Part 7
Weldra begon ’t weer achter me, eerst zwak, toen harder en dringender, tot het me weer terugleidde naar Hukweems huishouden. Maar daar was niets om het op te helderen, niets dan twee onschuldige eieren boven op de kluit. Ik boog er me over heen om ze nauwkeuriger te onderzoeken. Daar, aan de zijden, waren twee gaatjes, en uit die gaatjes staken de punten van een paar snaveltjes. Er in zaten twee kleine duikers zoo hard als ze maar konden te roepen: „Laat me er uit! O, laat me er uit! Het is hier zoo warm! Laat me er uit—Oeoe-ieie! pip-pip-pip!”
Maar ik liet het bevrijdingswerk aan den moedervogel over, van oordeel dat die er meer van afwist dan ik. Den volgenden dag keerde ik terug naar de plek en na lang spieden zag ik twee duikertjes, die innig genoten van hun vrijheid, in- en uitglippen tusschen de veenkluiten, maar zoo geluidloos als een paar schaduwen. De moeder was ginds op het meer aan ’t visschen voor hun middageten.
Hukweems visschen is altijd iets merkwaardigs om gade te slaan, maar zij is helaas zoo schuw, dat men zelden een goede gelegenheid treft. Eens ontdekte ik haar geliefkoosd vischwater en kwam haar elken dag van een boschje aan den oever uit bespieden. Het zou weinig helpen in een kano te gaan, want op mijn nadering zou zij steeds dieper in ’t water zinken, alsof zij ballast innam. Hoe zij dat doet is een geheim, want haar lichaam is veel lichter dan haar watervolume. Dood of levend, het drijft als een kurk; toch, zonder eenige zichtbare beweging, door een werking van den wil klaarblijkelijk, doet ze het onder water dalen. Ge komt aan in uw kano en zij glijdt langzaam weg, terwijl zij haar kop heen en weer draait als om eerst met het eene oog naar u te kijken, dan met het andere. Uw kano is snel; zij ziet dat ge wint, dat ge al te dichtbij zijt. Zij zwenkt om op het water en zit onafgebroken naar u te turen. Plotseling begint zij te zinken, al dieper en dieper, tot haar rug bijna onder is. Kom een beetje nader, en nu verdwijnt haar lichaam; slechts hals en kop blijven boven water. Steek een hand op of maak de een of andere snelle beweging, en zij is heelemaal verdwenen. Ze duikt bliksemsnel, zwemt diep en ver, en als ze aan de oppervlakte komt, zal ze netjes buiten gevaar zijn.
Wanneer we op de richting van haar snavel letten, zoodra die in ’t water verdwijnt, kunnen we vrij goed bepalen waar ze weer op zal duiken. Het was in ’t eerst als ik haar achtervolgde verwarrend, te ervaren dat zij zelden bovenkwam waar ik haar verwachtte. Ik pagaaide dan snel den kant uit, waar ze heenging, om tot de ontdekking te komen dat ze veel meer naar rechts of links, of achter me was, wanneer ze zich eindelijk vertoonde. Dat kwam doordat ik op haar lichaam afging, niet op haar snavel. Terwijl ze in een bepaalde richting voortgaat, zal ze haar kop omwenden en duiken. Dat is om ons te misleiden, wanneer we haar nazetten. Volgen we haar snavel, zooals zijzelf doet, dan zullen we dichtbij haar zijn zoodra ze bovenkomt, want zij zwenkt maar zelden in het water.
Met twee flinke roeiers om te pagaaien is ’t niet moeilijk haar uit te putten. Ofschoon ze met buitengewone snelheid onder water zwemt—gauw genoeg om een forel te volgen en te vangen—vermoeit lang en diep duiken haar en moet ze rusten voor een volgenden keer. Als ge haar nazit, schreeuw dan en wuif met uw hoed, zoodra ze verschijnt, en pagaai snel in de richting van haar snavel, zoodra ze weer duikt. Den volgenden keer dat ze boven komt zijt gij dichter bij haar. Jaag haar gauw weer naar beneden en dan er weer achteraan. Den daarop volgenden keer is ze bang, als ze de kano zoo dichtbij zich merkt, en duikt zij diep, wat haar des te meer vermoeit. Ze verdwijnt dus steeds korter en raakt hoe langer hoe meer van streek; ge achtervolgt haar met meer zekerheid, omdat ge haar nu duidelijk zien kunt als ze duikt. Plotseling schiet ze naast u het water uit, zoodat de droppels in uw kano vliegen. Eens kwam ze boven onder mijn pagaai; en ik trok haar een veer uit den rug, eer zij ontkwam.
Komt ze zoo den laatsten keer voor den dag, dan raakt ze van schrik buiten zichzelf en ge krijgt het tafereel te zien, waar ge zoo hard voor gewerkt hebt—Hukweem, die van stapel loopt. Daar gaat ze in een regen van droppels. Ze kletst met haar vlerken in ’t water, slaat hard om zich op te heffen, wel honderd meters, en laat een kielzog achter zich als een schroefstoomboot, tot zij vaart genoeg verzameld heeft om uit het water te stijgen.
Als ze er maar eerst uit is, heeft ze niets plomps meer over zich. Haar korte wieken rijzen en dalen met een snelheid, die onze oogen tart te volgen. Zoo snel schiet een zwarte eend voor den wind naar lokvogels. Ge kunt haar vluggen, krachtigen slag hoog boven uw hoofd hooren, als ze niet roept. Haar vlucht is heel snel, heel gelijkmatig en dikwijls geweldig hoog. Maar als zij dalen wil, wordt zij altijd bang; dan denkt zij aan haar korte vleugels en hoe hoog ze is en hoe snel ze vliegt. ’s Winters op den oceaan, waar ze ruimte in overvloed heeft, komt zij soms in een lange, mijlenlange schuine lijn naar beneden en plonst als een dolfijn door en over een reeks van golven, eer zij stil kan houden. Maar waar ’t meer klein is en zij op die manier niet kan dalen, beleeft zij duizelige oogenblikken.
Eens in September, op een meertje, zat ik wel urenlang te loeren om dat te zien gebeuren. Twaalf of vijftien duikers waren daar verzameld en hadden er groote pret. Ze riepen elke duiker die op den trek daar overvloog naar beneden; hun aantal wies dagelijks aan. De schemering was de geliefkoosde tijd van aankomst. In de stilte hoorde ik Hukweem op grooten afstand, zoo hoog dat zij niets dan een stem was. Weldra zag ik haar in een grooten kring boven het meer zwieren.—„Kom neer, o kom neer,” roepen alle duikers. „Ik ben bang, oeoe-ho-ho-ho-ho-hoeoeoeieie, ik ben bang”, zegt Hukweem, die misschien een jonge duiker is, heelemaal uit Labrador op haar eersten trek, en zij is nog nooit eerder uit de hoogte neergedaald. „Vooruit, o kom oh-ho-ho-ho-ho-hon. Het zal je geen kwaad doen; wij hebben ’t ook gedaan, vooruit!” roepen alle duikers.
Dan gleed Hukweem met elken kring lager en vloog in een groote spiraal om en om het meer, terwijl ze al dien tijd krijschte en alle duikers haar antwoordden. Wanneer zij laag genoeg was, spande zij haar vleugels en dook als uit een katapult geschoten, net te midden van de vergadering, die wild uiteenstoof, tierend als schooljongens: „Kijk uit! Ze breekt haar nek nog; ze ploft op je; ze breekt je den rug, als ze op je valt”.—En daarom gingen ze er plassend van door in een overhaaste vlucht, maar alle keken ze over hun schouder, om Hukweem neer te zien komen, wat ze met een duizelingwekkende vaart deed. Met een geweldigen plons kwam ze in ’t water en schoot het meer half over in een wit gebruis, voordat ze haar pooten onder zich kon krijgen en omkeeren. Dan verdrongen alle duikers zich kakelend, krijschend, snaterend om haar heen, met zoo’n lawaai als het duikertje nog nooit van haar leven gehoord had; en ze zwom weg in hun midden, terwijl zij ze zeker vertelde wat een ding het was om uit zoo’n hoogte neer te komen en den nek niet te breken.
Wat later in den herfst zag ik diezelfde duikers iets heel merkwaardigs doen. Verscheiden avonden hadden ze een ongewone drukte gemaakt in een rustige baai, onzichtbaar van mijn kamp uit. Ik vroeg Simmo wat hij dacht dat ze uitvoerden.—„O, ik niet weten, ik denken spelletjes, net als jongen. Hukweem dat doen wel als hij geen honger,” zei Simmo, terwijl hij doorging met het koken van zijn boontjes. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid op, maar toen ik de baai bereikte, was het te donker om te zien wat ze speelden.
Op een avond, dat ik zat te visschen waar de rivier het meer instroomde, was ’t een heel ander rumoer dan ik vroeger gehoord had. Eerst was het een poosje doodstil, dan plotseling een hevig gekrijsch; vervolgens een minuut of wat ’t gewone duikerpraatje en weer een stilte, door een nog schriller gekrijsch verbroken. Dit beteekende dat er iets ongewoons gaande was; ik liet dus de forellen in den steek om er ’t mijne van te hebben.
Toen ik mijn kano door den rand van watergras langs de landtong het dichtst bij de duikers geduwd had, waren er een twaalf, vijftien in een lange rij verspreid, van het einde der baai tot een punt bijna tegenover me. Aan het andere eind van de lijn zwommen twee duikers rond, die iets uitvoerden dat ik niet kon onderscheiden. Plotseling hield het duikergesprek op. Het is mogelijk dat er een sein werd gegeven, door mij niet gehoord, maar in elk geval draaiden de twee duikers zich op ’t zelfde oogenblik om en kwamen de rij langs stuiven, met vleugels en pooten in de weer om bij den wedstrijd te helpen. De duikers die boven in de rij lagen zwenkten achter hen de baan in, zoodra ze voorbij waren, als om den uitslag beter te kunnen zien, maar er was geen geluid te hooren, tot ze mijn eind van de rij voorbij waren gestoven, elkaar nauw op de hielen, de een amper een meter den ander vooruit; toen barstte er zoo’n getier los, als ik nog nooit had gehoord. Alle duikers verzamelden zich om de beide zwemmers; er was veel gekrakeel en gekrijsch, dat langzamerhand bedaarde; toen begonnen ze zich weer te ontrollen in een lange rij en twee andere zwemmers namen hun plaats in aan het eene eind. Tegen dien tijd was ’t zoo goed als donker en ik stoorde den wedstrijd bij een poging om mijn kano nader te brengen en alles beter te kunnen zien.
Twee keer heb ik sinds dien tijd van zomersche kampeerders gehoord dat ze duikers een wedstrijd hadden zien houden over het meer. Ik twijfel er niet aan of het is een tijdverdrijf, waar die vogels dikwijls van genieten, als de zomerzorgen voor de jongen afgeloopen, als de herfstdagen mild zijn, als er een overvloed van visch is en er lange uren overschieten om eens echt pret te maken, voordat Hukweem naar ’t Zuiden trekt voor het harde, eenzame winterleven aan de kust.
Van alle duikers, die me aanriepen in den nacht of de meren ’s zomers met me deelden, gaf er me slechts één gelegenheid om haar van dichtbij gade te slaan. Het was op een ongerept meer, zoo afgelegen, dat niemand het nog eerder ’s zomers bezocht had, en een duikermoeder voelde zich zoo veilig dat ze den open oever had verlaten, waar ze gewoonlijk nestelt, en haar eieren op een veenklomp had gelegd aan den kop van een nauwe baai. Daar ontdekte ik ze een paar dagen na mijn aankomst.
Ik was gewoon op alle uren van den dag er heen te gaan, in de hoop dat de moeder aan mij en mijn kano gewend zou raken, zoodat ik haar later zou kunnen bespieden, als ze haar jongen leerde; maar haar schuwheid was onoverwinlijk. Wanneer ik ook in ’t zicht van den veenklomp met het nest kwam, waar niets dan hals en kop van den duiker te zien waren, die kaarsrecht en onbeweeglijk uit het gras staken, zag ik haar van het nest glijden, weg door de groene dekking naar een diepe plek, en onder water glippen zonder een rimpeltje achter te laten. Als ik dan aandachtig over den rand van het heldere water tuurde, ving ik een glimp van haar op, even een grauwe streep met een zilveren bellenbaan, die diep en snel onder mijn kano doorschoot. Zoo ging ze de baai uit en verscheen een heel eind het meer in weer, waar ze ging heen en weer zwemmen, alsof ze aan ’t visschen was, tot ik verdween. Daar ik haar nest nooit verstoorde, en altijd gauw weer wegpagaaide, dacht ze stellig dat ze me om den tuin geleid had en dat ik niets van haar of haar nest afwist.
Toen probeerde ik het met een ander plan. Ik ging in mijn kano liggen en liet me door Simmo naar het nest pagaaien. Terwijl de duiker ginds op het meer was, toog ik, door den grazigen oever verborgen, naar een veenkluit en ging er op zitten, met een vriendelijken els over me heengebogen, nog geen twintig voet van het nest af, dat open en bloot lag. Daarop pagaaide Simmo weg en kwam Hukweem terug zonder het flauwste vermoeden. Zooals ik uit den vorm van het nest had opgemaakt, zat ze niet op haar twee eieren, maar in plaats daarvan op de kluit, terwijl ze ze stijf tegen haar zij hield met haar vleugel. Dat was al wat ze aan broeden kregen of noodig hadden; want binnen een week waren er twee vroolijke duikertjes in plaats van de eieren te bespieden.
Toen dat dien eersten keer zoo mooi gelukt was, ging ik in ’t vervolg alleen als de moeder op ’t meer was, en trok mijn kano in het gras, een honderd meter stroomaf van het nest. Van hier uit ging ik de elzen in en baande me een weg naar de kluit, waar ik Hukweem op mijn gemak kon gadeslaan. Na lang wachten kwam ze dan heel schuw de baai inglippen en na heel wat angstige omzichtigheid naar de kano glijden. Er was veel getuur en geluister noodig om er zich van te overtuigen dat die geen kwaad kon en dat ik niet ergens in ’t gras zat verscholen. Als ze echter eenmaal overtuigd was, kwam ze regelrecht op het nest af en ik had eindelijk de voldoening een duiker van vlakbij te bespieden.
Ze zat daar urenlang—zonder ooit te slapen klaarblijkelijk, want haar oog was altijd helder—zich te pluizen, langzaam haar kop om te draaien, als om aan alle kanten te kijken, nu en dan happend naar een indringerige vlieg, alles in volslagen onbewustheid dat ik vlak achter haar elke beweging zat gade te slaan. Dan, als ’k er genoeg van had, sloop ik langs het rendierpad weg en zette me rustig in mijn kano af zonder om te kijken. Ze zag me natuurlijk, als ik in mijn kano stapte, maar niet één keer kwam ze van haar nest af. Als ik het open meer bereikt had, vond ik na even zoeken met mijn kijker altijd haar kop daar in ’t gras, nog waakzaam naar mijn kant gewend.
Ik had gehoopt te zullen zien dat ze de jongen uit hun harde schaal liet en hoe ze voor den eersten keer te water gingen, maar dat was te veel verwacht. Eens hoorde ’k hen in de eieren piepen; den volgenden dag, toen ik kwam, was er niets te zien op den veenklomp. Ik vreesde dat er iets hun gepiep gehoord had en ontijdig een eind gemaakt aan de jonge Hukweems, bij afwezigheid der moeder. Maar toen ze terugkwam, na nog schichtiger dan gewoonlijk de oude schorsen kano onderzocht te hebben, kwamen er twee donzige kereltjes haar uit het gras tegemoet dobberen, waar zij ze had verstopt en bevolen te blijven tot ze terugkeerde.
Het was een heele zeldzaamheid ze bij hun eersten maaltijd gade te slaan; de ronddobberende kleintjes een en al begeerigheid, verrukt over ’t eten, verbaasd over de nieuwe, groote wereld, de moeder een en al teederheid en waakzaamheid. Hukweem was me nog nooit zoo nobel voorgekomen. Deze groote, wilde moedervogel, die daar maar onophoudelijk met bewonderenswaardige sierlijkheid zich om haar kleintjes bewoog, met innige liefde naar hun spel kijkend, en kijkend naar de groote, gevaarlijke wereld, om hunnentwil; hoe ze hen nu zachtjes berispte, dan weer bij hen kwam om ze met haar sterken snavel aan te raken of langs hun wangetjes te strijken met de hare, of om slechts boven hen te kreunen van verrukking in die heerlijke moederweelde, die de zomersche wildernis mooi maakt,—in tien minuten had ze al mijn theorieën omvergeworpen, en me veroverd, hart en ziel, ondanks al wat ik gehoord en gezien had van haar schadelijkheid in ’t vischwater. Waarom zou zij eigenlijk niet even goed mogen visschen als ik?
En toen begonnen de eerste lessen in zwemmen, wegschuilen en duiken, waarnaar ik al zoo’n poos verlangend had uitgezien.
Later zag ik haar vischjes aandragen, die ze licht gewond had, ze loslaten in ondiep water, en met een scherp, klokkend geluid de jonge duikers uit hun schuilplaats voor den dag lokken, waarna ze wild aan ’t jagen en duiken gingen voor hun eigen maaltijd. Maar eer dit gebeurde, had er nog bijna een treurspel plaats.
Eens, terwijl de moeder uit visschen was, kwamen de jongen uit hun schuilplaats in het riet en waagden zich een eindje de baai in. Het was hun eerste reis alleen de wereld in; ze waren geheel vervuld van het merkwaardige en gewichtige van de zaak. Plotseling, terwijl ik toekeek, stoven ze wild uiteen, en bewogen zich verbazend snel voort voor zulke kleintjes, luidkeels piepend. Van den oever stroomop, was een haastige rimpel scherp over ’t water geschoten tusschen hen en het eenige stukje moeras, waar ze thuis waren. Vlak achter den rimpel kwamen de spitse snuit en de kraaloogjes van Musquash, die altijd dergelijke dingen in haar schild voert. Op een van haar sluiptochten had zij het broedsel ontdekt; nu stelde zij alles in ’t werk om de verschrikte jongen in beweging te houden, tot ze uitgeput zouden zijn, en zij zelf zorgde er voor tusschen hen en den oever in te glippen.
Musquash weet best dat jonge duikers of zaagbekken of zwarte eenden, wanneer ze zooals nu in open water gesnapt worden, altijd terug trachten te komen naar de plek, waar moeder haar verstopt heeft eer ze wegging. Dat trachtten de kleine stakkerds nu ook te doen, maar slechts om teruggedreven, in wilde beweging gehouden te worden door de muskusrat, die zich af en toe uit het water ophief en met haar leelijke kaken over elkaar schoof, in afwachting van de smulpartij. Zij was de eieren misgeloopen, toen zij rondsnuffelde; maar jonge duikers zouden nog beter, nog meer opleveren.—„Jou heb ik!” hapte zij kwaadaardig, terwijl zij een uitval deed naar het naaste duikertje, dat bliksemsnel onder water schoot en ternauwernood ontkwam.
Ik was opgesprongen om tusschenbeide te komen, want ik was van die natuurwezentjes, wier groei ik van den beginne af had bespied, gaan houden, toen er aan mijn linkerkant een hevig geplas ontstond en ik de moeder als een bezetene aan zag komen. Ze zwom half, ze vloog half en stormde het water over met een schuimend wit zog achter zich.—„Jij leelijke kleine schavuit, je zult je verdiende loon hebben. Het komt al; het komt al”, riep ik opgewonden, en verschool me weer om te kijken. Maar Musquash, met alle aandacht bij haar snood bedrijf (er is volstrekt geen reden waarom ze vleescheter zou worden), bleef de uitgeputte jongen kwaadaardig nazitten en gaf geen acht op wat er achter haar gebeurde.
Op een afstand van twintig meter schoot de moedervogel tot mijn groote verbazing onder water en was verdwenen. Wat zou dat beteekenen? Maar er was niet veel tijd om me te verbazen. Plotseling was het of een steen uit een catapult de muskusrat van onderen trof en haar heelemaal boven water tilde. Met een geweldige vaart en veel geplas kwam Hukweem onder haar uit, den grooten, spitsen snavel door haar ruggegraat geboord. Mijn hulp hadden ze nu niet meer noodig; nog eens hakte ze toe (dezen keer was ’t op oog en hersens gemunt) en wierp haar minachtend weg, om zich naar haar bevende jongen te haasten, die ze ondervroeg en beknorde en prees, alles in één adem, bevend nu en zachtjes snaterend, zenuwachtig overstelpt door teederheid. Toen zwom ze tweemaal om de doode muskusrat heen en leidde haar broedsel van de plek weg.
Misschien is het aan een van diezelfde jongen dat ik een dienst te danken heb, waar ik meer dan dankbaar voor ben. Het was in September, toen ik me aan een meer, tien mijlen ver bevond—hetzelfde meer, waar een troep dartele jonge duikers zich verzameld hadden, voordat ze naar ’t Zuiden trokken, en voor mijn plezier een paar zwemwedstrijden gehouden. Ik was op een dag den weg kwijt, wanhopig verdwaald, toen ik van een meertje in de wildernis, waar ik had gevischt, naar het groote meer trachtte te komen, waar mijn kamp zich bevond. Het was laat op den middag. Om den langen, moeilijken tocht langs een rivier stroomaf te vermijden, waarlangs ik ’s morgens vroeg met een bijl naar boven was gekomen, trachtte ik me door het onbegaanbare bosch een weg te banen zonder kompas. ’s Zomers door een bosch te trekken in ’t Noorden is een wanhopig karwei. Ge zakt tot aan de enkels in het mos; het kreupelhout is dicht; omgewaaide stammen liggen in hopelooze verwarring over elkaar heen, waardoor en onder- en overheen ge moeizaam uw weg moet banen, gestoken, getreiterd door zwermen zwarte vliegen en muggen. Zoodat het bijna onmogelijk is koers te houden zonder kompas of heldere zon om den weg te wijzen, tenzij ge een sterk oriënteeringsvermogen hebt.
Nog niet halverwege was ik al verdwaald. De zon was al lang verduisterd, en een druilerige regen begon te vallen, waar niets van richting uit op te maken was, toen die eindelijk het kreupelhout bereikt had, waar ik me bevond. Ik was al aan een schuilplaats begonnen, van plan om daar een onplezierig nachtje door te brengen, toen ik een kreet hoorde en opkijkend een glimp van Hukweem ontwaarde, die zich hoog boven de boomtoppen voortspoedde. Ginds, een heel eind naar rechts, klonk een zwakke kreet tot antwoord, en ik haastte mij die richting uit, terwijl ’k onder ’t voortgaan een Indiaansch kompas van gebroken takjes maakte. Hukweem was een jonge duiker en had lang werk om neer te komen. Het geroep vóór me werd luider. Door haar komst uit hun dagrust gewekt, waren de andere duikers vroeger dan gewoonlijk met hun spelletje begonnen. Het geroep werd bijna niet meer onderbroken, en ik volgde het recht naar het meer.
Eenmaal daar gekomen was het een eenvoudige zaak de rivier te vinden en mijn oude kano, die geduldig onder de elzen lag te wachten in de toenemende schemering. Weldra dreef ik weer met een gevoel van onuitsprekelijke verlichting, dat hij alleen beoordeelen kan die verdwaald is geweest en nu de golfjes onder zich hoort zingen, en weet dat de vreugdelooze bosschen achter hem liggen en dat het kampvuur wenkt achter gindsche landtong. De duikers schalden heel in de verte en ik ging naar den overkant—ditmaal uit pure dankbaarheid—om ze weer te zien. Maar mijn gids was bescheiden en verdween als de wind in den mist, zoodra mijn kano maar verscheen.
Wanneer ik sinds dien tijd Hukweem hoor in den nacht, of anderen van haar bovenaardsch gelach hoor spreken, denk ik aan dien kreet boven de boomtoppen en het verrassende antwoord heel in de verte. En in het geluid is nu voor mijn ooren een klank, dien het vroeger nooit had. Hukweem, de Stem van den Nacht, leidde den dwalende uit het bosch veilig naar een behaaglijk kamp.—Dat is een dienst, dien men in de wildernis niet vergeet.
DE INDIAANSCHE NAMEN.
Cheokhes, kie-ok-ez’, de Amerikaansche „mink”, een ottersoort.
Cheplahgan, tsjep-la’-guan, de Canadeesche arend.
Ch’geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie’-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.
Chigwooltz, tsjigg-woelts’, de stierkikvorsch.
Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.
Commoossie, kom-moe-sie’, een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.
Deedeeaskh, die-die’-ask, de blauwe gaai.
Eleemos, el-ie’-mos, de vos.
Hawahak, ha-wa-hek’, de havik.
Hukweem, huk-wiem’, de groote noordelijke duiker of ijsduiker.