Chapter 9 of 15 · 3983 words · ~20 min read

Part 9

’n Poosje later ontmoetten ze de koddebeier, die op het licht afkwam. Hij had niemand te pakken kunnen krijgen en was zeer verwonderd de smid te zien. Hij lachte ook maar toen de smid vertelde hoe de hark aan de steel zat en gingen met hun drieën verder.

De smid trof het. Ze waren voor hem de goede kant uitgegaan en tien minuten later stond hij voor zijn smederij. De twee politiemannen gingen weer naar de boerderij terug die ze bewaken zouden.

De dorpsveldwachter was toen de jacht begon ’n beetje achtergebleven. Hij moest niks van al die gekheid hebben. Maar in het donker wist ie niet al te best de weg en hij bevond zich ook op het boschpaadje. Hij besloot maar rechtsomkeert te maken en het gewisse voor het ongewisse te nemen. Verdwalen daar had ie geen zin in en wie weet wat je op dat paadje nog tegen kon komen ook. Hij vond het erg vervelend dat het zoo pikkedonker was. Je zag geen hand voor je oogen. Na ’n poos voelde hij eens met z’n voet of ie nog op ’t pad was en toen dat geen oplossing gaf, ging hij op z’n hurken zitten om met z’n hand de grond te betasten. Hij kon er niet uit wijs worden. Dan maar ’n lucifertje aansteken. Hij zou ’t wel voorzichtig doen, want je moest in zoo’n bosch altijd de noodige voorzorgen nemen met vuur. Je had gauw genoeg ’n boschbrand.

’t Lucifertje brandde en de veldwachter keek gauw, maar hij zag wel het vlammetje, doch verder ook niemendal. Het gaf geen licht genoeg om hem bij te lichten.

Dan nog maar eentje geprobeerd en dat hield ie vlak bij de grond. Op ’n pad was hij nog wel, maar of hij nog op ’t rechte was, dat wist ie ook niet. Hij hoopte maar van wel en dan moest ie gauw genoeg de boerderij bereiken. Doorloopen maar. Hij nam groote stappen en raakte gelukkig het bosch uit. Maar van de boerderij zag hij geen spoor. Wel liep hij al gauw tegen prikkeldraad aan. Dat kon nergens anders wezen dan bij de wei waar het onzichtbare varken liep. Hij had dus toch ’n verkeerd pad genomen en was nu ergens aangeland waar hij om de waarheid te zeggen voor geen geld wezen wou. Stel je voor dat ie daar nou die poot van dat groote varken tegenkwam. Het was bij dag al akelig genoeg geweest om er naar te kijken maar bij nacht was het iets om van weg te loopen, al was het dan ook volgens die stadsche m’nheer de natuurlijkste zaak van de wereld. Van zulke natuurlijke zaken had hij niet terug.

De dappere dorpsveldwachter stond stil voor het prikkeldraad. Wat moest ie doen? Hij kon er best overheen stappen en dat zou hij anders ook wel dadelijk gedaan hebben. Hij meende in de verte het witte hek te zien schemeren. Daar had ie ’n gemakkelijke weg. Hij kon nu ook wel langs het bosch, zoo tusschen prikkeldraad en bosch in, de weg bereiken, maar dan moest ie voortdurend in kreupelhout en bremstruiken marcheeren en daar had ie ook niet veel zin in. Na rijp overleg besloot hij maar over het prikkeldraad heen te stappen. Hij kon de kant van het weiland houden. Dat was toch precies ’t zelfde of hij nu aan deze of aan de andere kant van het prikkeldraad liep.

Hij stapte dus over de draadversperring heen, die bestond uit kippegaas van onder, met ’n prikkeldraad er bovenlangs.

Hij liep haastig door. Zag hij daar niet ’n geschemer van lichte dingen en waren dat niet de biggen? Kwamen ze naar hem toe? Hij stond even stil. Jawel ’t kwam op hem af. ’t Was te donker om te zien of de biggen dichtbij waren, doch dat moest wel anders kon hij ze in de duisternis niet gewaarworden. Doorloopen, gauw doorloopen. Hij moest er eerder zijn dan de biggen, want die zouden wel achter dat akelige, onzichtbare beest aanloopen. Plotseling schrok hij zich haast halfdood. Hij struikelde ergens over en hij rolde in het gras, terwijl ’n harde varkensschreeuw gevolgd door nijdig geknor vlak bij hem als uit de grond oprees. Hij was over het onzichtbare varken gevallen en ofschoon hij dat ook gedaan zou hebben al was het varken nog net geweest als vroeger, omdat ie ’t in het donker evenmin zou gezien hebben, nu schrok hij er geweldig van. Z’n haren gingen op z’n hoofd onder z’n pet rechtop staan en er ging ’n rilling langs z’n rug.

Maar gauw overeind was ie en heel gauw weg ook. En hij wipte over ’t hek als ’n jongen. Hij wist zelf niet, dat ie nog tot zulke gymnastiek in staat was. En toen ging het er vandoor, niet naar de boerderij maar naar huis en ’n kwartier lang liep hij op ’n draf en was doornat en bek-af toen hij met moeite de sleutel in het slot van z’n huisdeur stak.

De strooper was ook gauw thuis geweest. Die kende het bosch van buiten. Maar de andere vier kwamen een voor een toen het dag was erg verhavend en een, de kleermaker, zelfs zonder pet, in het dorp terug.

Die dag wist het heele dorp wat er ’s nachts was voorgevallen en de burgemeester liet zich, zoodra hij ervan hoorde, verslag uitbrengen door de veldwachter, die alles haarfijn wist te vertellen, omdat ie er zelf bij was geweest en alleen maar oversloeg, wat hem zelf was overkomen in het land met de biggen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet hem niet gered hadden.

De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken, hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken gevallen was.

Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”

Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.

Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde beantwoorden.

Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren. Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom te houden, maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.

Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.

De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als ’t liep te eten.

Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.

Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.

In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het scheen.

De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells, noch van diens wonderbare uitvinding gehoord en dus was het hem niet kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.

Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.

Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed, namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te betasten. Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd, heel vreemd.”

Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed naar de boerderij.

De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof waar de burgemeester in plaats nam en begon:

„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis..... en hebben jullie nu ook nog ’n onzichtbare haan?”

De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de familie dood was en de boer antwoordde:

„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”

„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter... enne... je kan niet gissen wie je dat lapt?”

„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”

„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.

„Tja... dat kan ik me begrijpen.”

„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”

„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van gehoord.”

Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei, dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch wel ’n beetje benauwd om het hart.

„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.

De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.

Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.

Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.

De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.

Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het verhaal van de porceleinen isolators van de telefoonpaal die je daar zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters te laten komen om de orde te handhaven.

Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem in ’n mand en liet ’m bekijken voor ’n kwartje. Het was eigenlijk „voelen”, maar hij noemde het „kijken”.

De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop Koen met groote mooie letters had geteekend:

DE ONZICHTBARE HAAN. 25 ct. entree! Maïsvoeren 10 ct. extra.

M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen zooveel nieuwsgierigen, dat de onzichtbare witte het soms toch niet bolwerken kon.

Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer schik.

De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.

Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon bang. En iedere morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar geworden.

De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.

Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te merken.

Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die m’nheer te letten.

Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde de dorpsveldwachter de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.

„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in zijn bezit zijn.”

„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”

Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl ze zich gereed maakten om in bed te stappen.

Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was onmiddellijk bij de hand met ’n idee.

„Zeg Koen, dat moet niet hoor.... Ze moeten dat kistje niet bij jouw vader vinden..... Kan je niet meer praten?”

„Ja....we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van geschrokken!”

„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”

„Hoe kan dat nou.... Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden ze ’t immers vanzelf. En ze hebben ’t zóó, want vader kan het nergens in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles nagekeken om te zien waar het zijn kon.”

„En kunnen wij in die koffer komen?”

„Wij.... Welnee.... hoe zouen we?”

„Ja ’t moet toch.”

„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t beste zijn.”

„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”

„Weet ik ook niet..... Hij moet het maar naar Amerika sturen.”

„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze ’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”

„Maar hoe komen we d’r aan?”

„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”