Chapter 3 of 8 · 3970 words · ~20 min read

Part 3

Er waren er drie, toen ik ze voor ’t eerst ontdekte, op vooruitstekende takstompen gezeten boven de dansende golfjes van een ondiepe plek, waar ’t krioelde van zwartvisch en voorntjes en jonge zalm en levendige, jonge roodvinnen. Plotseling vielen ze, alsof er af! bevolen was, met den snavel vooruit in de rivier. In een oogwenk waren ze er weer uit en schoten ze ieder naar zijn eigen tak terug, waar ze hun kop achteroverwierpen en hun voorntjes met schokjes door hun keel wurmden, zoo haastig dat ze er bijna van stikten. Toen dat gebeurd was, begonnen ze op hun takken heen en weer te dansen, onder een uitbundig geratel en gegichel.

In den beginne begreep ik er niets van, tot het spelletje eenige keeren herhaald was. ’t Begon altijd op ’t zelfde oogenblik met een plons in de golfjes en dan hals-over-kop naar honk terug. Toen was me hun bedoeling zoo klaar als de stroom onder hen. Er was eten volop, en volmaakt zonder zorg speelden ze: wie ’t eerst naar zijn tak terug kon komen en zijn visch doorslikken. Soms lukte het er een paar niet een visch te snappen, en dan glipten ze terneergeslagen terug; soms waren ze alle drie zoo dicht bij elkaar, dat er heel wat gesnater noodig was om de zaak te beslechten; en ze eindigden altijd op dezelfde manier, door weer van voren aan te beginnen.

Koskomenos is een eenzame, met weinig genoegens en nog minder makkers om die met hem te deelen. Dit komt stellig door zijn eigenaardige vischwetten, die aan elken ijsvogel een bepaald eigen stuk van meer of rivier toewijzen. Slechts de jongen uit hetzelfde gezin gaan samen visschen; en daarom twijfel ik er niet aan, of dit waren dezelfde vogels van wie ik in den beginne het onderricht bespied had, en die zich nu op hun manier vermaakten, zooals het heele boschvolkje doet in de weelderige, zorgelooze, gelukkige najaarsdagen.

PEKOMPFS LISTEN.

Pekompf, de wilde kat, is een der wilde dieren die nog niet uit de nabijheid der menschen verdwenen zijn. Soms, als ge door het bosch de heuvelhelling boven de hoeve opklautert, treft ge plotseling een katachtig beest aan, dat er kwaadaardig uitziet en zich languit op een rots ligt te zonnen. Zoodra zij u ziet, springt zij met een snauw overeind en ge hebt juist even den tijd om haar afmetingen te schatten. Zij is twee keer zoo groot als een huiskat, met een ronden kop en groote, uitdrukkingslooze oogen, die strak in de uwe staren en koud, groenachtig glinsteren. Haar rossig-bruine flanken zijn hier en daar gespikkeld, en de witte vacht aan den onderkant is bij haar zwart gevlekt,—om zich beter in licht- en schaduwplekken te kunnen verschuilen. Een kat is ’t ongetwijfeld, maar ze heeft niets van welke soorten ge ook eerder gezien hebt.

Terwijl ge toekijkt en u staat te verbazen, klinkt er een zwak geluid; wat ’k u raden mag, let daarop. De spieren van haar lange, dikke pooten werken zenuwachtig, en terwijl zij zich zoo beweegt, klinkt een waarschuwend gesnor, niet het zachte keelgeluid van een tevreden spinnende poes, maar het haken en rijten van leelijke, groote klauwen, als ze kwaadaardig uitgestoken worden op de dorre blaren. Haar staartstompje beeft—ge hadt het nog niet opgemerkt, maar nu zwiept het woedend heen en weer, als om de aandacht te vestigen op het feit, dat de Natuur dit gedeelte van Pekompf niet geheel vergeten had. Zwiep, zwiep—’t is een staart—k’iaaaak! En ge springt op, als ’t venijnige beest u toekrijscht.

Wanneer het uw eerste wilde kat is, zult ge ternauwernood weten wat te doen—doodstil blijven staan is altijd het beste, tenzij ge een stok of een geweer in de hand hebt—en wanneer ge Pekompf al veel vaker ontmoet hebt, verkeert ge nog precies zoo in ’t onzekere over wat zij dezen keer doen zal. De meeste dieren in de natuur, al zijn ’t ook echte wilde dieren, gaan ’t liefst stilletjes hun gang en zullen diezelfde neiging in u eerbiedigen. Maar wanneer ge plotseling voor een wilde kat staat, zijt ge nooit zeker van haar volgende beweging. Dat is omdat zij een gluiperig, verraderlijk beest is, net als alle katten, en nooit precies weet welke houding zij ’t best tegen u aan kan nemen. Zij wantrouwt u onredelijk, omdat zij weet dat gij háár met reden wantrouwt. Gewoonlijk gluipt zij weg, of springt plotseling de dekking in, al naar uw manier van naderen. Maar ofschoon kleiner dan èn de Canadeesche lynx èn de panter, is ze van nature woester en soms duikt ze neer en grauwt u toe, of zelfs springt ze u naar de borst bij de eerste beweging.

Een keer voor zoover ik weet, viel ze als een furie een man op de schouders, die zich door de schemering huiswaarts haastte, en die toevallig onverwachts stilstond onder den boom van waaruit Pekompf de paden zat te beloeren. De man had er geen vermoeden van dat er een wilde kat in de buurt zat, en dat zou hij waarschijnlijk ook nooit geweten hebben, als hij kalm zijns weegs gegaan was. Hij had zich, zoo vertelde hij me later, plotseling ongerust gevoeld, en was stil blijven staan om te luisteren. Niet zoodra had hij dat gedaan, of ’t beest boven hem dacht dat het ontdekt was, sprong toe—en daar had je de poppen aan ’t dansen. Er kwam wat van boven neer—een krijsch—goed scheurde—een wilde kreet om hulp; toen een kreet tot antwoord, en twee houthakkers kwamen met hun bijlen aansnellen. Dien avond werd Pekompfs huid tegen de schuurdeur gespijkerd om in de zon te drogen, eer ze gelooid werd en tot een mof verwerkt voor ’t dochtertje van den houthakker om er haar handen mee warm te houden tegen de bittere winterkou.

Waar de beschaving het meerendeel van haar makkers verdreven heeft is Pekompf een schuw, stil beest; maar waar de hoeven verspreid liggen en de hellingen ongerept en boschrijk zijn is zij brutaler en luidruchtiger dan in de onbevolkte wildernis. Wie aan de deur staat van een kolenbrandershut in de heuvels van Connecticut, kan haar nog hooren krijschen en met haar makkers vechten, wanneer de schemering daalt, en het luidruchtige gekrol maakt dat het u nog kouder over den rug loopt dan bij eenig ander geluid, dat ge ooit in de wildernis zult hooren.

Terwijl ge den forellenstroom langs gaat, waar de kolenbrander dagelijks zijn ketel vult, kan ’t gebeuren dat ge Pekompf languit op een omgevallen boom onder de elzen vindt, aandachtig turend in ’t forellenwater, en hij wacht, en wacht—waarop? Er zal nog menig seizoen van bespieden voorbij moeten gaan om deze voor de hand liggende vraag te beantwoorden, die elk waarnemer van ’t wilde goedje zich herhaaldelijk gesteld heeft. Alle katten hebben slechts één vorm van geduld: het geduld om kalm af te wachten. Haar wijze van jagen, behalve wanneer ze door den honger genoopt worden, is zoo: ze gaan naast de wildpaden liggen loeren, of hurken neer op een grooten tak boven de piek waar hun prooi heenkomt om te drinken. Soms wisselen ze hun programma af en sluipen in ’t wilde weg door ’t bosch, alleen of in paren, om op goed geluk, domweg hun wild te snappen; want ’t zijn erbarmelijke jagers. Ze volgen zelden een spoor, niet alleen omdat hun neus niet scherp is—want in de sneeuw waar een spoor zoo duidelijk als een hertenpad is, laten ze het met onbekookt ongeduld in den steek, zonder eenig ander gevolg dan dat het wild zich van schrik hals-over-kop in veiligheid brengt. Dan hurken ze neer onder een dwergspar en staren naar het spoor met ronde, starre oogen en wachten tot de verschrikte dieren terugkomen, of tot er andere beesten langs hetzelfde spoor naderen. Zelfs bij ’t onderricht van haar jongen is een wilde moederkat vol grauwende nukken en grillen; maar laat er nu eens een kalkoen ver weg in het bosch kokkelen, laat Musquash eens in haar hol duiken, dat de kat het zien kan, laat, al is ’t slechts een boschmuis eens verdwijnen in haar verborgen gaatje—en onmiddellijk heeft Pekompf haar geduld terug. Het kwade humeur van de nijdas is verdwenen. Ze hurkt neer en wacht en vergeet al het andere. Het kan zijn dat ze net volop gegeten heeft van haar grootste lekkernij, en dus geen zin heeft en niet van plan is meer te vangen; maar toch moet ze blijven loeren, als om zichzelf gerust te stellen, dat haar oogen niet bedrogen zijn en dat Tookhees werkelijk daar onder den bemosten steen zit, waar ze haar pootjes zag weghaasten en haar angstig gepiep hoorde toen ze verdween.

Maar waarom zou een kat in een forellenkom zitten loeren, waar nooit van z’n leven iets uitkomt om haar geduld te beloonen? Dat was jarenlang een onoplosbaar vraagstuk. Ik had Pekompf menigmaal languit op een omgevallen boom of dicht tegen een groot rotsblok boven het water zien liggen, zoo aandachtig op de loer, dat zij mijn behoedzame nadering niet hoorde. Tweemaal had ik van mijn kano uit Upweekis, den los, op den oever van een meer in de wildernis tusschen de verweerde wortels van een aangedreven den zien neerhurken, terwijl zijn groote klauwen bijna aan ’t water raakten, en zijn oogen met starren blik op het diepe waterbekken onder zich tuurden. En eens, toen ik op de forellenvangst was aan een onstuimige rivier, juist tegenover een versperring van boomstammen en driftgoed, had ik plotseling ’t ingooien gestaakt met een onbehaaglijk gevoel dat onzichtbare oogen me bespiedden bij mijn eenzame sport.

Het is altijd goed in het bosch aan zoo’n waarschuwing gehoor te geven. Ik keek haastig stroomop en stroomaf, maar slechts de snelle stroom van de rivier leefde. Ik zocht zorgvuldig de oevers af en tuurde achterdochtig in het bosch achter me; maar behalve een winterkoninkje dat er uit kwam glippen—’t is net of ’t altijd iets zoekt, dat het verloren heeft, en naar zijn meening hebben wij daar niets mee te maken—lagen de oevers ongerept en stil, alsof ze zoo juist geschapen waren. Ik zwaaide mijn vliegen weer uit. Wat was dat, net achter ’t golfje, waar die zilveren gevallen was? Er bewoog, kronkelde, sloeg en draaide zich iets zenuwachtig. Het was een staart, het staartpuntje, dat niet stil kan zijn. En daar—onwillekeurig liep ’t me koud over den rug, toen ik de omtrekken ontwaarde van een groot, grijs beest, op een omgevallen boomstronk uitgestrekt, en merkte dat zijn glinsterende, wilde oogen pal op mij gericht waren. Zelfs terwijl ik naar ’t beest keek, vervaagde het als een schaduw der bosschen. Maar waarop loerde de panter daar, voordat hij mij beloerde?

Onverwachts kwam het antwoord. Het was midden in den zomer, in het dal van de Pemigewasset. Met ’t aanbreken van den dag was ik geruischloos den boschweg naar ’t forellenwater afgekomen en had stilgestaan om een „mink” langs den oever te zien glippen—nu was hij zichtbaar, dan weer weg. Toen hij onder een paar boomstammen uit ’t oog verdween, wachtte ik kalm of er zich meer van het boschvolkje zouden vertoonen. Een lichte beweging aan ’t uiteinde van een liggenden boomstam—en daar had je Pekompf, zoo stil dat het oog haar ternauwernood ontdekken kon, die behoedzaam een voorpoot neerstak en hem met een eigenaardigen, ingehouden zwaai terugsloeg. Weer deed ze het en ik zag de lange, gekromde klauwen, scherp als vischhaken, wijd uit hun scheeden steken. Zij zat te visschen, spietste haar prooi met Indianengeduld; en op hetzelfde oogenblik dat ’k tot die ontdekking kwam, flonkerde er iets zilverachtigs, na een snellen ruk van haar klauw, en Pekompf sprong den oever op en hurkte boven den visch, dien zij uit het water had geworpen. Pekompf loert dus in ’t water zooals zij naar ’t gat van een eekhoorn loert, omdat zij er een prooi gezien heeft, en omdat zij meer van visch houdt dan van iets anders dat het bosch oplevert. Maar hoe dikwijls moet zij op de groote forellen loeren, eer zij er een vangt. Soms, in de latere schemering, trekken de grootste visschen uit het diepe water, om langs den oever naar voedsel te neuzen, terwijl hun rugvinnen boven het ondiepe zichtbaar zijn als ze voortglijden. Misschien vangt Pekompf ze wel eens tegen dezen tijd; en als zij dus een visch in de diepte ziet glinsteren, hurkt zij een poos neer waar zij is, gehoorzaam aan den onweerstaanbaren drang van alle katten op ’t gezicht van wild. Hierin verschillen ze van alle andere wilde dieren, die, wanneer ze niet hongerig zijn, aan kleiner dieren niet de minste aandacht schenken.

Misschien gaat Pekompfs geslepenheid ook dieper dan dit. De oude Noël, een Micmacsch jager, vertelt me dat èn de wilde kat èn de lynx, wiens geslepenheid over ’t algemeen de listigheid der stompzinnigheid is, een merkwaardige manier ontdekt hebben om visch te vangen. Ze gaan met hun kop vlak bij het water liggen, hun voorpooten gekromd voor een snellen slag, de oogen half gesloten om de visch te misleiden, terwijl hun snorren aan den waterspiegel raken en er op spelen. Hun geheele kleur komt overeen met hun omgeving en verbergt ze volkomen. De forellen stijgen, wanneer ze ’t lichte gefronsel van ’t water dat de lange snorren aanraken merken, zonder het neergehurkte dier te scheiden van den boomstam of de rots, waar het op ligt, naar de oppervlakte, zooals hun gewoonte is als ze aan ’t eten zijn, en worden er door een bliksemsnellen slag van de voorpooten uitgewipt.

Of dit al dan niet zoo is weet ik niet zeker. De waschbeer vangt ongetwijfeld krabben en vischjes op deze manier; en ik heb soms katten verrast—wilde katten en Canadeesche lynxen, zoowel als huispoesen—met haar kop vlak aan ’t water, zoo roerloos, dat ’t leek alsof ze deel uitmaakten van den stam of de rots waarop ze neerhurkten. Eens trachtte ik wel vijf minuten aan een gids een grooten lynx te wijzen, die op een wortel lag, in ’t volle gezicht, geen dertig meters van onze kano, terwijl de gids me fluisterend verzekerde dat hij best zien kon en dat het niets dan een tak was. Toen hoorde de lynx ons, rees overeind, stond te staren en sprong het kreupelhout in.

Zoo’n manier van zich verbergen zou zelfs een forel gemakkelijk misleiden; want ik ben dikwijls aan het uiteinde van allerlei vastgedreven stammen en rommel gaan liggen en als ik me dan een minuut of tien doodstil gehouden had, zag ik den schuwen visch van onder de stammen uit rijzen om een strootje of takje, dat ik in mijn vingers hield en waarmee ik het water hier en daar aanraakte als een spelend insect, te onderzoeken.

De oude Noël heeft dus waarschijnlijk gelijk, als hij zegt dat Pekompf met haar snorren vischt, want de gewoonten van visschen en katten beide schijnen zijn waarnemingen te bevestigen.

Maar dieper nog dan haar geslepenheid gaat Pekompfs aangeboren wantrouwen, en haar krankzinnige woede als zij tegengewerkt of in ’t nauw gedreven wordt. De „trappers” vangen haar net zooals ze haar grooten neef, den lynx, vangen: door een strik te zetten in de konijnenpaden, die zij ’s nachts volgt. Tegenover de lus, en aan den anderen kant van het touw bevestigd, is een stok, die achter de kat aanspringt, als zij met de lus om den nek vooruitschiet. Was het een vos, dan zou hij achterwaarts uit den strik loopen, of stil gaan liggen om het touw met de tanden stuk te bijten en zoo ontsnappen. Maar Pekompf, evenals alle katten wanneer ze in de val zitten, ontsteekt in een zinnelooze woede. Zij grauwt tegen den stok, die ’t niet helpen kan, krabt hem, vecht er mee en stikt letterlijk van kwaadaardigheid. Of, als ’t een oude kat is en haar listigheid een beetje verder gaat, trekt zij behoedzaam af en klimt in den grootsten boom dien zij vinden kan, terwijl het onplezierige ding, waaraan zij vastgebonden is, achter haar aanbungelt en -ratelt. Als ze bijna den top heeft bereikt, zal zij den stok aan den eenen kant van een tak laten hangen, terwijl ze listig aan den anderen kant naar beneden klimt, in den waan zoo haar zwijgenden vijand te verschalken en achter te laten. Dan gebeurt er altijd een van tweeën: of de stok blijft haken achter een vertakking en Pekompf hangt zichzelf op aan haar eigen galg, of anders komt hij er met een ruk plotseling over en stort op den grond, Pekompf meesleepend en gewoonlijk doodend in zijn val.

Het is, op zijn zachtst genomen, een wreede, beestachtige uitvinding, en gelukkig voor het kattengeslacht is ze bijna uit de noordelijke bosschen verdwenen, behalve in ’t verre Noordwesten, waar de halfbloeds ze nog met goeden uitslag tegen den lynx in praktijk brengen. Maar als staaltje hoe de „trappers” een eigenaardigheid van een dier aangrijpen en voor zijn verderf gebruiken heeft het geen wederga.

Dat Pekompfs listigheid van de soort der katten is: achterdocht, zonder het sluw overleg of de kracht van den vos of den wolf, blijkt eigenaardig uit een gewoonte die lynx en wilde kat gemeen hebben, namelijk: dat ze al wat ze rooven meesleepen naar den top van een hoogen naaldboom om ’t te verslinden. Als ze een haas of een visch eerlijk zelf gevangen hebben, eten ze dien gewoonlijk op de plaats zelf op; maar als ze zoo’n dier uit een strik of een bergplaats stelen, of van een kleinen jager, keert de kattenachterdocht terug—mèt een vaag besef van kwaad te doen, dat alle dieren in minder of meerdere mate hebben—en ze maken zich met den buit uit de voeten en eten hem gulzig op, daar waar ze meenen dat niemand hen ooit zal ontdekken.

Eens, toen ik dagenlang onder het nest van een vischarend op den uitkijk lag naar de dieren die schuw aankwamen om het afval op te eten, dat de jonge vischarenden weggooiden als hun honger gestild was, bleek deze kattengewoonte al heel duidelijk. Andere dieren kwamen nader en aten rustig op wat ze vonden en glipten weer heen; maar de katten grepen een stuk met fonkelende oogen, alsof ze alle wet en gezag tartten, en grauwden vreeselijk onder ’t eten; of anders dropen ze gluips af, om het stuk in de hoogste takvork te verslinden, die maar houvast voor hun pooten wou geven. En eens zag ik in in November aan de kust van Maine een fellen strijd in de boomtoppen, waar een wilde kat ineengedoken zat te grauwen als een troep duivels, terwijl een groote adelaar boven haar zwierde en op haar stootte bij zijn pogingen om den buit mee te nemen, dien Pekompf gestolen had.

Maar verreweg het merkwaardigste staaltje van Pekompfs geslepenheid kreeg ik ’s zomers, een paar jaren geleden, onder de oogen. Tot onlangs verkeerde ik in den waan, dat het een eenige ontdekking was, maar den vorigen zomer had een vriend, die elk jaar voor de zalmvisscherij naar Newfoundland gaat, een dergelijke ervaring met een Canadeeschen los, die nog eens nadrukkelijk wijst op de neiging van alle katten, om de boomtoppen op te zoeken met wat met ze maar gestolen hebben; ofschoon ik er eigenaardig genoeg nooit een spoor van heb kunnen ontdekken met wild dat ze eerlijk zelf hadden gevangen. Het was in Nieuw-Schotland, waar ik in een korte vacantie met zalmvisschen bezig was, zonder dat ik er vermoeden van had daar Pekompf te zullen ontmoeten, want de winters zijn daar streng en men neemt aan dat de wilde kat zulke plaatsen aan haar sterker, langbeeniger neef, den lynx, overlaat, wiens voetzolen grooter zijn dan de hare en beter van kussentjes voorzien om over de sneeuw te loopen. Zelfs in de streek van zuidelijk Berkshire kunt ge Pekompfs spoor volgen en zien waar zij ’t hard te verantwoorden heeft, wanneer zij als een huispoes tot over haar flanken door de zachte driftsneeuw ploetert, hongerig op zoek naar hazelhoenders en hazen, en eindelijk wanhopig gaat liggen om te wachten tot de sneeuw hard wordt. Maar tot mijn verbazing was Pekompf daar, grooter, feller en geslepener dan ik haar ooit gezien had, ofschoon ik dit pas na lang zoeken ontdekte.

Ik had op een morgen van ’t aanbreken van den dag tot bijna zes uur gevischt, en twee mooie forellen gevangen, alles wat de rivier beloofde af te staan voor dien dag. Daar dacht ik aan een meertje in de bosschen aan gene zij der bergen, dat er naar forellen uitzag toen ik het ontdekt had, en waar, voor zoover ik wist, nog nooit met een vlieg gevischt was. Meer gedreven door het aardige van zoo’n onderzoekingstocht dan door de verwachting van visch, toog ik op weg om ’t nieuwe vischwater te probeeren.

De klimpartij door de bosschen beloofde moeilijk te worden, dus ik liet alles achter, behalve den hengel, den snoerhaspel en mijn vliegen. Mijn jas werd over den eersten den besten struik gehangen; het schepnet lag in de schaduw over een rotsblok met het eind van ’t handvat stevig onder een wortel gestoken; ik gooide er mijn beide forellen in en bedekte ze met varens en mos voor de zon. Toen ging ik op weg, de bosschen door naar het meertje.

Bij mijn terugkeer een paar uur later, met leege handen, waren forellen en schepnet verdwenen. Mijn eerste gedachte was natuurlijk dat iemand ze gestolen had en ik zocht naar sporen van den dief, maar er was nergens een voetstap, behalve van mezelf, stroomop noch stroomaf. Toen keek ik aandachtiger naast het rotsblok en vond stukjes mos en vischschubben, en in het grint de prent van een dier, te flauw om uit te maken welk beest ze gezet had. Ik volgde de vage sporen een meter of honderd het bosch in, tot ze me naar een hoogen sparreboom voerden, waaronder elk teeken spoorloos verdween, alsof het beest plotseling met net en al weggevlogen was, en ik gaf het spoor op zonder er eenig begrip van te hebben waarvan het afkomstig was.

Wel veertien dagen lang plaagde die prent me. Het was niet zoozeer het verlies van mijn beide forellen en het schepnet dat me geen rust liet, als wel mijn gebrekkige kennis der bosschen, die me bij dat spoor zonder einde in den steek had gelaten. Het was een groot net, te groot en te zwaar eigenlijk om forellen mee te vangen. Eer ik er op uittrok, had ik op ’t laatste nippertje gemerkt dat mijn forellennet vergaan was en onbruikbaar, zoodat ik het eenige genomen had dat bij de hand was, een voor een bijzonder doel vervaardigd net van een meter middellijn, dat ik het laatst gebruikt had op een wetenschappelijken tocht om proefdieren uit de meren in ’t noorden van Nieuw-Brunswijk te vangen. Het handvat was lang en ’t geraamte, zooals ik meer dan eens beproefd had, stevig genoeg dat ik ’t in plaats van een vork kon gebruiken om een zalm van vijfentwintig pond uit zijn diepe verblijf te lichten, nadat hij zoolang had mogen uitrazen, tot hij bedaard was; en hoe eenig dier het mee zou kunnen sleepen door het bosch, zonder een duidelijk spoor na te laten dat mijn oogen vermochten te volgen, was me een raadsel, en wekte buitengewoon levendig mijn nieuwsgierigheid op naar wie hij was en waarom hij de visch niet verorberd had, daar waar hij ze had gevonden. Was ’t een lynx of een verdwaalde wolf, of was de vreeselijke Indiaansche Duivel, waar ’s winters bij ’t vuur nog met ontzetting van gesproken wordt, naar de bosschen van zijn geboorteland teruggekeerd? Een week lang piekerde ik over de zaak; toen ging ik weer naar de plek en trachtte nog eens tevergeefs de flauwe indrukken in het mos te volgen. Daarna onderzocht ik elken keer dat ik in de buurt van die plaats zwierf het spoor nog eens, of liep ik in steeds grooter kringen door het bosch, in de hoop het net te zullen vinden, of eenige betrouwbare aanwijzing van het dier dat het gestolen had.