Chapter 1 of 15 · 3907 words · ~20 min read

Part 1

DE VERDWIJN-MACHINE

DOOR KEES VALKENSTEIN. MET ILLUSTRATIES VAN DEN SCHRIJVER.

W. DE HAAN—UTRECHT.

INLEIDING.

Waarin de lezer iets verneemt van de nieuwste uitvinding van professor Wells en er achter komt, dat er in Nederland rare dingen gaan gebeuren.

Toen de wereldoorlog eindelijk uitgevochten was en de menschen genoeg hadden van al het moorden, vernielen en verbranden, dat ze eenige jaren achter elkaar tot groot verdriet van allen, die er aan deelnamen gedaan hadden, begonnen ze weer zoo langzamerhand belang te stellen in minder ijselijke dingen. Ze waren bezig de verwoeste landstreken weer te bebouwen en de geruïneerde steden te hernieuwen. De scheepvaart en de handel waren weer veilig en de groote onderzeeërs werden nu niet meer gebruikt om argelooze schepen naar de kelder te sturen, maar deden dienst als handelsvaartuigen. De knappe lui, die gedurende de oorlog aldoor hadden gedacht aan het uitvinden van vernielingsmachines gebruikten nu hun genie om dingen uit te vinden waar de wereld meer plezier van beleefde.

Ze waren hevig aan ’t uitvinden gegaan, die knappe lui! Edison die voor de oorlog verreweg de knapste onder de uitvinders geweest was, had ondervonden, dat anderen hem de baas waren. Ze overvleugelden hem. Z’n grootste konkurrent was ’n verbazend knappe kerel, de bekende professor Daniël Wells, van Yale University, de beroemde universiteit, die de geleerdste bollen en de pootigste voetballers van Amerika voortbrengt. Niet van die tamme voetballers zooals wij ze kennen, maar echte rugby-voetballers, die om ’n gebroken been net zooveel geven als ’n gewone voetballer om ’n blauwe scheen.

Professor Wells had dozijnen uitvindingen gedaan waar heel Amerika trotsch op was, maar zelf was hij het meest ingenomen met dat verbazingwekkende verdwijn-apparaat, dat maar enkele menschen gezien hadden en waar in Amerika de kranten kolommen en kolommen over hadden volgeschreven, en de Europeesche dagbladen hadden er eveneens melding van gemaakt, terwijl de geleerde tijdschriften in alle werelddeelen zich er mee hadden ingelaten.

Natuurlijk waren de geleerden het er niet over eens. De een geloofde er aan en de ander niet. Maar de algemeene opinie van de gewone menschen was, dat ze de kat maar uit de boom zouden kijken en wachten, tot ze dat gekke toestel zelf eens onder de oogen kregen.

Toen meldden de Amerikaansche kranten op ’n goeie dag, dat ’t nog wel ’n tijdje zou duren eer professor Wells er mee voor de dag kon komen, want de helft van het verdwijn-apparaat was op geheimzinnige wijze zelf verdwenen. Het kon nu wel ’n paar jaar aanloopen eer de professor die verdwenen helft er weer had bijgemaakt. Zulke toestellen vervaardig je maar niet in ’n vloek en ’n zucht.

„Wat is dat voor ’n ding?” vroegen de nieuwsgierigen, die slecht op de hoogte waren. En ze lazen met verbazing dat het ’n machine was, waarmee je heel eenvoudig ’n ding of ’n dier of zelfs ’n mensch onzichtbaar kon maken.

„Neemaar, dat is nog nooit beleefd,” zeiden de meesten. „’t Is gewoon onmogelijk!” Maar er waren dan wel anderen die begonnen uit te leggen, dat het laten verdwijnen van iets al ’n heel, oud kunstje was. De fakirs in Indië, ’n soort toovenaars, of alleen maar handige goochelaars volgens de minder geloovigen, deden het voor duizend jaar al. Die lieten je ’n geldstuk of wat anders zien en dan verdween het voor je oogen. David Tobias Bamberg, de beroemde Nederlandsche goochelaar, kon het ook. Maar die was eerlijk genoeg om je er bij te vertellen, dat het maar ’n vingervlugheid was. Het ding was niet weg, maar ’t zat hier of daar in zoo’n goochelaarszak, die David Tobias Bamberg ongezien door de toeschouwers met z’n hand had weten te bereiken om het horloge of het geldstuk er in te laten glijden. De fakirs uit Indië lieten dus ’n voorwerp echt verdwijnen en grootvader Bamberg maar in schijn. Die gaf het je na afloop weer terug.

Professor Wells was noch ’n fakir, noch grootpapa Bamberg. Hij was ’n geleerde, voor wie de natuur geen geheimen kon verbergen al had ze het ook nog zoo graag gedaan. Dat doet de natuur echter niet. Ieder die zich de moeite getroosten wil ijverig te onderzoeken en na te speuren kan alle geheimen der natuur doorgronden. En professor Wells was ’n natuurvorscher zooals er maar weinig gevonden worden. Alles wist hij, d.w.z. alles wat ’n mensch weten kan. Z’n hoofd was ’n magazijn van natuurkunde, scheikunde, wiskunde en nog ’n boel kunden meer. Van electriciteit was ie op de hoogte, als geen ander Amerikaan. Werktuigkunde had ie onder de knie, zooals ’n jongen de tafels van vermenigvuldiging.

’t Spreekt dus vanzelf, dat hij om iets te laten verdwijnen niet deed als grootpapa Bamberg of als ’n fakir.

Eigenlijk verdwenen de dingen door zijn machine ook niet. De naam verdwijn-machine was welbeschouwd glad verkeerd. De dingen verdwenen heelemaal niet. Ze werden alleen maar onzichtbaar, en waren dan net als de lucht, niet meer waar te nemen met onze oogen. ’n Tafel, die professor Wells liet verdwijnen, stond nog net zoo stevig op z’n pooten op dezelfde plek als voor de verdwijnkuur. Je kon het ding alleen maar niet meer waarnemen, behalve als je er tegen aan liep.

’n Paar van z’n collega’s aan de universiteit van Yale hadden het gezien met hun eigen oogen, hoe de professor zat te schrijven met ’n onzichtbare pen. En die hadden het wereldkundig gemaakt. Ze noemden het ’n triomf der wetenschap en zoo meer. Nou knap was het, verbazend knap, maar niemand begreep wat de menschen aan zoo’n malle uitvinding konden hebben. Dat begreep professor Wells zelf ook niet. Hij had eens ’n verbeterde naaimachine uitgevonden, waar ’n heele rol laken in ging en er aan de andere kant uitkwam in de vorm van jassen of pantalons of wat je maar wou, kant en klaar, met knoopen en al er aan. Dat was ’n nuttige uitvinding en de kleermakers waren hem er dankbaar voor. Ze maakten de naaimachine ’s morgen aan de gang en gingen dan zelf ’n pijp zitten rooken. ’n Knechtje zorgde er voor dat de pakken, die er uit kwamen, netjes opgevouwen werden. De kleermakers verdienden met die machine hun loon op d’r lui sloffen.

Maar die verdwijn-machine! Wat had je daar nu aan?

Professor Wells liet de menschen maar praten, ’t Kon hem niet schelen of iemand iets aan die machine had. Voor hem was het ’n uitvinding van belang. De menschen mochten er om lachen, ze mochten er aan gelooven of niet aan gelooven, dat liet hem koud. Hij was er van overtuigd, dat het de grootste uitvinding was, die op aarde ooit was uitgevonden en dat was hem genoeg.

Het is dus heel goed te begrijpen, dat professor Wells leelijk op z’n neus keek toen op ’n morgen de helft van z’n wondermachine uit z’n werkplaats, of liever uit z’n laboratorium verdwenen was.

En nog wel de voornaamste helft, namelijk die helft waarmee hij de dingen onzichtbaar maakte. De andere helft deed dienst om de onzichtbaar gemaakte voorwerpen zoo noodig weer voor gewone menschenoogen aanschouwelijk te maken. Beide werktuigen waren ieder opgeborgen in ’n stevig houten kistje en ze waren dus gemakkelijk mee te nemen, want erg zwaar waren ze geen van beiden.

De dief of de dieven waren maar slecht bekend geweest met de uitvinding, want dan hadden ze natuurlijk beide kistjes meegenomen. Nu zat de professor met de onbruikbaarste helft. Want wat had ie aan ’n werktuig waarmee hij dingen zichtbaar maken kon, als hij ze niet eerst onzichtbaar kon laten worden?

Professor Wells, die wist hoeveel tijd er mee heenging om ’n nieuwe machine te maken en daar waarschijnlijk ook erg tegen opzag, had dadelijk de slimste detectives aan het werk gezet om te trachten de verdwenen verdwijn-machine op te sporen. Het mocht kosten wat het wilde, hij moest die terughebben. De dief mocht wat hem betrof op vrije voeten blijven, als hij z’n kastje maar in bezit kreeg.

Natuurlijk verschenen er in alle dagbladen van Amerika en Europa advertenties waarin ’n groote belooning werd uitgeloofd aan degene die het kistje terugbezorgde. En zoo kwam het dat er allerwegen weer over de rare uitvinding geschreven en gesproken werd.

In Yale waar de professor woonde en werkte, geloofde iedereen dat de machine werkelijk bestond en gestolen was, maar hoe verder van die universiteitsstad je kwam, hoe minder geloof aan de echtheid van de uitvinding je er vond. In ons land bijvoorbeeld waren er geen tien menschen die er ’n woord van geloofden. Ze vonden het heele verhaal van die verdwijn-machine ’n mop. En ze meenden dat die professor Wells het heel slim overlegd had door nu maar rond te vertellen dat het ding gestolen was. Op die manier redde hij zich er aardig uit.

Maar die ongeloovige Hollanders vermoedden niet, dat de wondermachine door ’n paar internationale gauwdieven juist naar hun land gebracht was en dat professor Wells dank zij de slimme Amerikaansche detectives, de dieven reeds op het spoor was en zich gereed maakte om met ’n paar van de meest gewiekste politiespeurders de oceaan even over te steken.

EERSTE HOOFDSTUK.

Waarin Koen Bruggemans heel vreemde dingen beleeft waar hij niets van begrijpt.

De familie Bruggemans, vader, moeder en twee kinderen was met de vacantie naar de Veluwe getrokken. Daar hadden ze met hun vieren onderdak en goed eten gevonden bij ’n boer, die zelf wel ’n stuk of vier kinderen had en natuurlijk ’n heeleboel kippen, varkens, koeien en ’n paard of twee.

Koen Bruggemans had het daar uitstekend naar z’n zin en Berte z’n zusje niet minder. Ze stonden net als de leden van de boerenfamilie met het gekraai van de hanen op. Wel niet bij het eerste hanengekraai, maar toch heel héél vroeg, wat ze in de stad noemen vóór dag en vóór dauw. Vader en moeder Bruggemans zagen maar geen kans hen dat na te doen. „De ouwe lui hebben geen fut om zoo vroeg uit d’r mandje te komen,” zei Koen ’n beetje oneerbiedig.

Hijzelf zou voor geen geld zoo lang geslapen hebben. „Je moet je vacantie zoo uitgerekt mogelijk maken,” zei hij tegen Piet, de derde zoon van de boer, die zoo wat van Koen’s leeftijd was. Koen was vijftien. Piet was dat volkomen met Koen eens, ofschoon hij met vacanties geen steek meer te maken had, want Piet was al van school af. Alleen bezocht hij ’s winters de avondschool en dat moet gezegd worden, hij deed dat met plezier. Piet was dan ook alles behalve dom.

Berte had levenslange vriendschap gesloten met Mie, die net haar had als uitgeplozen touw, ’n paar leutige blauwe oogen en ruwe werkhanden al was ze pas dertien jaar. Bij de boeren kunnen de meisjes geen fijne zachte handjes gebruiken. Mie was ’n leukert die de heele dag lachte en zong. Deze wederzijdsche eeuwigdurende vriendschap werd bovendien uitgestrekt tot Flip de cypersche poes, die meeliep als ’n hondje, al ging je ook ’n uur ver de hei in of diep in het bosch. Hij ving jonge konijnen alsof het muizen waren en hij zag nooit ’n kuiken voor ’n huismusch aan. Flip was met Berte en Koen al heel gauw goeie maatjes geworden. ’n Poes heeft het gauw in de gaten of je van katten houdt of niet.

Piet moest natuurlijk mee al het boerenwerk doen, net zoo goed als vader en de twee groote broers. Hij zou dat zelf niet anders gewild hebben ook, want als hij met die groote broers gelijkop werkte beschouwde hij zichzelf en zij hem als ’n ferme kerel. Ook zou vader hem wel mores geleerd hebben, als hij z’n knuisten niet goed gebruikt had.

Nu de Bruggemans er waren, had Piet ook zoo’n soort vrijaf, d.w.z. hij werkte wel, maar er werden geen aanmerkingen gemaakt, als hij op verzoek van Koen eens met die stadsche jongen meeging het bosch of de hei in, of eens ’n werkje opzocht dat Koen graag deed. De boer liet dat dan oogluikend toe en de anderen vonden het ook best, want m’nneer Bruggemans betaalde goed.

Met Mie stond het net eender.

„Op die manier hebben er vier plezier,” zei de boer, „en het kost niks.”

Maar toch gebeurde het wel dat Piet iets doen moest waar Koen geen steek aan vond en dan trok hij er maar alleen op uit. Koen hield van rondzwerven. Z’n vader vond wel, dat ie nu in de vacantie mooi de gelegenheid had om eens flink wat te lezen, doch Koen meende, dat ie in de vacantie geen boek in z’n handen behoorde te nemen. Hoe minder hij in die tijd van boeken zag, des te beter. Na de vacantie lagen er genoeg op hem te wachten.

Bij zoo’n gelegenheid trok hij er dan maar alleen op uit, soms met Berte in ’t begin er bij, doch die keerde gewoonlijk nog al gauw terug met Flip of ze bleef hier of daar met dat lieve dier in ’t mos liggen.

Bij zoo’n gelegenheid zwierf hij weer eens heel alleen in het schemerige bosch. Daar groeiden meest dennen, dikke kanjers van boomen. Maar er waren eiken en beuken genoeg en kreupelhout er onder om de eentonigheid van ’n sparrebosch weg te nemen. Je kon je daar best in de wildernis droomen, wat Koen dan ook onmiddellijk deed. Daarvoor moest hij altijd alleen zijn, want met Piet er bij ging dat nu eenmaal niet. Die jongen hield ook van het bosch, maar er ’n wildernis of ’n oerwoud met wilde dieren en desnoods wilde menschen van droomen, daar zag hij geen kans toe. Koen was er eens over begonnen, maar Piet had er niet van terug, zooals Koen het uitdrukte. D’r waren geen wilde menschen en geen wilde dieren en of je ze er bij dacht of niet, dat hielp allemaal geen steek, wat er niet was dat kon je er ook niet bij denken.

„Weet je wàt er is?” zei Piet. „Als je heel stil zit en je hebt geduld dan komen de eekhoorns vlak bij je en de reeën, maar om die dicht bij je te krijgen, moet je als een beeld zoo bewegingloos zijn. En soms komen er ook wilde zwijnen. Maar de geringste beweging verjaagt ze allemaal. Ze vertrouwen de menschen geen steek.”

„Nou, daar hebben ze maar groot gelijk aan,” meende Koen. „Gewoonlijk komen de menschen niet met de beste bedoelingen.”

„Nee, ze schieten er leelijk op,” zei Piet. „Maar ze zijn d’r voor.”

„Zoo, denk jij dat?”

„En of.”

Koen kon Piet geen gelijk geven. Hij vond het zonde om op die reeën te schieten. Met de wilde varkens zat ie ’n beetje, vooral toen Piet hem eens vertelde dat die zoo leelijk konden huishouden in de rogge en in de boekweit. Maar Koen redde er zich nogal handig uit door toe te geven dat in zoo’n geval sprake was van schadelijk gedierte en dat mocht je gerust uitroeien.

Koen zat dus weer heel alleen in het schemerige bosch met z’n rug tegen ’n reus van ’n den, die op ’n hoogte stond. Dat was ’n pracht van ’n plekje om op de eekhoorns en de rest te wachten.

De konijnen kwamen het eerst voor de dag. Die hadden hem misschien niet zien aankomen, ofschoon het te vroeg op de dag was voor het algemeen konijnenspel. Hij zag er dan ook maar ’n paar.

De eekhoorns, bruine en roode, hadden hem al bij z’n komst beloerd achter de boomen vandaan. Maar toen hij zoo doodstil bleef zitten wel ’n kwartier lang, toen kregen ze wat meer vertrouwen in hem en lieten zich al heel gauw dichterbij bekijken. Eerst stak er een vlak bij Koen van de eene boom naar de andere over en klom toen ’n meter of wat omhoog, verdween aan de achterkant en loerde met z’n kraaloogjes heel slim om ’n hoekje. Daarna kwamen er meer en toen Koen ’n half uurtje gezeten had, zonder ’n vin te verroeren, namen ze bijna geen notitie meer van hem. Alleen maakten ze geen gebruik van de dikke den waartegen Koen zat.

Daarna hoorde Koen ’n zacht gekraak. Hij had graag eens even om de boom geloerd, want hij meende dat het geluid achter de boom vandaan kwam. Maar dan verjoeg hij sekuur het beest, wat het dan ook zijn mocht. Nog even wachten dus. Misschien kreeg hij het dan wel te zien.

Het was werkelijk ’n ree en wat Koen nog nooit gezien had, het was er een met ’n reegeitje bij zich. Het moedertje keek angstvallig rond en toen het Koen opmerkte, scheen het wel weg te willen springen. Het kleine beestje bleef vlak achter het oude dier. De ree keek nieuwsgierig naar Koen en scheen eindelijk de zaak niet zoo erg gevaarlijk te vinden. Koen hield zich prachtig. Hij knipte haast niet met z’n oogen. Maar ’t was ’n toer, want om de dieren goed te zien, had hij z’n hoofd moeten bewegen.

Eindelijk stapte de ree met voorzichtige trippelpasjes, telkens ’n poot hoog optillend vooruit en gevolgd door het kleintje wandelde het vlak voor Koen heen. Nog nooit had ’n jongen zoo dichtbij ’n dier dat in ’t wild leefde voor zich gezien, maar hij had ook nog nooit zoo onbeweeglijk stil gezeten.

De twee dieren wandelden heel bedaard het kreupelhout in en Koen tuurde strak naar het plekje, waar ze het hout waren ingegaan, om nog zoo lang mogelijk iets van de beesten te zien. Dat was echter nog maar ’n oogenblik en al spoedig hoorde hij ook al niets meer.

Koen zat nog altijd stil. Maar toen werd z’n nieuwsgierigheid te groot. Hij wilde weten of de hertjes misschien onder die struiken waren gaan liggen om ’n slaapje te doen. Heel stilletjes stond hij op en voetje voor voetje naderde hij de plek, waar de ree met haar jong waren verdwenen. Hij boog heel zacht de takken van het lage hout uit elkaar en keek toen opeens nog verwonderder dan wanneer hij de dieren daar had zien liggen.

Vlak voor hem onder de struiken lag ’n donker bruin leeren koffertje met ’n koperen beslag dat al groen begon te worden. Het moest dus al ’n tijdje in het bosch hebben gelegen.

Natuurlijk was Koen nieuwsgierig. Je vindt niet elke dag van die koffertjes in de bosschen van de Veluwe. En vooral geen koffertjes die er zoo fijn uitzien. Koen knielde op de plek neer en begon dadelijk maar te probeeren of het open kon, wat gemakkelijk genoeg ging. ’t Was niet gesloten.

Maar toen zag hij weer ’n ander koffertje, of eigenlijk ’n kistje van donker bruin hout, ook met koper beslagen en heel fijn afgewerkt. Om dit te kunnen openen, als het tenminste open te krijgen was, moest hij het uit het leeren koffertje halen, wat ie ook onmiddellijk deed.

’t Zat sekuur op slot. Hij probeerde op alle manieren, die je bij zoo’n gelegenheid aanwendt als je poogt ’n kistje of zoo iets open te maken en die geen van alle baten. Een van die manieren is, dat je een voor een je eigen sleutels in het slot tracht te passen ook al weet je van te voren dat het toch niet helpt. Koen had twee sleuteltjes in z’n zak, een van ’n teekendoos dat hij nooit van z’n leven nog gebruikt had en een van het koffertje waarin hij z’n „spullen” meegenomen had voor de reis. ’t Eene was veel te klein en ’t andere te groot.

Toen draaide hij het bruine kistje nog maar eens om en bekeek het weer van alle kanten, voor de zooveelste maal natuurlijk, zette het daarna voorzichtig, want het leek net ’n ding om voorzichtig te behandelen, op de grond. Daarna nam hij het koffertje waar het kistje had in gezeten weer ter hand en begon dat ding nog eens nauwkeurig te inspecteeren.

„Goeie idee,” dacht ie, „d’r zit nog meer in.”

In het koffertje was ’n soort zijzak en daaruit kwamen te voorschijn ’n omslag met papieren er in en heel onderuit ’n sleutel.

Dat was de sleutel van het kistje, dat kon niet anders. Jawel, zoo was het. Zonder moeite kreeg Koen het open.

Nou, de inhoud viel hem dan maar leelijk tegen. ’t Leek wel ’n soort machine en wat er te zien kwam, was allemaal heel sekuur met schroefjes vastgemaakt, zoodat je nog niet eens ’t plezier kon hebben die rommel eens in je hand te nemen.

Wat het voor ’n machientje kon zijn, daar had Koen niet het flauwste begrip van. D’r zijn zoo veel soorten van machines en Koen wist van die dingen al heel weinig af. Hij zou het maar eens meenemen en het aan vader laten zien. Die wist misschien wel wat het te beduiden had en bovendien je moest toch probeeren de eigenaar, die het verloren of vergeten had, op te sporen. Het leek tenminste kostbaar genoeg om er ’n advertentie aan te wagen. Het geld dat je daaraan besteedde, kreeg je dan later wel weer van de eigenaar terug.

„Maar wacht eens even,” dacht Koen, „misschien staat het wel in die zak met papieren wie de eigenaar is.”

Hij ging nu tusschen de struiken zitten en maakte de omslag open. Hij keek dadelijk of er geen naam op stond, maar die vond hij niet zoo gauw. Toen bladerde hij eens om te zien of er soms geen naamkaartje tusschen zat. Dat was ook mis.

Dan maar eens lezen wat er op die papieren geschreven was, misschien gaf dat wel de oplossing.

’t Was engelsch.

Dat viel Koen ’n beetje tegen, want ofschoon hij al ’n paar jaar engelsch leerde en er heel aardig mee terecht kon, had ie toch maar liever gehad dat het hollandsch was geweest. Je komt in ’t engelsch soms zulke rare woorden tegen en als je dan je woordenboek niet bij de hand hebt, zit je soms leelijk d’r mee.

Hij kreeg zoo’n opwelling om ’t heele zaakje maar weer in ’t koffertje te stoppen en ’t naar huis te sjouwen. Dan moest vader maar zien wat ie er mee deed. Wat had hij nou aan die moeite om daar in dat mooie bosch engelsch te gaan lezen.

Maar voor ie dat deed, keek hij toch eens even wat er boven stond, want er was ’n opschrift. Toen ie ’t gelezen had, bekeek hij opeens weer met groote belangstelling het kistje, dat nog altijd open voor hem stond.

Koen had eerst eens moeten nadenken eer hij van dat opschrift iets maken kon, en daarna twijfelde hij nog of hij ’t wel goed begreep. Het was ook lang geen alledaagsch woord. Hij maakte er van: Verdwijn-machine. Maar wat was nou ’n verdwijn-machine? Hij had er nooit van gehoord en toen hij het rare ding nog eens bekeek, kwam hij tot de gevolgtrekking dat ie ’t woord waarschijnlijk wel verkeerd vertaald zou hebben.

Om daar nu wat meer zekerheid van te hebben, begon hij maar te lezen wat er in die papieren stond. In het begin snapte hij daar ook al niet veel van. Doch hij las de zinnen herhaalde malen over, net zoo lang tot hij meende te begrijpen wat er in stond, Er kwamen woorden in voor die hij heelemaal niet door ’n hollandsch woord wist te vervangen. Maar zooveel begreep hij er toch langzamerhand wel van, dat die machine werkelijk iets te maken scheen te hebben met het verdwijnen van dingen, die je met dat apparaat behandelde. En eindelijk, maar dat had wel ’n uur moeielijk vertaalwerk gekost, meende hij begrepen te hebben hoe dat in z’n werk ging.