijke zwervers hadden mij gehoord en waren op hun hoede.

Gij hoeft niet bang te zijn voor de dieren die ’s nachts op bezoek komen. Zij zijn veel schuwer dan gijzelf en kunnen u beter zien, zoodat ze uw slechte gezicht, als ge in den blinde op hen toeschiet, voor moed houden en zich ijlings uit de voeten maken. Toen ik naar buiten trad, snelde er wat weg in ’t struikgewas achter mijn tent, en bij ’t schijnsel van de maansikkel zag ik nog net even een berin met haar jong heenspringen, om in ’t bosch weg te schuilen.

Nog altijd hoorde ik het geknaag achter de oude schuur aan de rivier. „Nog een jong!” dacht ik—want ik was nog nooit eerder in de groote bosschen geweest—en sloop er heen om eens om den hoek te kijken van de oude nederzetting, waar ik op het erf kampeerde, dien eersten nacht buiten in de wildernis.

Net om den hoek lag een oud stroopvat met een opening die gitzwart leek in ’t maanlicht, en uit de schaduw klonken de schrapende, knagende geluiden maar gestadig voort. „Hij zit er in, en is bezig aan de suikerkorst te knabbelen,” was mijn opwindende gedachte; „als ’k hem nu eens kon krijgen...”

Stilletjes liep ik om de loods heen, om den dichten kant van het vat tusschen mij en mijn buit te krijgen, sloop ademloos naderbij en hief met een snellen zet het oude vat overeind—het beest zat er in. Een bons, een verschrikt gekrabbel en gefrutsel, het vat dat ik neer trachtte te houden begon hevig te schudden, en toen was alles in de val weer rustig. „Ik heb hem!” dacht ik, de heele berenmoeder vergetend, en riep Simmo toe dat hij de bijl mee zou brengen.

We sloegen een paalheg stevig om het vat heen, belastten het met zware blokken en gingen weer naar binnen om te slapen.

Toen wij den volgenden morgen de zaak eens kalmer bekeken, kwamen wij tot de slotsom, dat een berenjong toch te lastig is om als speelkameraad in een tent te hebben; ik ging er dus met een geweer bij staan, terwijl Simmo er de blokken aftilde, de palen doorhakte en mij ondertusschen in ’t oog hield, om te zien in hoeverre hij zijn leven aan mijn zelfbeheersching kon toevertrouwen. Daar viel een paal om, het vat kantelde ondersteboven, door een duw van binnen; Simmo ging met een schreeuw op den loop, en daar waggelde een groot stekelvarken te voorschijn—zoo’n groot als ik nog nooit gezien had, dat er tuimelend van doorging, regelrecht op mijn tent toe. De Indiaan achter hem aan! Met lange armzwaaien poogde hij het stomme dier met zijn bijl te raken en mopperend gaf hij aan zijn verachting lucht voor dat berenjong van mij.

Halverwege de tent struikelde Unk-Wunk over een stukje zwoord en stond stil om het kieschkeurig te besnuffelen. Ik greep Simmo bij zijn arm en voorkwam den slag, die anders een eind zou hebben gemaakt aan het leven van mijn slachtoffer. Toen ging Unk-Wunk tusschen ons in op zijn hurken zitten, nam ’t zwoord in zijn voorpooten en zoog er het zout uit, alsof er op de heele wereld geen zorg of geen vijand bestond. Een halfuur later kwam hij in mijn tent neuzen, waar ik een van mijn lievelingsvliegen, die ik voor zalmvisschen gebruikte en die een hongerige forel aan flarden had getrokken, zat te verstellen—en verdreef me zonder plichtplegingen uit mijn eigen gebied, op zoek naar meer zout.

Zoo’n wijsgeer, die door geen gevangenis uit zijn gemoedsrust is te brengen en wien geen gevaar van zijn bescheiden genoegens kan berooven, verdient meer aandacht dan de zoölogen hem ooit geschonken hebben. Ik nam oogenblikkelijk het besluit hem nauwkeuriger te bestudeeren. Maar, alsof hij elke poging in die richting wilde afschrikken en zichzelf tot mikpunt van mijn geweer maken, vernielde hij den volgenden nacht mijn kano bijna, door een gat dwars door het omhulsel en de ribben heen te knagen, omdat ’t er ergens naar zout scheen te ruiken, wat alleen zoo’n begeerige neus als de zijne kon hebben ontdekt.

Eens dat hij op ’t pad was ontmoette ik hem een eind van ’t kamp af, en omdat ik niets beters te doen had, trachtte ik hem naar mijn tent te drijven. ’t Was mijn bedoeling geweest gastvrij met hem te deelen, hem een stuk spek te geven en hem gade te slaan, terwijl ik zelf aan ’t eten was. Nauwelijks had hij in de gaten dat hij voortgedreven werd, of hij keerde zich om, kwam recht op mijn beenen aan en voordat ik hem ontsnappen kon, had hij me een venijnigen klap met zijn staart gegeven en een paar van zijn pennen in me achtergelaten. Toen dreef ik hem de tegenovergestelde richting uit, waarop hij zich omkeerde en langs me heenschoot; en toen ik in ’t kamp aankwam, was hij druk bezig den steel van Simmo’s bijl te beknabbelen.

Hoe men hem ook neemt, Unk-Wunk is en blijft iets geheimzinnigs. Een onbeantwoorde vraag is zijn bestaan, een vraagstuk, dat hoe langer hoe raadselachtiger wordt naarmate gij het tracht op te lossen.

Hij is het eenige in ’t wild levende dier dat niet bang voor den mensch is en dat zijn nabijheid nooit leert schuwen: niet door zijn instinct en niet door zijn ondervinding. Overal in de wildernis houdt hij zich op, totdat hij ’t eens anders in zijn kop krijgt (overleggen zou hij het zelf misschien noemen) en dan is hij spoorloos verdwenen, kunt ge hem nergens vinden. Hij geniet van de eenzaamheid en geeft niets om zijn soortgenooten, maar toch zou ’t u wel eens een paar maal kunnen gebeuren dat ge plotseling voor een heele verzameling stekelvarkens kwaamt te staan, aan den voet van een rotsigen heuvel, waar ze loopen rond te boemelen, met hun pennen te klapperen, hun naam: Unk-Wunk, Unk-Wunk, te knorren en den heelen, lieven, langen dag niets anders uitvoeren.

Den eenen dag dat ge hem tegenkomt is hij zoo bang als een wezel, en den volgenden dringt hij maar brutaalweg uw tent binnen, en als hij u toevallig snapt, zonder dat er een dikke stok bij de hand is, jaagt hij er u uit. Een bepaald doel of een vaste bezigheid heeft hij nooit. Wanneer doet er niet toe, maar probeer hem eens tegen te houden; dan zal hij er zijn leven voor wagen om nog net even een duimbreed verder te komen. Tracht hem dan nog een eindje die richting uit te drijven, en hij zal terugspringen, zoo eigenwijs als een varken dat naar stal moet, zoo’n Jantje Contrarie, en zich liever laten dooden, dan den weg te nemen dien hij nog geen oogenblik geleden uitging. Hij zal geen schepsel kwaad doen, maar als de bloeddorstige vischmarter hem aanvalt, gaat hij stilliggen om hem dood te slaan, en zoo doet hij zelfs met den grooten Canadeeschen lynx, wien geen andere boschbewoner aan zou durven.

Maar boven al deze raadselachtige tegenstrijdigheden staat toch de vraag die het eerst bij ons opkomt: hoe de natuur er ooit toe kwam zoo’n wezen te scheppen, en wat ze toch met hem voorhad? Want hij schijnt eigenlijk voor niets te dienen, nergens te passen in het natuurlijk verband der dingen. In Maine [7] is onlangs een wet uitgevaardigd, waarbij het schieten van stekelvarkens verboden werd, heel eigenaardig op grond hiervan, dat een stekelvarken het eenige makkelijk te vangen dier in de natuur is en zonder gevaar kan worden afgemaakt, zoodat iemand die in het bosch verdwaald is niet behoeft te verhongeren. Wanneer men het zuiver uit een oogpunt van nuttigheid beschouwt, is dit tot nog toe het eenige wat er op zou kunnen wijzen dat Unk-Wunk geen vergissing is, integendeel, wel eens zijn nut zou kunnen hebben.

Om die wet te keuren en om vast mijn voorzorgen te nemen tegen mogelijke gebeurtenissen in de toekomst, heb ik Unk-Wunk ook eens op mijn spijslijst gezet: een verachtelijke, kwalijkriekende aanwinst, waar een liefhebber van sterke kaas waarschijnlijk verrukt over zou zijn. ’t Is stellig een uitstekende wet, maar ik kan me nu niemand meer voorstellen die er dankbaar voor wezen zou, of hij moest onvoorwaardelijk hebben te kiezen tusschen dood of stekelvarken.

De roofdieren die in de wouden rondsluipen zouden niets liever dan hem opeten, maar dit wordt hun streng belet. Ze kunnen hem zelfs niet aanraken of ze ondervinden er de gevolgen van. ’t Lijkt wel alsof de natuur, toen ze dit aartsdomme wezen in een vernuftige wereld schiep, zulke teedere voorzorgen met hem nam als ze voor een halfwijs of idioot kind zou hebben gedaan. Hij is het eenige dier dat het vreeselijke van hongersnood niet kent. Het heele bosch is zijn voorraadschuur. In den tijd van knoppen en jonge loten geniet hij daarvan, en wanneer de bittere kou gaat nijpen en een dikke sneeuwlaag alles bedekt en alle andere dieren mager en bloeddorstig van den honger worden, hoeft Unk-Wunk slechts in den eersten den besten boom te klimmen, met zijn sterke tanden het buitenste van den ruwen bast af te knagen en hij kan zich verzadigen aan den zachten binnenkant. Dan stapt hij zeer voldaan heen met een burgemeestersbuikje.

Voor hongerige dieren kent Unk-Wunk geen vrees. Ze laten hem gewoonlijk wel met rust, want ze weten dat het nog dommer zou zijn hem aan te raken dan in een zonnevisch of een „brompietje” [8] te happen. Wanneer ze in die moordende Maartsche dagen door den honger gedreven begeerig op hem afkomen, rolt hij zich doodgewoon op en blijft liggen. Hij wordt door een harnas beschermd, waar alleen een stalen handschoen zich veilig aan zou kunnen wagen en waar zelfs ’t scherpste oog geen voegje in zou kunnen ontdekken.

Een sluwe lynx of een wezel, door ondervinding wijs geworden, maar radeloos van den honger, laat zich wel eens naast Unk-Wunk plat op den grond vallen en werkt zijn neus voorzichtig onder het vreeselijke stekelomhulsel, om hals of onderkant van het lichaam, waar geen pennen zijn, te zoeken. Een greep van de sterke kaken, even den smaak van het bloed in den uitgehongerden bek—dan is ’t met allebei gedaan; want Unk-Wunk bezit een verdedigingsmiddel waar geen boschroover ooit op rekent, en dat is zijn breede, zware staart, met honderden weerhaken gewapend, wel kleiner dan die op zijn rug, maar ook veel sneller den dood veroorzakend, en hij zwaait dit wapen met dezelfde vlugheid als waarmee de boosaardige ratelslang op haar prooi toeschiet. Soms bedekt Unk-Wunk zijn snuit er mee als hij wordt aangevallen, maar meestal steekt hij zijn kop onder een boomwortel of in een hollen boomstronk en houdt zijn staart buiten klaar om toe te slaan. Nauwelijks raakt zijn vijand hem dan aan, of zoo vlug als de wind komt de staart vinnig neer, links, rechts, en drijft hem kop en flanken vol pennen. Er is geen ontkomen aan den dood, want zijn pijnlijk ineenkrimpen, zijn wrijven, elk zijner pogingen drijft ze dieper en dieper naar binnen, tot ze in hart of hersens terecht komen en hun taak volbrengen.