Chapter 12 of 15 · 3919 words · ~20 min read

Part 12

De veldwachter stond verslagen. Zoo’n standje ook. En ze hadden heelemaal niet geslapen de heele nacht niet. Trouw hadden ze de ronde gedaan en ’t eenige wat er op hem aan te merken zou kunnen zijn, was dat ie z’n sabel de vorige avond ’n oogenblik had afgedaan omdat de koppel hem zoo knelde om z’n buik. Hij had bij de boerin wat veel van de spekpannekoeken gegeten en dan is het toch warempel geen wonder dat je buik ’n beetje last heeft van zoo’n leeren riem, die je niet wijder kan maken. Ja... waar had ie toen ook weer z’n sabel neergelegd? Buiten op de regenbak en daarna waren ze de ronde gaan doen wel ’n kwartier ver om de boerderij heen. Ze hadden zich overtuigd dat er geen levende ziel te bekennen was en toen hij terug kwam, lag z’n sabel er nog net zoo.

Dat zei hij allemaal tegen de burgemeester, want als ’t er op aankwam, dan was ie ook niet op z’n mondje gevallen. Maar de burgemeester snauwde hem nijdig toe:

„Doe je sabel om en snij uit.”

Hij dee niets liever dan „uitsnijen”, dan was ie van die standjes af. Maar z’n sabel omdoen, dat was wat anders. Voor geen geld van de wereld wou ie dat akelige ding aan z’n lijf hebben.

Doch toen ie dat ook tegen de burgemeester zei, werd deze zoo woedend en zei zulke leelijke dingen tegen de veldwachter dat die dappere politieman bleek van ontsteltenis de plaat poetste met achterlating van z’n onzichtbaar geworden sabel. Buiten gekomen sprong de arme man op z’n fiets en race-te als ’n wielrenner het dorp door, regelrecht naar de boerderij. Met z’n neus op het stuur trapte hij zonder op te kijken maar door. Bellen deed ie niet en de fietsers en voetgangers die hem ontmoetten, maakten dat ze uit de weg kwamen. En de dorpelingen die hem nakeken, zeien tegen elkaar: „Hij zit ze na hoor!”

„Hij krijgt ze te pakken,” zei ’n ander. „Als ie zoo doorfietst, heeft ie ze ingehaald voor ze er om denken.”

De dorpelingen die zoo praatten, bedoelden Bumpkins en Spigoletti die op hun nieuwe fietsen nog geen tien minuten geleden het dorp waren doorgekomen en ook op weg waren naar de boerderij. Ze hadden goed geïnformeerd bij de stationchef in Apeldoorn, die hen had kunnen inlichten in hun eigen taal en nu trapten ze er vroolijk op los. Ze zouen nu wel gauw die Jim te pakken hebben, meenden ze. De dorpelingen hadden die twee vreemdelingen natuurlijk allemaal nagekeken en toen ze ’n poosje later hun eigen veldwachter zoo razend over de weg zagen stuiven, meenden ze natuurlijk, dat ie die twee vreemde snoeshanen achterna zat.

Als de veldwachter niet zoo van zijn stukken geweest was door het ongemanierde standje van z’n burgemeester, had ie wel beter uitgekeken en dan had ie natuurlijk daar ver vooruit op het fietspad die twee Amerikanen moeten zien. Maar zooals nu de zaken stonden, zag hij niemendal en race-te maar door. Totdat hij met een vaartje van twintig kilometer in het uur de twee Amerikanen onderstboven reed, waarbij hij zelf natuurlijk ook ’n rare tuimeling maakte. Ze buitelden alle drie op ’n vreemde manier over elkaar heen en kwamen dank zij de zachte berm van de weg er met wat schrammen en blauwe plekken af. En daarna zaten ze alle drie elkaar aan te staren en merkten in ’t eerst niet eens op, dat ze om de onzichtbare telefoonpaal heen zaten. Wonder boven wonder waren ze geen van drieën met dat onzichtbare ding in aanraking gekomen. Ze keken er alle drie glad doorheen, maar de veldwachter was de eerste, die boven zich de porceleinen potten in de gaten kreeg en omdat ie die dag juist ’n erge afschuw had van al die onzichtbaar geworden dingen, riep hij in z’n ontsteltenis: „Ai... de paal!”

De detectives verstonden van die uitroep geen letter, maar ze werden nu ook opmerkzaam en keken omhoog zooals de veldwachter nog altijd deed.

De veldwachter hoorde toen plotseling allerlei vreemde geluiden, die uit de monden van die twee kerels kwamen en hij zag dat Bumpkins naar de onzichtbare paal kroop en die begon te betasten. Daarna deed Spigoletti het ook en onderwijl spraken ze opgewonden en druk. Doch dat bleef voor de veldwachter alles maar geluid, waarvan hij niets begreep.

Doch één ding werd de veldwachter duidelijk en dat kwam zoo plotseling als ’n bliksemstraal die insloeg: Hij had daar voor zich de lui die al die onzichtbare dingen op hun geweten hadden. En terwijl hem dat zoo plotseling klaar werd als de dag, stonden z’n haren haast rechtop van schrik en benauwdheid. Die schurken konden hem beetpakken en dan konden ze hem onzichtbaar maken, wie weet. Dat ging misschien in ’n paar sekonden. Het angstzweet brak hem uit.

Bumpkins en Spigoletti namen echter heel geen notitie van hem. Ze hadden het te druk met de paal en de veldwachter had nog net tegenwoordigheid van geest genoeg om z’n fiets te grijpen, het ding overeind te sjorren, er op te springen en weg te rennen. Het kon hem niet schelen welke kant ie opging. Zooals de fiets stond, reed ie weg en zoo kwam het dat ie tien minuten later weer full speed het dorp doorrace-te en weer bij de burgemeester terechtkwam.

„Hallo,” zei Bumpkins toen hij de veldwachter zag wegracen, „die vent is stapelgek.”

„Gaat ons niet aan,” antwoordde Spigoletti.

„Je hebt gelijk, wat dunkt jou van die paal?”

„Wel die paal is in orde. Ik ben er voor om nu eens te gaan zoeken naar de machine. Jim heeft er hier mee gewerkt.”

„Maar hoe lang geleden? Jim was op de boot. Hij is dus eerst hier geweest en naar Amerika teruggegaan, waarschijnlijk om de andere helft. Die heeft ie te pakken gekregen op de boot en nu is ie weer hier heen.”

„Precies. Hij is hier in de buurt met allebei de machines.”

„En nu zijn wij zoo dom hier aan de openbare weg te zitten zoodat iedereen ons zien kan. Als Jim hier in de buurt is, moeten we oppassen. Hij is slim.”

„Dat is ie zeker. Ik stel voor om onze fietsen ergens te verstoppen, daar in dat bosch bijvoorbeeld en dan gaan we eens neuzen of we wat van onze Jim ontdekken kunnen.”

„Goeie idee,” zei Bumpkins. „Vooruit dan maar.”

Ze pakten hun fietsen op en geen twee minuten later hadden ze die netjes verborgen, waarna ze er op uit gingen om Jim Pimpelmees te ontdekken of tenminste ’t een of ander dat hen op ’t rechte spoor zou kunnen brengen.

Ze hadden hun fietsen zoo verstopt onder de struiken, dat niemand die licht ontdekken zou, als ie niet gezien had dat daar fietsen verborgen werden. Doch dat was nu juist wel het geval. Piet en Koen waren daar net in de buurt. Ze hadden de twee Amerikanen het bosch in zien gaan met hun fietsen en ’n poosje later zagen ze hen wegsluipen zonder hun karretjes. Natuurlijk gingen toen de twee jongens aan ’t zoeken en ’t duurde niet lang of ze vonden de rijwielen.

„Spiksplinternieuwe karren,” zei Koen. „Fongers.”

„Gestolen?” zei Piet.

„Dat weet ik niet. Maar waarom zouen ze die dingen hier neer gezet hebben?”

„Nogal duidelijk, als ze die tenminste niet gestolen hebben. Als ze gestolen zijn, hebben ze ze hier verstopt, maar anders hebben ze ’t zeker gedaan omdat ze hier in de buurt wat tusschen de struiken willen wandelen. Misschien zijn ’t wel van die plantenzoekers. Die komen hier wel meer.”

„Nee dat zijn ’t niet, want dan moesten ze zoo’n plantenbus bij zich hebben.”

„Stil even,” zei Piet, „daar komen ze al weer an.”

Hij hoorde duidelijk de geluiden die iemand veroorzaakt als hij zich door het kreupelhout heenwerkt. In ’n wip was Piet verder het kreupelhout ingegaan en Koen volgde z’n voorbeeld. Ze waren nieuwsgierig en Koen vooral want die had plotseling de idee gekregen, dat die twee vreemdelingen misschien wel uit Amerika konden zijn. Ze zagen er zoo heelemaal niet hollandsch uit. Als dat nou eens professor Wells was. Die eene met z’n witte baard kon best ’n professor zijn.

Het geluid was nu vlakbij en ’n oogenblik later zagen de jongens de takken bij de fietsen uit elkaar gaan, zooals ze doen als iemand er door wil en ze met z’n twee handen opzij duwt. Doch ze zagen geen mensch.

Toen gebeurde er iets zoo vreemds, dat de jongens er allebei hartkloppingen van schrik door kregen. Een van de fietsen maakte ’n beweging alsof iemand het stuur gegrepen had en begon alleen weg te rijden. ’n Fiets rijdt echter niet gemakkelijk tusschen de struiken en Koen en Piet zagen de fiets ’n oogenblik later van de grond getild en het bosch uitgaan alsof iemand hem droeg op z’n schouder.

De jongens waren stom van verbazing, maar niet zoo geschrokken of ze gingen zoo snel ze konden die vreemd doende fiets na. De weg ging op die plaats vlak voorbij het bosch en Koen en Piet zagen de fiets wegrijden zonder dat er iemand opzat.

„Nou,” zei Piet, „dát heb ik nog nooit gezien. ’n Fiets die zelf het bosch uitgaat en alleen wegrijdt.”

„Kan niet,” zei Koen. „D’r moet iemand op zitten.”

„Maar d’r zat niemand op!”

„Hoe weet jij dat? D’r kan iemand op gezeten hebben die onzichtbaar was.”

„Iemand die onzichtbaar was? ’n Onzichtbare man?”

„Ja, d’r is toch ’n onzichtbaar varken, ’n onzichtbare haan en ’n onzichtbare telefoonpaal. Dan kan er ook wel ’n onzichtbaar mensch wezen.”

„Dat kan,” gaf Piet toe, „maar wie zou ’t wezen. Wij hebben de machine.”

„Misschien is ’t die professor Wells zelf wel!”

Piet had geen tijd om te antwoorden. Op de weg kwamen de twee vreemdelingen die hun fietsen in ’t bosch hadden verborgen, aangehold. Zulk loopen had Piet noch Koen ooit aanschouwd. Die kerels liepen letterlijk als hazen en die met de witte baard won het nog stukken van de zwarte.

De ouwe heer was het eerst op de plek en ging zonder dralen het bosch in om er ’n paar sekonden later met de overgebleven fiets uit te komen. Hij sprong op de de kar en terwijl hij wegrace-te in de richting waar de andere fiets alleen heen gegaan was, riep hij nog ’n paar woorden tegen de zwarte, die toen weer wat terugriep.

De zwarte heer keek de jongens ’n oogenblik aan, doch zei niets tegen hen, maar liep de weg op en verdween toen weer in ’t bosch.

„Kon jij verstaan wat ie riep?” vroeg Piet.

„Verstaan niet, enkel maar ’n paar woorden. Ze spreken engelsch. ’t Zijn bepaald Amerikanen en ze hebben vast wat te maken met die verdwijn-machine.”

„Spreken ze in Amerika dan geen amerikaansch?” vroeg Piet.

„Och jô, weet je dat nog niet, amerikaansch is engelsch.”

„Wist ik heelemaal niet.”

„Laten we nou maar gauw naar huis gaan Piet... Ik moet het nu toch aan vader zeggen van die fiets en van die Amerikanen en als ze komen, moeten we die machine dadelijk geven.”

„Natuurlijk geven we die machine dadelijk aan de eigenaar. Jouw vader zal ook wel zoo slim zijn om ’m maar niet aan de eerste de beste te geven die er om komt. Verbeeld je dat de dief of de dieven die ’m gestolen hebben eens kwamen!”

„Daar heb je gelijk aan. We moesten nu maar eerst aan vader vertellen wat we hier gezien hebben van die fiets en dan zeggen we meteen maar, dat wij de machine in ’t kippenhok bewaren.”

„Dat zal ’t beste wel zijn. Zeg ik zou wel eens willen weten, wat de veldwachter zei toen ie z’n sabel miste.”

„’t Is de vraag of ie ’t ding al gemist heeft,” zei Koen lachend. „Hij zal ook niet elk oogenblik z’n sabel trekken.”

„Komt er ook niet opaan. Vandaag of morgen ziet ie ’t en dan schrikt ie zich ’n aap. Hij is zoo bijgeloovig als ’n oud wijf.”

Ze stapten stevig aan om thuis te komen, want ze begrepen allebei dat het nu wel op ’n eind zou loopen met de machine in hun bezit. Het kon niet lang meer duren eer de oplossing kwam. En ze waren er benieuwd naar, want die fiets had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Wie zou daar onzichtbaar op gezeten hebben? Piet meende dat het de professor zelf moest zijn, doch dan moesten die twee vreemden waarvan er een zoo haastig was geweest met het achtervolgen van de fiets die er schijnbaar alleen van door was, de dieven zijn. Koen daarentegen hield vol, dat de dief onzichtbaar was en dat die witte m’nheer de professor moest zijn.

Intusschen was Bumpkins de onzichtbare man achterna gefietst. De weg was eenzaam tot aan het het dorp waar hij door moest. Maar daar was alles in rep en roer en de menschen vlogen op zij toen Bumpkins in volle vaart langs de smederij stoof, waar de menschen bij elkaar stonden om het wonderbare geval te bespreken, dat de meesten van hen met eigen oogen aanschouwd hadden, de fiets die alleen reed. Van alle wonderen waarvan ze in de laatste tijd getuigen waren geweest, was dit wel het meest wonderbaarlijke. Natuurlijk, de onzichtbare sabel van hun eigen veldwachter was ook geen kleinigheid, maar dit, nee, dat sloeg nu gewoon alles. En de vrouw van de smid was het dichtste bij datgene wat ze allemaal voelden, toen ze zei dat het was om er naar van te worden.

Toen ze nu Bumpkins in razende vaart voorbij zagen racen, (James Maccassy was altijd ’n eerste klas wielrenner geweest) riep de smid, terwijl ze uit elkaar stoven als schrikkende kippen: „Die hoort er ook bij, da’s een van de twee vreemde snoeshanen die we vanmorgen hier door zagen komen en die de veldwachter bij de paal heeft zien zitten.”

Die dorpsmenschen wisten altijd dadelijk alles van elkaar. Ze waren dus al op de hoogte van het geval met de sabel en van de rare ontmoeting van hun veldwachter met die twee vreemdelingen.

„Ik ga ’m achterna,” riep de smid. „Wie gaat er mee?”

Hij ging z’n smederij binnen en was ’n oogenblik later buiten met z’n fiets.

Dadelijk waren de meeste mannen die op het dorp woonden bereid en ze draafden naar alle kanten om hun tweewielers te gaan halen. De smid hoefde niet lang te wachten of er waren minstens ’n stuk of vijftien dorpelingen, die achter de smid aan wegrenden. De smid had er al dadelijk ’n flink gangetje ingezet. Hij had de leiding. De kleermaker was vlak naast hem. Die had ’n goeie fiets, die licht reed anders had ie het niet kunnen bolwerken tegen de reuzenspieren, die de smid in z’n kuiten had. Daar vlak achter kwam de klompenmaker op ’n armzalig wieltje met onmogelijk gelapte banden. Maar de man had zelden pech en iedereen verwonderde zich er altijd over, dat ie met zoo’n rotkar niet twintigmaal per dag met leege banden stond. Bij de klompenmaker reed de bakker op ’n vreeselijk zware kar, met twee stangen in het frame en ’n ijzeren bagagedrager met ’n groote broodmand voor aan het stuur. Dan volgden de metselaar op klompen met ’n paar rammelende spatborden en anderhalf pedaal, de schoenmaker-barbier op ’n race-karretje en de rest van de deelnemers op rijwielen die allemaal min of meer de gebreken van de ouderdom vertoonden.

Na ’n minuut of tien viel de metselaar uit. Z’n achterband was met ’n knal gesprongen. De anderen lachten hem uit en lieten hem aan de weg staan. Hij kon alleen de terugtocht ondernemen. De schoenmaker was uit de achterste gelederen naar voren gekomen en had de kleermaker verdrongen, zoodat ie nu naast de smid reed. Hij wou die smid eens probeeren en met z’n handen bijna op de grond en z’n neus over het stuur trapte hij uit al z’n macht en z’n pedalen gingen rond of ze aan ’n stoommachine zaten. Maar de smid kon het schoenmakertje wel aan. Hij had ’n fiets met ’n groote versnelling en z’n beenen waren zoo sterk of ze van ijzer waren. Hij hoefde zich niet eens voorover te buigen om het schoenmakertje bij te houen. En hij werd er niet eens kortademig van zooals de schoenmaker, die bek-af werd en met ’n rooie kop waar het zweet afdroop al heel gauw begon te verslappen, waarbij de lachende smid hem voorbijschoot en de schoenmaker toeriep: „Toe schoenlapper opschieten!”

De heele troep kwam bij tweeën en drieën achteraan, maar ze bleven toch zoowat bij elkaar en zoo reden ze Apeldoorn in, waar ze niet hoefden te vragen waar ze heen moesten, want langs de weg waar de losse fiets en de Amerikaan achter elkaar heen gekomen waren, stonden overal menschen te kijken en het gekke geval te bepraten. Velen liepen ook op ’n drafje dezelfde weg op en al gauw waren er ’n vijftig fietsers achter de dorpelingen aan. Het was ’n heel eskadron geworden. Maar op het plein voor het station konden ze niet verder, want het was daar zwart van de menschen, waarvan de meesten niet wisten wat er aan de hand was. De smid maakte niet veel omslag maar drong met fiets en al gewoon door de menigte en kwam vooraan, waar vlak bij het station de Amerikaan met twee fietsen stond, benevens ’n paar politieagenten, waarvan er een met Bumpkins trachtte te praten.

Bumpkins verstond evenwel geen woord van wat de agent zei en die natuurlijk niets van Bumpkins. De agenten hadden de fiets die alleen reed, niet zien komen en ze geloofden geen woord van sommige omstanders, die het wel gezien hadden.

Die agenten waren ongeloovige Tomassen en een van hen beweerde, dat ie die onzin gelooven zou als ie ’t zelf zag en toen wilden de menschen de fiets er weer alleen vandoor laten gaan, doch zoodra ze de fiets loslieten, viel ie om zooals elke fatsoenlijke fiets gewoon is te doen.

De agenten maanden dus de menschen tot doorloopen aan, want ze wisten er geen touw aan vast te knoopen. Bumpkins gesticuleerde en praatte en het gevolg was dat de twee agenten Bumpkins met z’n twee fietsen meenamen naar ’t politiebureau, vergezeld door honderden menschen waaronder ook de smid met z’n volgelingen.

Op het bureau was ’n inspecteur die engelsch verstond en daar Bumpkins alleen zei dat de fietsen van hem waren en de eene gestolen was, en de dief waarschijnlijk met de trein vertrokken, vond de inspecteur het goed Bumpkins met z’n twee fietsen te laten heengaan.

Hij had ’n beetje moeite met z’n beide fietsen door de menigte te komen, doch ’n paar agenten hielpen hem en zoo kwam hij veilig er tusschen uit. Hij sprong vlug op de fiets en met de andere aan de hand trapte hij weg.

Maar op de terugweg naar het dorp waren de smid en de andere vlak achter hem.

Dat vond de Amerikaan niet erg naar z’n zin, maar hij kon er niets aan doen. Toen hij evenwel het dorp bereikt had, zette hij er de sokken in en reed in eens door naar het bosch waar Spigoletti op hem wachtte. De smid vond het niet geraden hem nog verder te volgen en de menschen die altijd hun smid in zulke dingen nadeden, bleven dus ook maar achter en vertelden toen wat ze in Apeldoorn gezien hadden. Het heele dorp was er de heele dag door van streek.

Het was ook te gek, ’n fiets die eerst alleen ’n tochtje deed en later bleek niet meer op z’n eigen beenen te kunnen staan. Daar had nog nooit iemand van gehoord.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en als echte inbrekers te werk gaan.

Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika, dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee vreemde kerels eenvoudig maar in te pikken en de burgemeester besloot na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken, moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester, maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had.

Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus in het geval dat de politie het niet alleen af kon.

„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.”

„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat er van terecht komt.”

Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds toen het gevecht op het hevigst was.

Want het was ’n gevecht geworden.

De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen. De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de pot wou stoppen?

De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor brullen: „Ik heb je man!”