Part 8
Ismaques, is-ma-kwez’, de vischarend.
Kagax, ke’-guaks, de wezel.
Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.
K’dunk, k’dunk’, de pad.
Keeokuskh, kie-o-kusk’, de muskusrat.
Keeonekh, kie’-onek, de otter.
Killooleet, kil’loe-liet, de witkeel-musch.
Kookooskoos, koe-koes-koes’, de groote oehoe.
Koskomenos, kos’-kom-ie-nos, de ijsvogel.
Kupkawis, kup-kee’-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
Kwaseekhoo, kwa-ziek’o, de zaagbek.
Lhoks, loks, de panter.
Malsun, mel’-sun, de wolf.
Meekoo, mie’-ko, de roode eekhoorn.
Megaleep, meg’-a-liep, de caribou of ’t N.-Amerikaansche rendier.
Milicete, mil’-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.
Mitches, mit’-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort „grouse”: bonasia umbellis of Amerikaansche „patrijs”.
Moktaques, mok-ta’-kwes, de haas.
Mooween, moe-wien’, de zwarte beer.
Musquash, mus’kwosj, de muskusrat.
Nemox, nem’-moks, } } de vischmarter uit N.-Amer. Pekquam, pek-wem, }
Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
Seksagadagee, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort „grouse”.
Skooktum, skoek’-tum, de forel.
Tookhees, tok’-ies, de boschmuis.
Umquenawis, um-kwie-na’-wiz, de eland.
Unkwunk, unk’-wunk, het stekelvarken.
Upweekis, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx.
Whitooweek, wit’-oe-wiek, de houtsnip.
AANTEEKENING
[1] Amerikaansch theoloog en schrijver. 1703–1758.