Chapter 1 of 10 · 3889 words · ~19 min read

Part 1

DRIE BLIJSPELEN.

DRIE BLYSPELEN

VAN PIETER LANGENDYK.

[Illustration]

SCHIEDAM, H. A. M. ROELANTS.

INHOUD.

Bladz.

DON QUICHOT OP DE BRUILOFT VAN KAMACHO 3

PAPIRIUS, OF HET OPROER DER VROUWEN BINNEN ROMEN 59

DE WISKUNSTENAARS, OF ’T GEVLUCHTE JUFFERTJE 85

INLEIDING.

’t Algemeen verval onzer Letteren in het laatst der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw was ook op het tooneel duidelijk waarneembaar. Reeds het nietig gehaspel der Nil-Arduanen met hun tegenstanders toont, hoe weinig de Letterkunde nog kon voortbrengen. Een man als Thomas Asselyn werd nagewezen omdat hij oorspronkelijk durfde zijn. En hoe veel hooger staat hij dan de peuterige clubmannen.

Slechts Pieter Langendyk is in het begin der achttiende eeuw een lichtpunt, dat, al is zijn lichtgevende kracht ook niet heel groot, toch meehelpt om de duisternis een weinig dragelijk te maken. Langendyk geeft, wat hij heeft, doet, wat hij kan, is daardoor natuurlijk en verwekt dientengevolge onze sympathie. Daarbij bezit hij een andere eigenschap, die hem boven vele andere kluchtspeldichters plaatst. Mag hij zich al eens platte uitdrukkingen veroorloven, gebruikt hij misschien wel eens woorden, die ons wat los toeschijnen, vies is hij nooit en nog minder is hij er op uit om onkieschheden uit te rafelen.

Op zich zelve is die voor ons vrij negatieve eigenschap een groote loftuiting, te meer wanneer wij letten op ’s mans afkomst en opvoeding. Zijn vader toch was een metselaar en Langendyk zelf was zijn leven lang niet veel meer dan een begaafd werkman.

In 1683 te Haarlem geboren, ontving hij niet veel onderricht, daar zijn vader vrij spoedig stierf en zijn moeder niet goed op de zaken wist te passen, zoodat beiden uit hun vroegere welvaart spoedig tot armoede vervielen.

Langendyk, die veel lust in het teekenen had, moest voor zich en zijn moeder den kost verdienen. Dat gelukte hem als teekenaar van een damastweverij in Amsterdam, waarvan hij vrij goed kon bestaan. Wellicht zou hij nog tot welvaart zijn gekomen, als zijn moeder wat beter had gezorgd voor het huishouden. Toen hij in 1722 naar Haarlem verhuisde en daar veel werk kreeg van damastweverijen bracht dit hem niet verder. Zelfs de dood zijner moeder bracht geen uitredding, want de man trad in het huwelijk en was zoo ongelukkig iemand te trouwen, die nog minder zuinig was en hem bovendien nog het leven vergalde door haar slecht humeur. Slechts twaalf jaar moest hij haar dulden. Toen stierf zij, maar Langendyk, die zelf waarschijnlijk ook niet veel zuinigheid van zijn moeder zal geleerd hebben, werd niet welvarender. Gelukkig werd hij op andere wijze geholpen, doordat de regeering der stad Haarlem hem met den titel van Stads-historieschryver een jaarlijksch traktement bezorgde en een onderkomen in het Proveniershuis.

Daar stierf hij in 1756.

Reeds vroeg had Langendyk zijn liefde voor de kunst aan den dag gelegd, behalve door teekenen ook nog door het dichten van blijspelen en andere gedichten. Deze laatste hebben evenwel weinig waarde.

Op zeventienjarigen leeftijd reeds, schreef hij den Don Quichot, dat door andere stukken gevolgd werd o. a. door zijn levendig blijspel: „Het wederzijdsch Huwelijksbedrog” (Panth. 68). In 1715 verscheen behalve „de Wiskunstenaars” ook nog „Krelis Louwen” (Panth. 5). Gedurende den tijd, dat de windhandel in Europa een groote vlucht nam en ook hier werd gedreven, schreef Langendyk een paar stukken naar aanleiding daarvan, nl. den „Arlequyn Actionist” en de „Windhandelaars” (Panth. 5). Na langen tijd rust verschenen eerst zijn „Xantippe” (Panth. 41) en vervolgens zijn „Papirius of het oproer der Vrouwen binnen Romen”. De rij zijner blijspelen werd gesloten door het beste, het fijnste stuk, getiteld, „Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden”.

DON QUICHOT

OP

DE BRUILOFT VAN KAMACHO.

Blyspel.

Aan de Heeren

HENDRIK HAAK H.Z.

en

Mr. EVERHARD KRAEIVANGER.

Ik offer u, ô waarde vrinden, Den vroomen Ridder Don Quichot, Die zich iets groots dorst onderwinden: Maar voor zyn daden wierd bespot, Van volk dat hy niet wys kon maaken, Dat Amadis en Palmeryn En honderd Romanike snaaken Geen leugens, maar vol waarheids zyn. Ik voer hem hier ten schouwtooneele: Opdat hy met zyn zotterny Voor and’ren (zyns gelyken) speele, Dat alle waan maar zotheid zy; Hoe al des waerelds schoone dingen Maar bij verbeeldingen bestaan, En even als ’t geluid na ’t zingen In wind en lucht terstond vergaan. Wie kan den luister bet vergrooten Van myn geringe Poëzy; Als gy, die t’zaam als kunstgenooten Dus lang de Wiskunst aan het Y Geoeffend hebt en ingezogen; Daar een van u my dikmaal hiel Door schoone maatzang opgetogen, Die al wie kunst bemint beviel: Dies hoop ik zal ’t u niet mishaagen, Dat ik, ô Minnaars van de kunst, Dit blyspel aan u op durf draagen Tot dankbaarheid, voor al uw gunst.

UEd. Dienstbereide Dienaer en Vriend

P. LANGENDYK.

_Aan den Leezer._

Zie hier den vierden druk van dit Blyspel, hetwelk, buiten myne verwachting, vrygelukkig op het tooneel, tot nog toe, geweest is. De aanmerkingen die verscheidene Liefhebbers der tooneelpoëzye op het zelve gemaakt hebben, en de misslagen die ik daar zelf in bespeurde, na dat ik wat meer kennis van de schikking, die in een spel vereischt wordt, kreeg, hebben my lust gegeeven om het hier en daar te beschaaven. Voornamelyk heb ik getracht om het van de gaapende tooneelen te zuiveren, door het tussenvoegen van korte uitkomsten. Ook heb ik eenige naamen veranderd van de Boeren, hen Spaansche gegeeven, in plaats van Duitsche. Wat den naam van Meester Jochem de Rymer betreft, die had ook kunnen veranderd worden: maar gemerkt die Joachim, in alle Landen gemeen is, heb ik die zo gelaaten. Sommigen hebben my berispt, dat ik er een Waal in breng als kok, en hem derhalve in Spanje (daar het spel speelt) Walsch doe spreeken: maar my dunkt (onder verbetering) dat zulks een slechte critique is: want als men een Waal door zyn taal niet mag doen spreeken, mag men de andere Personaadjen ook geen Duits laaten spreeken; hieruit zou volgen, dat men alle stukken zoude moeten verwerpen van ons Tooneel die in andere Landen speelen, indien men verstaan wilde weezen. Van de zelfde natuur is de aanmerking, die ik over de taal van myn Boeren gehoord heb. Een Boer is immers een Boer? en spreekt als een Boer? hetzy hy in Spanje of hier in Holland in de Veenen woont? Sanche Panche is volgens den Roman van Savedra daar dit spel uitgetrokken is, een Boer, die door Don Quichot uit zyn Dorp mede getroond is, om zyne dolle avontuuren te zoeken: derhalve moet hy als een Boer spreeken. Maar al genoeg daar van. Die zonauw wil ziften banne vry alle Tooneelstukken die in dit Land niet speelen van ’t Tooneel, hy zal werk vinden. De allerheerlykste Treurspelen zal hy moeten verwerpen. Andromaché zal Trojaans, of in hare Slaaverny, Grieks moeten spreeken; Heraklius Latyn enz. Nog is my gevraagd, waar myn Waal zyn deken in het Bosch zo schielyk krygt, om Sanche in te sollen; om deeze luiden te onderrechten laat ik hem deze regels zeggen:

_Ze’eb lang op jou keloer, om jou hier te attrappeer;_ _Die Deek is hier kebrok om jou te brui wat meer._

Deze en diergelyke Beuzelachtige aanmerkingen heb ik ligt kunnen veranderen: maar de grondregel van zyn personaadjen in het eerste Bedryf te doen kennen, is van meerder gewicht: daarom heb ik een groot Tooneel op nieuw gerymd, en vooraan gebracht, om het Karakter van Don Quichot te doen kennen, aan luiden die den Roman nooit geleezen hebben. Ook geef ik aan Quiteria een vertrouwde, omdat het wanschikk’lyk is eene Juffer alleen in het Bosch te laaten wandelen. Ik zal afkorten, de liefhebbers der Tooneelpoëzye zullen de veranderingen genoeg bespeuren die ik hier en daar gemaakt heb, zy zullen zonder twyffel nog genoeg aanmerkingen op het Spel hebben; maar ik meen’er voortaan niets in te veranderen.

Ik zie’er zelf nog dingen in, die veranderd mochten worden; maar door dien het Spel zo menigmaal vertoond is, heb ik’er eer iets willen in brengen als uitlaaten, om luiden van minder kennis in dat slag van Dichtkunst te gemoed te komen. Het ieder van pas te maaken, is onmogelyk.

Vaarwel.

P. L.

VERTOONERS.

_KAMACHO, een ryke boer, bruidegom van QUITERIA._ _BAZILIUS, een Edelman, Minnaar van QUITERIA._ _LEONTIUS, een adelyk Landman, Vader van QUITERIA._ _QUITERIA, Bruid van KAMACHO, en Minnaresse van BAZILIUS._ _LAURA, Speelnoot van QUITERIA._ _VALASKO, Vriend van BAZILIUS._ _DON QUICHOT DE LA MANCHA, een Edelman die zich inbeeldt een doolend Ridder te weezen._ _SANCHE PANCE, zyn schildknaap._ _VETLASOEPE, een Waal, Kok en Hofmeester van de Bruiloft._ _De PASTOOR._ _Meester JOCHEM, Schoolmeester, en Rymer._ _BOER, BOERIN, Zingende._

ZWYGERS.

_Bruiloftsvolk, zoo Boeren als Boerinnen._ _Dansers en Muzikanten._ _Eenige Edellieden van ’t gevolg van BAZILIUS._

STOMMEN.

_RONSINNANT, het oud mager Paerd van DON QUICHOT._ _GRAEUWTJE, de Ezel van SANCHE PANCE._

Het tooneel verbeeldt een Bosch, by een Dorp in Mancha. ’t Spel begint ’s morgens, en eindigt na den middag.

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

_BAZILIUS, VALASKO._

BAZILIUS. ’k Weet dat Quiteria, myn Lief, my nog bemint, En geen behaagen in haar’ dwaazen Bruigom vindt. Dit is de plaats daar ik die schoone moet verwachten, Om te overleggen wat wy hebben te betrachten. Ik hoop dat ik haar hart wel haast bewegen zal. VAL. Myn vriend Bazilius ’k beklaag uw ongeval: Want nu haar Vader zyn belofte u niet wil houwen, Baat u haar weêrmin niet. BAZ. Hoe, moet ik dan aanschouwen, Dat zulk een lompe boer, ten spijt van myne min, Die schoone Juffer trouwt, in weêrwil van haar’ zin? o Neen Valasko, ’k hoop dat huw’lyk te beletten. VAL. Het is vergeefs dat gy u daar wilt tegen zetten; Haar Vader wil het, zy kan hem niet wederstaan, Vergeet die min, myn Heer, ik bid u, laat u raên. BAZ. Hoe kan ik? neen ik denk myn opzet niet te staaken. VAL. Wat wilt gy doen? BAZ. Ik ben van zins om haar te schaaken. VAL. En waant gy dat gy haar daar toe bewegen zult? BAZ. Helaas! ik weet het niet! ’k wacht haar met ongeduld Om ’t vonnis van myn dood of leeven aan te hooren. ’k Weet dat Kamacho haar in ’t minst niet kan bekooren; Dit doet my hoopen dat ik haar tot myn besluit Zal overhalen. VAL. Maar zy is alreeds zyn Bruid. Had gy een week of twe hier eerder kunnen komen. BAZ. Ik heb zo dra als ik de zaken had vernomen Het hof verlaaten, en begaf mij herwaart aan. Myn Schoone had zo dra myn aankomst niet verstaan, Of heeft my op dees plaats, door Laura, doen bescheiden. ’t Is u bekend dat zy ’t geheim weet van ons beiden. Dus quam ik hier, daar ik u by geval ontmoet: Het geen, ô waarde vrind, myn hart verheugen doet. VAL. Ik koom op deeze plaats, om iemand op te sporen, Die zyne zinnen door het leezen heeft verloren, Een doolend Ridder, daar een ieder staag me spot. BAZ. Een doolend Ridder! VAL. Ja, de dapp’re Don Quichot. BAZ. My is een Boek, ’t geen zo genoemd wordt aangeprezen: Maar wie zou denken, dat ’er zulk een mensch kon wezen; Men zegt dat ’t is gemaakt door eenig gaauw Poeët. VAL. Zo hoor ik dat gy mê van zyne daaden weet? BAZ. Kan ik gelooven dat hy zou met schaapen vechten En kudden, Legers noemt? VAL. ô Ja myn heer wat rechten De gekken niet al uit? BAZ. En zien een herberg aan Voor eenig sterk kasteel, daar hy op ’t huis moet gaan? Verliefd zyn op een mensch die nergens is te vinden; Noch op de waereld leeft? zich zelven onderwinden Met meulens, (die hy voor zeer groote reuzen neemt) Te vechten? Neen myn Heer het dunkt my al te vreemd. VAL. Hy kreeg die zotheid door het leezen van de boeken: Als Roeland, Amadis... BAZ. Gy hoeft hem niet te zoeken: Want alzo min als die ter waereld zyn geweest, Is Don Quichot ’er nu. Ik zeg ’t komt uit den geest Van eenen Dichter, die deez’ boeken wil bespotten; Gemaakt tot tydverdryf voor kinderen, en zotten, VAL. Myn Heer, hy is van daag op deze plaats gezien, Met zynen Schildknaap: ik heb zelf twe edelliên Gesproken, die met hem zijn herwaart aangekomen. ’k Geloof zoo min als gy aan ’t geen de dichters droomen: Maar deeze hebben my zoo veel van hem verhaald, En Sanche Pance, die met hem als Schildknaap dwaalt, Dat ik niet twyf’len kan. BAZ. Dan moet ik het gelooven. VAL. Maar eene zaak gaat myn gering verstand te boven: ’t Welk is, dat Don Quichot zeer gunstig redeneert Van veele zaaken; dat hy kloek is en geleerd; Zodat men hem zomtyds zou voor verstandig achten, En geene spoorloosheid in ’t minst van hem verwachten: Maar als hy redeneert van zyne Ridderschap, Klimt zyne zotheit tot den allerhoogsten trap. Ziet hy een boer, dien waant hy straks een prins te wezen, En geeft hem naamen die hy elders heeft gelezen. Zoo dees hem tegenspreekt, dan tast hy naâ zyn zwaerd, En stygt vol gramschaps op zyn Ronsinant: een paerd, Dat door den ouderdom het loopen heeft vergeeten, Daar hy al dikwijls is met steenen afgesmeten. Hy vecht schier nooit of ’t koomt met hem op slagen uit; Daar Sanche Pance mede in deelt, in plaats van buit. BAZ. ’t Is wonder dat hy dan wil langer by hem blijven; Want altyd slagen, en geen voordeel... VAL. Die kan schryven Noch lezen, en hy is een zeer onnoz’le bloed: Die juist geen zin heeft in al ’t geen zyn meester doet; Maar wyl hy hem beloofd tot Gouverneur te maaken, Zo hy eens meester van een koninkryk kan raaken, Blyft hy hem by, op hoop of zulks eens mocht geschiên. Ik kan niet rusten, voor ’k die gekken heb gezien. BAZ. Ik zie Leontius, myn Liefstes Vader, komen. VAL. Ik zie Kamacho ook. Laat ons by deze boomen Ons wat verschuilen tot zy zyn voorby gegaan. BAZ. Zy hebben mog’lyk van myn aenslag iets verstaan. VAL. Gy vreest het ergste: ’t zal misschien zoo slim niet weezen, Zy wand’len hier wel meer, gy moet zo licht niet vreezen.

TWEEDE TOONEEL.

_KAMACHO, LEONTIUS. BAZILIUS en VALASKO, ter zijde._

KAMACHO. Dit is de plek, daer ik van daeg je Dochter mien Te trouwen. LEONT. Ik beken, gy hebt wel uitgezien; Maar waarom hebt gy ’t juist hier in het Bosch begrepen? KAMAC. Dat’s op zyn edelmans, we weeten van de kneepen, Ik ben nou ryk ’enoeg, het geldje van kezyn, Die in Westinje sturf, is allemael nou ’t myn. Toen jonker smalpens met de vrouw van platbeurs trouwde, (’Et gien ’em naederhangt zoo euvelik berouwde,) Was ’t hiele zelschip, als je weet, op deuze plek, En ’t ging er ong’dieft wel. We binnen ook niet gek. Waar zou ik al het volk, dat ik genooit heb, laeten, Men huis is veul te klein. LEONT. Laat ons hier niet lang praeten. KAM. Kom gaen we dan ... daer is myn Liefste of ’k ben een guit! LEONT. Verzeld met Laura.

DERDE TOONEEL.

_LEONTIUS, KAMACHO, QUITERIA, LAURA, BAZILIUS en VALASKO, ter zyde._

KAMACHO. Wel myn snoeperige Bruid? Wel heer, wat binje mooij, ik durf je pas iens raeken, Je zelt my deuzen dag nog gek van liefde maeken. Kom zoen me nou eraais. QUIT. Ei Bruîgom laat dat staan. KAM. Wat zo dat smaekt me, hae! LEONT. Laat ons nâ huis toe gaan. KAM. De kok zel ’t allemael wel zongder ongs beschikken, En laeten wy terwyl met ’t Bruiloftsvolk wat flikken. LEONT. Hoe speelen op de kaart? KAM. Ja, gist’ren avond won ik met de kaert, in ’t kort, al menig Patakon. LEONT. Waar hebje dat geleerd? KAM. Wat, troeven? bij de Boeren. Hoo, hoo, mit troeven, kan gien mensch my ummers loeren. LEONT. Ik speel nooit met de kaart. KAM. Ei hoor, wel waerom niet? LEONT. Om dat daar somtyds quaad of moeite door geschied. KAM. Wel paeij, bin jy zo vies? loop maer in Steê iens kyken, Daer zelje ’t zien van volk dat fyne knevels lyken. ’t Verkeerbord gaet ’er wel in zwang, zoo ’t niemant weet, Als maer de schyven fraeij met laeken zyn bekleed. LEONT. Het zy zo ’t wil, ’k zal hen daar niet te meer om pryzen. Het geest’lijk kleed bedekt veel’ gekken, en veel wyzen. QUIT. Heer Vader, ik verzoek dat ik in eenzaamheid Met Laura wand’len mag. KAM. Myn zoete lieve meid, Wat zou je lui hier doen? QUIT. Myn and’re speelnoots wachten. LEONT. Kamacho gaen wy dan.

_Leontius en Kamacho binnen._

QUIT. ’t Ging buiten myn gedachten, Dat ik hier Vader en myn Bruîgom vinden zou. Maar is Bazilius my waarlyk nog getrouw? LAU. Zyn min is al te groot dat hy u zou vergeeten. Hy heeft den tyd aan ’t hof met ongeduld versleten. VAL. „Myn vrind Bazilius, daar is Quiteria. Gy spreekt haar best alleen, vaar wel, myn Heer, ik gaa. LAU. Daar is Bazilius.

VIERDE TOONEEL.

_BAZILIUS, QUITERIA, LAURA._

BAZILIUS. ’t Mag my in ’t eind gebeuren Myn Liefste weer te zien! maar ach zy schynt te treuren! QUIT. Ach, myn Bazilius! BAZ. Wat viel de tyd my lang, Daar achter gindzen boom. QUIT. Ja lief, ik wierd al bang, Toen ik zo onverwagt myn’ Vader hier ontmoette. Heeft niemand u gezien? BAZ. Valasko, die my groette. Gy weet hy is myn vrind. QUIT. Dan ben ik wel gerust. Hoe is de reis vergaan? BAZ. Myn lief, gy zyt bewust, Hoe treurig ik vertrok, wanneer ik van u scheidde, Te meer omdat ik aan het hof zo lang verbeidde; Eén dag scheen my een maand, één uur een gansche dag; Om dat ik daar myn lief Quiteria niet zag. Ik was afkeerig van ’t vermaak der hovelingen, En hoorde ik in ’t zalet een Juffer konstig zingen, Dagt ik aan uwe stem, die zonder wedergaâ Myn zinnen streelen kon. Voorts quam uw ongenâ, Door ’t lang vertoeven, my te binnen. Gy hebt reden Om met Kamacho in den echten staat te treeden. My zy de schuld alleen. Maar ach! hoe beeft myn hart! Gy zult dan trouwen? my verlaaten? ach! wat smart! QUIT. Ja myn Bazilius, ik kan het niet beletten, ’t Is my onmoogelyk myn’ vader te verzetten. Ik word gedwongen, Lief. BAZ. ’k Ben nog niet buiten raad, Indien gy myn verzoek, zo billyk, niet versmaadt. Gy kunt die trouw ontgaan, wanneer we t’zamen vlugten. Maar ach! gy zwygt, myn lief! en antwoordt my door zuchten. QUIT. Daar ’s volk. Wy zyn bespied. Vaarwel. BAZ. Waar vlucht ge heen, Quiteria! ei hoor myn’ klachten en gebeên.

VYFDE TOONEEL.

_DON QUICHOT te paerd, SANCHE op een ezel, schielyk uit._

DON QUICHOT. Staa Ridder, wat heeft die.... SAN. Ja oele hy gaat fluiten. Wou jy die veugel in zyn vlucht zo makk’lijk stuiten? Dat ’s miskoot. Maer myn Heer, wat zellen wy nou doen? DON QU. Zo ras als ’t moog’lyk is, naar Saragossa spoên, Op hoop van nog in tyds het steekspel by te woonen. SAN. Wat waar ik ook een gek, dat ik me meê liet troonen!

SANCHE _zegt tegen den ezel_.

Myn lieve Graeuwtje wat heb ik al deurgestaan; Wat hebben, jy en ik, al menig droeve traen Op deezen tocht ’estort! myn hart! myn lust! myn leeven! Myn zeun! myn graeuwtje! jy bent in myn hart ’eschreven. Wat zyn we trouwe broêrs, in lief, in leet, in nood! ’k Zal jou in goud beslaen myn keuning, nae jou dood. DON QU. Laat myne Ronsinant, met Graeuwtje ginder weiên. SAN. Ik zel ze gunter, daar het beste gras groeijt, leîen.

_Sanche brengt de beesten weg._

DON QU. Gaa allereêlste beest, getrouwe Ronzinant, Gaa opperpronkjuweel der paerden van dit Land. Uw naam zal in het kort met grooter luister pralen, Gy zult nog meerder roem als Bucefal behaalen. Die groote Bucefal, held Alexanders paerd, Daar gy in trouwheid en grootmoedigheid naar aard, Heeft door zyns meesters arm nooit grooter roem verkregen, Als gy verwachten kunt, door myn’ gevreesden degen; Myn degen, dien ik heb aan myn Princes gewyd, Myn lief Dulcinea, het pronkbeeld van deez’ tyd, De zoetste roofster van myn’ zinnen en gedachten, Om wie ik eenzaam dool, by dagen en by nachten. Wanneer, ô schoone! zal ’t gelukkig uurtje zyn, Dat gy uw’ Don Quichot zult helpen uit de pyn! Wanneer, ô wreede! zult ge ophouden my te plaagen? Of moet ik doolen om uw’ liefde al myne dagen? Heb ik vergeefs gestreên met menig’ kloeken held? Sloeg ik vergeefs dan den Biskaijer uit het veld? En heeft u Passamont, met ketenen belaaden, En and’re boeven, niets verhaald van myne daaden? ’t Is zeker! Maar gy blyft, ô wreede! nog versteend, En lacht, helaas! wanneer uw droeve ridder weent. Ik zal, indien ’t u lust, de bekkeneelen kneuzen, Van schelmse tovenaars en schrikkelyke reuzen; Al quam hier Sakripant, een reus van d’ ouden tyd, Hy moest bekennen dat gy de allerschoonste zyt, Het pronkstuk der natuur, de paerel aller vrouwen; Of ’k zou hem met myn zwaerd den kop van ’t lichaam houwen. SAN. Och Ridder Don Quichot, ’k verlang al weer naer huis! DON QU. Geduld, myn zoon, geduld. SAN. Ja ’k zie vast munt, noch kruis, Won ik nog geld, met al dat hongerige doolen. DON QU. ô Sanche! Sanche! gy begind al weêr te toolen; Waar heeft een Schildknaap van een doolend Ridder geld Tot loon van dienst geëischt? Zeg eens wat boek vermeldt, Dat Roeland, Amadis of Palmeryn de Olyven, Geld gaven, zeg? SAN. Ik kan niet leezen, noch niet schryven, Wat bruid me Roeland, met jou hiele ridderschap, Als ik gien geld heb. DON QU. Schelm! ik dagt u op den trap Van eer, en hoog geluk, door mynen arm te zetten Loop naar uw wyf, loop heen, ik zal ’t u niet beletten Gaa werken om de kost, gy zyt myn gunst niet waard. Zo ik een koninkrijk kan winnen, door myn swaard, Zal ik een ander, u ten spyt, tot koning maaken; Bedenk dan, Sanche, hoe die euvel u zal smaaken. SAN. Och, och, vergeef het my, ’k en hebt zo niet ’emiend. Myn heer, ik hebje met men Graeuwtje lang ’ediend, En overal gevolgd. Beloofje nog te geeven Een eiland veur myn loon: ik zel jou al myn leeven Daar veur bedanken? DON QU. Ja, het eerste dat ik win. SAN. In ’t admirantschap, heb ik ook al vry wat zin Of maek me maer zo ’n graef, of prins, ’t ken jou niet scheelen, Al wierd ik Keuning; als je tog bent an het deelen, Zo leg me maer wat toe, van d’eenen brui, of d’aêr Hy kan ligt knippen die een lap heit met een schaer. Maer ’k wou dat ik het zag gebeuren, zei de blinde. DON QU. ’k Moet lachen, Sanche. SAN. Zie myn heer, zie door de linde: Loop daer gien kaerel? DON QU. Geef myn schild en myn geweer: Het is een Ridder. SAN. Neen, het is een boer, myn heer. DON QU. ’k Zeg ’t is een Ridder: haal myn lancie, niet te draalen. SAN. Het is een boer, heer of de drommel moet me haelen. DON QU. Ik ken hem aan de veer, die op zyn helmtop zit. Is ’t Ridder Splandor, zoon van Medor. SAN. Ei ik bid, Maek tog gien questie, je bend zekerlyk bedrogen. Merlyn de Tovenaer draeijt weer een rad voor je oogen.

ZESDE TOONEEL.

_DON QUICHOT, SANCHE, KAMACHO, met een veer op zyn boeremuts._