Chapter 1 of 8 · 3923 words · ~20 min read

Part 1

ZONDER GEWEER OP JACHT

MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND

ROTTERDAM MCMXXII W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ

INHOUD

Zonder Geweer op Jacht Bladz. 7 Het Speelschooltje van den IJsvogel 33 Pekompfs Listen 41 Heelkunde der Dieren 59 Upweekis, de Schaduw 74 Hukweem, de Stem van den Nacht 100 De Indiaansche Namen 122

ZONDER GEWEER OP JACHT.

Wie met geweer of camera jaagt heeft zijn loon reeds ontvangen. Hij heeft ook zijn moeite, onaangenaamheden en mislukkingen; en dat is de prijs dien hij voor zijn welslagen betaalt. Wie zonder geweer en zonder camera jaagt wordt, dunkt mij, veel meer beloond, en wel zonder dat hij er voor hoeft te betalen. Van hem mag nog meer dan van eenig ander Nimrod gezegd worden wat een uit Afrika teruggekeerd zendeling van zijn eerste gemeente getuigde: „’t Is een tevreden volkje; de zon geeft hun dekking, het voedsel valt hun vanzelf toe”. Jagen zonder geweer is dus de liefhebberij van een vreedzaam mensch, een mensch die ’t bosch intrekt om rust, om zijn ziel te laten groeien, en die na een jaar van zorg en werk blij is eens een poosje zonder een van beide te kunnen doen wat hij wil. Als hij in zijn kano over de waterwegen glijdt, of op zijn gemak zijns weegs gaat te land, heeft hij geen geweer of driepoot of reserveplaten mee te sleepen. Verheugd dat hijzelf leeft, schept hij geen behagen in den dood van ’t wilde goedje. Tevreden met zien en hooren en begrijpen alleen, tobt hij er niet over, werkt hij zich niet in ’t zweet om de zon precies goed te krijgen en zijn afstand van dertig voet nauwkeurig te berekenen en dan te razen en te vloeken (zooals ik beste menschen heb hooren doen), omdat het wild beweegt, of wolken voor de zon komen, of de platen niet gevoelig genoeg zijn, of—begin van de ellende!—omdat hij, als het wild gevlucht is, merkt dat de film, die hij daar voor een mannetjeseland gebruikt heeft, al dienst gedaan heeft voor een landschap met een voortschietende kano.

Ik wensch geen wettige manier van jagen in discrediet te brengen, niet een, want ik heb ze alle beproefd en het loon was altijd goed. Maar ik houd nu eenmaal meer van het jagen zonder geweer of camera dan van alle andere manieren, om drie goede redenen: ten eerste omdat het een lui werkje is en voldoening schenkt, iets volmaakts voor zomerweer; ten tweede omdat het geen moeite of onaangenaamheid of teleurstelling geeft, en dus best is voor iemand, die lang genoeg zijn deel van dat alles heeft gehad; en ten derde omdat het u het leven, het karakter der dieren in de wildernis doet kennen, beter dan bij eenige andere manier van jagen ook maar mogelijk is. Immers, ge komt met een rustig gemoed, er is niets van opgewondenheid aan of om u, zoodat ze zich onbevreesd durven geven zooals ze zijn, zich soms zelfs een beetje nieuwsgierig naar u toonen en willen weten wat ge eigenlijk uitvoert.

Ook deze manier heeft zoo haar verrassingen en opwinding, even veel of even weinig als ge maar wilt. Door de ruigte, waar eens de brand over ging, naderbij te kruipen tot de plek waar de berin en haar jongen bezig zijn op hun gulzige, grappige manier boschbessen te plukken; stilletjes voort te pagaaien tot vlak bij een grooten eland, als zijn kop onder water steekt en slechts zijn breede gewei zichtbaar is; op je gemak naast het pad met zonne- en schaduwplekken te liggen, dat de eekhoorntjes je over de beenen huppelen, of de schuwe vogel nieuwsgierig op den neus van je schoen komt zitten, of—het zeldzaamste wat er in den vroegen ochtend in het bosch te zien is—een vischmarter in hevige, wezelachtige opwinding langs je heenkronkelt, bezig het spoor te ontwarren van den haas of het hazelhoen, dat je een uur geleden voorbij is gegaan; alleen in een stillen, donkeren nacht langs de waterwegen te glijden en stilletjes je lantaarn te openen over eenden of elanden of hinden met haar kalfjes—in dit alles schuilt vreugde en opwekkends genoeg om elken liefhebber der bosschen te voldoen. Er is ook wijsheid op te doen, vooral wanneer ge bedenkt dat geen menschelijk oog ooit te voren op deze eigen dieren gerust heeft, dat ze elk op zichzelf verschillend zijn, en dat ze ieder oogenblik een wonderlijk trekje, een gewoonte uit het dierenleven onthullen kunnen, die geen beoefenaar der natuurlijke historie nog ooit gezien heeft.

Den vorigen zomer was er even stroomaf van mijn kamp aan ’t Matagammon-meer een stukje strand tusschen twee landtongen door dicht bosch omgeven, waar de herten meer van schenen te houden dan van eenig ander plekje aan ’t heele meer. Toen we er den eersten keer kwamen, waren de herten vlak om ons kamp. Van de deur uit konden we ze soms aan den oever van het meer zien, en elken avond tegen de schemering kwamen ze schuw aansluipen om de aardappel- en appelschillen op te eten. Langzamerhand verdreef het lawaai uit het kamp hen tot de heuvelrijen in de verte, ofschoon ze in stormachtige nachten terugkwamen, als het stil in ’t kamp was en alle lichten waren gedoofd. Van mijn tent uit hoorde ik dan omzichtig geritsel, of ’t kraken van een takje boven ’t kletteren en neergutsen van den regen op mijn tentnok, en als ’k in ’t donker naar buiten sloop, merkte ik dat er een paar herten, gewoonlijk een hinde en haar kalfjes, onder ’t spanen dak van onze houtschuur stonden te schuilen voor den stroomenden regen.

Het stukje strand lag een eindje verder, aan den overkant van een arm van het meer en buiten ’t gezichts- en gehoorveld van ons kamp. De herten verlieten het dus niet, ofschoon wij ze er elken dag bespiedden. Waaróm ze er nu eigenlijk zoo graag kwamen, daar ben ik nooit achter kunnen komen.

Er waren van allerlei plekjes waar de oever breeder en effener was, en tien tenminste wel leverden meer eetbaars op; maar de herten kwamen hier in grooter getale dan ergens elders. Dicht in de buurt was een groote, natuurlijke wei, met dichte schuilplaatsen op de hellingen er achter, waar ’t leefde van herten. Eer ’t avondeten in de wilde wei begon, kwamen ze dit open oeverplekje op, om een uurtje te spelen; en ik twijfel er niet aan of die plaats was een echt speelterrein, zooals konijnen en vossen en kraaien, en eigenlijk de meeste dieren in ’t wild, zich uitkiezen om pret te maken.

Eens lag ik in de vroege schemering, tusschen wat oude wortels aan ’t eind van dit stukje strand verscholen, een eigenaardig spel gade te slaan. Acht of tien herten: hinden en kalfjes en jonge „spiesbokken,” waren den open oever opgekomen en draafden nu snel in drie kringen, die in één lijn lagen, zoo: ○◯○. In het midden bevond zich een groote cirkel van een vijftien voet middellijn, en aan weerskanten waren twee kleiner cirkels met nog niet half de middellijn van den eersten, zooals ik later merkte door de prenten te meten.

Om een van deze kleine cirkels renden de dieren onveranderlijk van rechts naar links; om den anderen draafden ze van links naar rechts; en om den grooten, middelsten cirkel snelden ze beide kanten uit, ofschoon ze, wanneer er twee of drie samen om dezen cirkel draafden, terwijl de andere om de buitenste galoppeerden, alle in dezelfde richting renden. Als ze speelden, waren alle kringen tegelijkertijd in gebruik, terwijl er van de twee kleine kringen aan weerskanten veel meer gebruik werd gemaakt dan van den grooten. Elk hert voor zich ging snel van den eenen cirkel naar den anderen, maar—en dat is het wonderlijkste van alles—ik heb niet één hert gezien,—zelfs niet een van de hertekalfjes,—dat den grooten cirkel dwars overstak van den eenen eindcirkel naar den anderen. Toen ze weg waren, teekenden de cirkels zich duidelijk in ’t zand af, maar er was niet één spoor dat dwars door een er van liep.

De bedoeling van het spel was duidelijk genoeg. Afgezien van de pret, werd aan de jonge hertjes les gegeven in ’t snel keeren en wenden; maar welke de regels van ’t spel waren, en of ze in tegenovergestelde kringen renden om niet duizelig te worden, was meer dan ik te weten kon komen, ofschoon de herten nooit meer dan dertig voet van me verwijderd waren en ik elke beweging duidelijk zonder mijn kijker kon bespieden. Dat het spel, en een bepaalde manier waarop het gespeeld moest, goed door de herten begrepen werd, daaraan kon niemand twijfelen, die ook maar vijf minuten naar deze heerlijke pret keek. Ofschoon ze snel draafden, met verwonderlijke luchtigheid en sierlijkheid, heerschte er geen verwarring. Telkens schoot een der hinden naar voren om een van haar kalfjes den pas af te snijden, als het den grooten cirkel in wilde, en dan draaide het zich bliksemsnel om zooals het stond, en maakte dat het wegkwam met een zegevierend of ontevreden bl-r-r-t! Eens kwam een „spiesbok” en een volgenden keer een hinde met twee bijna volwassen kalfjes het bosch uitgedraafd, en nadat ze het draaierige spelletje een poosje bekeken hadden, sprongen ze toe en deden mee, alsof ze volkomen begrepen wat er verwacht werd. Ze speelden dit spel slechts een paar minuten achter elkaar; dan gingen ze uiteen en slenterden op hun gemak langs den oever heen en weer en neusden in ’t water. Weldra kwamen er een paar terug en in een oogwenk was ’t spelletje weer in vollen gang, terwijl de andere haastig kwamen meedoen als de diertjes om de cirkels zwierden, elke spier gebruikten en hun sierlijke lijfjes volmaakt leerden beheerschen, ofschoon ze er geen vermoeden van hadden dat ouder koppen het spelletje met opzet voor ze bedacht hadden.

Terwijl ’k ze zoo aan ’t spelen zag, werd de beteekenis van iets eigenaardigs in den bouw van een hert me duidelijk. Een hert z’n schouder zit in ’t geheel niet aan ’t geraamte vast; hij ligt los in de huid, slechts een stukje teer, elastisch bindweefsel verbindt hem aan de spieren. Wanneer een hert plotseling de pas afgesneden werd en het in volle vaart pal stond, schoot het lichaam naar voren tot het leek alsof de voorpooten bijna midden aan zijn buik hingen. Of als hij zijn achterpooten opsloeg, was het, alsof ze zijn nek veel meer naar voren ondersteunden dan waar ze eigenlijk hoorden. Deze vrije beweging van den schouder nu geeft die wonderlijke lenigheid en sierlijkheid aan de bewegingen van een hert, evenals het al wat op een schok zou lijken bij ’t neerkomen aan zijn hooge sprongen ontneemt of vermindert, wanneer het tusschen de rotsblokken en over de tallooze door den wind gevelde boomen der wildernis snelt. Midden onder ’t spelen—ik had het al langer dan een uur bespied—klonk er een haastig geritsel rechts van me in ’t bosch, en ik hield met een schok mijn adem in bij ’t gezicht van een prachtigen bok, die half verscholen in het kreupelhout stond. Er waren twee of drie groote bokken met een prachtig gewei, die een lui leventje leidden op de hellingen verder dezen kant van het meer op, en ik had ze verscheiden weken bespied en was ze nagegaan. In tegenstelling met de hinden en de kalfjes en de jonge bokken, waren ze schuw als valken en zelfzuchtig als katten. Ze vertoonden zich zelden op open terrein, en als ze er met andere herten gesnapt werden, sprongen ze weg bij ’t eerste ’t beste wat ze van gevaar zagen of roken. Hinden en kleine kalfjes stampten en brieschten onmiddellijk om de andere herten te waarschuwen, eer ze ook maar een stap gedaan hadden om zichzelf te bergen of het gevaar te onderzoeken; maar de groote bokken sprongen of gleden weg, al naar gelang van je manier van naderen; en in den waan dat ze hun eigen hachje redden, lieten ze zich hoegenaamd niets gelegen liggen aan de veiligheid van de kudde, die in de buurt aan ’t eten was.

En dat is een der redenen, waarom herten in normale omstandigheden zelden toestaan dat de mannetjes hen leiden.

Deze groote bokken waren nog bevangen door de zomersche luiheid; de wilde draaflust van den herfst had hen nog niet te pakken. Eens kreeg ik een eigenaardig, schrander staaltje van hun luiheid te zien. Ik was met een gids naar een afgelegen meer getrokken, om eens te probeeren of er ook forel zat. Terwijl ik een stekelvarken bespiedde en zijn vertrouwen trachtte te winnen met zoete chocola (maar dat was mis, tusschen twee haakjes), ging de gids verder, me een heel eind vooruit. Toen hij een heuvelrug opklauterde, geheel aandacht voor het nauw zichtbare pad dat hij volgde, merkte ik een lichte beweging in wat struikgewas aan den eenen kant, en door mijn kijker kon ik den kop van een grooten bok onderscheiden, die den gids aandachtig van zijn schuilplaats uit gadesloeg. Het was laat op den middag, als de herten gewoonlijk liggen te rusten, en de luie bok overlegde waarschijnlijk of het noodig voor hem was hard te loopen of niet. De gids liep snel voorbij; daarna verdween tot mijn verbazing de kop, want de bok ging liggen waar hij gestaan had.

Ik hield mijn blik op die plek gevestigd, maar volgde intusschen ’t spoor van den gids. Geen teeken van leven in het boschje toen ik er langs kwam, ofschoon ’t geen twijfel lijdt of de waakzame oude bok bespiedde nauwkeurig elk mijner bewegingen.

Toen ik goed en wel voorbij was en ’t nog doodstil in de struiken bleef, keerde ik langzaam terug en liep er op aan. Er klonk een licht geritsel, terwijl de bok weer overeind kwam. Klaarblijkelijk had hij gemeend dat ik den anderen man op zijn schreden zou volgen, en had hij ’t niet de moeite waard gevonden op te staan. Nog een paar langzame stappen van mijn kant, dan weer geritsel, en een lichte beweging van ’t kreupelhout—zoo licht dat, als ’t gewaaid had, mijn oog het nauwelijks zou hebben opgemerkt,—verried me waar de bok stilletjes weggeglipt was naar een anderen schuilhoek; daar keerde hij zich om en stond stil om er achter te komen of ik hem ontdekt had, of dat mijn omkeeren aan iets anders was toe te schrijven dan het gewone dwalen van iemand die den weg is kwijtgeraakt in ’t bosch.

Dat was heel ver weg op de heuvels, waar gedurende den zomer de meeste groote bokken rondzwerven en zich verschuilen, elk op zichzelf.

In de laagte echter, bij het meer, waren er een stuk of twee, die zich om welke reden dan ook af en toe met de andere herten vertoonden, maar ze waren zoo schuw en wild dat het bijna onmogelijk was er zonder geweer op te jagen. Het was een van deze kerels, die nu half verscholen in het kreupelhout, geen twintig meters van me af, ongeduldig naar het spel der herten stond te kijken.

Een gestamp met zijn poot en een zacht gebriesch maakte onmiddellijk aan het spelen een eind, en de groote bok trad den oever op in ’t volle gezicht. Hij keek uit over ’t meer, waar hij zoo dikwijls de kano’s der menschen had zien varen; zijn neus onderzocht den wind aan den oever stroomop; oogen en ooren speurden stroomaf, waar ik lag; toen tuurde hij weer scherp naar het meer. Misschien had hij mijn omgekeerde kano tusschen ’t watergras ginds, heel in de verte, gezien. Waarschijnlijker was het ’t raadselachtige voelen van een vijand—door hen, die met of zonder geweer jagen, zoo dikwijls bij de grootere dieren in de wildernis opgemerkt—dat hem rusteloos en achterdochtig maakte. Terwijl hij ’t meer en de oevers aftuurde en bespiedde, bewoog er zich geen hert van zijn plaats. Er hing iets bevelends in de lucht, waarvan ’t mezelf was of ik ’t in mijn schuilplaats voelde. Plotseling draaide de groote bok zich om en gleed het bosch in, en elk hert op den oever volgde onmiddellijk zonder vragen of aarzelen. Zelfs de kalfjes, nooit zoo onoplettend dat hun een sein zou ontgaan, voelden iets dat dieper ging dan hun spel in de houding van den bok, misschien iets in de lucht waar ze eerder geen acht op hadden geslagen, en draafden hun moeder achterna, om eindelijk als schaduwen op te lossen in de donker wordende bosschen.

Jaren te voren had ik aan een ander meer, toen ’k op dezelfde manier zonder geweer jaagde, nog een eigenaardig staaltje van hertenwijsheid gezien. Men bedenke dat herten klaarblijkelijk zonder eenige vrees voor den mensch geboren worden. Wanneer men de hertekalfjes heel jong in het bosch aantreft, zijn ze gewoonlijk vol speelschheid en nieuwsgierigheid, en een hertje, dat zijn moeder verloren heeft, zal eerder naar een mensch toegaan dan naar eenig ander dier. Wanneer herten u voor den eersten keer zien, het doet er niet toe hoe oud of jong ze zijn, naderen ze behoedzaam, als ge ze niet door plotselinge bewegingen angst aanjaagt, en trachten op allerlei aardige wijzen er achter te komen wie ge zijt. Evenals de meeste in ’t wild levende dieren, die een scherpen reukzin hebben, en vooral als de beer en het rendier, gaan ze in den beginne alleen op hun neus af. Wanneer ze voor den eersten keer een mensch ruiken, vluchten ze gewoonlijk, niet omdat ze weten wat het beteekent, maar juist om de tegenovergestelde reden, en wel omdat er in de lucht een sterke geur is, dien zij niet kennen, en hun door hun moeders niet geleerd is hoe ze zich daartegenover te gedragen hebben. Als je twijfelt, wegloopen—dat is de reukregel die al het schuwe, wilde goedje ingeprent schijnt te worden, ofschoon ze bijna net omgekeerd handelen wanneer gezicht of gehoor bij ’t geval betrokken is.

Dit alles is aan jagers wel bekend; maar nu komt de uitzondering. Nadat ik de herten een paar weken had gadegeslagen op een van hun speelterreinen, kwam er een gids in het kamp met zijn vrouw en dochtertje. Ze waren op weg naar hun eigen kamp voor het jachtseizoen. Voor ’t plezier van het kleine ding, dat van alle dieren hield, nam ik haar mee om haar de spelende herten te toonen. Terwijl ze op den oever ronddraafden, stuurde ik haar onzen schuilhoek uit, in een plotselinge aanvechting van nieuwsgierigheid, om te zien wat de herten en hertekalfjes zouden doen. Zooals haar gezegd was liep ’t kindje heel langzaam tot ze zich in hun midden bevond. Ze waren eerst onthutst; twee van de oude herten kringden dadelijk onder den wind om lucht van haar te krijgen; maar zelfs nadat ze haar geroken hadden, dien verdachten menschengeur, waar de meeste van hen bang voor hadden leeren zijn, naderden ze onbevreesd met naar voren gestoken ooren, en hun uitdrukkingsvolle staartjes naar beneden, zonder iets van dat zenuwachtige gekwispel, zoo opmerkelijk zoodra hun eigenaars den eersten verdachten geur uit de lucht opvangen. Het kind zat ondertusschen op den oever met oogen wijd open van nieuwsgierigheid naar de aardige dieren te kijken, maar ze was dapper gehoorzaam aan mijn eerste, gefluisterde aanwijzingen en hield zich zoo stil als een gejaagd konijntje. Twee gevlekte kalfjes kringden al speelsch om haar heen, maar het derde ging regelrecht naar haar toe, met vooruitgestoken neus en ooren om zijn vriendelijke gezindheid te toonen, en trok zich toen terug om grappig met zijn voorpootje te stampen, dat het zwijgende kind zich zou verroeren of spreken, en misschien ook om haar op hertenmanier te laten zien dat hij, al deed hij nu zoo toeschietelijk, toch in ’t geheel niet bang was.

Er was een bok bij het troepje, een driejarige met een veelbelovend gewei. Eerst was hij ’t eenige hert dat blijk gaf van angst voor de kleine bezoekster; en het leek me alsof zijn angst grootendeels uit argwaan kwam, of uit geprikkeldheid dat iets de aandacht van de kudde van hemzelf zou afleiden. De schuwheid van ’t najaar ging hem bezielen en hij gaf er blijk van door een rustelooze beweeglijkheid, door de hinden herhaaldelijk met zijn gewei te stooten, en door ze ruw en onredelijk heen en weer te drijven. Nu naderde hij het kind en schudde met zijn gewei, niet om haar te bedreigen, leek het mij, maar veeleer om de andere herten te toonen dat hij nog heer en meester was, de Groote Mogol, die bij alle gelegenheden geraadpleegd moet worden. Voor den eersten keer schrok de kleine meid zenuwachtig op bij de dreigende beweging. Ik riep haar zachtjes toe zich stil te houden en niet bang te zijn en verrees meteen kalm uit mijn schuilplaats. Onmiddellijk veranderde de kleine comedie, en keerden de herten zich bliksemsnel naar mij toe. Ze hadden al eerder menschen gezien en wisten wat dat beteekende. De witte vlaggetjes vlogen overeind boven de verschrikte ruggen, en de lucht was gewoon vervuld van gierende h-ie-ie-ie-joeh, hie-oeh’s, terwijl herten en kalfjes over den eersten den besten omgewaaiden boom sprongen als een koppel opgeschrikte patrijzen en zich het beschuttende bosch instortten, dat hen met open armen ontving.

Er zijn menschen, die volhouden dat een dierenleven louter een zaak van blind instinct en gewoonte is. Hier op den oever, zoo voor mijn oogen, had ik een tooneel, dat om een eenigszins andere verklaring vraagt.

Ofschoon de herten het talrijkst en het merkwaardigst van de dieren zijn op wie men zonder geweer kan jagen, zijn ze zeker niet het eenige wild, dat het hart van den jager met blijdschap vervult en maakt dat ’t hem plezier doet als zijn weitasch leeg is. Elanden kan men aan hetzelfde water vinden, en wanneer men ze zeer bedaard en langzaam nadert in den zomertijd, vooral met een kano, toonen ze weinig angst voor den mensch. Toen ik den vorigen zomer ’t water doorgleed, ’t Matagammon-meer in, doemden er in de nauwe geul een wijfjeseland en haar kalf voor me op. Ik bespiedde haar een poosje stilletjes, en merkte haar eigenaardige manier van eten op;—nu eens trok ze wat sappig watergras omhoog, dan weer rekte ze haar hals en haar grooten snuit uit om een bekvol bladen van den watereschdoorn af te rukken, eerst het een en dan het ander, als een jongen met twee appels. Ondertusschen snuffelde het kalf langs den oever en schonk geen aandacht aan de kano, die hij best zag, maar die zijn moeder niet merkte. Na ze een paar minuten te hebben gadegeslagen, gleed ik omzichtig naar den overkant en liet me stroomafdrijven, om te zien of het mogelijk zou zijn er voorbij te komen zonder ze te verstoren. Het kalf was met iets op den oever bezig, de moeder stond diep in het watergras, toen ik voorbijdreef, laag in mijn kano gezeten. Ze zag me toen ik op haar hoogte was, en nadat ze me even vol verbazing had aangekeken, ging ze weer aan ’t eten. Toen wendde ik de kano langzaam en ging onder den wind liggen, geen tien meters van hen af, om elke beweging van beteekenis te bespieden. Het kalf was nu dichter bij me, en de moeder liet hem door een zwijgend bevel terugkomen, aan dien kant van haar waarmee ze van me afgekeerd stond; maar de nieuwsgierigheid van het kleine beest was opgewekt door het verbod, en hij bleef maar onder den buik van zijn moeder doorgluren, of zijn hals verdraaien om achter over haar hielen heen te zien wie ik was en wat ik uitvoerde. Maar geen zweem van angst; en ik trok eindelijk langzaam achterwaarts en liet hem aan zijn maaltijd op dezelfde plaats waar ik hem had aangetroffen.