Chapter 4 of 10 · 3891 words · ~19 min read

Part 4

BAZ. Kamacho zyt gy daar? KAM. ’t Is goed dat wy in ’t end eens raeken by malkaêr, Heb jy myn bruid hier flus niet in het bosch gesproken? BAZ. Hoe zo, Kamacho? KAM. Zeg waer heb jy ze gestoken? BAZ. Ik heb uw bruid van daag op deeze plaats gezien, En de eer gehad van haar geluk en heil te biên, Verblyd om dat zy zich met een van myne vrinden, Daar ik u onder tel, door ’t huwlyk zal verbinden. KAM. ô Jonker ’k vrees jy bent maer op een ergjen uit. Ik heb gien zin in al dat wand’len van de bruid. ’t Is gien fatsoen. BAZ. Dat moet gy aan haar zelf verklaaren. En vinden middel om haar beter te bewaaren. Gy hebt geen reden om van my jaloers te zyn; Gy trouwt van daag met haar: dies heeft die zaak geen schyn. KAM. Wat zei ze teugen jou? ei wil het me vertellen. BAZ. Ik zal ’t daarna wel doen, wil my niet langer quellen. KAM. Gy komt te bruiloft? BAZ. Wis. KAM. Hadie, ’k ben dan te vreên.

ZEVENDE TOONEEL.

_BAZILIUS, alleen._

O hemel wat geluk, hy laat my hier alleen! Nu zie ik haast een end van zorgen en verlangen; ’k Zal nu Quiteria, myn tweede ziel, ontfangen! Kamachoos rykdom geeft myn hart nu geen meer pyn, Hy zal geen hinderpaal van myne liefde zyn. En gy vermaaklyk bosch en groente nooit volprezen, Indien gy kennis droegt, gy zoudt getuigen weezen, Van al de vreugde, daar myn hart mede is vervuld, Gy zoudt getuigen, hoe de liefde door geduld Kan zegepralen, en de fierste maagd verwinnen, En doen, de dwing’landy ten spyt, de deugd beminnen. En... maar, daar koomt myn lief, zo vol bekoorlykheid.

ACHSTE TOONEEL.

_BAZILIUS, QUITERIA._

Hoe dus, Quiteria! hoe ziet gy dus beschreid? ’t Is alles nu gereed; derhalven laat ons vlieden. QU. Neen laat ons blyven. BAZ. Wees getroost; wyl ’t moet geschieden. QUIT. Ach lief, die vlucht, die vlucht spelt niet als ongeval! Ik staa geheel bedeest; ik weet niet wat ik zal Of moet beginnen, ach! BAZ. Die zuchten, noch uw traanen, Zyn magtig ons den weg tot onze rust te baanen: Onnutte zorgen zyn geen midd’len om te ontvliên Dat uiterste gevaar, ’t geen wy voor oogen zien. Wy hebben weinig tyds; ik bid wil u verkloeken. QUIT. Hoe zoud’ myn vader dees ligtvaerdigheid vervloeken. My dunkt hy klaagt alreets. Helaas! myn eenig kind, Zo eerbaar opgevoed, zo teêr van my bemind, Heeft teffens eer en tucht, en deugd geheel verlaaten. Hoe zou de gryze man, die my zo mint, my haaten: En steets aanmerken als een schandvlek van ’t geslacht. BAZ. Uw vader neemt op stam, noch afkomst, zelfs geen acht, Vermits hy my beloofd, en dierbaar heeft gezworen, Dat hy geen bruîgom had voor u, als my verkooren. Hy heeft Kamacho nu in myne plaats gesteld, Niet anders dan uit zucht tot dat vervloekte geld; Op myn gedrag, of stam, weet hy het minst te zeggen; Bemerk, en oordeel dan, hoe onze zaaken leggen. Gy zyt onschuldig: hy alleen, hy heeft de schuld; Is hy in ’t eerst verstoord, de tyd geev’ hem geduld. QUIT. Zyn schuld en kan myn schande in ’t allerminste afwassen. BAZ. Kom, vluchten wy myn lief, ’t is tijd, eer ze ons verrassen. QUIT. De min raadt dat ik vlucht, en de eer raadt dat ik blyf.

NEGENDE TOONEEL.

_BAZILIUS, QUITERIA. LEONTIUS, PASTOOR, beluisteren hen ter zyde._

BAZILIUS. Beminnelyke vrouw, helaas! wat blyft gy styf In ’t opzet voor uwe eer. Bedenk, bedenk u nader; Is dan uw’ minnaar u niet meerder als uw’ vader, Zo gy hem waarlyk mint? ’t verbond van man, en vrouw, Eischt dat men de ouders moet... QU. Ik voel mijn hart vol rouw, De schaamte heeft reeds myn genegenheid verwonnen. Neen, myn Bazilius, hier diende iets meer verzonnen; Het vluchten quetst myn eer, ik kies veel eer den dood. BAZ. Die eer! die eer! stelt ons voor veel gevaaren bloot. Vaar wel dan, schoone! wyl gy de eer stelt boven ’t minnen. QUIT. Ach! myn Bazilius, ach! wat wilt gy beginnen? BAZ. Myn dagen korten met myn rampen en verdriet. QUIT. Neen, neen, myn waarde vrind, indien gy my verliet, Moest ik van daag in dat gehaate huw’lyk treeden. ’k Verlaat dan door den nood de kinderpligt, te vreeden. Om u te volgen, daar de hemel ons geleidt.

_Leontius stuit Bazilius en Quiteria, die weg willen gaan._

LEONT. Ontaarde dochter, die de schaamte en eerbaarheid, Uw vader, en geslacht al teffens wilt ontvluchten. Zyn dit uw’ deugden? zeg, zyn dit die schoone vruchten, Die ik verwagtte, van een dochter opgevoed Door zulk een moeder, die zo deugdzaam van gemoed, Als wys en eerbaar was? ach! kan het moog’lyk weezen! Maar ’t is uw schuld niet, neen; ’k had van u niet te vreezen; Bazilius alleen is de oorzaak van dat stuk. Verleider van myn kind, ô oorzaak van myn’ druk; Zeg, zeg, wat porde u aan, die misdaad te beginnen? BAZ. De zuiv’re minnedrift is meester van myn zinnen. LEONT. Hoe, uwe min, myn heer? uw min komt veel te laat, Zy is eens anders bruid, ô nooit gehoorde daad! Dees linker wil een bruid van haren bruîgom rooven. Neen, kaalen edelman, vertrek! gy wordt verschoven. BAZ. Hoe! sart gy my myn heer? neem ’t my niet qualyk af. Al loopt myn moed wat hoog: gy handelt my zo straf, Dat ik gedwongen ben uw valsheid aan te wyzen; Zo groot een valsheid, dat elkeen u zal mispryzen. ’k Zeg, dat is myne bruid, die gy my nu ontrooft: Gy weet dat gy my zelfs uw dochter hebt beloofd. Ik heb gelegenheid door u alleen gekregen Om haar te dienen; en gy scheent my zo genegen, Dat gy geen ogenblik kond’ rusten zonder my; Nu neemt gy, ’t geen ge eerst gaaft; is dit geen schelmery? LEONT. Gy waart uit reizen, ’k dagt, dat gy nooit weêr zoudt keeren. BAZ. Die uitvlucht is te kaal, dat kon myn zaak niet deeren, Waart gy een man van woord; ’t was voor een korten tyd. Maar hier in toont gy klaar van welken aard gy zyt. Het was voor my in ’t eerst onmoog’lyk te bedenken, Waarom ge uw eenig kind, dat waardig pand zoud schenken Aan zulk een lompen bloed, Kamacho, die niets weet, Als van zyn boere werk, daar hy zyn tyd meê sleet. Maar, toen ik hoorde van zyn aangeërfde schatten, Kon ik de reden heel gemakkelyk bevatten; ’t Is u om ’t geld te doen. Het goud heeft u verblind: Daarom verraadt gy my, u zelven, en uw kind. Waart gy haar vader niet, en grys, en oud van dagen, ’k Zou met het punt van myn rapier u reden vraagen Van zulk een grooten hoon. LEONT. Myn heer, het is my leet. ’k Beken ik had heel graag myn kind aan u besteed: Maar ’k zag ’t wat dieper in; liet ik haar met u trouwen, Ik wist geen middel om u beiden te onderhouwen. BAZ. Een man van dapperheid, geleerdheid, en vernuft, Vindt middelen genoeg, terwyl een bloodaard suft, En een onweetende geen raad vind voor zyn plaagen; Een moedelooze kan geen ongeluk verdraagen, Het geen een moedige braaf onder de oogen ziet. LEONT. De moed ontbloot van geld, agt al de waereld niet. BAZ. De moed en deugd zyn steeds geagt by alle wyzen. LEONT. Het geld maakt gekken wys, die geld heeft hoort men pryzen. BAZ. Een wys en dapper man zal leeven na zyn’ dood. LEONT. Dat geeft zyn huisgezin wel eer, maar zelden brood. BAZ. De wysheid stelt geen roem in geld, maar veel te weeten. LEONT. De weetenschap is goed, indien me ’er van kan eeten. BAZ. Ik vrees nooit voor gebrek, ik voeg my naar myn’ staat. LEONT. Dat ’s voor u zelven goed: maar voor myn dochter quaad. BAZ. Indien Kamacho eens zyn schatten moest verliezen, Wat wetenschap zou hy tot onderhoud verkiezen Voor haar en ’t huisgezin? hy moest weer aan den ploeg. LEONT. ’t Kan niet geschieden, hy heeft gelds en goeds genoeg. BAZ. Het oorlog, het bedrog, en duizend ongelukken Zyn magtig hem zyn geld (hoe hoog gy ’t agt) te ontrukken. LEONT. Pleit voor de wetenschap, die gy zo zeer bemint; Myn kint word u ontzeid, de rykdom overwint. BAZ. Zo is hier dan voor my geen gunst van u te hoopen? PASTOOR. Bazilius, de zaak is nu te veer verloopen. BAZ. Wat bitter vonnis, hoor ik, laas! uit uwen mond? PASTOOR. ’t Is alles nu gereed gemaakt, tot ’t echtverbond: Maar stel uw hart gerust, en hoop op ’s hemels zegen, Gy zult gelukkig zyn, en kunt door and’re wegen, Als door dit huwelyk, eerlang tot eenen staat Geraaken, die deez trouw in glans te boven gaat. BAZ. Leontius, gy zult uwe eeden dan verbreeken? Ach! waar is grooter smaad, en ontrouw ooit gebleeken! Vaar wel dan, waarde lief! QUIT. Ach, myn Bazilius! Vaar wel voor eeuwig, met deeze allerlaatste kus.

TIENDE TOONEEL.

_LEONTIUS, QUITERIA, PASTOOR._

LEONTIUS. O wrev’le dochter zocht gy ons aldus te ontkomen? En waant gy, zoo dit van Kamacho werd vernomen, Dat hy u evenwel zal minnen? denk dat niet. PASTOOR. Myn heer, ik bid vergeef haar ’t geen hier is geschied. LEONT. ’k Staa in beraad of ik haar wil in ’t klooster zenden. QUIT. ’t Gevalt my; ’k zal aldaar ’t rampzalig leeven enden: Want nu Bazilius voor altoos van my scheidt, Bekoort my niemant meer. ’k Heb u vergeefs misleid, Vergeefs voor u geveinsd Kamacho te beminnen; ’k Zeg nu, dat ik hem haat. Wel aan, wil maar beginnen Met uwe strafheid, volg uw al te wrev’len moed. Gedenk niet meer dat ik u kind ben of uw bloed. Het klooster kan my nu het allerbest behaagen, Alwaar ik tot myn dood vry zuchten mag, en klaagen. LEONT. Hou op van schreyen: want ik meen het niet myn kind, Gy hebt een vader, die u op het teêrst bemint, Ik zie myn misslag wel. QUIT. Ach! vader, wil dan maaken Dat ik uit handen van Kamacho mag geraaken. LEONT. Ik bid u veins myn kind; hy komt daar ginder aan. QUIT. „o Hemel wil my van dien Bruidegom ontslaan!

ELFDE TOONEEL.

_KAMACHO, LEONTIUS, PASTOOR, QUITERIA._

KAMACHO. Wel suikerdoosje, wel myn slokkertje, gans wongden! Wat heb ik jou ’ezogt, eer ik jou heb ’evongden. Hoe binje zoo bedroefd, myn zoete lieve maeid? Ach, myn kokkinjebaerd! ik bidje, zeper, graeijt Tog nou niet meer, maer laet ons liever iensjes dangsen. Gut schoonvaêr, dat je ’t wist, ik heb zo veel te schrangsen, Al hadje nou genooit ’et leger van Dikdalf Mit al zyn soljers, ’k wed ze vraeten ’t nog niet half, Dat ik ’eried heb. LEONT. Ja, ik wil u wel gelooven. KAM. Gut schoonvaêr, hadje maer iens an de veest ’esnooven; ’t Gebraed is ondieft murf, ’et smelt puur in je mongt. Kom gaenwe, proef iens van myn starken ouwe hongd.

_Einde van het tweede Bedryf._

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

_SANCHE, alleen._

Ik heb daer dat ik zwiet geloopen, om die draeken, En nog niet op ’edaen. Hoe zel ik ’er ’an raeken? De boeren vraegen me, waratjes, of ik ’t mien, Ze hebben nooit gien draek in ’t hiele dorp ’ezien. Maer ’t is dat malle volk ook nog al toe te geeven; Ze zyn niet wyzer. Ik wil langer zo niet leeven, Zo’n honger lyên! en waer dat men gaet, of staet, ’t Is zo vol tovenaers, en reuzen, puur als zaed, Dat ik myn gat niet voor haer slaegen weet te bergen. Daar ’s de Indiaense prins! die tov’naer komt my tergen!

TWEEDE TOONEEL.

_VETLASOEPE, SANCHE._

Ha! monsieur, praatje wat? je suis vôt serviteur. SAN. „’k Loof vast die keerel speult nou voor Ambassadeur „Van al de tovenaers. VETL. Pardonne moy, mon ’eere. Zou jou wel inklineer, pour moy, de spit te keere! SAN. „Och! och! die tov’naer wil me steeken ’an een spit! VETL. Ze zel de kelt ’eb, en daer by kemaklyk zit. SAN. Ja, ’t is heel makk’lyk! aen een braedspit gaer te braeden. VETL. Nou, wil ze ’t doen, of niet? SAN. Ik vind ’et niet geraeden. VETL. Ze wil niet bid, en keef jou nok de kelte toe. Ze ken wel and’re kryk. SAN. Voor geld te braeden? hoe, Wie pikken zou dat doen! VETL. Ha, monsieur Vetlasoepe, Die kryk de boere jong, met kompagnie en troepe, Zo veul um’ maar wil heb. SAN. Hoe, om aan ’t spit te braên? VETLASOEPE, _hem by de mouw vattende_. Ouï monsieur, allons! SAN. Neen, neen, dat zel niet gaen. VETL. Ze zel je buik nok fol met hoendre stop, en snippen. SAN. „Wat raed, och laecie! om dien tovenaer te ontslippen? „Hy wil me aen ’t spit braên, en myn buik mit hoendervleis „En snippen stoppen, en dan vreet hy me ook wel reis! VETL. Ze zel een kuld verdien, aan ’t spit, mon kammerade: Ho! daar koom jou mon heer.

DERDE TOONEEL.

_DON QUICHOT, SANCHE, VETLASOEPE._

SAN. ’t Is goed, dat jou genade Hier juist op ’t mat komt. DON QU. Is hier dan alweer verschil? SAN. Niet anders, als dat hy me aen ’t braedspit steeken wil, En vreeten me dan op. Een kompeny van boeren, Daar kookt hy huspot van (hy weetze raer te loeren) En boere jongens ’an het spit gebraên, heel gaer, Zyn klokspys voor ’em. DON QU. Ho! dan is ’t een tovenaar. Spreek op! wie zyt gy, hé? VETL. Ze is monsieur Vetlasoepe, Un kokke fan Frankryk, ze kommandeer de troepe Fan koks, en kraaule. Ha! ze kan zo skoon lardeer, Ze ’eb selver pour le Roy, de fleis kefrikasseer. Ze ’eb overal ’kereis, ’keweest in Allemagne; En Flandre, en Hollandois, en Angleterre, en Spagne. SAN. Ken jy die parlevink wel half verstaen? ik niet. DON QU. Het is een fransse kok. VETL. ’Um heb ze wel kehiet. D. Q. Maar vrind, waarom wilt gy myn knecht aan ’t braadspit steeken. VETL. ’Um aan de spitte steek? ha! ha... ze kan niet spreeken, Zo moetze lak, ha! ha! pardonne moy, monsieur, Jy niete kan verstaan, ze skier de reus’le skeur, Zoo moetze lak, ha! ha! SAN. Wel keerel, hoe zel ’t weezen? Dat lachen, zel myn heer jou gaauw eens van geneezen. VETL. Die mallen duv’le. SAN. Dat ’s je moers zeun. VETL. Is ’t jou knekt? Monsieur, exkuze moy. SAN. Die tovenaer die gekt Met ons, myn heer. DON QU. Wel aan verraader, gy zult sterven.

_Don Quichot trekt aan zyn degen, maar kan hem niet los krygen. Vetlasoepe stelt zig in postuur, met een schuimspaan, terwyl Sanche van verbaastheid op eenen boom klimt._

VETL. Allons, que diantre, ik zel ’um maalen tot koncerve, En là moutarde. SANCHE, _roept uit den boom_. ’t Za kerazie nou, men heer! DON QU. Ach! myn Dulcinea, myn schoone! voor uwe eer Braveer ik ’t grootst gevaer; wil mynen arm bestieren. SAN. Kerazie, nou, myn heer. DON QU. Wat letje zo te tieren? Wel aan, gy tovenaar, verwagt uw leevens end. VETL. Monsier, pourquoy ben jy op ’um zo malkontent? DON QU. Maar Sanche, hoor eens hier, daar schiet my iets te binnen. S. Wat’s dat myn heer? D. Q. Ik durf dien stryd niet wel beginnen. Klim af, gy moet het doen. SAN. ’k Wed ik ’t wel laeten zel. D. Q. Het is geen ridder, ’k mag... SAN. Die keerel ziet te fel. D. Q. Kouragie, Sanche. SAN. Och! och! ik voel men beenen trillen! D. Q. Klim af maar, Sanche. SAN. Neen, hy zou me leevend villen! VETL. „Hum ken die gekken wel, ’um ’ebze meer kezien. Kom aan, ensemble vous, al waarje met jou tien, Ze zel jou kap, ma foi, en piece, en marmulade. D. Q. ’t Za, Sanche, vecht. SAN. Neen, neen, ’k laet dat ’an jou genade. Jy zeld dat varken vry wat beter wasschen; neen, Jy bint een ridder, ’t past me niet, vecht maer alleen. VETL. Allons, ze kryk nou lust om wat met jou te fekte. Ze is ook un Riddre....

VIERDE TOONEEL.

_Eenige Koks met pollepels. BAZILIUS, VALASKO, DON QUICHOT, SANCHE, VETLASOEPE._

VETL. Ha, je komt van pas mon knekte. Allons! tournez messieur! tué! ’t za avancé!

_Don Quichot, wordt van de koks te samen bevochten met pollepels._

BAZ. Hou op! hou op! VETL. Messieurs, maak battaillion quarre! Reks om! BAZ. Hou op! VETL. Val ’an! val ’an! Korps de battaille. Victorie! ha victoire! DON QUICHOT, _neêrvallende_. ô Tov’naers, ô kanaille!

VIJFDE TOONEEL.

_BAZILIUS, VALASKO, DON QUICHOT, SANCHE._

SANCHE. Dat was een veldslag. Och, wat raed! wat raed! mijn lyf! BAZ. Hoe Sanche, hebje een wond? SAN. Een wond? ja meer als vyf, Ik bin wel ruim half dood! hael al de sarezynen, Van ’t hiele dorp, ik ly een pyn van alle pynen! BAZ. Waar zyt ge dan gequest! SAN. Och! och! ik weet het niet, ’k Loof ’an men linkerbil; och! was het nooit ’eschied. Och! droevig ongeval! DON QU. Hoe kan dat mooglyk wezen. Gy zat daar in den boom te trillen, en te vreezen, Gy waart niet in ’t gevecht. SAN. Dat weet ik wel, maer ik Bin tot der dood gequest, alleenig van de schrik. DON QU. Swyg Sanche; ’k heb de walg van al uw zottigheden. BAZ. Hoe droevig ik ook ben ’k vermaak me in zyne reden. DON QU. Een weinig zotteklap vermaakt zomtyds den geest; Maar veel is walglyk. SAN. ’k Heb hier lang ’enoeg ’eweest, In dit betoverd bosch. BAZ. Kom, laat ons dan vertrekken, Wy zullen ’t huis terstond de tafel laaten dekken. SAN. Wel keuning harsepan, dat ’s een gezegend woord. De schafklok luidt al in myn darmen, gaen we voort. BAZ. Heer ridder Donquichot, ’k denk dat gy ligt zult merken, Hoe dat de tovenaars nu zoeken uit te werken, Met all’ hun konsten, dat ik nooit myn tweede ziel, Myn lief Quiteria verkryg: zo ’t u beviel, Zoude ik verzoeken, dat uw’ dappere arm mogt styven Een zek’re minnelist, die ik hier zal bedryven. DON QU. Zyn Majesteit gebiede, ik volg uw hoog bevel, Al moest ik stormen op het voorburg van de hel. SAN. Wel holla! hé, men heer, dat zou gevaerlyk wezen; Kreeg jy een koegel in je poort, wie zou ’t geneezen? Daer had Dulcinea dan eerst wat kostlyks aen. DON QU. Swyg Sanche. BAZ. Ridder, gy behoeft niet ver te gaan. Ik heb uw dapperheid op deze plaats van noode. DON QU. ô Sire, hadden flus die tov’naers, door een snoode En schelmsche tovery, myn zwaerd niet vast gemaakt, Zo had ’er zekerlyk niet een van weggeraakt. Ik had hem met myn zwaerd... BAZ. Vernieuw niet ’t geen we weeten. SAN. Je blyft hier praeten, denk je lui wel iens om eeten?

ZESDE TOONEEL.

_KAMACHO, BAZILIUS, DON QUICHOT, VALASKO, SANCHE._

BAZILIUS. Daar ginder komt een man, die vol gedachten is, Het is de bruidegom Kamacho, naar ik gis. SAN. Daer komt de tovenaer, ja zeker, zonder liegen, Die kerel heit verstand om deur de lucht te vliegen. DON QU. Dat kan door zulk een volk in korten tyd geschiên. SAN. Nu zendt Dulcinea een minnebrief misschien. Ik ken het zien, myn heer, de kaerel heit ’evlogen Want hy lykt moe te zyn, hy heitje niet bedrogen. KAM. Daer is de ridder mit Bazilius... DON QU. Staa vast. KAM. Och! och! BAZ. Hou ridder! wagt tot ik het u belast, Dit is geen vyand, maar een van myn beste vrinden. KAM. „Die ridder ziet, of hy me leevend wou verslinden. DON QUICHOT, _tegen Kamacho_. Zyt gy de tov’naar die voor my vliegen zou’ Naar myn Dulcinea? ja, zekerlyk, ’k vertrouw Dat gy... BAZ. Hy is het niet, myn heer, gy zyt bedrogen. KAM. Och! neen, ik ben het niet. SAN. Dan heb ik drek in de oogen. Hy is ’et ummers zelfs. BAZ. Heer ridder, ik beken Dat ik verwonderd van die toveryên ben. ’k Zou haast gelooven, dat die guits om ons te plaagen Zich zo verand’ren, om de bruiloft te vertraagen, En dat ’er iemand van hun volk ook op de bruid Verliefd is. SAN. Dat’s vast, dat’s deuze, of ’k bin een guit. BAZ. Neen dit ’s Kamacho, ’t is een huysman van de vroomen, Zo ver men tellen kan, met eeren voortgekomen. KAM. Wel jae, men vaertjes peets, peets, koes broers zusters zeun Was burgemiester van ongs dorp, toen vegters Teun, En Lou, voor ruiter, met Dikdalf naer Neêrland gingen. SAN. Bin jy zo’n hans? wel man, ’t zyn wongerlyke dingen. Dan weetje ’t wel, dat jy die tovenaer niet bent. Je hebt hem wel gezien, zou ’k denken, hier omtrent? DON QU. Myn vriend, het is my leet. Dan zyt gy de verkeerde? KAM. Ja jonkers. Wou je ’t doen dat jy je zo verneêrde, En quam te brulleft. Bloed ’k heb zukke lekk’re wyn, Ze zellen daetlyk met den hiele brui hier zyn. BAZ. Wy zullen in het kort uw’ wyn eens komen proeven. KAM. Ik geef vry lapis. SAN. Langst, hoe wil ik kommen snoeven An jou boeteljes, ’an jou vaetjes, ’an ’t gebraed, ’k Mag wel een koes buik vol, al bin ik juist gien vraet. KAMACHO, _tegen Don Quichot en Sanche_. Dan zyn we vrinden? DON QU. ’k Zal my tegens u niet kanten: Gy zyt des konings vrind. SANCHE, _met Kamacho gaan willende_. Ja, broêrs als olifanten. ’k Gae mit je opdrossen. DON QU. Hou, hou, Sanche, wat is dit? KAMACHO _tegen Sanche_. Ik blyf hier man. SAN. ’k Wou zien waer ’t patersvaetje zit. Of alias den wyn. Had Sanche die gedachten, Van daeg te brulleft! KAM. ’k Zal u t’zaemen hier verwachten.

ZEVENDE TOONEEL.

_KAMACHO, drie BOEREN._

Gut mannen, dat zel ierst een klet zyn: zo terstongd Zyn al de gasten hier, we zellen in het rongd Hier brulleft houwen in ’et bosch, in hier ook trouwen. Ja wel, ke daer, ik ken me langer niet onthouwen, Ik nood jou allemael die wys zyn, meê te gast. Vret zo veel kost maer als je laen ken in je bast, ’k Hou open tafel, ’k bin nou van die kordeaelen, Die veur een dankje graeg een lachje wil betaelen. En waarom zou ik niet? ik word van daeg een man, (Eet vry je brootje droog) kom hier maer asje kan! ’t Is hier vol op van al wat datje ken bedenken. Al wat maer gaepen ken zel ik nou wyn doen schenken. Kom hier maer.

ACHSTE TOONEEL.

_KAMACHO, VETLASOEPE, bruiloftsvolk met een kroon; dansers, muzikanten, SANCHE._

VETLASOEPE. Monsieur Kamacho, ha! hier is ’um met de kroon, ’Um is merveille, ha! pardi, ’um is zo skoon; Ze zel ’um maer hang op. KAM. Ja, hier aen deuze boomen. Ik weet men vreugd nou schier niet langer in te toomen.

_Onder ’t ophangen van de kroon, word gedanst._

VETL. Wat dunkt monsieur hier van? KAM. Die dangs is naer de zwier. VETL. Oui, de speul, en dans, is al un grand plaizier. KAM. Ik zei myn bruidje mit heur vaertje iens aanstongs haelen. VETL. Bon, bon, en ik terwyl de roemers en bokaalen, Mit al die andre koet. Kom knolle vreetre Jaap, En Pedro Propdarm, Jan! hoe staaje daar te gaap? Help my een beekje, om de taafle hier te kryken? Ze zel de dans daar na wel met gemak bekyken.

NEGENDE TOONEEL.

_SANCHE alleen._