Part 2
De volgende ontmoeting leverde een eigenaardige tegenstelling met deze. Het was op ’t beverriviertje stroomaf van ’t Hay-meer, een plekje zoo wild als een droom van Doré, en algemeen bekend als een plaats waar elanden en herten hun eten zoeken. Ik was aan ’t hengelen naar forellen, toen een elandenmoeder tusschen de boschbes- en elzestruiken stroomop kwam. Ik had ’t ingooien gestaakt en zat laag in mijn kano; ze zag me niet, eer ik op dezelfde hoogte was als zij, geen twintig voet van haar af. Toen zwaaide ze haar reusachtigen kop onverschillig mijn kant uit, en ging door, alsof ik net zoo weinig telde als een van de beverhutten op den oever. Tien pas achter haar kwam een kalf. Nauwelijks hadden de bladen zich achter haar flanken gesloten, of hij stak zijn kop uit de struiken en zag me pardoes voor zich. Met een kreet en een sprong als van een opgeschrikt hert, stortte hij zich de boschjes in, en ik hoorde hoe de moeder in een kring haastig terugkeerde, dat ’t zoo kraakte, om hem te vinden en er achter te komen wat hem beangst had. Toen ik tien minuten later doodstil op dezelfde plek zat, werd er een reusachtige kop uit ’t kreupelhout gestoken, waar het kalf in verdwenen was. Er onder, stijf tegen zijn moeders flank gedrukt, was de kop van ’t kleine beest, om weer te kijken naar het ding, dat hem verschrikt had gemaakt. Hij had haar weer meegebracht om ook eens te zien, en vroeg nu duidelijk: Wat is het, moeder? wat is het? ofschoon er geen klank geuit werd. En daar bleven ze wel een paar minuten, terwijl we geen van allen een vin verroerden, voordat ze zich zwijgend terugtrokken en verdwenen, slechts een dubbele lijn nalatend van wuivende, trillende toppen in ’t lage hout, als het spoor van een reusachtige slang, om me te wijzen waar ze heengegaan waren.
Aan dezelfde rivier snapte ik den beroemden mannetjes-eland van onzen tocht ook. Ik pagaaide stilletjes voort, toen ik een bocht omkwam en er vlak voor mijn kano plotseling een reusachtig donker gevaarte uit het water opdoemde. Voor dat donkere gevaarte stak een groot gewei, het grootste dat ik ooit in Maine gezien heb, uit het water omhoog. De rest van zijn kop was er onder leliewortels aan ’t zoeken, en mijn eerste opwindende gedachte was, dat je de kano tusschen de einden van dat groote gewei zou kunnen drijven zonder ze aan te raken, zoo groot en breed was het. In plaats daarvan joeg ik mijn kano snel voort, tot zijn kop weer omhoog begon te rijzen en ik neerdook om hem te bespieden, van zoo’n korten afstand, dat elke verandering van uitdrukking op dien reusachtigen snuit en in die scherpe oogjes duidelijk zonder kijker te zien was. Hij zag me onmiddellijk, liet den wortel vallen dien hij omhoog getrokken had, en zijn onderkaak bleef openhangen van stomme verbazing. Hij scheen er niet zoo zeer verbaasd over te zijn wie ik was, als wel hoe ter wereld ik daar zoo stilletjes was gekomen. Hij deed langzaam een paar passen mijn kant uit met stijf naar voren gestoken ooren en oogen, die glommen toen hij me scherp opnam, of ’k ook maar een beweging maakte. Daarna waadde hij er op zijn gemak uit, klom den oever op, die hier steil was, en verdween in het bosch. Ik volgde hem dicht op de hielen toen hij verdween, en bekeek de manier waarop hij zijn reusachtige gewei droeg en zijn pooten in een hoogen stap opbeurde, als een Shanghai-haan. Dit was de eenige van alle elanden, waar ’k ooit achteraan getrokken ben, wiens kop hinderlijk zwaar belast scheen. Hij droeg het breede gewei laag en waakte er zorgvuldig over tusschen de boomstronken en elzestammen. Het stak nog in ’t fluweel, en ongetwijfeld deden de ruige takken, als ze er ruw langs schuurden, hem ineenkrimpen, tenzij hij langzaam ging. Eindelijk, toen hij merkte dat ik hem vlak op de hielen was, keerde hij zich om, om nog eens naar mij te kijken; maar ik kon juist achter een boom glippen, tot ik hem door hoorde gaan, en trok daarna weer achter hem aan. Weldra drong er eenige achterdocht voor het ding dat hem op het spoor was, of mogelijk een flauwe luchtgolf, die den gevaarlijken geur bevatte, tot hem door. Hij legde zijn groote gewei achterover op zijn schoften, op de wijze der elanden, en ging er met een geweldige vaart van door het bosch in. Ik kon me voorstellen hoe zijn tanden knarsten en hij met zijn oogen draaide, als er een terugspringende tak tegen zijn gevoelige gewei zwiepte, dat hij steunde van de pijn. Maar de angst voor wat er achter hem aankwam had de overhand, en in een oogwenk was ik hem kwijtgeraakt in de schaduw en de stilte van het groote bosch.
Het was dienzelfden nacht, meen ik (mijn aanteekeningen hebben geen verschil in tijd of plaats), dat ik nog eens zoo jaagde, met vrede in mijn ziel, en de eigenaardige gewaarwording alsof ik de gedachten en drijfveeren van het boschvolkje begreep. Ik gleed laat in de schemering met mijn kano over stil water voort, in de schaduw van ’t hooge, wilde beemdgras, toen een zacht gekwaak en gesnater van wilde eenden mijn oor trof. Ik pagaaide de kano stil het eerste open moerasje in, den kant der geluiden uit, tot ik zoo dichtbij was, dat ik geen voet verder durfde varen, en behoedzaam overeind rees om over de grashalmen te kijken. Er bevonden zich misschien dertig of veertig van die prachtige vogels—minstens vier of vijf broedsels, en elk broedsel onder leiding van zijn bezorgde moeder—die zich hier voor ’t eerst van alle meertjes uit de buurt, waar ze uitgebroed waren, hadden verzameld. Een dag of twee, drie geleden al had ik de jonge broedsels zien rondvliegen, bezig hun vleugels te oefenen als voorbereiding tot den langen najaarstrek. Nu waren ze allemaal vergaderd op een droge modderplaat, door hoog gras omgeven, terwijl ze speelden en klaarblijkelijk kennis maakten. Midden op de plaat bevonden zich twee grasbulten, waarvan de halmen vertrapt en afgerukt waren. Er stond altijd een eend op elken graspol, en lager stonden er nog een stuk of vier, vijf, die blijkbaar moeite deden om er op te komen; maar de top was klein en bood slechts ruimte voor één, en er was een groot gekwaak en speelsch gekrabbel om die uitverkoren plek. Het bleek duidelijk genoeg dat ’t een spelletje was, want als de vogels beneden naar boven probeerden te komen, deed het kleine beest in de hoogte al zijn best om ze in de laagte te houden. Andere vogels scharrelden in paren van den eenen kant der plaat naar den anderen; en er was één grappige optocht of wedloop—vijf of zes vogels die op een rij en heel langzaam begonnen en eindigden met groote vaart om hals-over-kop het gras in te duiken van den tegenovergestelden oever. Hier en daar zat aan de grenzen van het speelterrein een oude moedervogel van een graspol neer te kijken op het wilde, onschuldige spel, terwijl ze tevreden haar staart heen en weer bewoog en af en toe haar hals uitrekte om waakzaam uit te zien en te luisteren. Het geluid van de spelende vogels was merkwaardig zacht en gedempt, en deed me sterk denken aan een paar Indiaansche kinderen, die ik eens had zien spelen. Soms had het gekwaak iets van buikspreken weg, scheen van heel uit de verte te komen, en dan weer hield het geheel op bij een sein van een waakzame moeder, ofschoon ’t spel gestadig doorging, alsof ze zelfs in hun spelen aan de vijanden moesten denken, die overal loerden en luisterden om ze te pakken.
Toen ik iets meer overeind kwam om naar een paar vogels te kijken, die zich vlak bij me bevonden, maar onzichtbaar waren door ’t beemdgras, raakte mijn voet tegen een pagaai, zoodat die even ratelde. Een enkel „kwak”, afwijkend van alle andere, volgde oogenblikkelijk, en elke vogel bleef roerloos waar hij was, en stak zijn hals lang uit om te luisteren. Een moedervogel had me gezien, ofschoon ik niet zeggen kon welke, tot ze zich van haar veenpol af liet glijden en dapper mijn kant uit naar den overkant kwam waggelen. Toen gebeurde er iets eigenaardigs, dat ik dikwijls met verwondering heb waargenomen onder in troepen en kudden levende vogels en zoogdieren. Er werd een sein gegeven, maar zonder dat mijn ooren eenig geluid in de roerlooze stilte der schemering konden opvangen. Het was, alsof er een plotselinge prikkel als een electrische schok was uitgezonden aan elken vogel in den grooten troep. Op hetzelfde oogenblik dook elke eend ineen en sprong omhoog, krachtig sloegen de vlerken neer, de troep rees op, alsof de vogels door een schijfwerper gegooid werden, en verdween met groot gerucht van wiekgeruisch en schor gekwaak, waardoor iedereen in het groote moeras gewaarschuwd werd dat er gevaar dreigde. Luid geklapwiek hier en daar; roerdompen kreten heesch; reigers krasten; een „spiesbok” gierde en sprong vlak bij me op; een muskusrat, die voorbijzwom, dook onder met een klap van haar staart en een plons alsof er een steen in ’t water viel. Toen daalde de stilte weer over het moeras, en geen geluid verried waar het boschvolkje zich ophield in den stillen avond, noch waar het mee bezig was of zich mee vermaakte.
Vroeger kon men rendieren aan deze wateren vinden, en ze zijn het eigenaardigste en belangwekkendste wild, waar zonder geweer jacht op gemaakt kan worden; maar jaren geleden zijn alle lorkeboomen, waarvan de trekkende rendieren grootendeels voor voedsel afhankelijk zijn, door een rups vernield. De herten, die al zoo talrijk zijn dat het land hun in den winter nauwelijks voedsel genoeg kan verschaffen, maken zich meester van wat er eetbaars rest, zoodat den rendieren niets anders overbleef dan de grens over te trekken, Nieuw-Brunswijk in, waar ’t aan larixen niet ontbreekt en een overvloed van rendiermos uit de sneeuw is te wroeten. Nog beter, voor wien ’t om rendieren te doen is, is de groote wildernis van noordelijk Newfoundland, waar de rendieren den zomer doorbrengen en waar men van een bergtop af honderden van die prachtige dieren kan tellen, naar alle kanten over het land in de diepte verspreid. En zoo op ze jagen, met de bedoeling om de geheimen van hun merkwaardig bestaan te ontdekken—waarom bijvoorbeeld elke kudde dikwijls haar eigen begraafplaats kiest, of waarom een mannetje er van houdt uren aaneen op een holle boomstomp te stampen—dat is een vermaak naar mijn hart, oneindig veel grooter dan de jacht om ’t gewei, waarbij men ze belaagt, op de paden waar ze langs trekken, paden die ontelbare geslachten lang heilig zijn geweest, en ze neerschiet wanneer ze als tam vee voorbijkomen.
Voor den jager zonder geweer bestaat er geen gesloten jacht op eenig wild, en ’t is grooter genot te jagen op een hinde met haar kalfjes dan op een tienender. Te land of te water—hij is altijd klaar; hij hoeft niet te zwoegen om wat te bereiken, behalve voor zoover hij dat zelf verkiest; teleurstelling is niet mogelijk, want of het dier in rust is, of opgejaagd, schuw als een raaf in de wildernis, of brandend van nieuwsgierigheid als een blauwe gaai, hij vindt altijd wat om in zijn hart te bergen op de plaats, waar hij datgene bewaart wat hij graag overdenkt. Alles is hem welkom, en al wat zijn blik maar snapt, op aarde, in lucht of water, is van belang voor hem. Nu zijn ’t de waterspinnen—schaatsenrijders noemen de jongens ze—die een grappig spelletje doen tusschen de grashalmen en nog merkwaardiger gewoonten hebben dan de gewone zakspinnen, die soms Jonathan Edwards’ [1] gedachten wegriepen van den gestrengen, onbeminlijken God zijner theologie, naar den geduldigen, zorgenden Dienaar van het Heelal, dien sommigen Kracht noemen, en anderen Wet, en dien één, die Hem kende, Den Vader heette, dezelfde onder de leliën des velds als in de steden de menschen. Dan weer is het een otter en haar jongen, aan de oppervlakte aan ’t spelen, die duiken als ze je zien en plotseling weer verrijzen bij je kano, als een balk die rechtovereind naar boven komt schieten. Met hun lichaam half uit het water om beter te kunnen zien, zeggen ze w-h-ie-ie-ie-joeh als een jonge zeehond, om uiting te geven aan hun verbazing over zoo’n wonderlijk ding in het water. Ofwel een duikermoeder, die haar jongen op den rug neemt zoodra ze uit het ei komen, en ze een poosje ’t meer ronddraagt, om ze door en door in de zon te drogen, eer ze onder ze uitduikt en ze voor het eerst nat maakt; en ge moet ze lang nagaan voordat ge ontdekt waarom. Of het is een berin met haar jongen—ik bespiedde er drie, wel langer dan een uur, op een middag, toen ze boschbessen plukten. In den beginne hapten zij ze van de struiken, stengels, bladen en al, zooals ze groeiden. Dan, wanneer ze een mooien struik vonden, een kleintje vol bessen, beten ze dien dicht boven den grond af, of trokken hem met wortel en al uit, namen hem dan met beide voorpooten bij den stengel, en trokken hem van links naar rechts door hun bek, terwijl ze er alle bessen afristen en den struik, die nergens meer voor diende, weggooiden. Ook wel sloegen ze met hun voorpooten tegen de struiken, zoodat de rijpste bessen er afvielen en schraapten ze dan heel zorgvuldig allemaal bij elkaar op een hoop, om ze in één hap te verslinden. En altijd als een van de beertjes, op zoek naar een mooien struik, merkte dat het andere bezig was met een ongewoon goeie vondst, kreeg je een grappige herinnering aan je eigen jongensjaren, wanneer ’t kleine dier jammerend toesnelde om zijn deel te krijgen eer alle struiken leeggeplunderd zouden zijn.
Dat was een mooie jacht. Het stemde je blij, zelfs dezen zeldzamen sluiper der bosschen in vree zijn gang te laten gaan. En dat brengt me op ’t allerbeste wat ervoor den jager zonder geweer te zeggen valt:
„De wildernis zal zich verheugen, zij zal lustig bloeien en zich verheugen”, want er komt iets der vriendelijke gezindheid van den Heiligen Franciscus over hem, en als hij heengaat, laat hij pijn noch dood noch vrees voor den mensch achter.
HET SPEELSCHOOLTJE VAN DEN IJSVOGEL.
Koskomenos, de ijsvogel graaft nog een hol in den grond, zooals zijn kruipende voorouders; daarom noemen de andere vogels hem een verstooteling en willen ze niets met hem te maken hebben. Maar dat kan hem weinig schelen, want hij is een ratelende lawaaimaker, een zelfingenomen beest, dat den heelen dag niet anders te doen schijnt te hebben dan te visschen en te eten. Wanneer ge hem echter nagaat, merkt ge met verbazing op dat hij sommige dingen merkwaardig goed kan—eigenlijk beter dan iemand anders van het boschvolkje. Nauwkeurig de plaats van een visch te bepalen in stilstaand water is al moeilijk genoeg:—denk maar eens aan de straalbreking! Maar als de visch beweegt en de zon blikkert op het diepe water en de wind het oppervlak in tallooze sparkelende, wisselende voren en rimpels fronselt, dan moet de vogel, die den snavel pal op zijn visch kan richten en hem precies achter de kieuwen kan raken, meer in zijn kop hebben dan ’t gewone ratelende gekakel, dat men meestal aan de forellenbeken van hem hoort.
Dat leerde ik goed beseffen, toen ik Koskomenos voor ’t eerst begon te bestudeeren; en de bedoeling van dit schetsje, dat die eerste sterke indrukken beschrijft, is niet om kleur of teekening of broedgewoonten van onzen ijsvogel te geven—dat kunt ge alles uit de vogelboeken halen—maar om een mogelijk antwoord aan de hand te doen op de vraag: hoe hij zooveel weet en hoe hij zijn wijsheid aan de jonge ijsvogeltjes leert.
Op een zomer kampeerde ik boven een forellenkolk. Beneden de forellenkolk was een lommerrijke kom waar voorntjes zaten, een soort voorraadschuur voor ’t diepe water stroomop, waar de forellen in de vroege en late schemering voedsel zochten, en waar, als men voorzichtig een roodvin aan een dun toplijntje haakte en inwierp uit de vork van een overbuigenden boom, men soms een dikkerd kon vangen.
Eens, toen ik ’s morgens vroeg in den boom zat, schoot er een ijsvogel de rivier op en verdween onder den oever aan den overkant. Daar had hij een nest, zoo listig onder een neerhangenden wortel verscholen, dat ik het tot nog toe niet ontdekt had, ofschoon ik menigmaal de diepe kolk had afgevischt en de ijsvogels ratelend rond had zien vliegen. Ze waren buitengewoon luidruchtig als ik in de buurt was en vlogen telkens en telkens weer stroomop boven de forellenkolk met een lang geratel—ongetwijfeld een krijgslist, om me in den waan te brengen dat hun nest ergens een heel eind de rivier op was.
Sedertdien bespiedde ik het nest aandachtig in de tusschenpoozen dat ik niet vischte, en werd vele dingen gewaar, die me met verbazing en eerbied vervulden voor dezen onbekenden, ratelenden verstooteling van de rivieren der wildernis. Hij is vol toewijding voor zijn wijfje, en voert haar allerhoffelijkst als zij aan ’t broeden is. Hij is moedig, heel moedig. Eens verjoeg hij, onder mijn eigen oogen, een „mink” en doodde het kwaadaardige beest bijna. Hij heeft nauwkeurig omschreven wetten voor de visscherij, en handhaaft ze stipt; nooit gaat hij zijn grenzen te buiten, en in zijn eigen voornwater gedoogt hij geen strooperij. Er schuilt ook wel zooveel visscherskennis in zijn ragebol—als men ’t er maar uit kon krijgen—dat wat er in Izaäk Waltons vischboekje staat, er kinderklap bij is. Met zuiden- of noordoostenwind, op een somberen of een mooien dag, hij weet precies waar vischjes zitten en hoe ze te vangen zijn.
Toen de jonge vogels er waren, kwam het merkwaardigste van Koskomenos’ leven aan den dag. Op een morgen, terwijl ik in de struiken verscholen zat te loeren, stak de ijsvogelmoeder den kop uit haar hol en keek uiterst behoedzaam rond. Een groote waterslang lag languit op een aangespoelden boom op den oever. Onmiddellijk stoof ze op haar los en verjoeg haar. Even stroomop, onder aan de forellenkolk, was een broedsel zaagbekken aan ’t snateren en rondplassen in ’t ondiepe water. Ze konden geen kwaad, maar toch schoot de ijsvogel op ze af, met een drukte en een gescheld als van een vischwijf, en maakte ’t ze net zoo lang lastig totdat ze verdwenen naar een rustig moeras.
Op den terugweg vloog ze over een kikker heen, een grooten, bezadigden kikker, die slaperig op een lelieblad op zijn zonnebad zat te wachten. Chigwooltz ving misschien jonge forellen, zelfs kleine vogeltjes als ze kwamen drinken, maar hij zou stellig nooit een broedsel ijsvogels lastig vallen; toch liet de moeder als een prikkelbare huisvrouw, die haar bezem in elken hoek van een ongeveegde kamer zwaait, haar ratel luid weerschallen en schoot neer op den kop van den slaperigen kikker, zoodat ze hem met veel gespat en haastig gekrabbel de modder injoeg, alsof Hawahak, de havik, hem nazat. Toen schoot ze, met nog een blik goed om zich heen om te zien of de kust veilig was, en met een waarschuwend geratel aan wie ze maar van ’t boschvolkje over ’t hoofd mocht hebben gezien, haar nest in, als een voldane eend met haar staart wiggelend terwijl ze verdween.
Na een poosje stak een wild-oogige jonge ijsvogel zijn kop uit het hol en wierp zijn eersten blik in de wijde wereld. Een duw van achteren maakte kort en goed een eind aan zijn bespiegeling, en zonder eenige drukte zeilde hij neer op een dooden tak aan den overkant van de rivier. Er volgden er nog een en nog een op dezelfde manier, alsof hun allemaal precies gezegd was wat ze doen moesten en waar ze heen moeten gaan, tot de heele familie op een rijtje zat, met den rimpelenden stroom onder en den diep blauwen hemel en de ruischende boschwereld boven zich.
Dat was hun eerste les, en hun belooning was nabij. Het mannetje was sinds ’t aanbreken van den dag aan ’t visschen geweest; nu begon hij voorntjes uit een draaikolk aan te brengen, waar hij ze opgeborgen had, en zijn hongerige gezin te voeren, ze daarbij op zijn manier verzekerend dat deze groote wereld, die zoo verschilde van ’t hol in den oever, een goed oord was om te leven, en dat er geen eind kwam aan al ’t lekkers dat ze opleverde.
De volgende les was nog merkwaardiger, de les in ’t vischvangen. De school was een rustige, ondiepe kom met een modderigen bodem, waar de visschen duidelijk tegen uitkwamen en waar een boomstomp over heenhing, juist geschikt om van af te duiken. De oude vogels hadden een aantal voorntjes gevangen, ze doodgemaakt en hier en daar onder de stomp laten vallen. Toen brachten ze de jonge vogels er heen, toonden ze hun prooi en gaven ze door herhaald voorbeeld te kennen dat ze duiken en haar pakken moesten. De kleintjes waren hongerig en gingen gretig op ’t spelletje in; maar één durfde niet goed en pas nadat de moeder tweemaal gedoken en een visch boven had gebracht—dien ze den bangerd toonde en dan op een allertandentergendste manier weer liet vallen—kon hij den moed bij elkaar rapen om den plons te wagen.
Een paar morgens later, toen ik langs den oever sloop, trof ik een waterkom, die geheel van den hoofdstroom was afgesloten, waar wel twaalf of meer verschrikte voorntjes in rondspartelden, alsof ze er zich niet thuis voelden. Terwijl ik naar ze stond te kijken en me er over verbaasde dat ze de droge bank waren overgekomen, die de kom van de rivier scheidde, kwam er een ijsvogel stroomop schieten met een visch in zijn snavel. Toen hij mij in ’t oog kreeg, zwenkte hij stilletjes en verdween om de landtong stroomaf.
De gedachte aan dat eigenaardige bewaarschooltje in de wildernis kwam plotseling bij me op, toen ik me weer naar de voorntjes wendde en ik waadde de rivier over en verschool me in ’t struikgewas. Na een uur wachtens kwam Koskomenos behoedzaam terug, keek zorgvuldig over waterkom en rivier, en zwierde met een ratelenden roep stroomaf. Weldra kwam hij nog eens weer met zijn wijfje en de heele familie; en toen de kleintjes hun ouders neer hadden zien schieten en van de visch geproefd, die deze hadden gevangen, begonnen zij voor zich ook neer te schieten.
De eerste plonsen waren gewoonlijk vergeefsch, en als er een voorntje werd buitgemaakt, was het stellig een van de gewonde visschen, die Koskomenos daar bij de goed levende gebracht had om zijn jongen aan te moedigen. Na een of meer pogingen echter, schenen ze er den slag van beet te krijgen, en vielen ze neer als een schietlood, met den snavel vooruit, of schoten ze bijna steil naar beneden en sloegen netjes raak als de visch naar dieper water wegschoot. Het was een moeilijke en onstuimige rivier, alleen geschikt voor geoefende visschers. Op de rustigste plekjes zat geen visch, en waar voorntjes gevonden werden, hadden de jonge ijsvogels, die nog niet hadden leeren zweven en hun visch in de lucht grijpen, water of oevers tegen zich. Koskomenos had dus een geschikte plaats uitgezocht, zelf voor voorraad gezorgd om het onderwijs makkelijker voor zijn wijfje en profijtelijker voor zijn jongen te maken.
Het merkwaardigste in zijn methode was dat hij in dit geval de voorntjes levend naar zijn bewaarschool gebracht had, in plaats van ze dood te maken of te verwonden, zooals bij de eerste les. Hij wist dat de visschen niet uit de kom konden komen en dat zijn jongen ze op hun gemak zouden kunnen vangen.
Toen ik de familie weer zag, weken later, kenden ze hun lessen goed; ze hadden geen behoefte meer aan gewonde of opgesloten visch om hun honger te stillen. Ze waren vol levenslust, en vertoonden me op een dag een eigenaardig spelletje—het eenige spel dat ik ooit onder ijsvogels heb waargenomen.