Chapter 4 of 8 · 3917 words · ~20 min read

Part 4

Op een dag in de bosschen drong het plotseling tot mij door, dat, terwijl ik het spoor drie- of viermaal gevolgd was, ik er nooit aan gedacht had den boom waaronder het eindigde te onderzoeken. Bij die gedachte ging ik naar den grooten spar, en daar waren wel degelijk hier en daar lichtbruine plekken, waar de ruwe buitenschors er afgeschampt was. En daar had je ook, glinsterend wit, wat opgedroogd slijm, waar een visch even tegen de schors had gerust. Het beest, wat het dan ook was geweest, was in den boom geklommen met zijn buit; en nauwelijks was ’k tot die ontdekking gekomen, of ik klauterde hem haastig achterna.

Bijna in den spichtigen top vond ik mijn net, stevig met zijn langen stok tusschen twee takken geklemd, ’t geraamte door een vooruitspringende takstomp gegrepen, de zak neerbungelend boven de ijle ruimte. In het net zat een groote, wilde kat, met haar ronden kop door een gat gestoken, dat zij er van onderen in gebeten had, de taaie mazen zoo strak als vioolsnaren om haar keel gespannen. Alle vier de pooten hadden zich krabbend en duwend door de mazen gewerkt, tot elke slag, elk verzet slechts diende om haar nog vaster te knevelen en te wurgen.

Uit die aanwijzingen maakte ik eindelijk de ruwe omtrekken van de geschiedenis op. Pekompf had de visch gevonden en getracht ze te stelen, maar haar argwaan werd gewekt door dat wonderlijke net en het ratelende handvat. Met echte lynxachtige geslepenheid, altijd voor meer dan de helft onbenulligheid, had zij het meegenomen en was den grootsten boom ingeklommen dien zij maar vinden kon. Dicht bij den top was de stok tusschen de takken beklemd geraakt en terwijl zij hem los probeerde te krijgen, waren net en visschen buiten ’t bereik van den stam gezwaaid. In de schors onder den stok ontdekte ik de plaats waar zij zich aan den tronk had vastgeklemd en de slingerende forellen met haar voorpoot had trachten te bereiken; en op een tak boven ’t geraamte waren sporen, die toonden waar zij verlangend op de visch onder in het net had zitten neerkijken, vlak onder haar hongerigen neus. Van dezen tak was zij òf naar beneden gevallen, òf, wat waarschijnlijker is, was zij in een aanval van blinde woede het net ingesprongen, dat zich rondom haar gesloten had en haar steviger gevangen hield dan ijzeren tralies. Toen ik den eersten keer onder den boom was gekomen, bij ’t volgen van haar spoor, zat zij waarschijnlijk op een tak boven mijn hoofd gedoken, me aandachtig te bespieden; en toen ik een volgenden keer terugkwam, was zij dood.

Dat was al wat ’k met zekerheid kon zeggen. Maar hier en daar, in een stukgetrokken maas of een haarvlok of de krab van een klauw tegen een zwiepend takje, waren de bewijzen van een strijd, waarvan men de woestheid, de hevigheid slechts kon gissen.

HEELKUNDE DER DIEREN.

De meeste menschen hebben een zieke kat wel gras zien eten, of een hond die zich niet lekker voelde naar een of ander kruid zien snuffelen en ’t gulzig zien opeten om zijn pijn in ’t lijf beter te maken. Enkelen hebben misschien de raadgevingen van John Wesley gelezen over de kunst om gezond te blijven—raadgevingen, die echter hun weg niet gevonden hebben naar zijn boek over zieletucht—en met verwondering en belangstelling gezien dat veel geneesmiddelen, onder het groote publiek en bij de doctoren van zijn tijd in gebruik, zijn afgekeken van de dieren, welke deze dingen opzochten om hun kwalen te genezen.

„Als ze dieren beter maken, zullen ze het menschen ook wel doen,” is zijn onweerlegbaar betoog. Anderen hebben zich misschien zeer verdiept in Indiaansche geschiedenis en volkenkunde, en geleerd dat veel van de kruiden door de Amerikaansche stammen gebruikt, en vooral die helpen voor rheumatiek, dysentrie, koorts en slangebeten, rechtstreeks van de dieren waren overgenomen, doordat men had opgemerkt hoe de rheumatische oude beer varenwortels opgroef of zich baadde in de warme modder van een zwavelbron, en met begeerige oogen bespied had welke planten de dieren in de natuur aten, wanneer ze door ratelslangen gebeten waren of door de koorts gesloopt. Nog anderen voelden zich wonderlijk aangetrokken tot de eerste, ruwe medische kennis der Grieken, die ongetwijfeld uit het Oosten tot hen kwam, en hebben gelezen dat de met zorg bewaakte mysteriën der Asclepiaden, de gewijde heelkunst van Aesculapius’ volgelingen, heel wat eenvoudige geneesmiddelen kenden, die het eerst hun uitwerking bewezen hadden bij dieren in den natuurstaat, en dat Hippocrates, de grootste heelmeester der Oudheid, wiens roem onder den naam van Bokrat, den Wijze, zich door Arabië en de afgelegenste woestijnen verbreidde, veel van zijn medische uitspraken te danken heeft aan wat hijzelf of zijn voorvaderen buiten onder de dieren in ’t wild moeten hebben gezien. En al deze waarnemers en lezers hebben zich wellicht verbaasd dat de dieren zooveel wisten, en zich afgevraagd hoe ze het te weten waren gekomen.

Een eenvoudig voorbeeld uit onzen eigen tijd, uit ons geslacht, om dit toe te lichten. Een hert, dat den heelen dag door honden achtervolgd is en dat eindelijk is ontsnapt door een ijskoude rivier over te zwemmen, en uitgeput op den oever aan den overkant is neergestort, zal in de sneeuw gaan liggen slapen. Dat zou onmiddellijk den dood beteekenen voor ieder menschelijk wezen. Den halven nacht zal het hert met korte tusschenpoozen wat rondloopen in plaats van vast te blijven slapen, en ’s morgens is hij weer zoo frisch als een hoentje en in staat er weer zoo op los te draven. Hetzelfde hert zal, ’s nachts om te slapen in een warmen stal opgesloten—de proef is meer dan eens genomen met dieren uit een hertenkamp—’s morgens dood worden gevonden.

Hier wordt een natuurlijke geneeswet aan de hand gedaan, die, wanneer ze onder de Grieken en Indianen was opgemerkt, onmiddellijk als een methode zou zijn aangenomen om toe te passen bij felle koude en totale uitputting, of bij vergiftiging waar verlamming der spieren het gevolg van is. Dat is zeker: die methode, al was ’t eenigszins een paardenmiddel, zou toch nog genoeg genezingen tot stand hebben kunnen brengen, om met eerbied te worden beschouwd door een volk, dat helaas niets wist van drankjes of Schotsche whisky of suikerballetjes, waar iets onbeschrijfelijk onnaspeurlijks in zit.

Dat de dieren somtijds een ruw soort van genees- en heelkunst op zichzelf toepassen is niet te loochenen. Het eenige wat er van te vragen valt is: hoe weten ze het? Aanvoeren dat het een zaak is van instinct, is voor waar aannemen wat nog bewezen moet worden. ’t Is ook voor driekwart onzin, want veel wat de dieren doen gaat de uiterste grenzen van hun instinct ver te buiten. Het geval van het hert, dat rondliep en op die manier zijn leven redde, in plaats van zwaar door te slapen, tot het in den doodsslaap eindigde, kan gedeeltelijk een geval van instinct zijn. Mij persoonlijk lijkt het een zaak van ervaring, want een hertekalf zou ongetwijfeld onder dezelfde omstandigheden gaan liggen en omkomen, tenzij zijn moeder bij hem was, om hem op de been te houden. Ja, nog meer, het schijnt grootendeels een zaak te wezen van gehoorzaamheid aan de sterkste neiging van het oogenblik, die alle dieren van hun geboorte af kennen en betrachten. En dat is niet precies hetzelfde als instinct, tenzij men geneigd is tot het uiterste te gaan van Berkeley’s wijsbegeerte en instinct tot een soort van geestelijke persoonlijkheid te maken, die steeds over de dieren waakt. Dikwijls schijnt de kennis van een geneeswijze of van primitieve heelkunst, de ontdekking of het eigendom te zijn van slechts enkele, afzonderlijke dieren, in plaats van algemeen links en rechts verbreid te zijn onder de soorten, zooals met instinct het geval is. Deze kennis, of hoe ge het noemen wilt, wordt soms gedeeld, en duidt dus op een soort gedachtenwisseling tusschen de dieren, van wier werking we slechts hier en daar iets vluchtig opvangen—maar dat bewaar ik voor een andere gelegenheid. Ik tracht hier niet het hoe of vanwaar te beantwoorden, maar wil slechts enkele dingen onder uw aandacht brengen die ik in de bosschen heb opgemerkt, als grondslag voor verdere en nauwkeuriger waarnemingen.

De primitiefste heelkunde bestaat wel in het wegnemen van een gebroken poot, wat niet altijd of dikwijls gebeurt, maar alleen als de wond ettert door verwaarloozing of door insectensteken, en het heele lichaam dus in gevaar brengt. Het duidelijkst komt dit waarschijnlijk uit bij den waschbeer, die allerlei trekjes heeft waardoor hij een zeer hooge plaats onder de verstandige dieren inneemt. Wanneer de poot van een waschbeer door een kogel verbrijzeld is, zal hij hem oogenblikkelijk afbijten en de stomp in stroomend water spoelen, gedeeltelijk om de ontsteking te verzachten en stellig ook voor een deel om hem goed schoon te maken. Als hij geneest, gebruikt hij herhaaldelijk zijn tong bij de wond, zooals een hond dat doet, misschien om haar schoon te houden, en door de zachte wrijving het opzwellen tegen te gaan en de pijn te verminderen.

Tot zoover kan dit al of niet louter instinct zijn. Want ik weet niet—en wie zal het me zeggen?—of een kind uit puur instinct zijn gewonde hand in den mond steekt om er op te zuigen en de pijnlijke plek schoon te maken, of omdat hij het anderen heeft zien doen, of omdat in zijn prille jeugd zijn pijn weggekust werd, en hij dus onbewust die handeling nabootst, wanneer zijn moeder er niet is.

De meeste moederdieren likken hun jongen druk. Is dat nu een liefkoozing, of is het een gezondheidsmaatregel, bij de geboorte begonnen, wanneer ze alle sporen verslindt van de geboorte-omhulsels en de jongen schoon likt, opdat niet een hongerig sluipdier door zijn neus in de buurt gevoerd wordt ten verderve van ’t gezin? Dat is zeker, de jongen zijn zich bewust van de zachte tong, die ze liefderijk wrijft, en wanneer ze dus hun eigen wonden likken, is het misschien slechts een herinnering en een nabootsing—twee factoren, laat me dat even zeggen, die ten grondslag liggen aan alle beginselen van opvoeding. Deze verklaring laat natuurlijk den afgezetten poot buiten beschouwing; en de heelkunst houdt hier niet op.

Toen ik een jongen was en nog barbaarsch genoeg om te genieten van vallen-zetten, gedeeltelijk uit aangeboren jagershartstocht, en gedeeltelijk om geld te brengen in een leegen jongenszak, heb ik eens een muskusrat gevangen in een stalen val, die bij den eersten ruk het diepe water ingegleden was en het beest genadig had verdronken. Dit had ik te danken aan de zorgvuldige raadgevingen van Natty Dingle, aan wiens voeten ik zat om wijsheid aangaande de bosschen op te doen, en die deze methode gebruikte om al zijn huiden te sparen; want dikwijls zal een dier, wanneer het in een val gevangen is, het bot breken door een draai met zijn lichaam en den poot dan met zijn tanden af knagen, en zoo ontsnappen met achterlating van het onderste gedeelte in de tanden van de val. Dit is wel zoo algemeen onder de pelsdieren, dat ik geen tegenspraak hoef te vreezen; en de herinnering is me nu pijnlijk, aan de dieren die ’k soms in mijn vallen verdronken vond, en die vroeger door toedoen van andere vallenzetters geleden hadden.

Ik herinner me vooral een groote muskusrat, die ik juist bij een van mijn vallen wilde gaan doodschieten, toen ik plotseling ophield, omdat ik iets vreemds aan haar opmerkte. De val was in ondiep water geplaatst, waar een pad, door muskusratten gemaakt, uit de rivier het gras in naar boven liep. Vlak boven de val stak een knolraap op een puntigen stok om de aandacht van het dier te trekken en het bezig te houden, tot het zijn poot op de doodelijke pan er onder zou hebben gezet. Maar de oude muskusrat vermeed het weggetje, alsof ze op zulke plaatsen al eens eender te lijden had gehad. In plaats van de paden harer voorvaderen te bewandelen, kwam ze op een andere plek achter de val uit het water en ik zag met vreeselijke wroeging dat haar beide voorpooten er af waren, waarschijnlijk op verschillende tijden gebeurd, doordat zij tweemaal in de afschuwelijke uitvindingen van den mensch gevangen was. Toen zij uit ’t water was geklommen, rees ze op haar achterpooten en waggelde door het gras als een beer of een aap, want ze had geen voorpooten om op te rusten. Ze klauterde op een graspol naast het lokaas, met de uiterste omzichtigheid, trok de knolraap met haar twee ongelukkige voorpootstompjes naar zich toe, at ze daar op die plek op en glipte den stroom weer in, terwijl de jongen haar in de schemering bespiedde, ongewoon getroffen, en zijn heele geweer vergat, nu hij bezig was op zijn vallen te letten.

Het hoort niet tot mijn verhaal, maar dien avond werden de vallen opgeborgen om nooit meer voor den dag te komen; en ik kan nu nergens een val voorbijgaan zonder er een stok in te steken, om een arm, onschuldig pootje te sparen.

Maar ik dwaal erg af, zou mijn heelkunst bijna vergeten, en de muskusrat, waar ’k het eigenlijk over had. Zij was ook slechts een paar dagen geleden in den een of ander zijn val gevangen geweest en had haar poot afgebeten. De wond was nog niet genezen en het merkwaardige er van was dat zij haar met een soort kleverige plantaardige gom bedekt had, waarschijnlijk van een denneboom, die vlak bij den grond, waar Musquash er gemakkelijk bij kon, gekloofd of geschild was. Zij had ze dik over de geheele wond gesmeerd en een flink eind op den poot er boven, zoodat deze voor alle vuil en zelfs voor alle lucht en water volkomen afgesloten was.

Een oude Indiaan, die woont en jaagt op het eiland Vancouver, vertelde me onlangs dat hij verscheiden keer bevers gevangen had, die kort te voren hun poot hadden afgebeten om uit vallen te ontkomen, en een paar hadden de wond dik met gom bedekt, evenals de muskusrat gedaan had. In de vorige lente ving diezelfde Indiaan een beer in een blokval. Op den flank had het beest een lange snee van een berenklauw, en de wond was dik besmeerd met zachte dennenhars. Deze laatste ervaring klopt precies met een van mij. Jaren geleden schoot ik een grooten beer in ’t noorden van Nieuw-Brunswijk. ’t Beest had een wond van een kogel, die hem leelijk geschramd had en toen door den poot gegaan was. Hij had de wond zorgvuldig met klei volgestopt, klaarblijkelijk om het bloeden te stelpen, en toen had hij de geschaafde huid met taaie modder uit den rivieroever bedekt, om de vliegen te weren van de wond en deze een kans te geven tot rustig genezen. Het is hier opmerkelijk dat de beer zoowel gom als klei gebruikt, terwijl bever en muskusrat wel zooveel schijnen te weten, dat ze de klei vermijden, die in ’t water er gauw zou afspoelen.

Dit zijn enkele gevallen uit vele, die ik gezien heb of waarvan ’k heb gehoord door betrouwbare jagers, en die op nog iets meer wijzen dan op aangeboren instinct onder de dieren. Als ik me tot de vogels wend, zijn de gevallen minder talrijk, maar merkwaardiger; want de vogels staan op een lageren levenstrap, zijn dus meer aan instinct onderhevig dan de zoogdieren, leeren dan ook minder gemakkelijk van hun moeders, en wijzigen minder gauw hun natuurlijken aanleg om zich aan te passen bij veranderde omstandigheden.

Deze bewering geldt natuurlijk slechts zeer in ’t algemeen en heeft eindelooze uitzonderingen. De vinken, die, toen ze van Engeland naar Australië werden overgebracht, den stijl van hun nesten totaal veranderden en nu op geheel andere wijze bouwen dan hun voorouders; de kleine goudvink van Nieuw-Engeland, die een dubbelen bodem in haar nest maakt om het ei van een koevogel, tusschen de hare gelegd om uitgebroed te worden, te bedekken; de hazelhoenders, die in de buurt van menschenwoningen zooveel schuwer en wakkerder zijn dan hun zusters uit de wildernis; de zwaluwen, die de schoorsteenen en schuren der beschaafde wereld in beslag nemen in plaats van de holle boomen en kleioevers der bosschen, waar ze thuis hooren—deze alle en nog veel meer toonen hoe gemakkelijk het instinct bij de vogels gewijzigd wordt, en de jongen een wijsheid leeren, die hun voorouders nooit hebben gekend. En toch is het dunkt mij waar, dat instincten bij hen over ’t algemeen scherper zijn dan bij de zoogdieren, en de volgende gevallen wekken nog sterker ons besef, dat we verder moeten kijken dan het instinct, naar oefening en eigen vinding, om een verklaring te ontdekken voor vele zaken onder ’t gevederde volkje.

Het prachtigste staaltje van vogelheelkunde, waar mijn aandacht ooit op is gevallen, is dat van een houtsnip, die haar gebroken poot in een spalk van klei zette, zooals ik in „Een Broertje van den Beer” verteld heb; maar er is er nog een, bijna even merkwaardig, dat tot een vraag aanleiding geeft, zelfs nog moeilijker te beantwoorden. Op een dag vroeg in ’t voorjaar zag ik twee eidereenden rondzwemmen in ’t Hummock-meer op Nantucket. De wakkere criticus zal me hier in de rede vallen en zeggen dat ’k me vergis; want eiders zijn zout water-eenden, die zich alleen ophouden in de open zee, en van wie men veronderstelt dat ze nooit in zoet water komen, zelfs niet om te broeden. Zoo meende ik ook dat het was, tot ik deze twee zag. Daarom ging ik een poosje zitten kijken, om er als ’t kon achter te komen wat hen er toe gebracht had van gewoonte te veranderen. Om dezen tijd van het jaar worden de vogels bijna zonder uitzondering in paren aangetroffen, en soms zal u een zwerm van wel negentig meters voorbijkomen, die laag over het water vliegt en de landtong omzwiert, waar ge zit te kijken; eerst een aardig bruin wijfje en dan een prachtige zwart-en-witte woerd vlak achter haar, om den ander in volmaakte regelmaat, wijfje en mannetje, over de heele lengte van de reeks. De twee vogels voor me waren echter wijfjes; en dat was nog een reden om haar gade te slaan in plaats van de honderden andere eenden, duikereenden en zaagbekken en slobbereenden, die overal op het meer verspreid waren.

Allereerst was het in ’t oog loopend hoe eigenaardig de dieren deden, want ze staken hun kop onder water en hielden dezen zoo wel langer dan een minuut. Dat was weer iets merkwaardigs, want het water onder hen was te diep om er voedsel te zoeken en de eidereenden wachten liever tot het eb is en pikken dan de blootgekomen schelpdieren op van de rotsen, in plaats van als duikereenden hun kop onder te dompelen. De duisternis viel snel en verborg de vogels, die nog den kop onderhielden, alsof ze betooverd waren; ik vertrok dus, niet wijzer door wat ik gezien had.

Een paar weken later was er weer een eidereend, een groote woerd, in hetzelfde meer, die zich even wonderlijk gedroeg. In de meening dat dit misschien een gewonde vogel was, dol geworden door een schot in den kop, roeide ik naar hem toe in een oude zeef van een boot; maar hij ging bij mijn nadering op de vlucht, als elke andere eend, en streek, na een poosje krachtig gevlogen te hebben, verder stroomaf op het meer neer en dompelde zijn kop weer onder water. Razend nieuwsgierig begon ik nu een sluipjacht op den vreemdeling, en slaagde er na veel moeite in hem te schieten van ’t puntje van een met kreupelhout begroeide landtong af. Het eenige ongewone aan hem was, dat een groote mossel, zooals er op de rotsen in zout water groeien, zijn schelpen stevig om de tong van den vogel gesloten had, zoodat hij die noch kon kraken met zijn snavel, noch afkrabben met zijn poot. Ik trok er de mossel af, stak haar in mijn zak en toog naar huis, terwijl de zaak me nog raadselachtiger was dan tevoren.

Dien avond snorde ik een ouden visscher op, die alles en nog wat wist van het wilde goedje, en vroeg hem of hij ooit een eidereend in zoet water gezien had. „Eens, of een paar maal,” zei hij; „ze bleven maar met hun kop onder water, alsof ze niet wijs waren.” Maar hij kon er geen verklaring van geven, tot ik hem de mossel liet zien, die ik aan de eendetong gevonden had. Toen verhelderde zijn gezicht. „Die soort mossels willen niet in zoet water,” verklaarde hij op ’t eerste gezicht; en toen flitste het dadelijk door ons beider hoofd wat de beteekenis van de zonderlinge handelwijze der vogels wel was: de eidereenden waren eenvoudig bezig de mossels te verdrinken, om te maken dat hun greep verslapte, en de gekluisterde tongen te bevrijden.

Dit is stellig de ware verklaring, en ik vond er bevestiging van, door de vogels nauwkeuriger waar te nemen als ze aan ’t eten waren. Den geheelen winter zijn ze langs onze kusten te vinden, waar ze zich voeden met de kleine schelpdieren, die de rotsen bedekken. Als het eb wordt, komen ze aanzwemmen van de zandplaten, waar ze in troepen verspreid liggen, en hakken ze de mossels van de rotsen, waarna zij ze met schelp en al doorslikken. Menigmaal heb ik me tusschen de rotsblokken van het havenhoofd verscholen met een paar houten lokvogels vóór me, en de eidereenden bespied, als ze aan kwamen vliegen om te eten. Ze kwamen haastig op de lokvogels af, terwijl ze hun vlerken herhaaldelijk ophieven bij wijze van begroeting; dan, blijkbaar boos dat ze niet door hetzelfde teeken van opgeheven vlerken werden verwelkomd, zwommen ze op de houten namaaksels toe en pikten ze hier en daar kwaadaardig, om ze daarna vol verachting aan hun lot over te laten en zich tusschen de rotsen aan mijn voeten te verspreiden, zonder veel aandacht aan mij te schenken, zoolang ik me doodstil hield. Want ze zijn veel tammer dan andere wilde eenden, en het duurt helaas heel lang, eer ze aannemen dat de mensch hun vijand is.

Ik merkte nog iets eigenaardigs toen ik ze gadesloeg, en hoopte het door een gelukkig toeval zoo te treffen, dat ik zag hoe er een door een mossel gegrepen werd.

Wanneer er een zwerm hoog in de lucht voorbijtrok, maakte elk plotseling hard geluid—een kreet of het knallen van een geweer op korten afstand—dat de heele troep bliksemsnel neerschoot tot vlak boven ’t water. Plevieren hebben dezelfde gewoonte, als ze voor ’t eerst uit Labrador komen, maar ik heb er tevergeefs een aannemelijke verklaring voor trachten te vinden.

Als de vogels aan ’t eten zijn, zal een mossel soms haar schelpen stevig vastklemmen aan tong of snavel van een onvoorzichtige eend, op een manier dat ze niet gekraakt of doorgeslikt of tegen de rotsen stukgehakt kan worden. In zoo’n geval zal de vogel, als hij ’t geheim kent, naar zoet water vliegen en zijn pijniger verdrinken. Of alle eenden zoo verstandig zijn, of dat het maar blijft bij een paar vogels, kan ik nu nog niet vaststellen. Ik heb zelf drie verschillende eidereenden dit staaltje van geneeskunst zien toepassen, en ’k heb er van tenminste nog een stuk of zes gehoord, alle van dezelfde soort, die in zoetwatermeren of rivieren werden gezien, terwijl ze herhaaldelijk den kop onder water dompelden. In alle gevallen doen zich twee merkwaardige vragen voor; ten eerste: hoe merkte een vogel, die zijn geheele leven, van zijn geboorte tot zijn dood, op zee doorbrengt, dat bepaalde mossels in zoet water verdrinken? En ten tweede: hoe weten andere vogels het nu, als ze onverwacht in nood geraken?

UPWEEKIS, DE SCHADUW.