Part 6
Langzamerhand kreeg ik de overtuiging dat er iets achter me aankwam; maar ik draaide me verscheiden keer om zonder iets te ontdekken. „’t Is maar een zwarte kat”, dacht ik en bleef gestadig verder gaan, in plaats van terug te keeren om mijn spoor te onderzoeken; want ik hoopte iets te zien te krijgen van dat listige beest, wiens prent we zoo vaak evenwijdig aan de onze, vlak er naast aantreffen, en die ons, als we maar iets van wild bij ons hebben, uur in, uur uit de wildernis door volgt, zonder zich ooit in ’t licht te vertoonen. Toen zwaaide ik me plotseling, aan een ingeving gehoorzamend, om, en daar kwam Upweekis, een groot beest, dat er kwaadaardig uitzag, juist in ’t volle gezicht aansluipen over mijn spoor. Hij volgde de breede indrukken van mijn sneeuwschoen en den geur van de versche rendierhuid zonder moeite, hoe slecht speurder hij dan ook is.
Hij stond stil en ging me, zooals een lynx gewoonlijk doet wanneer hij betrapt is, op zijn achterpooten aan zitten staren. Toen ik weer verder trok, wist ik dat hij me volgde, ofschoon hij van het spoor verdwenen was.
Daarna ging ’t vier mijlen met versnelden pas, met de bedoeling om het kamp voor ’t vallen van den nacht te bereiken, wanneer de lynx in ’t voordeel zou zijn. Het was al laat genoeg om me een beetje ongerust te maken. Hij wist dat ik me haastte; hij werd brutaler, vertoonde zich openlijk op het spoor achter me. Ik boog af, een ouden houtweg in die me wat open terrein voor en achter liet. Toen zag ik hem af en toe, nu links, dan rechts, of ineengedoken, half weggescholen tot ik voorbij was. Hij wachtte blijkbaar tot ’t avond werd; maar tot op dezen dag ben ik er niet zeker van of het de mensch of de rendierhuid was, waar hij zijn zinnen op gezet had. Hij had den geur van vleesch en bloed in den neus en hij was te hongerig om zich nog veel langer te bedwingen.
Ik sneed een flinken knuppel met mijn groote jachtmes, en toen ik mijn kans schoon zag, gooide ’k den rendierkop af en sprong op hem toe, zooals hij daar in de sneeuw gedoken zat. Hij sprong op zij zonder dat ’k hem geraakt had, maar hurkte onmiddellijk weer neer, toonde al zijn tanden en gromde vervaarlijk. Drie keer mikte ik en sloeg naar hem. Elken keer sprong hij op zij, zijn kans afwachtend, maar ik liet den knuppel voor zijn oogen dansen en het was nog niet donker genoeg. Toen gaf ik een schreeuw in zijn gezicht, om hem bang te maken, en trok weer verder.
Dicht bij het kamp riep ik Simmo toe mij ’t geweer te brengen; maar hij begreep me niet dadelijk, en het antwoord dat hij riep maakte het wilde beest bij me op zijn hoede. Onmiddellijk werden zijn bewegingen behoedzamer, bedekter. Hij verliet het open pad, en eens, toen ik hem een goed eind achter me zag, had hij zijn kop in de lucht gestoken om te luisteren. Ik gooide de rendierhuid neer om hem bezig te houden en snelde naar het kamp toe. Een paar minuten later kwam ik met mijn geweer terugsluipen, maar Upweekis had den veranderden toestand gevoeld en was weer tusschen de schaduwen, waar hij hoort. Ik verloor zijn spoor in de steeds donker wordende bosschen.
Er was nog een los, die me eens een heel anderen kant van Upweekis’ aard toonde. Het was zomer; elk dier uit de wildernis lijkt dan in alle opzichten een ander wezen, dan dat we den winter te voren leerden kennen, met nieuwe gewoonten, nieuwe plichten, nieuwe genoegens en zelfs een nieuwe vacht, om hem beter voor zijn vijanden te verbergen.
Tegenover mijn kamp, op een eiland, waar ik op een zomerschen zwerftocht een poosje toefde, was een verbrande helling; dat is te zeggen, ze was jaren geleden verbrand; nu was ’t één warrelruigte, met menig open, zonnig plekje echter, waar frambozen bij handenvol groeiden. Het leefde er van konijntjes, en hazelhoenders waren er volop. Daar het wel veertig mijlen van de nederzettingen af lag, leek het een uitgezochte plaats voor Upweekis om een hol te maken. En dat was ’t ook. Ik twijfel er niet aan of er waren wel een dozijn lynxenfamilies op die twee mijlen helling, maar de dekking was zoo dicht, dat men niets kon zien bewegen, als ’t kleiner was dan een hert.
Twee weken lang jaagde ik, als ik niet aan ’t visschen was, de helling af, kroop de boschjes in en uit, vertrouwde meer op mijn ooren dan op mijn oogen, maar zag niets van Upweekis, behalve hier en daar een platgetrapte varen, of een blad met bloed bespet, met een plukje konijnenhaar of een groote ronde katteprent om ’t verhaal te doen. Eens trof ik een berin met twee jongen tusschen de frambozen aan; en een anderen keer, toen de wind bergaf woei, liep ik bijna tegen een mannetjesrendier aan zonder het te zien. Het bespiedde nieuwsgierig mijn nadering, terwijl slechts zijn oogen, ooren en gewei boven de ruigte, waarin het stond, uitstaken. Beneden onder de struiken heerschte altijd een doodsche stilte, zoo’n stilte, dat ik wel oppaste die niet te verstoren. Toen het groote monster dus plotseling snuivend en met een geweldig gekraak in de struiken vlak voor mijn neus rechtsomkeert maakte, rezen mij de haren even overeind, omdat ’k niet wist wat voor beest het was, en niet welken kant het uittoog. Maar ofschoon elke dag zijn ondervinding meebracht en zijn kennis en zijn nieuwe verbazing over de gewoonten van ’t boschvolkje, ontdekte ik geen spoor van het hol, noch van de katjes die ik had gehoopt te zullen bespieden. Alle dieren zijn stil in de buurt van hun jongen, dus noch ’s nachts, noch overdag was er ooit een kreet om me den weg te wijzen.
Toen ik eens laat op een middag naar den top van de helling geklommen was en me weer op den terugweg naar het kamp bevond, trof me plotseling een geur, de sterke, onaangename geur, die altijd om het hol van een vleeschetend dier hangt. Ik volgde hem door een boschje en kwam op een open, rotsachtige plaats, die plotseling in een dichte dekking verdween, vijf of zes voet loodrecht naar beneden. De stank kwam uit die dekking; ik sprong dus naar omlaag, toen—iauw, karrrr, pft-pft! Bijna van onder mijn voeten, sprong iets grijs’ snauwend weg, door een tweede iets gevolgd. Ik had maar een glimp van ze opgevangen, maar door de wijze waarop ze hun haren overeind zetten en bliezen en hun rug kromden, wist ik dat ik toevallig een paar lynxkatjes ontdekt had, waar ik zoolang tevergeefs naar had gezocht.
Ze hadden waarschijnlijk buiten op de warme steenen gelegen, tot ze vreemde voetstappen hadden gehoord en weggeglipt waren in de dekking. Toen ik krakend naast ze neerplofte, waren ze zoo verschrikt, dat ze hun nijdigheid toonden—anders zou ’k ze nooit in het kreupelhout ontdekt hebben. Gelukkig voor mij was de kwade, oude moeder uit. Als ze er geweest was, zou ik waarschijnlijk ernstiger bezigheid gehad hebben dan haar katjes te bespieden.
Ze hadden niets anders van me gezien dan mijn schoenen en kousen; toen ik dus achter ze aansloop om eens te kijken hoe ze er uitzagen, wachtten zij me onder een struik af, om te zien hoe ik er uitzag. Ze sprongen weer blazend weg zonder me te ontdekken, opgeschrikt door het geritsel, dat ik in ’t kreupelhout niet vermijden kon. Ik volgde ze. Niets dan wat bladgetril hier, een grauw daar en dan een haastig wegstuiven, tot ze naar de rotsige plaats terugkeerden, waar ik, toen ’k het onderhout behoedzaam uit elkaar geschoven had, een donker gat tusschen de rotsen van een kleine open plek zag. De wortels van een ondersteboven gevallen boom welfden over het gat en vormden een breeden doorgang. In dezen doorgang stonden twee halfvolwassen lynxen, donzig en grijs. Ze zagen er kwaadaardig uit, met hun ruggen nog gekromd, hun wilde oogen angstig mijn kant uit gericht. Toen ze mij gewaar werden, trokken ze zich verder in het hol terug en ik zag niets meer van ze, behalve af en toe hun ronde koppen of den gloed in hun gele oogen.
Het was te laat om dien dag nog meer waarnemingen te doen. De kwaadaardige oude moeder zou weldra terug zijn; ze zouden haar op de een of andere wijze van den indringer vertellen, en ze zouden alle goed in het hol blijven. Ik vond een plek, een meter of tien hooger, waar het mogelijk zou zijn ze te bespieden, merkte haar door een uitgebleekte boomstomp, waar ik een kompas van gebroken takjes aan maakte, en keerde toen naar ’t kamp terug.
Den volgenden morgen ging ik niet vroeg uit visschen, maar bevond me weer op de plaats, voordat de zon over de helling keek. Alles was rustig bij hun hol, dat in de diepe schaduw lag. Moeder lynx was nog weg, op haar morgenjacht. Ik was van plan haar dood te schieten als ze terugkwam. Mijn geweer lag klaar over mijn knieën. Dan zou ik de katjes een poosje gadeslaan en die ook dooden. Ik had zin in hun vacht, zoo mooi zacht met hun eerste haar. En ze waren te groot en te woest om er aan te denken ze levend te vangen. Mijn vacantie was om. Simmo was al aan ’t inpakken om dien morgen het kamp op te breken; er zou dus geen tijd overblijven mijn lang gekoesterde plan ten uitvoer te brengen, om de jonge lynxen bij hun spel te bespieden, zooals ik eerder jonge vossen en beren en uilen en vischarenden en,—ja, bijna alles in de wildernis had gadegeslagen, behalve Upweekis.
Weldra kwam er een van de lynxen naar buiten, gaapte, rekte zich uit, ging tegen een wortel opstaan. In de morgenstilte kon ik het krabben en rijten van zijn klauwen op het hout hooren. Wij noemen die beweging nagel-scherpen, maar het is eenvoudig een oefening zoo nu en dan van de fijne strekspieren, waarvan een kat zich zoo zelden bedient, en die ze toch op z’n tijd geweldig moet gebruiken. De tweede lynx kwam een oogenblik later uit de schaduw en sprong op den gevallen boom, waar hij de helling beneden beter kon bespieden. Wel langer dan een half uur, terwijl ik in afwachting zat, zwierven beide dieren rusteloos om het hol, of klommen over de wortels en den tronk van den gevallen boom. Het was duidelijk dat ze boos waren; ze deden geen poging om te spelen, maar bleven elkaar goed uit den weg met een heilzamen eerbied voor tanden en klauwen en humeur. Het ontbijtuur had al lang geslagen klaarblijkelijk, en ze hadden honger.
Plotseling sprong er een, die toen juist op den boomstam uit zat te kijken, naar beneden; de tweede voegde zich bij hem en beide liepen opgewonden heen en weer. Ze hadden het gerucht van een nadering gehoord, dat te fijn was voor mijn ooren. Beweging in ’t kreupelhout, en moeder lynx, een groot, woest beest, stapte trots voor den dag. Ze droeg een dooden haas, midden in zijn rug beetgegrepen. De lange ooren aan den eenen, de lange pooten aan den anderen kant, hingen slap en verrieden dat hij pas gedood was. Ze stapte naar den ingang van haar hol, liep er twee of drie keer heen en weer met den haas nog steeds vast, alsof de bloeddorstigheid in haar woedde en ze haar prooi zelfs niet voor haar eigen jongen kon loslaten, die haar hongerig, aan weerskanten een, volgden. Eens, toen ze zich mijn kant uitkeerde, greep een van de katjes een hazepoot en trok er wild aan. De moeder draaide zich met een ruk naar hem om, terwijl ze diep onder uit haar keel gromde; het jong deinsde af, verschrikt, maar grauwend. Eindelijk wierp ze het wild neer. De katjes vielen er als furiën op aan en snauwden tegen elkaar, zooals ik de andere lynxen vroeger eens over het rendier had hooren grauwen. In een oogwenk hadden ze ’t karkas uiteen gerukt en zaten ze elk over hun stuk gehurkt als een kat boven een rot te grauwen, terwijl ze zich gulzig volpropten, zonder ook maar een oogenblik aan de moeder te denken, die op eenigen afstand onder een struik lag te kijken.
In een half uur was de kannibalenmaaltijd gedaan. De jongen gingen overeind zitten, likkebaardden en begonnen hun breede pooten schoon te maken met hun tong. De moeder had slaperig liggen lodderoogen; nu stond ze op en kwam naar haar jongen toe. Er was een verandering over het gezin gekomen. De katjes draafden hun moeder tegemoet, alsof ze haar nog niet eerder gezien hadden, streken haar zachtjes langs de pooten, of gingen opzitten om met hun snorren tegen de hare te wrijven—een late dank voor het ontbijt, waar zij voor gezorgd had. Het leek ook of de kwaadaardige, oude moeder heel anders was. Ze kromde haar rug tegen de wortels, waarbij ze luid snorde en de kleintjes spinnend langs haar flanken streelden. Toen boog ze haar woesten kop en likte ze vol liefde met haar tong, terwijl ze zich zoo dicht tegen haar aanwreven als ze maar konden, onder haar pooten doorgingen als onder een brug en haar wederkeerig in ’t gezicht probeerden te likken, tot al hun tongen tegelijk in werking waren en de familie gezamenlijk ging liggen.
Nu was ’t de tijd ze te schieten. Het geweer lag klaar. Maar er was ook een verandering over den toeschouwer gekomen. Tot nog toe had hij Upweekis steeds als een wild beest gezien en scheen ’t goed hem te dooden; maar dit was heel wat anders. Upweekis kon ook vriendelijk zijn, leek het wel, en zich aan haar jongen geven. En een teeder tooneeltje, zooals zich daar onopzettelijk voor mijn oogen afspeelde, krijgt vat op je en vernagelt je geweer beter dan zedenpreeken. De toeschouwer sloop dus heen, terwijl hij zoo weinig mogelijk gerucht maakte, de richting uit, die het kompas van takjes wees naar de plaats waar de kano’s klaar lagen en Simmo wachtte.
Simmo en ik zullen daar, hoop ik, ’s winters nog eens kampeeren. En dan zal ik met een nieuwe belangstelling naar een kreet in den nacht luisteren, die me vertelt dat Moktaques, de haas, zich ergens in de buurt in de sneeuw verschuilt, waar een jonge lynx van mijn kennis hem niet kan vinden.
HUKWEEM, DE STEM VAN DEN NACHT.
Hukweem, de duikereend, is gedoemd door de wereld te gaan, roepend om wat zij nooit zal krijgen, en zoekend naar iemand dien zij nooit zal vinden; want zij is de jachthond van Clote Scarpe. Dat vertelde Simmo me op een avond, toen hij me uitlegde waarom de kreet van de duikereend zoo wild en treurig is.
Clote Scarpe is, laat ik dit even zeggen, de legendarische held, de Hiawatha der Indianen uit het Noorden. Lang geleden woonde hij op den Woolastook en heerschte over de dieren, die alle vreedzaam te zamen leefden en elkaars taal begrepen, en „niemand er ooit iemand opeten”, zooals Simmo zegt. Maar toen Clote Scarpe heen was gegaan, twistten ze, en Lhoks, de panter, en Nemox, de vischmarter, begonnen de andere dieren te vermoorden. Malsun, de wolf, volgde en at alles op wat hij doodde; en Meeko, de eekhoorn, die altijd zooveel kattekwaad uithaalt als hij maar kan, hitste de vreedzame dieren zelfs tegen elkaar op, zoodat ze bang voor elkaar werden en elkaar wantrouwden. Toen verspreidden ze zich over de groote bosschen, en gingen elk op zichzelf wonen, en nu dooden de sterke de zwakke en begrijpen ze elkaar geen van alle meer.
Er bestonden toentertijd geen honden. Hukweem was Clote Scarpe’s jachtgezellin, als deze op de groote wilde beesten jaagde, die de wildernis onveilig maakten, en Hukweem alleen van alle vogels en andere dieren bleef trouw aan haar meester. Want op jacht ontstaat innige vriendschap, zegt Simmo; en dat is waar. Daarom gaat Hukweem de wereld door op zoek naar haar meester, en roept hem toe terug te komen. Boven de boomtoppen, als zij laag vliegt om ander water te zoeken; hoog in de lucht, onzichtbaar, op haar trek naar het Zuiden; en op elk meer, waar zij niets dan een stem is, de melancholieke, nachtelijke stem der oneindige, eenzame, onbekende wildernis—overal hooren we haar zoeken. Zelfs ’s winters aan de zeekust, waar zij weet dat Clote Scarpe niet zijn kan—want Clote Scarpe haat de zee—vergeet Hukweem zich en roept af en toe, louter uit verlatenheid.
Toen ik vroeg wat Hukweem zegt als zij roept—want alle kreten in de wildernis hebben hun beteekenis—antwoordde Simmo: „Nou, twee dingen zij zeggen. Eerst zij zeggen: waar ben je? O waar ben je? Dat jullie noemen haar lach, net of zij gek is. Dan niemand antwoordt, zij zeggen: O, zoo’n verdriet, zoo’n verdriet! Oeoeoe-ieie!—als vrouw, in de bosschen verdwalen. Dat is andere roep van haar.”
Dit komt dichter bij eenige verklaring van het wilde, bovenaardsche van Hukweems kreet dan welke andere ook. Het maakt alles veel eenvoudiger te begrijpen, als we diep in de wildernis kampeeren en de avond valt, en uit de mistige duisternis, onder den oever aan den overkant, komt een wilde, sidderende kreet, die op onze zenuwen werkt, tot het ons duidelijk wordt:—Waar ben je? O, waar ben je? Dat is echt iets voor Hukweem.
Soms echter wijzigt zij den kreet en vraagt heel duidelijk: „Wie ben jij? O, wie ben jij?” Er was een duikereend op het Groote Squattukmeer, waar ik eens ’s zomers kampeerde, die zoo nieuwsgierig was als een blauwe gaai. Hij, ’t was een mannetje, woonde alleen aan het eene eind van het meer, terwijl zijn wijfje zich met een paar jongen aan het andere eind, negen mijlen ver weg ophield. Elken morgen en avond kwam hij dicht bij mijn kamp—veel naderbij dan gewoonlijk, want duikereenden zijn wild en schuw in de wildernis—om zijn uitdaging te roepen. Eens, laat op een avond, liet ik een lantaarn flitsen aan het einde van den ouden tronk, die als landingsplaats voor de kano dienst deed, waar ik een eigenaardig gekabbel gehoord had; en daar had je Hukweem, die alles met de grootste nieuwsgierigheid opnam.
Al wat ongewoon in ons doen en laten was, maakte hem nieuwsgierig. Eens, toen ik met een mooien wind achter het meer afging, een sparretje in den boeg van mijn kano als zeil overeind, volgde hij me een mijl of vier, vijf, aldoor roepend. En bij mijn terugkeer naar het kamp tegen de schemering, met een grooten beer in de kano, die zijn ruigen kop boven den boeg vertoonde en zijn beenen in de hoogte boven de middelste doft, net een oud, zwart kereltje met z’n rimpelige voeten op tafel, kon Hukweem het in zijn nieuwsgierigheid niet langer uithouden. Hij kwam tot op een afstand van twintig meters aanzwemmen, en kringde wel een keer of zes om de kano heen, ging recht op zijn staart overeind zitten, door hevig met zijn vleugels te werken, en rekte zijn hals uit als een nieuwsgierige eend, om in de kano te kunnen kijken en eens te zien wat voor raars ik daar meebracht.
Hij had nog een eigenaardige gewoonte, die hem een onuitputtelijk vermaak verschafte. Aan den westelijken meeroever bevond zich een diepe baai met aan drie zijden heuvels, die steil oprezen. Er was daar een merkwaardige echo; één kreet maar bracht wel een dozijn duidelijke antwoorden en dan een warreling van klanken, als echo’s en nog eens echo’s van vele heuvels elkaar ontmoetten en samenschalden. Ik ontdekte de plek op een merkwaardige wijze.
Eens, toen ik ’s avonds in de schemering naar het kamp terugkeerde van een onderzoekingstocht op het noordelijke gedeelte van het meer, hoorde ik een wild geroep van duikers aan den westkant. Er schenen vijf, zes groote duikers aan ’t lachen en gillen te zijn als gekken. Toen ik overstak om het eens te onderzoeken, bemerkte ik voor het eerst den ingang van een groote baai en pagaaide voorzichtig tot achter een landtong, om de duikers bij hun spel te verrassen. Want ze spelen, net als de kraaien doen. Maar toen ik binnengluurde, was er maar één vogel: Hukweem, de Nieuwsgierige. Ik kende hem dadelijk aan zijn grootte en zijn mooie teekening. Hij stiet een enkelen, scherpen kreet uit en luisterde dan aandachtig, met opgeheven kop, waarmee hij dan naar den eenen, dan naar den anderen kant zwaaide, als de afzonderlijke echo’s van de heuvels weerschalden. Daarna probeerde hij zijn kakelenden lach: Oeoe-áh-ha-ha-ha-hoe, oeoe-áh-ha-ha-ha-hoe, en als de echo’s hem om den kop begonnen te schallen, werd hij opgewonden, ging op zijn staart overeind zitten klapwieken, kakelen en schreeuwen, vol verrukking over zijn eigen vertooning. Elke wilde kreet werd als een schot teruggeslingerd door de omringende heuvels, tot de lucht vol duikers leek, die alle hun waanzinnig, hysterisch gelach vermengden met het lawaai van den voornaamsten. Je rilde van ’t geweld. Dan hield Hukweem plotseling op en luisterde aandachtig naar de zwermende echo’s. Voordat het gerucht nog half bedaard was, werd hij weer opgewonden en ging in kleine kringen rondzwemmen, met vleugels en staart uitgebreid, terwijl hij zijn mooie veeren toonde, alsof elke echo een bewonderende duiker was, zoo trotsch als een pauw dat hij zoo’n rumoer teweeggebracht had in een rustige wereld.
Er was nog een duiker, op een ander meer, van wie twee eieren door een diefachtige muskusrat gestolen waren; maar ze wist niet wie het gedaan had—want Musquash weet hoe zij, voordat zij ze eet, de eieren ’t water in moet rollen en ze wegsleepen, daar waar de moedervogel de schalen niet zal vinden.—Ze kwam ons tegemoet zwemmen, ’t meer af, zoodra onze kano er binnenvoer; en wat zij riep klonk als: „Waar zijn ze? O waar zijn ze?” Ze volgde ons over het meer, ons van diefstal beschuldigend, en steeds maar weer hetzelfde vragend.
Maar wat Hukweems roepen ook beteekent, het schijnt een belangrijk deel van haar bestaan uit te maken. En inderdaad, als roep is zij het meest bekend—de wilde, onwezenlijke kreet van den nacht in de wildernis. Haar onderricht begint daarin al heel vroeg. Eens onderzocht ik de grazige oevers van een ongerept meertje, toen een duikermoeder plotseling met veel geplas en geschreeuw voor den dag kwam, tot ze middenin was. Ik pagaaide ’t open water in, om te zien wat er aan de hand was. Ze trok zich bij mijn nadering terug, maar ’t kostte haar blijkbaar moeite, en ze riep nog luidkeels en sloeg met haar vleugels op het water. „Oho,” zei ik, „jij hebt daar ergens een nest en nu probeer je er mij van weg te krijgen.” Het was de eenige keer, dat ik ooit een duikermoeder dat oude kunstje van den moedervogel heb zien toepassen. Gewoonlijk glippen ze het nest af, als de kano nog wel een halve mijl weg is, en zwemmen ze een heel eind onder water en slaan ons zwijgend gade van den anderen kant van het meer.
Ik keerde terug en zocht een poosje naar het nest tusschen de moeraspollen van een kleine baai, maar staakte het zoeken, om een vreemden kreet thuis te brengen, die onafgebroken verder stroomop aan de kust weerklonk. Hij kwam van een verborgen plek in ’t hooge gras, een dringend, fluitend geluidje, dat me door ’t een of ander aan een nest jonge vischarenden deed denken.
Toen ik behoedzaam door ’t moeras waadde en den oorsprong van ’t geluid trachtte te ontdekken, stond ik plotseling voor het nest van de duiker—niets dan de naakte top van een veenkluit, waar de moeder ’t gras had afgetrokken en de aarde voldoende uitgehold om te verhinderen dat de eieren er uitrolden. Ze lagen daar op den blooten grond, twee heel groote, olijfgroene eieren met donkere vlekken. Ik liet ze ongestoord en ging voort met naar de herkomst van ’t geroep te zoeken, dat even had opgehouden, toen ik bij het nest kwam.